Regeling studiefinanciering 2000
Gelet op de artikelen 1.3, 2.12, 2.14, eerste lid, 3.7, tweede lid, 3.24, tweede lid, 3.26, eerste en vierde lid, 3.27, vijfde lid, 3.28, eerste lid, 3.29, 6.9, derde en vijfde lid, en 7.4, vijfde en zesde lid, van de Wet studiefinanciering 2000;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- Drager: drager als bedoeld in artikel 4.1;
- Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- Persoonlijk online account: persoonlijk account in de webomgeving van RSR, waarin een student met reisrecht zijn reisproduct kan koppelen aan een drager;
Hoofdstuk 2. Regeling omtrent aanvraag
Artikel 2.1. Formulieren
Gegevens die nodig zijn voor de toekenning van studiefinanciering, worden door de student, diens partner of diens ouders, verstrekt door invulling en inlevering of elektronische verzending van daartoe bestemde door de Minister te verstrekken formulieren.
Artikel 2.2. De studentenchipkaart
Vervallen
Artikel 2.3. Aanvraagprocedure
In de aanvraag om toekenning van studiefinanciering worden de basisbeurs, de aanvullende beurs, de basislening, de aanvullende lening, het collegegeldkrediet of het levenlanglerenkrediet aangevraagd.
De aanvrager doet bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid opgave van zijn burgerservicenummer.
Indien de aanvrager het collegegeldkrediet aanvraagt, voegt hij bij de aanvraag een bewijs van het door hem verschuldigde collegegeld voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering aanvraagt indien het bedrag dat hij per maand aanvraagt hoger ligt dan een twaalfde deel van het bedrag, genoemd in artikel 7.43, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Indien de aanvrager het levenlanglerenkrediet aanvraagt en indien het bedrag dat hij per maand aanvraagt hoger ligt dan een twaalfde deel van het bedrag, genoemd in artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onderscheidenlijk artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet, voegt hij bij de aanvraag een bewijs van het door hem verschuldigde collegegeld of lesgeld voor de opleiding waarvoor hij levenlanglerenkrediet aanvraagt.
Artikel 2.4. Volledige opleiding buiten Nederland: aanvraag reisrecht
De student, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, van de wet, die als reisvoorziening een reisrecht wenst te ontvangen, dient daartoe een aanvraag in bij de Minister uiterlijk 8 weken voor de datum waarop het reisrecht moet ingaan.
Artikel 2.5. Deel opleiding buiten Nederland: aanvraag voorziening in geld
De student, bedoeld in artikel 4.6, die een reisvoorziening in geld wenst te ontvangen, dient daartoe een aanvraag in bij de Minister.
Op het aanvraagformulier wordt door de onderwijsinstelling waar de student blijft ingeschreven, verklaard:
- a. in welke maanden de student een of meer onderdelen van de opleiding in het buitenland volgt,
- b. dat deze onderdelen meetellen voor het Nederlands diploma, en
- c. dat de student gedurende deze periode ingeschreven blijft aan de Nederlandse onderwijsinstelling.
Met ingang van de eerste dag van de periode, waarover de aanvraag is toegekend, heeft de student geen reisrecht meer.
Hoofdstuk 2a. Toekenning en betaling levenlanglerenkrediet
Artikel 3.1. Lening na Bachelor of Master-opleiding voor hoger onderwijs in EER-landen
Vervallen
Artikel 3.2. Studiefinanciering volledige opleiding in het buitenland: geharmoniseerde opleidingen
Vervallen
Hoofdstuk 2a. Toekenning en betaling levenlanglerenkrediet
Artikel 4.1. Dragers reisproduct
Het reisproduct kan aan een van de volgende dragers worden gekoppeld:
- a. persoonlijke OV-chipkaart;
- b. token op een mobiele telefoon; of
- c. token op een fysieke kaart.
RSR geeft aan aan welke dragers de student het reisproduct kan koppelen.
