Beleidsregels ontheffingen Wet op de Dierproeven
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt de volgende beleidsregels vast inzake het verlenen van ontheffingen voor het verrichten van dierproeven.
1. Bedreigde diersoorten
Als bijzondere gevallen waarin een ontheffing wordt verleend van het verbod, gesteld in artikel 11 van de Wet op de dierproeven, tot het verrichten van dierproeven op dieren die krachtens bijlage I van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten, en bijlage C, deel 1, van Verordening (EEG) nr. 3626/82 als bedreigde soorten worden aangemerkt, worden beschouwd proeven die voldoen aan de voorschriften van genoemde verordening en zijn gericht op:
2. Dieren uit de vrije natuur
Als bijzondere gevallen waarin een ontheffing wordt verleend van het verbod, gesteld in artikel 11 van de Wet op de dierproeven, tot het verrichten van dierproeven op dieren die uit de vrije natuur afkomstig zijn, worden beschouwd die gevallen waarin proeven met andere dieren voor het doel van de proef niet geschikt zijn.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.