Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 4
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de invoering en inwerkingtreding te regelen van de Wet inkomstenbelasting 2001 en in verband daarmee enige wetten aan te passen alsmede het overgangsrecht te regelen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

De inwerkingtredingsdatum voor art. I (hfd. 2) is gewijzigd bij Stb. 2000/570.

Hoofdstuk 1. Aanpassingen

Afdeling A. Ministerie van Financiën

Artikel I. Natuurschoonwet 1928

Wijzigt de Natuurschoonwet 1928.

Artikel II. Successiewet 1956

Wijzigt de Successiewet 1956.

Artikel III. Wet op de herkapitalisatie 1957

De Wet op de herkapitalisatie 1957 wordt ingetrokken.

Artikel IV. Algemene wet inzake rijksbelastingen

Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel V. Wet op de loonbelasting 1964

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel VI. Wet op de dividendbelasting 1965

Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965.

Artikel VII. Wet op de omzetbelasting 1968

Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel VIII. Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel IX. Conjunctuurwet

Wijzigt de Conjunctuurwet.

Artikel X. Wet op belastingen van rechtsverkeer

Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

Artikel XI. Wet verruiming vervroegde afschrijving, investeringsaftrek en verliescompensatie

De wet van 29 augustus 1975 tot verruiming van de vervroegde afschrijving, de investeringsaftrek en de verliescompensatie in het belang van de werkgelegenheid (Stb. 467) wordt ingetrokken.

Artikel XII. Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen

Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

Artikel XIII. Invorderingswet 1990

Wijzigt de Invorderingswet 1990.

Artikel XIV. Wet op de accijns

Wijzigt de Wet op de accijns.

Artikel XV. Wet waardering onroerende zaken

Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel XVI. Wet belastingen op milieugrondslag

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XVII. Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Artikel XVIII. Kaderwet financiele verstrekkingen Financiën

Wijzigt de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën.

Artikel XIX. Aanpassingswet wet waardering onroerende zaken

Wijzigt de Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken.

Artikel XX. Wet overgang belastingheffing in euro's

Wijzigt de Wet overgang belastingheffing in euro's.

Artikel XXA. Wet fiscale behandeling pensioenen

Wijzigt de Wet fiscale behandeling pensioenen.

Afdeling B. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel I. Pensioen- en spaarfondsenwet

Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Artikel II. Coördinatiewet sociale verzekering

Wijzigt de Coördinatiewet sociale verzekering.

Artikel III. Wet financiering volksverzekeringen

Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen.

Hoofdstuk 2. Overgangsrecht

Artikel I. Overgangsrecht inkomstenbelasting
  • a. indien de ondernemer de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt: voor 2001 op € 20 420, voor 2002 op € 17 062, voor 2003 op € 13 704, voor 2004 op € 10 346 en voor 2005 op € 6988;
  • b. in de overige gevallen: voor 2001 op € 9076, voor 2002 op € 7987, voor 2003 op € 6897, voor 2004 op € 5808 en voor 2005 op € 4719.
    1. De bedragen genoemd in het eerste lid, tweede volzin, onderdelen a en b, worden verminderd – maar niet verder dan tot € 3630 – met de bedragen van de door de belastingplichtige eerder genoten stakingsvrijstelling volgens artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
    1. Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2005 geldt voor de ondernemer die winst behaalt met of bij het staken van een of meer gedeelten van een onderneming met betrekking waartoe hij vanaf 1 januari 2001 ondernemer is geweest en niet een gehele onderneming heeft gestaakt, de in het tweede lid bedoelde tijdelijke stakingsaftrek als stakingsaftrek in de zin van artikel 3.79 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
    1. De tijdelijke stakingsaftrek is gelijk aan het bedrag van de in het eerste lid bedoelde winst, maar bedraagt niet meer dan: voor 2001 € 9076, voor 2002 € 7260, voor 2003 € 5445, voor 2004 € 3630 en voor 2005 € 1815.
    1. De in het tweede lid bedoelde maximumbedragen worden verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de bedragen van de door de belastingplichtige eerder genoten stakingsvrijstelling volgens artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en met de in voorafgaande jaren door de ondernemer genoten bedragen aan stakingsaftrek.

De stakingsaftrek van artikel 3.79 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en onderdeel B is ten aanzien van de ondernemer die op de voet van artikel 15, derde lid, of artikel 17 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een onderneming voortzet of mede voortzet ten aanzien van die onderneming slechts van toepassing indien deze langer dan drie jaren voor zijn rekening is gedreven.

