Regeling eisen geschiktheid 2000
Gelet op de artikelen 111, vierde lid, 130 tot en met 132 en 134 van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. groep 1: rijbewijzen van de categorieën A1, A2, A, B, B+ E en T;
- b. groep 2: rijbewijzen van de categorieën C, C1, CE, C1E, D, D1, DE en D1E.
Voor de toepassing van deze regeling wordt categorie B+code 96 gelijkgesteld met categorie BE.
Artikel 2
De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.
Artikel 3
De Regeling eisen geschiktheid (Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juni 1996, nr. HW/RV 218632 Hoofddirectie van de Waterstaat (Stcrt. 117)) wordt ingetrokken.
Artikel 4
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2000.
Artikel 5
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen geschiktheid 2000.
Bijlage. behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000
Inhoudsopgave
1 Inleiding
2 Algemene opmerkingen
3 Stoornissen van het gezichtsvermogen.
3.1 Inleiding
3.2 Visus
3.3 Gezichtsvelden
3.4 Verlies van een oog
3.5 Rijtest
3.6 Nader oogheelkundig onderzoek
3.7 Progressieve oogaandoeningen
3.8 Donkeradaptatie
3.9 Contrastgevoeligheid
3.10 Intra-oculaire lenzen
4 Stoornissen van gehoor en evenwicht
4.1 Inleiding
4.2 Slechthorendheid en doofheid
4.3 Het syndroom van Ménière
5 Inwendige ziekten
5.1 Inleiding
5.2 Diabetes mellitus
5.3 Hypertensie
5.4 Chronische nierschade
5.5 Longziekten
5.6 Orgaantransplantatie
6 Hart- en vaatziekten
6.1 Inleiding
6.2 Chronisch hartfalen
6.2.1 Steunhart: Ventricular Assist Device (VAD)
6.3 Ischemische hartziekten
6.4 Cardiomyopathieën
6.5 Hartklepafwijkingen
6.6 Aangeboren hartafwijkingen
6.7 Ritmestoornissen
6.8 Thoracale aorta aneurysma (TAA) en abdominale aorta aneurysma (AAA)
7 Neurologische aandoeningen
7.1 Inleiding
7.2 Epileptische aanval(len)
7.3 Slaapstoornissen
7.4 Progressieve ziektebeelden
7.5 Intracraniële tumoren
7.6 Doorbloedingsstoornissen van de hersenen
7.7 Stationaire beelden
8 Psychiatrische stoornissen
8.1 Algemeen
8.2 Schizofreniespectrumstoornissen en andere psychotische stoornissen
8.3 Bipolaire en depressieve stoornissen
8.4 Angststoornissen
8.5 Dissociatieve stoornissen
8.6 Cognitieve stoornissen
8.7 Persoonlijkheidsstoornissen
8.8 Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
8.8.1 Regelmatig gebruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
8.9 Verstandelijke handicap
9 Lichamelijke handicaps
10 Geneesmiddelen
10.1 Inleiding
10.2 Geneesmiddelen in de categorieën 0, I en II
10.3 Geneesmiddelen in de categorie III
10.4 Uitzondering voor bepaalde geneesmiddelen in de categorie III
10.5 Misbruik van geneesmiddelen
11 Syncope en wegraking van onbewezen origine
11.1 Inleiding
11.2 Reflexsyncope
11.2.1 Klassieke vasovagale syncope
Hoofdstuk 1. Inleiding
11.2.3 Sinus caroticus syncope
Hoofdstuk 2. De eisen: algemene opmerkingen
11.4 Syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie
11.5 Syncope van onbewezen origine
11.6 Wegraking van onbewezen origine
12 Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen
Hoofdstuk 1. Inleiding
3.1. Inleiding
12 Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen
Hoofdstuk 1. Inleiding
Vervolgens wordt het begrip geschiktheid gebruikt. Geschiktheid heeft betrekking op de lichamelijke en geestelijke kwaliteiten op grond waarvan een persoon wel of niet, of voor een beperkte tijdsduur dan wel op voorwaarden, geschikt is voor het besturen van een motorrijtuig. De vaststelling van de geschiktheid voor één of meer rijbewijscategorieën geschiedt door middel van registratie van de verklaring van geschiktheid door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) in het rijbewijsregister van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW).
