Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein basisonderwijs over de periode 1945-1998
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 december 1999, nr. arc-99.1298/2),
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein basisonderwijs over de periode 1945-1998' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
De `Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het onder het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen ressorterende Directoraat-Generaal voor het Basis- en Speciaal Onderwijs' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen nr. MMA/Ar U 2087 II d.d. 7 mei 1987, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen nr. 99.114.RD d.d. 9 maart 1999 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 66 d.d. 7 april 1999)) wordt ingetrokken voor wat betreft het onderdeel basisonderwijs.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
Basis selectiedocument (BSD) van het handelen van de rijksoverheid op het (deel)beleidsterrein basisonderwijs Periode 1945 - 1998
Vastgestelde versie juni 2000
Vaststelling BSD
Op 29 juni 1999 is het concept-BSD door het Hoofd van de afdeling Informatiediensten van het Ministerie van OCenW aan de Staatssecretaris van OCenW aangeboden, waarna deze het, voor zover het betreft het handelen van de hoofdactor de minister van Onderwijs, ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waardering van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 14 juli 1999 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de informatiebalie in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van OCenW en de rijksarchieven in de provincie, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant 131 van 13 juli 1999.
Aan het driehoeksoverleg nam, op verzoek van de Archiefcommissie van het Koninklijk Nederlands Historische Genootschap, ook een deskundige op het beleidsterrein deel. Van andere (historische) organisaties of individuele burgers is geen commentaar ontvangen.
In de vergadering van de Bijzondere Commissie Archieven van de RvC van 28 september 1999 is het ontwerp-BSD behandeld, waarbij ook het verslag van het driehoeksoverleg bij de voorbereiding van het advies is meegenomen.
Op 17 december 1999 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-99.1298/2), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp selectielijst:
Aan handeling 14 is een NB toegevoegd: Eén gedrukt eindexemplaar van het voorlichtingsmateriaal blijft bewaard.
Handeling 185 is vervallen.
De waardering van handeling 195 is gewijzigd van V 10 jaar in B(5).
De waardering van handeling 231 is gewijzigd van V 10 jaar in B(5).
Daarop werd het BSD, voor zover het betreft het handelen van de hoofdactor de minister van Onderwijs, door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van OCenW, vastgesteld.
Het hier voorliggende exemplaar bevat tevens de selectielijsten van de andere actoren. Deze selectielijsten zijn nog niet vastgesteld.
Hoofdstuk 1. Inleiding
Het PIVOT-rapport `Klaar...af!', een institutioneel onderzoek op het gebied van het deelbeleidsterrein Basisonderwijs, periode 1945-1998 vormt de basis voor dit basisselectiedocument (BSD).
Het rapport en het BSD zijn het resultaat van institutionele onderzoeken welke zijn uitgevoerd binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in overeenstemming met de afspraken die bij convenant van 9 februari 1995 tussen de Loco Secretaris-Generaal van het ministerie van OCenW en de Algemene Rijksarchivaris zijn gemaakt.
Het rapport beschrijft de taken en handelingen van de verschillende actoren op het deelbeleidsterrein basisonderwijs.
In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bestanden vallen namelijk ook onder de Archiefwet 1995.
Tevens kan dit BSD dienen als leidraad bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening.
Het BSD is als volgt samengesteld:
Hoofdstuk 2. Beschrijving beleidsterrein en actoren
2.1. Het deelbeleidsterrein Basisonderwijs; doel en structuur
Het deelbeleidsterrein Basisonderwijs maakt samen met het deelbeleidsterrein Speciaal onderwijs deel uit van het beleidsterrein Primair Onderwijs.
Het Basisonderwijs is het onderwijs dat gegeven wordt aan kinderen van vier tot ongeveer twaalf jaar.
In de Wet op het Basisonderwijs (WBO) van 1985 zijn de vóór deze wet als kleuteronderwijs (voor kinderen van vier tot zes jaar) en lager onderwijs (voor kinderen van zes tot twaalf jaar) bekend staande onderwijsvormen geïntegreerd tot één onderwijsvorm voor kinderen in de leeftijd van vier tot twaalf jaar. Het basisonderwijs omvat acht aaneensluitende jaren en vormt mede de grondslag voor het voortgezet onderwijs.
Het algemeen doel van het basisonderwijs is het langs een ononderbroken ontwikkelingsproces realiseren van een emotionele en verstandelijke ontwikkeling, een ontwikkeling van creativiteit, en de verwerving van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden bij de leerlingen. In de realisatie van dit doel wordt er ook rekening mee gehouden dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.
Het basisonderwijs legt, zoals de naam al zegt, de basis voor het verdere onderwijs.