    1. Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2006 blijft artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing bij staking van een onderneming door een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waaruit hij in het kalenderjaar 2000 winst uit onderneming genoot, mits is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid.
    1. Het eerste lid is slechts van toepassing indien:
  • a. de in dat lid bedoelde medegerechtigdheid van de belastingplichtige reeds op 12 januari 2000 bestond, en dat wordt aangetoond door middel van een op dat tijdstip bestaande schriftelijke overeenkomst tot toetreding tot het samenwerkingsverband waaruit de medegerechtigdheid voortvloeit, en
  • b. op het moment van de toetreding bij de belastingplichtige naar objectieve maatstaven de gerede verwachting aanwezig kon zijn dat de looptijd van dat samenwerkingsverband ten hoogste tien jaar zou belopen.
    1. Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2006 blijft artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing bij staking van een onderneming door een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waaruit hij in het kalenderjaar 2000 winst uit onderneming genoot, mits is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid.
    1. Het eerste lid is slechts van toepassing indien:
  • a. de in dat lid bedoelde medegerechtigdheid van de belastingplichtige nog niet bestond op 12 januari 2000 en voor 1 januari 2001 is ontstaan, hetgeen wordt aangetoond door middel van een op 31 december 2000 bestaande schriftelijke overeenkomst tot toetreding tot het samenwerkingsverband waaruit de medegerechtigdheid voortvloeit, en
  • b. op het moment van de toetreding bij de belastingplichtige naar objectieve maatstaven de gerede verwachting aanwezig kon zijn dat de looptijd van dat samenwerkingsverband ten hoogste zeven jaar zou belopen.
    1. Voor de toepassing van het eerste lid:
  • a. komen enkel voordelen in aanmerking die betrekking hebben op bedrijfsmiddelen die voor 1 januari 2003 in gebruik zijn genomen of zijn vervaardigd en waarvoor de investeringsverplichtingen zijn aangegaan in het kalenderjaar 2000 of waarvan de voortbrengingskosten in belangrijke mate zijn gemaakt in het kalenderjaar 2000;
  • b. blijven buiten beschouwing voordelen die betrekking hebben op onroerende zaken en rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben, en
  • c. wordt het bedrag van de vrijstelling verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de volgens dit onderdeel door de belastingplichtige ter zake van andere ondernemingen in vorige jaren of in dit jaar genoten bedragen aan vrijstelling.
    1. Het eerste lid is van toepassing indien:
  • a. de belastingplichtige die de onderneming overdraagt met betrekking tot die onderneming:

Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.

    1. Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2004 blijft artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing bij staking van een filmonderneming door een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waaruit hij reeds voor 16 juli 2002 winst uit onderneming genoot, mits is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid.
    1. Het eerste lid is slechts van toepassing indien:
  • a. de in dat lid bedoelde medegerechtigdheid van de belastingplichtige nog niet bestond op 31 december 2000 en voor 16 juli 2002 is ontstaan, hetgeen wordt aangetoond door middel van een op 15 juli 2002 bestaande schriftelijke overeenkomst tot toetreding tot het samenwerkingsverband waaruit de medegerechtigdheid voortvloeit, en
  • b. op het moment van de toetreding bij de belastingplichtige naar objectieve maatstaven de gerede verwachting aanwezig kon zijn dat de looptijd van dat samenwerkingsverband ten hoogste drie jaar zou belopen.
    1. Voor de toepassing van het eerste lid:
  • a. komen enkel voordelen in aanmerking die betrekking hebben op films die voor 1 januari 2004 zijn vervaardigd en waarvan de voortbrengingskosten in belangrijke mate zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002, en
  • b. wordt het bedrag van de vrijstelling verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de volgens dit onderdeel en onderdeel Dc door de belastingplichtige ter zake van andere ondernemingen in vorige jaren of in dit jaar genoten bedragen aan vrijstelling.
    1. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt verstaan onder:
  • a. films: films die zijn aangewezen als bedrijfsmiddel dat voor willekeurige afschrijving in aanmerking komt en waarvan de voortbrengingskosten grotendeels betrekking hebben op voortbrenging in Nederland;
  • b. een filmonderneming: een onderneming waarvan de feitelijke werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit het voortbrengen van films en het exploiteren van zelf voortgebrachte films.

Artikel 70 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, is van overeenkomstige toepassing bij het toepassen van [artikel 3.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.12).

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.