Vaststelling selectielijsten handelingen beleidsterrein waarborgen van (platina), gouden en zilveren werken, Ministerie van Economische Zaken
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 juni 1998, nr. arc-98.7743/1),
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken op het beleidsterrein waarborgen van (platina), gouden en zilveren werken over de periode 1945-1995’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Bijlage
Basis-selectiedocument Waarborgen van (platina), gouden en zilveren werken, periode 1945 - 1995
Rijksarchiefdienst / PIVOT
Den Haag, mei 2000
1. Inleiding
Tussen de secretaris-generaal van het ministerie van Financiën en de Algemene Rijksarchivaris werd op 25 juni 1992 een convenant afgesloten. Hierin werd onder meer afgesproken dat een institutioneel onderzoek ‘naar de taakontwikkeling en de daaraan gekoppelde organisatorische ontwikkeling van het ministerie in de periode na 1945’ zou plaatsvinden. Dit onderzoek leidde tot o.a. het rapport ‘Echt goud, echt zilver?’; dit rapport vormt de basis voor dit Basis Selectie Document (BSD).
Het doel van dit rapport is een instrument te bieden dat leidt tot het formuleren van selectiecriteria ten aanzien van de handelingen van de minister van Financiën en andere actoren op het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen over de periode na 1945.
Taken van de rijksoverheid op het beleidsterrein 1.1
De bemoeienis van de Rijksoverheid met het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen was drieledig, te weten:
-
- de verzekering van de heffing van de invoerrechten van ingevoerde goederen,
-
- de verzekering van de heffing van accijnzen van ingevoerde goederen, en in Nederland vervaardigde goederen,
-
- het verkrijgen van afschrijving of teruggaaf van belasting.
Hiertoe behoorden ook de invoerrechten op platina, gouden en zilveren werken maar ook de zgn. Waarborgbelasting en het essaailoon. Binnen het ministerie van Financiën waren de afdeling Invoerrechten en de afdeling Accijnzen o.a. belast met het waarborgen van gouden en zilveren werken. Het bureau Verificatie van de afdeling accijnzen had tot taak het verifiëren, opnemen en sluiten van de rekeningen, registers en schrifturen met betrekking tot het beheer van de directe belastingen, de invoerrechten en accijnzen en van de waarborg en de belasting van de gouden en zilveren werken.
Het handelen van de overheid is voornamelijk vastgelegd in wet- en regelgeving.
2. Overzicht van actoren
In dit BSD zijn de handelingen van onderstaande actoren opgenomen:
De minister van Financiën was van 1852 tot 1986 (politiek) verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van de in-, uit- en doorvoer en het waarborgen van platina, gouden en zilveren werken. Hiertoe was hij o.a. belast met het (mede-) voorbereiden, wijzigen, vaststellen en intrekken van het tarief van rechten op in-, uit- en doorvoer en van (bijzondere) wetten.
De Waarborginstelling, ook wel aangeduid als waarborgkantoren of kantoren van waarborg, zijn namens de minister van Financiën (Economische Zaken) belast met de uitvoering van een aantal artikelen van de Waarborgwet. Het beheer van en het toezicht op de Waarborgkantoren berustte bij de directeur der Rijksbelastingen in het district Utrecht.
Binnen de Waarborgkantoren en de dienst douane en accijnzen worden handelingen verricht welke door ambtenaren van de waarborg en/of ambtenaren van de directe belastingen, invoer en accijnzen uitgevoerd worden. Zij zijn o.a. belast met het opsporen van feiten welke strafbaar gesteld zijn bij of krachtens de Waarborgwet 1986.
Met het in werking treden van de Waarborgwet 1986 op 1 maart 1987 werd de minister van Economische Zaken (politiek) verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van het waarborgen van platina, gouden en zilveren werken.
In artikel 17 lid 1 Waarborgwet 1986 wordt bepaald, dat de aanwijzing van (buitengewoon) opsporingsambtenaren berust bij de minister van Justitie.
Zij zijn belast met het opsporen van feiten welke strafbaar gesteld zijn bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Waarborgwet 1986, en andere wetten.
Deze functionaris is belast met de beëdiging van de buitengewoon opsporingsambtenaren Waarborg Platina, Goud en Zilver.
Hun taak is het (direct) toezicht houden op de (buitengewoon) opsporingsambtenaren Waarborg Platina, Goud en Zilver. Het politiekorps Hollands-Midden is gevestigd te Gouda en behoort tot het ressort van de Arrondissementsrechtbank Den Haag.
Belanghebbenden kunnen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroep instellen tegen besluiten welke op grond van de Waarborgwet 1986 genomen zijn.
