Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein voortgezet onderwijs over de periode 1968-1998
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 december 1999, nr. arc-99.1299/2),
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde 'selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein voortgezet onderwijs over de periode 1968-1998' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
De 'Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen nr. O/MA 152.259 en nr. AIZ/RA 47.469 d.d. 4 mei 1970, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen nr. 99.110.RD d.d. 9 maart 1999 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 66 d.d. 7 april 1999)) wordt ingetrokken voor wat betreft de periode vanaf 1968 en voor zover de lijst betrekking heeft op het voortgezet onderwijs.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basis Selectie Document
Vaststelling BSD
Op 29 juni 1999 is het concept-BSD door het Hoofd van de afdeling Informatiediensten van het Ministerie van OCenW aan de Staatssecretaris van OCenW aangeboden, waarna deze het, voor zover het betreft het handelen van de hoofdactor de minister van Onderwijs, ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waardering van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 14 juli 1999 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de informatiebalie in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van OCenW en de rijksarchieven in de provincie, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant 131 van 13 juli 1999.
Aan het driehoeksoverleg nam, op verzoek van de Archiefcommissie van het Koninklijk Nederlands Historische Genootschap, ook een deskundige op het beleidsterrein deel. Van andere (historische) organisaties of individuele burgers is geen commentaar ontvangen.
In de vergadering van de Bijzondere Commissie Archieven van de RvC van 28 september 1999 is het ontwerp-BSD behandeld, waarbij ook het verslag van het driehoeksoverleg bij de voorbereiding van het advies is meegenomen.
Op 17 december 1999 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-99.1299/2), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp selectielijst:
Aan handeling 15 is een NB toegevoegd: Eén gedrukt eindexemplaar van het voorlichtingsmateriaal blijft bewaard.
Handeling 435 is vervallen.
Daarop werd het BSD, voor zover het betreft het handelen van de hoofdactor de minister van Onderwijs, door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van OcenW, vastgesteld.
Het hier voorliggende exemplaar bevat tevens de selectielijsten van de andere actoren. Deze selectielijsten zijn nog niet vastgesteld.
Hoofdstuk 1. , inleiding
Het PIVOT-rapport ' Mammoetsporen, deel I', een institutioneel onderzoek op het gebied van het beleidsterrein Voortgezet onderwijs, periode 1968-1998 vormt de basis voor dit basisselectiedocument (BSD).
Het rapport en het BSD zijn het resultaat van institutionele onderzoeken welke zijn uitgevoerd binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in overeenstemming met de afspraken die bij convenant van 9 februari 1995 tussen de Loco Secretaris-Generaal van het ministerie van OCenW en de Algemene Rijksarchivaris zijn gemaakt.
Het rapport beschrijft de taken en handelingen van de verschillende actoren op het beleidsterrein voortgezet onderwijs.
In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bestanden vallen namelijk ook onder de Archiefwet 1995.
Tevens kan dit BSD dienen als leidraad bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening.
Het BSD is als volgt samengesteld:
Hoofdstuk 2. , Beschrijving beleidsterrein en actoren
2.1. Het beleidsterrein voortgezet onderwijs, doel en structuur
Het beleidsterrein voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend bereidend beroepsonderwijs (vbo), voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en algemeen voortgezet onderwijs (mavo, havo) en de landelijke verzorgingsinstellingen. Vanaf 1 augustus 1998 behoort ook een gedeelte van het voortgezet speciaal onderwijs tot het beleidsterrein (zie verder Hoofdstuk I, verantwoording van het RIO `Mammoetsporen, deel I').
Het voortgezet onderwijs bedoeld in dit Basis Selectie Document omvat het onderwijs dat wordt gegeven na de basisscholen en na het speciaal onderwijs. Het omvat noch het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de WVO, Stb. 1998, 512, en in de Wet op de expertisecentra, noch educatie en beroepsonderwijs zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs noch het hoger onderwijs.
Dit BSD beperkt zich tot het vbo, mavo, havo en vwo. Deze schoolsoorten hebben met elkaar gemeen dat ze bedoeld zijn voor leerlingen vanaf ongeveer 12 jaar, verder verschillen ze sterk van elkaar, bijvoorbeeld qua opleidingsduur en examenprogramma's.
De wettelijke regelingen voor de scholen voor vbo, mavo, havo en vwo zijn neergelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de daaruit voortkomende uitvoeringsbesluiten.
Naast de hoofdbepalingen in de WVO met betrekking tot de specifieke onderwerpen op het beleidsterrein voortgezet onderwijs wordt in verschillende artikelen ook de uitvaardiging van AmvB's en ministeriële regelingen voorgeschreven. Hierin worden nadere regels gesteld over de wijze waarop het gestelde in de hoofdbepaling dient te worden geëffectueerd.
