Selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie over de periode 1991-1997
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder c, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 februari 2000, nr. arc-99.1667/2);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie over de periode 1991-1997' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Selectielijst van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie 1991-1997
Zoetermeer, juni 2000
Inleiding I
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie is een bij wet ingestelde organisatie en is gehouden aan de Archiefwet 1995 (Stb.276) en de daaruit voortvloeiende besluiten en richtlijnen.
Een van de verplichtingen in de Archiefwet 1995 (artikel 5, eerste lid) is het ontwerpen van een selectielijst. Met voorliggend document wordt aan deze verplichting voldaan.
Deze selectielijst bestaat uit een korte beschrijving van de voornaamste actoren en de daaraan gekoppelde organisatie in historisch perspectief, een verantwoording van de doelstelling van de selectie en van de gehanteerde selectiecriteria. Tevens omvat de selectielijst een beschrijving van de handelingen van deze actoren met een voorstel voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op de handelingen.
In verband met de wijziging van de grondslag, zijnde de Arbeidsvoorzieningwet, per 1 januari 1997, is er voor gekozen om de selectielijst op te splitsen in twee delen. Het eerste deel heeft betrekking op de `oude' Arbeidsvoorzieningswet en gerelateerde wet- en regelgeving en geeft een opsomming van alle handelingen die vóór 1997 zijn afgerond.
Het tweede deel heeft betrekking op de `nieuwe' Arbeidsvoorzieningswet 1996 en gerelateerde wet- en regelgeving en bevat de nog lopende handelingen voor de periode 1991-1997.
Na vaststelling van de selectielijst door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) kan de procedure voor enerzijds de overbrenging van de bescheiden naar de Rijksarchiefdienst en anderzijds de vernietiging worden uitgevoerd.
De handelingenlijst heeft alleen betrekking op het handelen van de actoren van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Met de vertegenwoordigers van andere actoren die zich op het beleidsterrein bevinden zijnde de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Minister van OC&W en de Minister van Financiën zullen afspraken worden gemaakt over de uitvoering van de selectielijst.
Op 14 september 1999 is de ontwerp-selectielijst door de directeur Arbeidsvoorziening Facilitair Bedrijf aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze de lijst ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met de ontwerp-selectielijst naar de RvC is verstuurd. Vanaf 28 september 1999 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de informatiebalie in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief evenals in de blibliotheken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant 185 van 27 september 1999.
Tijdens deze terinzagelegging is op verzoek van de Archiefcommissie van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap een reactie geschreven door een deskundige op het beleidsterrein. Van andere (historische) organisaties of individuele burgers is geen commentaar ontvangen.
In de vergadering van de Bijzondere Commissie Archieven van de RvC van 7 december 1999 is de ontwerp-selectielijst behandeld, waarbij ook het verslag van het driehoeksoverleg en de bovengenoemde ingekomen reactie bij de voorbereiding van het advies zijn meegenomen.
Op 25 februari 2000 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-99.1667/2), hetwelk behoudens enkele tekstuele correcties geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.
Historisch perspectief II
Tegen het einde van de vorige eeuw lag de arbeidsbemiddeling voornamelijk in handen van vakverenigingen en verenigingen op ideële grondslag. Voor die tijd was de arbeidsbemiddeling het werkterrein van particulieren, die op de eerste plaats geïnteresseerd waren in woekerwinsten. De overheidsbemoeienis met de arbeidsbemiddeling is ontstaan aan het begin van deze eeuw. In 1902 werd in Schiedam de eerste gemeentelijke arbeidsbeurs opgericht.
In de Eerste Wereldoorlog werd het probleem van de werkloosheid dermate groot, dat de nationale overheid er niet meer om heen kan: het rijk neemt zijn medeverantwoordelijkheid en dit leidt tot oprichting van de Centrale Rijks Arbeidsbeurs. In 1916 werd deze dienst samengevoegd met de Dienst Werkloosheidsverzekering in de Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling. Onder deze Rijksdienst vielen districts-arbeidsbeurzen, gemeentelijke arbeidsbeurzen en agentschappen. Een van taken van de rijksdienst werd de voorbereiding van een arbeidsbemiddelingwet, die in 1932 in werking trad. Deze wet stelt een verbod op de arbeidsbemiddeling zonder een vergunning van overheidswege. Daarnaast verschaft deze wet een juridische basis aan de arbeidsbemiddeling, die van overheidswege wordt geleid en in stand gehouden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de arbeidsbemiddeling naar Duits model gereorganiseerd. Het Rijksarbeidsbureau (RAB), een afdeling van het Departement van Sociale Zaken, werd belast met de openbare arbeidsbemiddeling. Deze afdeling bestond uit een hoofdbureau, 37 gewestelijke arbeidsbureaus (GAB's) en 144 bijkantoren. Voorts berustte bij het RAB ook de zorg voor de openbare voorlichting bij beroepskeuze en de bemiddeling voor het verkrijgen van een gelegenheid om vakkennis op te doen. Op 1 januari 1943 werd de Afdeling Vakontwikkeling en Sociale Jeugdzorg van de Rijksdienst voor de Werkverruiming ondergebracht bij het RAB. Dit betekende tevens de overgang van de gemeentelijke Centrale Werkplaatsen naar het RAB waarbij de benaming werd veranderd in Rijkswerkplaatsen (RWP). De regering in Londen bepaalde in 1944 bij Koninklijk Besluit (KB) dat na de oorlog het bovengenoemde model definitief overgenomen werd. Tevens vond er een taakverzwaring plaats door de invoering van de ontslagtaak [artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) 1945].