Artikel 4.2. Verkrijging reisrecht
Om met het reisrecht te kunnen reizen moet het reisproduct door de student in zijn persoonlijke online account worden gekoppeld aan een van de dragers als bedoeld in artikel 4.1.
Indien de student reist met een drager als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel a, moet de student om met het reisrecht te kunnen reizen, in aanvulling op het eerste lid, het reisproduct bij een daartoe bestemde automaat van de vervoerbedrijven op de drager laden na de koppeling in het persoonlijke online account.
Artikel 4.3. Tijdelijk reisproduct
Op aanvraag bij RSR kan de student tijdelijk met het reisrecht reizen. In dat geval wordt het studentenreisproduct gekoppeld aan een andere aan de student toebehorende drager die is geverifieerd door de RSR.
In afwijking van artikel 4.1 kan het tijdelijke reisproduct worden gekoppeld aan een anonieme OV-chipkaart. Indien een student het tijdelijk reisproduct koppelt aan een persoonlijke of anonieme OV-chipkaart, moet de student om met het reisrecht te kunnen reizen, in aanvulling op artikel 4.2, eerste lid, het reisproduct bij een daartoe bestemde automaat van de vervoerbedrijven op de drager laden na de koppeling in het persoonlijke online account.
Artikel 4.4. Beëindiging reisrecht
Het reisrecht wordt beëindigd door het reisproduct dat aan een drager is gekoppeld, stop te zetten op de wijze, bedoeld in artikel 4.5.
Artikel 4.5. Stopzetten
Met stopzetten wordt in dit artikel bedoeld het stopzetten, bedoeld in de artikelen 3.27 en 3.28 van de wet en artikel 4.4.
Het reisproduct dat is gekoppeld aan de drager, bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b of c, kan door de Minister of student worden stopgezet door RSR te verzoeken de koppeling tussen het reisproduct en de drager te verbreken.
Het reisproduct dat is geladen op de drager, bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, wordt door de student stopgezet bij een daartoe bestemde automaat van de vervoerbedrijven.
De Minister kan, indien de met een reisproduct geladen drager technische gebreken heeft of indien de automaten van de vervoerbedrijven of het persoonlijke online account bij RSR niet functioneren, beslissen dat het reisproduct stopgezet kan worden door gebruik te maken van een aangetekende brief.
Artikel 4.6. Keuze in soorten reisrecht
Een reisrecht wordt verstrekt in de vorm van:
- a. een weekreisrecht als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de overeenkomst tussen de vervoerbedrijven en de Staat in verband met de uitvoering van het reisrecht; of
- b. een weekendreisrecht als bedoeld in artikel 1, zevende lid, van de overeenkomst tussen de vervoerbedrijven en de Staat in verband met de uitvoering van het reisrecht.
Indien een student als gevolg van de keuzemogelijkheid voor een soort reisrecht als bedoeld in artikel 3.26, tweede lid, van de wet, een weekendreisrecht kiest, geeft hij dit via www.duo.nl aan de Minister door alvorens hij zijn reisproduct aan zijn drager koppelt zoals beschreven in artikel 4.2.
Artikel 4.7. Wisselen van soort reisrecht
Een student die recht heeft op een reisvoorziening kan tweemaal per kalenderjaar wisselen van keuze voor een soort reisrecht, met dien verstande dat het nieuwe soort reisrecht niet kan aanvangen:
- a. in de maanden mei tot en met augustus, en
- b. binnen twee maanden na een eerdere wisseling van keuze voor een soort reisrecht.
Op de aanvraag om te wisselen wordt besloten uiterlijk op de tiende werkdag nadat de aanvraag bij de Minister is ontvangen.
In afwijking van het tweede lid wordt op de aanvraag om te wisselen met ingang van een periode die gelegen is na het ingaan van een eerder toegekend reisrecht besloten uiterlijk op de tiende werkdag nadat het eerder toegekende reisrecht is ingegaan.