De Grondwet, art. 23, heeft aan de Minister van Onderwijs de zorg voor het onderwijs opgedragen. Dit houdt in dat de minister verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wet, en derhalve de voorwaarden schept voor de totstandkoming van alle voorzieningen op het gebied van het voortgezet onderwijs die nodig zijn. Hij bepaalt ook nieuw beleid dat moet uitmonden in wetsvoorstellen aan de Staten Generaal. De aansturing is zowel onderwijsinhoudelijk als financieel-inhoudelijk van aard.
2.2. Actoren op het deelbeleidsterrein voortgezet onderwijs
- Minister van Onderwijs (Cultuur en Wetenschappen): bestuurt het onderwijs door middel van wet- en regelgeving met inachtneming van de bepalingen in de Grondwet. De voornaamste taken van het Rijk op het gebied van het onderwijs zijn: Onderwijsbeleid is mogelijk door kwalitatieve en kwantitatieve eisen te stellen aan het onderwijsproces in de scholen en instellingen of aan de resultaten ervan, door regelingen te treffen voor het toedelen van financiële en andere middelen en door het stellen van voorwaarden waaraan scholen moeten voldoen. Het Rijk beslist onder meer over: Onder de verantwoordelijkheid van de minister heeft de velddirectie Voortgezet Onderwijs (VO) de zorg voor het onderwijsgebied voortgezet onderwijs en ndash onderhoudt contacten met de instellingen binnen dat gebied. De aspectdirectie heeft een beleidsontwikkelende functie voor een deel van het beleidsterrein (bijvoorbeeld arbeidsvoorwaarden).
- zorg dragen voor openbaar onderwijs
- waarborgen van de vrijheden van stichting, richting en inrichting van het bijzonder onderwijs
- zorg dragen voor de structurering
- zorg dragen voor de bekostiging naar gelijke maatstaf
- zorg dragen voor het toezicht op het onderwijs (zie ook Inspectie van het Onderwijs)
- zorg dragen voor examineren en studiefinanciering
- het bevorderen van innovatie van het onderwijs
- welke schooltypen er kunnen bestaan
- de cursusduur van elk der schooltypen
- voor sommige schooltypen:
- de vakken die moeten worden onderwezen
- het minimum en maximum aantal lesuren per schooltype
- het minimum en maximum aantal lesuren per week
- de duur van de lessen
- de wijze waarop het examineren van de leerlingen geschiedt
- de eisen van bekwaamheid van het onderwijzend personeel
- het salaris en de hoofdzaken van de rechtspositie van de onderwijsgevenden
- de stichtings- en de opheffingsnormen
- de bedragen die aan schoolgebouwen en onderwijsvoorzieningen kunnen worden besteed 1Sinds januari 1997 is de huisvesting gedecentraliseerd; de gemeente is verantwoordelijk voor de huisvestingsvoorzieningen. (Wet van 4 juli 1996, Stb. 402).
- Inspectie van het onderwijs: onder de verantwoordelijkheid van de minister toezicht houden op het onderwijs. Taken: (zie ook paragraaf 4.7)
- toezicht houden op de naleving van de wettelijke voorschriften
- het bekend blijven met de toestand van het voortgezet onderwijs, onder meer door het bezoeken van scholen
- het bevorderen van de ontwikkeling van het voortgezet onderwijs door overleg met het bevoegd gezag, het personeel van de scholen en de besturen van gemeente en provincie
- het doen van voorstellen aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen die zij in het belang van het voortgezet onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs nodig acht
- Provinciale Staten/Gedeputeerde Staten: houden voornamelijk toezicht op de aanwezigheid van voldoende openbaar basis- en voortgezet onderwijs. Taken, in het bijzonder voor het voortgezet onderwijs:
- beoordelen of de provincie beschikt over voldoende openbaar onderwijs per schoolsoort
- De gemeente: is het plaatselijk bestuur voor het gehele onderwijs, openbaar en bijzonder, tevens bevoegd gezag voor het openbaar onderwijs. Taken:
- bekostiging
- coördinatie van de huisvesting
- Het bevoegd gezag: de instantie die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor de school, ofwel het schoolbestuur. Dit is voor een openbare school het college van Burgemeester en Wethouders, voor zover de gemeenteraad niet anders bepaalt. Wanneer de school van meer gemeenten uitgaat, wordt in een gemeenschappelijke regeling het bevoegd orgaan aangewezen. Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijk persoon met volledige rechtsbevoegdheid, die volgens de statuten of reglementen het doel heeft onderwijs te geven zonder winstoogmerk. Voor rijksscholen was de minister van Onderwijs het bevoegd gezag.
- de vakministers: de minister van Onderwijs werkt nauw samen met
- de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor het landbouwonderwijs 2Aan het landbouwonderwijs is PIVOT-rapport nummer 26 gewijd.