De Raad van Advies heeft tot taak het gevraagd en ongevraagd adviseren van de Directie en Raad van commissarissen van de Waarborg Platina, Goud en Zilver N.V. te Gouda.
Samenstelling: J.B. van der Zanden (directeur van de afdeling Verbruiksbelasting van het ministerie van Financiën), voorzitter;
drs J.R. Ensing, secretaris;
vijf leden namens het ministerie van Financiën;
één lid namens het ministerie van Economische Zaken;
drs B.W. Buenk (voorzitter van de Federatie Goud en Zilver), adviserend lid.
Periode: 1983 - 1984.
Taak: Het onderzoeken van de mogelijkheid tot privatisering van de Dienst van de Waarborg.
Samenstelling: mr A.W.B.M. Hendriks (loco Secretaris-generaal van het ministerie van Financiën), voorzitter;
drs P.J. Pearson, secretaris;
als leden namens het ministerie van Financiën: mr E. Schokker, drs J.P. van Eijk, mr A.M.C. Geerling, mr E.J. Hehemann, mr E.W. Nijgh, E. Opperhuizen;
als leden namens het ministerie van Economische Zaken: mevr. mr T. Pen en mr A. Snethlage.
Periode: 1984 - 1987
Taak: Het voorbereiden van de privatisering van de Dienst van de Waarborg (in overleg met de Federatie Goud en Zilver en diverse consumentenorganisaties) en het voorbereiden van het wettelijk kader dat daarvoor benodigd was.
3. De organisatie van het ministerie van Financiën.
In 1995 is voor het Pivot-onderzoek binnen het ministerie van Financiën een viertal beleidsterreinen te onderkennen, t.w.:
Er zijn dan ook binnen het ministerie vier Directoraten-generaal te onderscheiden, die verantwoordelijk zijn voor een beleidsterrein, te weten:
Het ministerie van Financiën kende in 1945 een aantal afdelingen, zoals de Afdeling Kabinet en Secretarie, de administratie der Generale Thesaurie en de administratie der belastingen. Onder deze laatste afdeling ressorteerden de afdelingen en bureaus die belast waren met de Waarborg.
Het bureau Verificatie had tot taak het verifiëren, opnemen en sluiten van de rekeningen, registers en schrifturen met betrekking tot het beheer van de directe belastingen, de invoerrechten en accijnzen en van de waarborg en de belasting van de gouden en zilveren werken.1
Het bureau Accijnzen was belast met de uitvoering van wetgeving betreffende de accijnzen op suiker, wijn, gedistilleerd, zout, bier, geslacht en tabak, en in-, uit- en doorvoer van accijnsgoederen, omzetbelasting, rijwielbelasting, recht op de mijnen, zekerheidsstelling voor accijns, omzetbelasting of invoerrechten, waarborg en belasting van de gouden en zilveren werken.
In 1958 werd de Administratie der Belastingen gewijzigd in het Directoraat-generaal der Belastingen.
De organisatie van dit Directoraat-Generaal was voor wat betreft de periode 1973 - 1989 als volgt:
Tot aan de privatisering in 1987 berustte de Waarborg onder de Directie Verbruiksbelastingen van het Directoraat-generaal der Belastingen van het ministerie van Financiën. Vanaf 1 maart 1987 is de minister van Economische Zaken politiek verantwoordelijk voor de Waarborg Platina, Goud, Zilver N.V.
4. Uitgangspunten bij de selectie
De selectie richt zich op de neerslag van het handelen van die overheidsorganen welke vallen onder de werking van de Archiefwet 1995. Het uitgangspunt hierbij is het maken van een onderscheid tussen ’te bewaren’ en ’te vernietigen’ neerslag van handelingen; met als doel het mogelijk maken van een ‘reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen’. Door het convent van rijksarchivarissen werd deze doelstelling vertaald als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring.’