Naast de hoofdbepalingen in de WBO met betrekking tot de specifieke onderwerpen op het beleidsterrein Basisonderwijs wordt in verschillende artikelen ook de uitvaardiging van algemene maatregelen van bestuur voorgeschreven. Hierin worden nadere regels gesteld over de wijze waarop het gestelde in de hoofdbepaling dient te worden geëffectueerd.
Voor wat betreft de inhoudelijke of onderwijskundige aspecten geeft de WBO naast een omschrijving van de doelstelling voor het basisonderwijs ook de voorschriften over de inrichting. De voorschriften met betrekking tot de inrichting in de WBO bestrijken onder andere het leer- en vormingsaanbod, het schoolwerkplan en het aantal schooluren en -dagen.
De bekostiging wordt nader uitgewerkt in het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO, nadere uitwerking van de bepalingen omtrent de huisvesting zijn te vinden in het Huisvestingsbesluit en het Bouwbesluit. In het Formatiebesluit worden de bepalingen over het personeel uitgewerkt.
De Grondwet, art. 23, heeft aan de Minister van Onderwijs de zorg voor het onderwijs opgedragen. Dit houdt in dat de minister verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wet, en derhalve de voorwaarden schept voor de totstandkoming van alle voorzieningen op het gebied van het basisonderwijs die nodig zijn. Hij bepaalt ook nieuw beleid dat moet uitmonden in wetsvoorstellen aan de Staten Generaal. De aansturing is zowel onderwijsinhoudelijk als financieel-inhoudelijk van aard.
2.2. Actoren op het deelbeleidsterrein Basisonderwijs
De in deze paragraaf genoemde actoren hebben op basis van een formeel vestgestelde rol invloed op het beleid voor het basisonderwijs. Het betreft actoren die in de periode vanaf 1945 tot heden een rol hebben vervuld die duidelijk van invloed is geweest op het handelen van de overheid en op de ontwikkelingen van het beleid.
De belangrijkste actoren, en hun taken, zijn:
Minister van Onderwijs (Cultuur en Wetenschappen): bestuurt het onderwijs door middel van wet- en regelgeving met inachtneming van de bepalingen in de Grondwet.
De voornaamste taken van het Rijk op het gebied van het onderwijs zijn:
Onderwijsbeleid is mogelijk door kwalitatieve en kwantitatieve eisen te stellen aan het onderwijsproces in de scholen en instellingen of aan de resultaten ervan, door regelingen te treffen voor het toedelen van financiële en andere middelen en door het stellen van voorwaarden waaraan scholen moeten voldoen.
Het Rijk beslist onder meer over:
Onder de verantwoordelijkheid van de minister heeft de velddirectie Primair Onderwijs (PO) de zorg voor het onderwijsgebied basisonderwijs en onderhoudt contacten met de instellingen binnen dat gebied.
De aspectdirectie heeft een beleidsontwikkelende functie voor een deel van het beleidsterrein (bijvoorbeeld arbeidsvoorwaarden).
Inspectie van het onderwijs: houdt onder de verantwoordelijkheid van de minister toezicht op het onderwijs.
Taken:
Provinciale Staten/Gedeputeerde Staten: houden voornamelijk toezicht op de aanwezigheid van voldoende openbaar basis- en voortgezet onderwijs.
De gemeente: is het plaatselijk bestuur voor het gehele onderwijs, openbaar en bijzonder, tevens bevoegd gezag voor het openbaar onderwijs.
Taken:
Het bevoegd gezag: de instantie die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor de school, ofwel het schoolbestuur.
Dit is voor een openbare school het college van Burgemeester en Wethouders, voor zover de gemeenteraad niet anders bepaalt. Wanneer de school van meer gemeenten uitgaat, wordt in een gemeenschappelijke regeling het bevoegd orgaan aangewezen.
Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijk persoon met volledige rechtsbevoegdheid, die volgens de statuten of reglementen het doel heeft onderwijs te geven zonder winstoogmerk.
De vakministers: de minister van Onderwijs werkt nauw samen met
De Onderwijsraad:een permanent adviesorgaan met betrekking tot de uitvoering van het landelijk beleid, ingesteld bij wet van 21-02-1919, Stb 49.
Taken:
De adviesverplichting is voor een groot deel vervallen bij de wet van 10-07-1995, Stb. 355.
Op 15 mei 1997 kwam er een nieuwe wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220). Deze wet trad met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 1997.De voormalige Onderwijsraad werd opgeheven, een nieuwe raad werd ingesteld. De raad kreeg bij deze wet een andere samenstelling en de taken veranderden.
De nieuwe Onderwijsraad heeft de volgende taken:
Onderwijsoverleg Primair en Voortgezet Onderwijs: ingesteld door de staatssecretaris van Onderwijs bij beschikking van 16-03-1995, PO/B-95006934. De beschikkingen omtrent de instelling van de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg (CCOO) en het Overlegorgaan Voortgezet Onderwijs (OOVO), van 15-07-1977, WJZ 77454/0641( lid 2 uitgezonderd) en van 16-09-1985, DGVO/13303, komen hierdoor te vervallen.