In de jaren vijftig doen zich enkele belangrijke veranderingen voor. In de eerste plaats werd de bemiddelingsindeling, die gebaseerd was op de verschillende beroepen, vervangen door een beroepenclassificatiesysteem. De idee hierachter was dat veel werkzaamheden door mensen met dezelfde verstandelijke vermogens gedaan konden worden. In de tweede plaats werd de bestaande gebiedsindeling van de arbeidsbureaus veranderd. Er werden 84 GAB's ingesteld waarvan er 11 als Districtsarbeidsbureau gaan functioneren. Tenslotte werd de Directie voor de Arbeidsvoorziening (later veranderd in Directoraat-Generaal voor de Arbeidsvoorziening) opgericht dat onderdeel ging uitmaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De directie kreeg als taak `een doeltreffende arbeidsvoorziening te bevorderen' alsmede zorg te dragen voor de gesubsidieerde aanvullende werkgelegenheid. Verder werd de taak uitgebreid met de verplaatsing van arbeidskrachten binnen Europa; arbeidsmarktonderzoek; voorbereiding, uitvoering van verdragen betreffende de uitwisseling van arbeidskrachten en van stagiaires met andere landen en vraagstukken van arbeidsvoorziening in buitengewone omstandigheden. Door de toename van taken en activiteiten veranderde de naam arbeidsbemiddeling naar arbeidsvoorziening.
In verband met de ongewenste associaties, die de benaming Rijkswerkplaats voor Vakontwikkeling' bleek op te roepen, werd de naam in de loop van 1958 veranderd inRegionale Werkplaats voor Vakopleiding van Volwassenen' en later in `Centrum voor Vakopleiding van Volwassenen'.
In de jaren zestig kreeg de openbare arbeidsbemiddeling door twee ontwikkelingen een ander karakter die de jaren daarna richtingbepalend zullen zijn. De eerste ontwikkeling kreeg gestalte in een OESO-rapport (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).
Het kwam er kort op neer dat Nederland een actief arbeidsmarktbeleid moest gaan voeren om te streven naar volledige werkgelegenheid. De tweede ontwikkeling was het ontstaan van uitzendbureaus, die door de grote vraag naar arbeidskrachten, gingen concurreren met de arbeidsbureaus. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen kwam de Sociaal-Economische Raad (SER) in 1971 met een advies over Arbeidsbureau Nieuwe Stijl (ANS) en richtte Arbeidsvoorziening het uitzendbureau START op.
In de jaren zeventig en tachtig krijgt men echter te maken met een grote achteruitgang van de werkgelegenheid en een enorme aanwas van werklozen. Hierop zijn de arbeidsbureaus niet ingesteld en het experiment met ANS stagneert daardoor. Het combineren van de administratieve registratiefunctie van werklozen met de acquisitie van vacatures komt moeizaam op gang. Daarnaast krijgt men te maken met nieuwe vormen van concurrentie (headhunters, outplacement, bedrijfsverenigingen) en is de maatschappelijke kritiek op het functioneren van de arbeidsbureaus heviger dan ooit.
In 1985 adviseerde de SER te komen tot een nieuwe zelfstandige organisatie op tripartiete leest geschoeid. Werkgevers, werknemers en overheid dienden op gelijke wijze verantwoordelijk te zijn voor het arbeidsvoorzieningsbeleid. Het Directoraat-Generaal voor de Arbeidsvoorziening diende te worden vervangen door een nieuw bestuurlijk concept. Dit SER-advies werd uiteindelijk de basis van de Arbeidsvoorzieningswet (AVW) die op 1 januari 1991 in werking is getreden 1De gegevens m.b.t. deze paragraaf zijn afkomstig van het rapport De geschiedenis van de openbare arbeidsbemiddeling in Nederland, Research voor Beleid, Leiden 1988..