Hoofdstuk 2. Algemene opmerkingen
Met het specialistisch rapport is in eerste instantie bedoeld het rapport dat het CBR ontvangt van de onafhankelijke specialist naar wie de aanvrager door het CBR is verwezen. Deze groep vaste specialisten verricht met enige regelmaat rijbewijskeuringen en zijn op de hoogte van de specifieke eisen aan de geschiktheid zoals beschreven in de volgende hoofdstukken. Voor deze specialisten heeft het CBR een regeling opgesteld, met de voorwaarden waaraan beide partijen moeten voldoen. In de Vorderingsprocedure, het onderzoek naar een vermoeden van ongeschiktheid op grond van artikel 133 van de Wegenverkeerswet 1994 en bij een verzoek om een herkeuring op grond van artikel 104 van het Reglement rijbewijzen, zal het rapport altijd zijn opgemaakt door een onafhankelijk specialist.
Hoofdstuk 2. De eisen: algemene opmerkingen
Waar voor de beoordeling van de geschiktheid een specialistisch rapport nodig is, is daarmee bedoeld een rapport dat is opgesteld en ondertekend door een medisch specialist, waarbij het is toegestaan dat delen van het onderzoek onder supervisie en verantwoordelijkheid van de specialist zijn uitgevoerd door een derde.
De essentie is dat het CBR informatie ontvangt die voldoende is om een oordeel te vormen over alle aspecten die in de volgende hoofdstukken specifiek benoemd worden. In die gevallen waar het gaat om recente, feitelijke informatie, zonder oordeel van de medisch specialist over de geschiktheid, is het op grond van de KNMG-gedragsregels ook toegestaan dat in de Eigen verklaringprocedure de eigen behandelaar het specialistisch rapport opstelt volgens een door het CBR opgesteld sjabloon. Een kopie van een specialistenbrief is alleen toegestaan als de inhoud van de brief niet meer gegevens bevat dan strikt noodzakelijk voor de beoordeling van de geschiktheid (2010 KNMG Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens paragraaf 3.9 Medische keuringen).
3.1. Inleiding
In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid gegeven voor het gezichtsvermogen.
11.3 Cardiale syncope
In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid gegeven voor het gezichtsvermogen.
3.2. Visus
Bij personen die het gezichtsvermogen aan één oog missen, of die in geval van diplopie slechts een oog gebruiken, dient de visus van het functionerende oog ten minste 0,5 te bedragen. Voor hen geldt tevens paragraaf 3.4.
3.2.1. Visuseisen rijbewijzen van groep 1
Bij personen die het gezichtsvermogen aan één oog missen, of die in geval van diplopie slechts een oog gebruiken, dient de visus van het functionerende oog ten minste 0,5 te bedragen. Voor hen geldt tevens paragraaf 3.4.
Onder voorwaarden kunnen personen die de visus van 0,5 bereiken met behulp van een monoculair bioptisch telescoopsysteem (BTS) geschikt worden verklaard voor een rijbewijs van de categorieën B, BE en T met de beperking ‘alleen rijden met daglicht’.
3.2.1.1. Rijden met een monoculair bioptisch telescoopsysteem bij daglicht
Een rapport van een oogarts is vereist. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar. Voor de beoordeling van de geschiktheid is een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een protocol. Voor een rijtest komen alleen personen in aanmerking die, blijkend uit een verklaring van een door het CBR erkende instelling, voldoende training hebben gehad in het rijden met een bioptisch telescoopsysteem bij daglicht.
Hoofdstuk 3. Stoornissen van het gezichtsvermogen
Op verzoek kunnen personen met een bioptisch telescoopsysteem geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.
3.2.1.2. Rijden met een monoculair bioptisch telescoopsysteem in het donker
Onder voorwaarden kunnen personen die de visus van 0,5 bereiken met behulp van een monoculair bioptisch telescoopsysteem (BTS) geschikt worden verklaard voor een rijbewijs van de categorieën B, BE en T zonder de beperking ‘alleen rijden bij daglicht’.
De voorwaarden zijn dat:
3.2.1.2. Rijden met een monoculair bioptisch telescoopsysteem in het donker
Voor een rijtest komen alleen personen in aanmerking die, blijkend uit een verklaring van een door het CBR erkende instelling, voldoende training hebben gehad in het rijden met een bioptisch telescoopsysteem in het donker. De rijtest wordt afgenomen in de avonduren tussen 1 november en 1 april. Aanvang van de rijtest is minimaal 40 minuten na zonsondergang. Het maximum aantal rijtesten voor het rijden in het donker is twee rijtesten per persoon per vijf jaar.