5. Selectiecriteria
Door PIVOT zijn selectiecriteria opgesteld welke het mogelijk maken de in het rapport institutioneel onderzoek verwoorde handelingen te wegen en zo de doelstelling van de selectie te realiseren. Deze criteria zijn zodanig geformuleerd zodat deze voor meerdere beleidsterreinen toepasbaar zijn. De door PIVOT ontwikkelde criteria zijn hierna opgenomen:
Algemene selectiecriteria
Handelingen die worden gewaardeerd met B(ewaren)
| Selectiecriterium | Toelichting | Neerslag |
|---|---|---|
| 1. Handelingen die betrekking hebben op beleidsvoorbereiding, -bepaling en -evaluatie | 1. Beleidsbepaling komt tot stand via parlementaire behandeling. 2. Hieronder tevens begrepen handelingen gericht op politieke besluitvorming of waarbij een belangenafweging plaatsvindt. 3. Hieronder worden handelingen gericht op het sluiten van internationale verdragen en uitvoeringsregelingen. | Wetgevingsprocessen, beleidsformuleringsprocessen, processen m.b.t. het sluiten van internationale verdragen en overeenkomsten of uitvoeringsregelingen. |
| 2. Handelingen gericht op externe verantwoording en/of verslaglegging | Verslaglegging naar andere actoren over het gevoerde beleid. | Jaarverslagen, jaarlijkse (voorgeschreven) controlerapporten. |
| 3. Adviezen gericht op de hoofdlijnen van het beleid | Adviezen die gebruikt kunnen worden bij beleidsvoorbereiding, -bepaling of -evaluatie. | Adviezen en rapportages van commissies en overlegorganen. |
| 4. Handelingen gericht op het stellen van regels direct gerelateerd aan de hoofdlijnen van het beleid | Hieronder ook begrepen pseudo-wetgeving. | Ministeriële regelingen niet op 1 of enkele objecten of subjecten gerichte KB's en AMVB's of uit wetgeving voortkomende nadere regelgeving. Hieronder wordt ook begrepen pseudo-wetgeving middels aanschrijvingen of resoluties. |
| 5. Handelingen gericht op de (her)inrichting van de beleidsorganisatie, belast met primaire bedrijfsprocessen | Reorganisatieprocessen, instelling en opheffing van beleidsorganen en directies. | |
| 6. Uitvoerende handelingen die onmisbaar zijn voor de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen | 1. Hieronder worden begrepen handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop de uitvoering plaatsvindt en die direct gerelateerd zijn aan de hoofdlijnen van het overheidshandelen. 2. Hieronder worden ook begrepen precedenten of producten t.o.v. de omgeving die tot stand zijn gekomen in afwijking van gereglementeerde en voorgeschreven criteria of in bepaalde mate voorbeeldgevend zijn voor de uitvoering van de handeling. | Het 'beleidsarchief' van uitvoerende organisatie-eenheden. Beschikkingen die van invloed zijn op de toekomstige uitvoering van die handeling. |
| 7. Uitvoerende handelingen die het algemeen democratisch functioneren mogelijk maken | Hieronder begrepen de handelingen van Hoge Colleges van Staat, het beantwoorden van kamervragen. | Kroonbeschikkingen en adviezen van de Raad van State, Algemene Reken kamer e.d. |
| 8. Uitvoerende handelingen die onttrokken zijn aan democratische controle en direct zijn gerelateerd aan hoofdlijnen van beleid | Hieronder worden ondermeer begrepen handelingen waarop de W.O.B. niet van toepassing is. | |
| 9. Uitvoerende handelingen die direct zijn gerelateerd aan en/of direct voortvloeien uit voor Nederland bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten | Hierbij moet worden gedacht aan handelingen verricht in het kader van de Tweede Wereldoorlog, de politionele acties, de watersnoodramp van 1953, de gijzelingsacties e.d. |
6. Uitzonderingscriterium
Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.
6a. Vaststelling BSD
Op 12 november 1997 is het ontwerp-BSD door het hoofd Algemene Secretarie van het ministerie van Financiën aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden. Op 16 januari 1988 werd het ontwerp-BSD voor wat betreft de handelingen van de minister van Economische Zaken ingediend door het hoofd Documentaire Informatievoorziening van het ministerie van Economische Zaken. Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de Raad voor Cultuur is verstuurd. Vanaf 24 februari 1998 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Algemeen Rijksarchief evenals in de bibliotheken van de zorgdragers, het ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant nr. 33 van 18 februari 1998.
Tijdens het driehoeksoverleg was, op verzoek van de Archiefcommissie van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap, ook een deskundige op het beleidsterrein aanwezig. Van andere (historische) organisaties of individuele burgers is geen commentaar ontvangen.
In de vergadering d.d. 12 mei 1998 van de Uitvoeringscommissie Archieven van de Raad voor Cultuur is het ontwerp-BSD behandeld, waarbij ook het verslag van het driehoeksoverleg bij de voorbereiding van het advies is meegenomen.
Op 23 juni 1998 bracht de Raad voor Cultuur advies uit (arc. 98.7743/1), hetwelk naast enkele tekstuele correcties aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
7. Selectielijst
De handelingen zoals in dit basis-selectiedocument zijn opgenomen komen overeen met de handelingen in het rapport institutioneel onderzoek ‘Echt goud, echt zilver?’. De handelingen zijn per actor gegroepeerd en zijn tevens overeenkomstig de handelingen in het rapport genummerd.
Aan iedere handeling is een waardering toegekend. Deze waardering kan zijn een B(ewaren) of een V(ernietigen). Wanneer een B is toegekend wordt tevens het selectiecriterium opgenomen; bij een V is de termijn na afloop waarvan de neerslag van de handeling vernietigd kan worden vermeld.