Met de invoering van de AVW en de bijbehorende invoeringswet werd de organisatie, omgevormd tot een zelfstandig openbaar lichaam, onder een centraal tripartiete bestuur van overheid, werkgevers- en werknemersorganisaties, dat verantwoordelijk is voor het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Eind 1994 werd tussen de Minister van SZW en sociale partners een `Partijenovereenkomst inzake hoofdlijnen toekomst Arbeidsvoorziening' gesloten. Deze overeenkomst bevatte een aantal afspraken tussen de minister en sociale partners over voortzetting van de tripartite structuur, het beheer, de financiering en de bestuurlijke inrichting van de organisatie. In maart 1995 presenteerde de, door de Minister van SZW ingestelde, Commissie Evaluatie Arbeidsvoorzieningswet (Commissie Van Dijk) haar eindrapport. Hierin uitte de commissie kritiek op het functioneren van het tripartite bestuursmodel op landelijk niveau. Het eindrapport van de commissie en eerdergenoemde overeenkomst hebben onder meer geleid tot de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet 1996, die op 1 januari 1997 in werking is getreden.
In deze wet is de tripartite bestuursvorm gehandhaafd zij het dat de vertegenwoordigers van de Rijksoverheid zijn vervangen door onafhankelijke kroonleden. Dit om een betere scheiding van verantwoordelijkheden te realiseren. Daarnaast kent deze wet een andere bevoegdheidsverdeling dan de oude Arbeidsvoorzieningswet. Het Centraal Bestuur en de Regionale Besturen sturen op hoofdlijnen van het beleid. De dagelijkse leiding over de organisatie wordt opgedragen aan de Algemene Directie en de Regionale Directies. De Algemene Directie stuurt de Regionale Directies aan op het gebied van beheer en bedrijfsvoering.
Organisatie en taken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie III
Op 1 januari 1991 wordt bij wet (Arbeidsvoorzieningswet, Stb.1990, 402) een publiekrechtelijke organisatie, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, in het leven geroepen. De organisatie maakt niet langer deel uit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) maar wordt een zelfstandige organisatie bestaande uit een centraal bestuur, een algemeen directeur, een centraal (landelijk) bureau, 28 regionale besturen met allen een regionaal directeur en regionaal stafbureau. Verder maken circa 140 arbeidsbureaus en 60 centra vakopleiding deel uit van de organisatie.
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt in artikel 2 van de AVW belast met het bevorderen van een doelmatige en rechtvaardige aansluiting van vraag en aanbod van arbeidskrachten op de arbeidsmarkt.
Hiertoe draagt zij in elk geval zorg voor (artikel 4 AVW):
Daarnaast voert de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nog enkele andere wettelijke taken uit, waaronder de ontslagtaak (artikel 6 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen).
In de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet 1996 (AVW 1996) wordt in artikel 3 bepaald dat de doelstelling of kerntaak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voortaan luidt: het bevorderen van de aansluiting tussen vraag naar en aanbod van arbeidskrachten op de arbeidsmarkt, in het bijzonder door dienstverlening aan moeilijk plaatsbare werkzoekenden.
In artikel 4 van de AVW 1996 staat wat deze kerntaak in elk geval inhoudt:
Binnen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is een negental actoren te onderscheiden, die onder de werking van de Archiefwet 1995 vallen en waarvan handelingen zijn opgenomen. Van deze actoren is hieronder een beschrijving opgenomen.
Het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA), ingesteld op 1 januari 1991 bij de Arbeidsvoorzieningswet (AVW), staat aan het hoofd van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en is samengesteld uit vertegenwoordigers van de centrale organisaties van werkgevers en werknemers en vertegenwoordigers van de ministers van O&W, Economische Zaken (EZ) en SZW. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is lid zonder stemrecht. Het CBA staat onder een onafhankelijk voorzitter. De benoeming van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters en de (plv.) leden vindt plaats bij Koninklijk Besluit.
Artikel 11 van de AVW geeft de taken van het CBA:
Het CBA is belast met:
De nieuwe AVW 1996 brengt een aantal veranderingen met zich mee voor het CBA. Deze veranderingen hebben onder meer betrekking op vervanging van de vertegenwoordigers van de rijksoverheid door kroonleden in het nieuw te benoemen bestuur en op het takenpakket.
Dit gewijzigde takenpakket is omschreven in artikel 14 van de AVW 1996 en luidt:
De Algemene Directeur staat aan het hoofd van het centraal bureau voor de Arbeidsvoorziening. In de Memorie van Toelichting van de AVW 2Kamerstuk 1987-1988, 20 569, nr. 3 blz. 15 worden de volgende taken onderscheiden.
De Algemeen Directeur is belast met de voorbereiding en uitvoering van het landelijk arbeidsvoorzieningsbeleid, het in adviserende zin bieden van ondersteuning aan de organisatieonderdelen die landelijk of regionaal met uitvoerende taken zijn belast, het beheren van de middelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en het voeren van het secretariaat van het CBA.