Indien bij de beslissing op de aanvraag, bedoeld in het tweede of derde lid, een nieuw soort reisrecht wordt toegekend, kan het bijbehorende reisproduct na die toekenning na vijf werkdagen aan een drager worden gekoppeld op een in artikel 4.2 bedoelde wijze.
Het nieuwe reisproduct kan tot en met zes weken na de in het vierde lid bedoelde aanvraag aan een drager worden gekoppeld.
Artikel 4.8. Reisproduct strikt persoonlijk
De student die beschikking heeft over een reisproduct heeft uitsluitend voor zichzelf recht op kosteloos vervoer of korting op de vervoerprijs bij de vervoerbedrijven.
Artikel 4.9. Voorziening in geld
Een student die een opleiding in Nederland volgt en gedurende die opleiding een onderdeel daarvan buiten Nederland gaat volgen, kan over de periode in het buitenland op aanvraag in plaats van een reisrecht in aanmerking komen voor een voorziening in geld.
De student komt in aanmerking voor een voorziening in geld, als bedoeld in het eerste lid, indien:
- a. het onderdeel dat buiten Nederland wordt gevolgd, meetelt voor het Nederlandse diploma, en
- b. de student ingeschreven blijft aan de Nederlandse onderwijsinstelling.
De voorziening in geld, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de wet.
Toekenning van de reisvoorziening in geld vindt plaats per kalendermaand voor de periode waarin de student voor de betreffende opleiding in het buitenland studeert. Na deze periode wordt dezelfde soort reisrecht toegekend zonder dat dat opnieuw behoeft te worden aangevraagd. Indien de student eerder dan aangegeven terugkeert in Nederland, kan opnieuw een reisrecht worden aangevraagd. Na toekenning daarvan kan het reisproduct na vijf werkdagen aan een drager worden gekoppeld op een in artikel 4,2 bedoelde wijze.
Dit artikel berust op artikel 3.24, vijfde lid, van de wet.
Artikel 4.10. Uitzondering op de plicht om de OV-studentenkaart in te leveren
Indien aan de studerende na verlies of diefstal van de kaart geen duplicaat is verstrekt, is hij in afwijking van artikel 3.27, eerste lid, van de wet, niet verplicht zijn OV-studentenkaart in te leveren, mits hij van deze diefstal of dit verlies aangifte doet en dat aan de verstrekker van de kaart meldt met een door een politiebeambte ingevuld, daartoe bestemd formulier. Deze melding vindt plaats binnen 5 werkdagen nadat zijn recht op studiefinanciering is geëindigd.
Het formulier, bedoeld in het eerste lid, is verkrijgbaar bij door de IB-Groep aangewezen instellingen. De studerende is voor de verwerking van dit formulier een bedrag verschuldigd van € 18,15 dat aan de verstrekker van het formulier wordt voldaan.
In geval van examen, herexamen dan wel uitloting van een student, is de studerende verplicht de OV-studentenkaart in te leveren binnen 5 werkdagen na het bekend worden van de examen- of herexamenuitslag respectievelijk na het moment dat de uitslag van de uitloting bekend is geworden.
Artikel 4.11. Wijze waarop en voorwaarden waaronder een duplicaat van de OV-studentenkaart kan worden verstrekt
In geval van verlies, diefstal of beschadiging van de OV-studentenkaart heeft de studerende die recht heeft op de reisvoorziening, recht op verstrekking van een duplicaat van de kaart uiterlijk op de tiende werkdag na ontvangst van de aanvraag daartoe bij de verstrekker van de kaart.
Een duplicaat van de kaart wordt door middel van een formulier aangevraagd. Dat formulier is verkrijgbaar bij door de IB-Groep aangewezen instellingen.
In geval van verlies of diefstal wordt daarvan aangifte gedaan. In geval van beschadiging wordt de beschadigde kaart met het formulier, bedoeld in het tweede lid, ingeleverd bij door de IB-Groep aangewezen instellingen, of meegezonden aan de IB-Groep.
Indien de studerende een duplicaat aanvraagt, is hij daarvoor aan de IB-Groep een bedrag verschuldigd van € 31,76.
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.