(1)
Handeling: Het (mede-) voorbereiden, wijzigen, en intrekken van het tarief van rechten op in-, uit- en doorvoer en van (bijzondere) wetten van accijnzen.
Grondslag: art. 117 Grondwet (GW) 1814, art. 197 GW 1815, art. 195 GW 1840, art. 171 GW 1848, art. 171 GW 1884, art. 174 GW 1887, art. 174 GW 1917, art. 175 GW 1922, art. 181 GW 1938, art. 181 GW 1946, art. 181 GW 1948, art. 188 GW 1953/artt. 1 en 2 Algemene Wet 1822 (Stb. 38).
Periode: 1945 - 1987
Waardering: B, 1
(2)
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen, vaststellen en intrekken van voorschriften, richtlijnen, instructies, aanschrijvingen, aanwijzingen, maatregelen, circulaires, boekwerken, leidraden, etc. betreffende het te volgen beleid inzake de invoerrechten en accijnzen.
Grondslag: -
Periode: 1945 - 1987
Waardering: B, 1
(3)
Handeling: Het verrichten van studies en het vaststellen van beleidsnota’s ter voorbereiding en/of evaluatie van het voorgenomen/ten uitvoer gelegde beleid inzake de invoerrechten en accijnzen.
Grondslag: -
Periode: 1945 - 1987
Waardering: B, 1
(4)
Handeling: Het informeren van de Staten-Generaal betreffende het te voeren beleid inzake het waarborgen van platina, gouden en zilveren werken.
Grondslag: -
Periode: 1945 - 1987
Waardering: B, 7
(5)
Handeling: Het beantwoorden van mondelinge/schriftelijke vragen van (individuele) leden der Staten-Generaal.
Grondslag: -
Periode: 1945 - 1987
Waardering: B, 7
(6)
Handeling: (aangepaste tekst)
Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers in commissies, werkgroepen of stuurgroepen belast met beleid met betrekking tot het waarborgen van (platina), gouden en zilveren werken.
Grondslag: -
Periode: 1945 - 1987
Waardering: V, 70 jaar na geboortedatum, met inachtneming van het uitzonderingscriterium ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995.
(7)
Handeling: vervallen
Grondslag:
Periode:
Waardering:
(8)
Handeling: Het instellen, wijzigen en opheffen van organisatie-eenheden op het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen.
Grondslag: -
Periode: 1945 - 1987
Waardering: B, 5
(9)
Handeling: Het opstellen van maandstaten, jaarstaten, productiestaten betreffende de ontvangen en teruggegeven Waarborgbelasting en essaailoon.
Grondslag: -
Periode: 1945 - 1987
Waardering: B, 2 v.w.b. de jaarstaten
V, 10 jaar na vaststelling jaarstaat; v.w.b. de maand- c.q. productiestaat
(10)
Handeling: Het opstellen van staten van Waarborgbenodigdheden.
Grondslag: 1. Min. resoluties/aanschrijvingen.
Boekwerk Waarborg 22 paragraaf 133,
Boekwerk Waarborg 25000 paragraaf 140.
Periode: 1945 - 1987
Waardering: V, 5 jaar na opstellen van de staten.
(11)
Handeling: Het opleggen van boeten en straffen inzake overtredingen als genoemd in de Waarborgwet 1927/Waarborgwet 1950.
Grondslag: artt. 19, 22, 26, 30-32, 34-37, 39, 40, 42, 44-46, 49, 51-52, 61-63 Waarborgwet 1927/artt.19, 22, 30-32, 34-37, 38, 39bis, 40, 42, 44-46, 48, 49, 51, 52, 61-63, en 102 Waarborgwet 1950 (sedert 1962 artt. 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, en 64 Waarborgwet 1950)/artt. 377, 378 Wetboek van Strafrecht. Tweede Boek Misdrijven. Titel XXVIII Ambtsmisdrijven.
Periode: 1945 - 1987
Waardering: V, 10 jaar na boete / bestraffing.
(12)
Handeling: Het aanwijzen van voorwerpen welke op een vast te stellen gehalte aan platina, goud en zilver door rijkskeurmerken gewaarborgd dienen te worden.
Grondslag: art. 1 lid 2 Waarborgwet 1950/art. 1 Waarborgwet 1986.
Periode: 1951 - 1987
Waardering: B, 1
(13)
Handeling: Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van algemene maatregelen van bestuur houdende regels betreffende de bedragen van het waarborgrecht teneinde deze aan te passen aan de uitgaven, welke door de waarborg zijn veroorzaakt.
Grondslag: art. 6 lid 5 Waarborgwet 1927/art. 5 lid 5 Waarborgwet 1950
Periode: 1945 - 1987
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.