- de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het scholings- en arbeidsmarktbeleid en het emancipatiebeleid
- de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het welzijnsbeleid van specifieke groepen
- de minister van Economische Zaken voor het technologiebeleid
- de minister van Buitenlandse Zaken voor de internationale samenwerking
- de minister Justitie voor het toetsen van de wettelijke regelingen 3Ingevolge een instructie van de Secretaris-Generaal, voert ook Cfi een uitvoeringstoets op de wettelijke regelingen uit. en het bewaken van het jurische gehalte van de regelingen
- Informatie Beheer Groep (IBG), een zelfstandig bestuursorgaan ingesteld bij de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank, Wet van 15-12-1993, Stb. 714. Op 01-01-1994 is de wet in werking getreden. Voorganger: de Informatiseringsbank, een dienstonderdeel van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. De taak van het IBG bestaat in het algemeen uit het uitvoeren van wet- en regelgeving op het gebied van studiefinanciering en op andere beleidsterreinen waarop het ministerie van OCenW zich begeeft, zoals bijvoorbeeld de examens. Deze taak wordt verricht door de Produktgroep Examendiensten. Taken van de IBG: De Informatie Beheer Groep is belast met de uitvoering van: De Informatie Beheer Groep kan met toestemming van de minister van Onderwijs andere taken uitvoeren, dan die welke rechtstreeks voortvloeien uit de in het eerste lid van de wet genoemde, mits deze taken:
- o.a. de Wet op de studiefinanciering, het Besluit studiefinanciering, de Wet tegemoetkoming studiekosten, het Besluittegemoetkoming studiekosten, de Les- en cursusgeldwet, het Uitvoeringsbesluit les- en cursusgeldwet, het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, hoofdstuk II van de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering, het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o., het Examenbesluit m.b.o., het Eindexamenbesluit m.h.n.o., het Besluit dagscholen v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o., het Interimbesluit m.t.o., het Eindexamenbesluit dagscholen m.e.a.o., het Eindexamenbesluit m.m.o., de Wet van 25 december 1878, houdende regeling der voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van arts, tandmeester, apotheker, vroedvrouw en apothekers-bediende (Stb. 1878, 222), het Besluit van 12 februari 1879, tot regeling der examens als arts, tandmeester, apotheker, vroedvrouw en apothekersbediende ( Stb. 1879,36), het Besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978, het Besluit staatsexamens m.e.a.o., het Staatsexamenbesluit SPD bedrijfsadministratie, het Besluit van 18 maart 1972 houdende staatsexamen diploma's handvaardigheid (Stb. 1972,155), het Besluit van 16 september 1949 houdende instelling van examens ter verkrijging van een getuigschrift van tolk-vertaler (Stb. 1949, J428), het Besluit van 5 mei 1958 tot instelling van een Staatsdiploma voor leraar in het machineschrijven en tot regeling van het examen ter verkrijging van dat diploma (Stb. 1958, 229), het Besluit van 4 augustus 1955 tot instelling van een Staatsdiploma voor leraar in de stenografie en tot regeling van het examen ter verkrijging van dat diploma (Stb. 1955, 366), het Besluit examenprogramma's middelbare akten wiskunde (Stb. 1958, 9), het Besluit examenprogramma middelbare akte plant- en dierkunde (Stb. 1958, 271), het Besluit examenprogramma middelbare akte lichamelijke oefening (Stb. 1958, 472), het Besluit examenprogramma's middelbare akten tekenen (Stb.1958, 8), het Besluit van 10 mei 1938, houdende vaststelling van een reglement en een programma voor het examen, bedoeld in artikel 77bis der middelbaar-onderwijswet ( Stb. 1938, 391), het Besluit Nederlands als tweede taal, en het Rijkswachtgeldbesluit 1959 voor zover het personeel werkzaam in het onderwijs, met uitzondering van het personeel in het wetenschappelijk onderwijs en het personeel werkzaam bij een academisch ziekenhuis, betreft;
- de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en de beperking van inschrijving op grond van de beschikbare onderwijscapaciteit of de behoefte van de arbeidsmarkt;
- andere bij de wet opgedragen taken.
- a. liggen op het terrein van de uitvoering van bestuurlijke taken en nauw verband houden met de in het eerste lid van de wet genoemde taken van de Informatie Beheer Groep;
- b. toepassingen met zich brengen van produktiemiddelen, die de Informatie Beheer Groep voor de vervulling van haar in het eerste lid genoemde taken, voorhanden heeft;
- c. niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten, en
- d. tegen kostendekkende tarieven worden verricht.
Hoofdstuk 3. , Selectie
3.1. Doelstelling van de selectie
De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995 4Archiefwet 1995, Wet van 28 april 1995 (Stb. 276), houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten.. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.
De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen te bewaren (dat wil zeggen naar de Rijksarchiefdienst over te brengen) en de (op termijn) te vernietigen gegevens van de bedoelde organen.
De te bewaren gegevens moeten een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving mogelijk maken.
In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het beleidsterrein voortgezet onderwijs op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.
Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.
De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren als uit digitale documenten bestaan.
Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in na expiratiedatum van de bescheiden of na afdoening van de neerslag, tenzij anders vermeld.
3.2. Selectiecriteria
Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.