3.2.1. Visuseisen rijbewijzen van groep 1
Op verzoek kunnen personen met een bioptisch telescoopsysteem geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.
3.2.2. Visuseisen rijbewijzen van groep 2
3.2.5. Diplopie
Ongeschiktheid bestaat ook bij een plotselinge, substantiële terugval van de visus in één oog. Deze personen kunnen na een aanpassingsperiode van minimaal drie maanden en op basis van een positief advies van een oogarts weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 2, mits de resterende visus voldoet aan bovengenoemde minimumnorm.
3.2.3. Brekingsafwijkingen
Ongeschiktheid bestaat ook bij een plotselinge, substantiële terugval van de visus in één oog. Deze personen kunnen na een aanpassingsperiode van minimaal drie maanden en op basis van een positief advies van een oogarts weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 2, mits de resterende visus voldoet aan bovengenoemde minimumnorm.
Geen eisen.
3.2.5. Diplopie
Geen eisen.
3.4. Verlies van het gezichtsvermogen van één oog
3.5. Rijtest
Indien het CBR voor een juiste oordeelsvorming over de geschiktheid een rijtest nodig acht, schakelt het een deskundige in op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) voor het afnemen ervan. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.
3.6. Nader oogheelkundig onderzoek
3.5. Rijtest
Indien het CBR voor een juiste oordeelsvorming over de geschiktheid een rijtest nodig acht, schakelt het een deskundige in op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) voor het afnemen ervan. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.
Beperking van de geschiktheidstermijn is aangewezen bij progressieve oogaandoeningen, zoals cataract, glaucoom met gezichtsveldbeperking, degeneratieve en vasculaire netvliesaandoeningen, progressief lijden van de nervus opticus. Voor de beoordeling is een rapport van een oogarts vereist.
3.8. Donkeradaptatie
De donkeradaptatie dient min of meer ongestoord te zijn. Bij twijfel aan dit vermogen zal nader onderzoek met een adaptometer moeten plaatsvinden: de maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.
3.8. Donkeradaptatie
3.8. Donkeradaptatie
Personen met een afwijking in de donkeradaptatie van meer dan één logeenheid kunnen geschikt worden verklaard voor groep 1, waarbij de rijbevoegdheid wordt beperkt tot rijden bij daglicht (vanaf één uur na zonsopgang tot één uur voor zonsondergang).
3.10. Intra-oculaire lenzen
Intra-oculaire lenzen zijn toegestaan als er zich geen problemen voordoen zoals het bestaan van dubbelbeelden, storende mediatroebelingen of hinderlijke strooilichteffecten.
Geen eisen.
Intra-oculaire lenzen zijn toegestaan als er zich geen problemen voordoen zoals het bestaan van dubbelbeelden, storende mediatroebelingen of hinderlijke strooilichteffecten.
Hoofdstuk 4. Stoornissen van gehoor en evenwicht
4.2. Slechthorendheid en doofheid
Deze hoeven geen beletsel te zijn voor verkeersdeelname.
4.2. Slechthorendheid en doofheid
Deze hoeven geen beletsel te zijn voor verkeersdeelname.
3.9. Contrastgevoeligheid
Hoofdstuk 5. Inwendige ziekten
Aanvallen van duizeligheid bij het syndroom van Ménière maken personen ongeschikt voor het besturen van motorrijtuigen. Na een klachtenvrije periode van drie maanden kunnen deze personen aan de hand van de aantekening van de keurend arts weer geschikt worden verklaard.
Hoofdstuk 5. Inwendige ziekten
De donkeradaptatie dient min of meer ongestoord te zijn. Bij twijfel aan dit vermogen zal nader onderzoek met een adaptometer moeten plaatsvinden: de maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
5.2.1. Algemeen
5.2. Diabetes mellitus
Personen met hypo-unawareness zijn ongeschikt voor alle rijbewijzen. Iemand kan weer geschikt worden verklaard als de waarschuwingssignalen weer aanwezig zijn en het zelfzorggedrag door een diabetesdeskundige als adequaat wordt ingeschat.
5.2.1. Algemeen
Bij vermoeden van een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. De geschiktheidstermijn bij één of meerdere ernstige functiestoornissen is na een positieve rijtest maximaal drie jaar.
