Besluit van 5 augustus 2000, houdende intrekking van het Besluit studiefinanciering en vervanging door het Besluit studiefinanciering 2000 ter uitvoering van de Wet studiefinanciering 2000 (Besluit studiefinanciering 2000)

Type AMvB
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 juni 2000, nr. 2000/23 732 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 1.1, eerste lid, 2.2, onderdeel c, 2.11, 3.3, tweede lid, 3.14, derde lid, 8.1, eerste lid, 8.2, tweede lid, 9.6, 10.6, zevende lid, 11.1, 11.6 en 11.7 van de Wet studiefinanciering 2000;

De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2000, nr. W05.00.0236/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 27 juli 2000, nr. 2000/27 634 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen
1.

In dit besluit wordt verstaan onder:

aflosfase: aflosfase, bedoeld in artikel 6.7 van de wet,

familielid: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG,

richtlijn 2004/38/EG: richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158),

wet: Wet studiefinanciering 2000.

2.

In hoofdstuk 3a van dit besluit wordt verstaan onder aanvullende beurs: toegekende en uitbetaalde aanvullende beurs als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet.

3.

Een wijziging van richtlijn 2004/38/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 2

Onder «belastbaar minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan:

108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand.

Hoofdstuk 2. Reikwijdte

Artikel 3. Nationaliteit: gehele gelijkstelling
1.

Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft:

2.

Met een Nederlander wordt eveneens gelijkgesteld de vreemdeling ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Artikel 4. Aangewezen onderwijs

Vervallen

Artikel 5. Reikwijdte partnerbegrip

In afwijking van artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt in dit hoofdstuk onder partner verstaan: een echtgenoot of partner als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b, of artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2004/38/EG.

Hoofdstuk 3. Weigerachtige of onvindbare ouders

Artikel 6. Algemeen
1.

Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet, voor wat betreft de aanvullende lening die voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder, bestaat in ieder geval, indien:

2.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet wordt niet in behandeling genomen indien deze betrekking heeft op:

Artikel 7. Conflicteis
1.

Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en student als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken.

2.

Onze Minister stelt bij de ouder vast dat er sprake is van weigering. Indien die ouder geen medewerking voor die vaststelling verleent, kan de verklaring van een onafhankelijke derde voor de betreffende ouderverklaring in de plaats treden.

3.

De ernst van het conflict wordt aangetoond aan de hand van een verklaring afgegeven door een ter zake deskundige.

Artikel 8. Het gezag van de ouder beëindigd

Als bewijs dat het gezag van de ouder is beëindigd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, dient een afschrift van de beschikking van de rechtbank te worden overlegd.

Artikel 9. Geen contact sinds 12e jaar

Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, is sprake, indien de student vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.

Artikel 10. Niet inbare alimentatie

Van voor de student niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de student voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.

Artikel 11. Onbekende verblijfplaats ouder

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing indien de student de verblijfplaats van de ouder niet kent en die verblijfplaats niet wordt achterhaald na onderzoek van Onze Minister gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland.

Artikel 12. Draagkracht uit alimentatie
1.

Indien een student van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, ontvangt, komt het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie van de student in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte te worden overlegd. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering.

2.

Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de door de rechter vastgestelde alimentatie van de student in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage gesteld vanaf de ingangsdatum van de alimentatie zoals die datum door de rechter is vastgesteld.

Hoofdstuk 3a. Kwijtschelding aanvullende beurs

Artikel 13. Uitbetaling
1.

Studiefinanciering wordt uitbetaald tussen de twintigste en dertigste dag van elke maand.

2.

Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, van de wet een beschikking op een bezwaarschrift of een uitspraak op een beroep daartoe aanleiding geeft, verrekent Onze Minister het bedrag aan studiefinanciering dat te weinig was toegekend met de betrokkene, of wordt dat bedrag ineens aan de betrokkene uitbetaald.

Artikel 14. Voorschot lesgeld

Vervallen

Artikel 15. Verrekening voorschot lesgeld

Vervallen

Hoofdstuk 3a. Kwijtschelding aanvullende beurs

Artikel 16. Verstrekken van inlichtingen

Het verstrekken van inlichtingen, benodigd voor de uitvoering van de wet, door organen met een publiekrechtelijke taak geschiedt binnen 8 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen, indien door het college van burgemeester en wethouders te verschaffen inlichtingen onderzoek buiten de basisregistratie personen noodzakelijk maken. In alle overige gevallen geschiedt het verstrekken van inlichtingen binnen 4 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen. Onze Minister kan bij de aanvraag om inlichtingen aangeven hoe de overdracht van informatie plaatsvindt.

Hoofdstuk 6. Aanpassing van bedragen

Artikel 17. Aanpassing van bedragen
1.

Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, tweede lid, en 3.9a, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.

2.

Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 3.27, tweede lid, 4.7, 4.18, 5.2, 12.14, tweede lid, 12.15, derde lid, 12.16, eerste en tweede lid, 12.30, derde lid, en 12.31, tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.

3.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.

Hoofdstuk 4. Uitbetaling en verrekening

Artikel 18. Omzetting voor tempobeursstudenten van lening in gift

Vervallen

Hoofdstuk 8

Artikel 19. Begripsbepaling tegemoetkoming

In dit hoofdstuk wordt onder tegemoetkoming verstaan: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12.15, eerste lid, van de wet.

Artikel 20. Ambtshalve toekenning en toekenning op aanvraag
1.

De tegemoetkoming wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin Onze Minister over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, ambtshalve toegekend, met dien verstande dat de toekenning aan een rechthebbende waarvan Onze Minister reeds voor of op 31 december 2024 over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, geschiedt in 2025.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming op aanvraag toegekend aan een rechthebbende op een tegemoetkoming die:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.