Verder bepaalt de wet dat de Algemeen Directeur wordt benoemd door het CBA.
Op 1 augustus 1994 wordt de naamgeving van het centraal bureau voor de Arbeidsvoorziening gewijzigd in Landelijk Bureau Arbeidsvoorziening (LBA). De gewijzigde naam dient meer recht te doen aan het gegeven van een gedecentraliseerde Arbeidsvoorzieningsorganisatie en heft het verwarrende onderscheid op tussen de benaming Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening en centraal bureau voor de Arbeidsvoorziening.
De AVW 1996 heeft een aantal grote veranderingen teweeggebracht. Deze wet bepaalt dat er voortaan sprake is van een Algemene Directie (AD), bestaande uit een hoofddirecteur en één of meer directeuren. Daarnaast vindt er een uitbreiding van taken en bevoegdheden plaats. De dagelijkse leiding over de organisatie als geheel wordt opgedragen aan de AD. Verder krijgt de AD taken en bevoegdheden om de eenheid in bedrijfsvoering te realiseren.
In artikel 26 van de AVW 1996 wordt de AD met de volgende taken belast:
De AD staat aan het hoofd van een concernorganisatie, Arbeidsvoorziening Nederland (ANL) geheten, en een facilitair bedrijf, Arbeidsvoorziening Facilitair Bedrijf (AFB) geheten. ANL is belast met de ondersteuning van de AD bij de beleidsvoorbereiding van het CBA en de beleidsuitvoering en bij het aansturen van de 18 regio's op het beheersvlak. Het AFB heeft tot taak de bedrijfsvoering en het primaire proces van de organisatie te faciliteren.
Het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (RBA) heeft de leiding over een regionale organisatie, bestaande uit een of meer regionaal directeuren, arbeidsbureaus en centra vakopleiding. Op 1 januari 1991 zijn er 28 regionale besturen, samengesteld uit vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties en gemeenten in de betreffende regio. De provinciale overheid is lid zonder stemrecht. Het RBA staat onder een onafhankelijk voorzitter. De benoeming van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters en de (plv.) leden van het RBA vindt plaats door het CBA. Elk RBA heeft een regionaal stafbureau ter beschikking. Dit stafbureau heeft tot taak het regionaal beleid voor te bereiden en het regionaal bestuur te ondersteunen.
In het kader van verhoging van de bestuurlijke slagkracht en kostenbesparing is per 1 januari 1996 het aantal RBA's terug gebracht van 28 naar 18. Daarbij is gekozen voor samenvoeging van regio's in hun geheel.
De taken van het RBA zijn geregeld in artikel 24 van de AVW.
In dit artikel krijgt het RBA de volgende taken opgedragen:
Door de inwerkingtreding van de AVW 1996 is dit takenpakket sterk gewijzigd.
In artikel 29 van deze wet heeft het RBA de volgende taken gekregen:
De Regionaal Directeur staat aan het hoofd van het regionaal stafbureau en is belast met de voorbereiding en uitvoering van het bestuursbeleid 3Uit: Memorie van Toelichting van de AVW, Kamerstuk 1987-1988, 20 569, nr. 3 blz. 16. Daarnaast betreft een bijzondere, door de Minister van SZW aan deze functionaris gedelegeerde, taak het toetsen van ontslagaanvragen. Een werkgever heeft in de regel toestemming nodig van de Regionaal Directeur om een werknemer te kunnen ontslaan, de zgn. ontslagvergunning. Verder bepaalt de AVW dat de Regionaal Directeur door het RBA wordt benoemd.
De inwerkingtreding van de AVW 1996 heeft een aantal grote veranderingen teweeggebracht. Deze wet bepaalt dat er voortaan sprake is van een Regionale Directie (RD). Daarnaast vindt er een uitbreiding van taken en bevoegdheden plaats.
In artikel 39 van deze wet wordt de RD belast met de volgende taken:
Ook is in AVW 1996 geregeld dat de RD voortaan benoemd wordt door de AD, op voordracht van het RBA.
De Raad voor Studie- en Beroepskeuze is op 17 januari 1991 ingesteld door het CBA op basis van artikel 74 van de AVW. De Raad is de opvolger van de Raad voor de Beroepskeuzevoorlichting, die sinds 1963 bij het Ministerie van SZW heeft gefunctioneerd.
De Raad heeft als onafhankelijk adviesorgaan tot taak de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de Minister van O&W en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij hetzij op verzoek, hetzij uit eigen beweging te adviseren over de hoofdlijnen van maatschappelijke en beleidsproblemen, voorzover zij betrekking hebben op voorlichtings- en keuzeaspecten van studie, arbeid en beroep. De Raad moet daarbij aandacht besteden aan de relatie tussen onderwijs en arbeidsmarkt en aan specifieke belangen van bepaalde groepen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.