De beschikking is op 20-03-1995 in werking getreden en vervalt op 01-03-1999.
Er is een onderwijsoverleg tussen de minister of staatssecretaris van Onderwijs en vertegenwoordigers van personeelsvakorganisaties, besturenorganisaties, schoolleiders, leerlingen en ouders. De organisaties die deze geledingen vertegenwoordigen vaardigen zelf hun vertegenwoordigers af.
Taak:
Interdepartementale Werkgroep Regeling Rijksuitkeringen kleuter- en lager onderwijs (werkgroep Londo), ingesteld bij beschikking van 15-05-1974 door de minister van Onderwijs en Wetenschappen. De werkgroep werd in de wandelgangen de `werkgroep Londo' genoemd, naar haar voorzitter.
Taken:
Adviesgroep programma's van eisen WBO en ISOVSO, ingesteld bij het besluit van 22-06-1990, Stb. 352.
Taken:
Het Procesmanagement Primair Onderwijs is ingesteld door de staatssecretaris van Onderwijs bij beschikking van 27-10-1995 (PO/B-95028441) voor de periode van 01-01-1996 tot en met 31 december 1999.
Taken:
De activiteiten van o.a. het procesmanagement WSNS (Weer Samen Naar School) worden geleidelijk overgenomen door het Procesmanagement Primair Onderwijs.
Voor een uitgebreidere uitleg over de actoren en hun taken wordt verwezen naar het RIO `Klaar...af!'.
Hoofdstuk 3. Selectie
3.1. Doelstelling van de selectie
De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995 1Archiefwet 1995, Wet van 28 april 1995 (Stb. 276), houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten.. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.
De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen te bewaren (dat wil zeggen naar de Rijksarchiefdienst over te brengen) en de (op termijn) te vernietigen gegevens van de bedoelde organen.
De te bewaren gegevens moeten een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving mogelijk maken.
In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het deelbeleidsterrein basisonderwijs op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.
Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.
De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren als uit digitale documenten bestaan.
Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. In het driehoeksoverleg met betrekking tot de behandeling van de concept-selectielijst Voortgezet Onderwijs, dd 27 mei 1999, is besloten (tenzij anders vermeld) de expiratiedatum van het product van de handeling als ingangsdatum van de V-termijn te nemen. Onder expiratiedatum wordt verstaan de datum waarop de beschikking of regeling vervalt. Op verzoek van CFI is dit aangevuld met de opmerking dat bij bekostigingshandelingen de expiratiedatum de datum is waarop de laatste stukken met betrekking tot de financiële verantwoording aan het dossier worden toegevoegd. Deze definitie van het V-termijn is overgenomen door de deelnemers van het driehoeksoverleg met betrekking tot de behandeling van de concept-selectielijst Basisonderwijs.
3.2. Selectiecriteria
Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.
Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Bij de vaststelling van deze selectiecriteria is bepaald dat de bruikbaarheid van de criteria binnen afzienbare tijd zou worden geëvalueerd. In april 1996 werd met dat doel een werkgroep samengesteld. Bij de samenstelling van de werkgroep is gezorgd voor inbreng vanuit zowel de Rijksarchiefdienst/PIVOT als vanuit de zorgdragers. Op 26 november 1996 werden de resultaten tijdens een PIVOT-themabijeenkomst gepresenteerd, waarna als gevolg van discussie nog enige aanpassingen volgden. Op 29 april 1997 werden de herziene selectiecriteria door het afdelingswerkoverleg vastgesteld, waarop zij werden aangeboden aan het Convent van rijksarchivarissen en voor advies voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening Rijksoverheid (PC Din). Na verwerking van de adviezen zijn de herziene selectiecriteria vastgesteld door het Convent van Rijksarchivarissen. De nieuwe selectiecriteria onderscheiden zich van de oude criteria door een streven naar een duidelijker en eenduidige redactie van de formulering van de nieuwe criteria, teneinde de werkbaarheid te vergroten.
De algemene selectiecriteria zijn positief geformuleerd, het zijn bewaarcriteria. De criteria geven de handelingen aan die met een B gewaardeerd worden, en waarvan de neerslag dus overgebracht dient te worden.
De neerslag van de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt niet overgebracht en kan op termijn vernietigd worden.
Selectiecriteria
Handelingen die gewaardeerd worden met B(ewaren)
Algemeen seleciecriterium:
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting
Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Algemeen seleciecriterium:
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting
Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Algemeen seleciecriterium:
Handelingen die betrekking hebben verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting
Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Algemeen seleciecriterium:
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting
Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Algemeen seleciecriterium:
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting
Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Algemeen seleciecriterium:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.