5.2.2. Diabetes mellitus, behandeld met middelen die doorgaans geen hypoglykemieën kunnen veroorzaken
5.2.3. Diabetes mellitus behandeld met middelen die hypoglykemieën kunnen veroorzaken
Bij vermoeden van een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. De geschiktheidstermijn bij één of meerdere ernstige functiestoornissen is na een positieve rijtest maximaal drie jaar.
5.4. Chronische nierschade
Voor de beoordeling van de geschiktheid bij chronische nierschade (CNS) is, afhankelijk van het stadium waarin de aandoening zich bevindt en de aangevraagde rijbewijsgroep een aantekening van een keurend arts dan wel een specialistisch rapport van een internist deskundig op het gebied van nierziekten (internist-nefroloog) vereist.
De keurend arts dient de nierfunctie weer te geven in eGFR (ml/min/1.73 m2) of in een percentage van de nierfunctie. Tevens moet worden aangegeven of de CNS gepaard gaat met functionele beperkingen ten aanzien van de geschiktheid.
Het specialistisch rapport dient in te gaan op de vragen of de persoon wordt behandeld met een vorm van dialyse, hoe de algemene conditie is, in de zin van welke activiteiten en welke inspanning kan deze persoon maximaal uitvoeren, en of er in het laatste half jaar sprake is geweest van hartritmestoornissen, angina pectoris of een ernstige hypotensie in geval van dialyse.
Voor niertransplantatie zie paragraaf 5.6.
Het specialistisch rapport dient in te gaan op de vragen of de persoon wordt behandeld met een vorm van dialyse, hoe de algemene conditie is, in de zin van welke activiteiten en welke inspanning kan deze persoon maximaal uitvoeren, en of er in het laatste half jaar sprake is geweest van hartritmestoornissen, angina pectoris of een ernstige hypotensie in geval van dialyse.
5.2.3. Diabetes mellitus met middelen die hypoglycemieën kunnen veroorzaken
Als de keurend arts of medisch specialist duidelijk omschreven twijfels heeft over de rijgeschiktheid, kan het CBR voor een juiste oordeelsvorming een deskundige op het gebied van de praktische rijgeschiktheid inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.
5.2.3. Diabetes mellitus behandeld met middelen die hypoglykemieën kunnen veroorzaken
Als de keurend arts of medisch specialist duidelijk omschreven twijfels heeft over de rijgeschiktheid, kan het CBR voor een juiste oordeelsvorming een deskundige op het gebied van de praktische rijgeschiktheid inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.
5.4. Chronische nierschade
Als de keurend arts of medisch specialist duidelijk omschreven twijfels heeft over de rijgeschiktheid, kan het CBR voor een juiste oordeelsvorming een deskundige praktische rijgeschiktheid inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.
De geschiktheidstermijn is voor personen met CNS stadium I, II of III maximaal vijf jaar.
Voor personen met CNS stadium IV is de geschiktheidstermijn maximaal drie jaar en voor personen met CNS stadium V maximaal één jaar.
5.5. Longziekten
Voor personen met CNS stadium IV is de geschiktheidstermijn maximaal drie jaar en voor personen met CNS stadium V maximaal één jaar.
5.5. Longziekten
Voor personen met CNS stadium IV is de geschiktheidstermijn maximaal drie jaar en voor personen met CNS stadium V maximaal één jaar.
5.5. Longziekten
De keurend arts dient de nierfunctie weer te geven in MDRD-klaring (ml/min/1.73 m2) of in een percentage van de nierfunctie. Tevens moet worden aangegeven of de CNS gepaard gaat met functionele beperkingen ten aanzien van de geschiktheid.
Hoofdstuk 6. Hart- en vaatziekten
Het specialistisch rapport dient in te gaan op de vragen of de persoon wordt behandeld met een vorm van dialyse, hoe de algemene conditie is, in de zin van welke activiteiten en welke inspanning kan deze persoon maximaal uitvoeren, en of er in het laatste half jaar sprake is geweest van hartritmestoornissen, angina pectoris of een ernstige hypotensie in geval van dialyse.
In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid voor het onderwerp hart- en vaatziekten geformuleerd.
De geschiktheidstermijn is voor personen met CNS stadium I, II of III maximaal vijf jaar.
5.6.1. Ernstige bloedzieken
Bij ernstige stollingsstoornissen of maligniteiten in een zodanig gevorderde fase dat gevaar voor de verkeersveiligheid ontstaat, dienen rijbewijzen niet te worden afgegeven of vernieuwd tenzij de aanvraag wordt gesteund door de aantekening van de keurend arts.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.