Wet van 2 november 2000 tot vaststelling van een Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdhulpverlening alsmede enige andere wetten (Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen)
Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Hoofdstuk VII. Controle en geweldgebruik
Hoofdstuk IX. Verzorging, onderwijs en andere activiteiten
Paragraaf 1. Verzorging
Paragraaf 1. Verzorging
Hoofdstuk X. Disciplinaire straffen
Artikel 55a
De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de jeugdige noodzakelijk is, bepalen dat de jeugdige die in de strafcel verblijft, dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd.
Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Hoofdstuk XIII. Beklag
Hoofdstuk XV. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof, proefverlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en strafonderbreking
Hoofdstuk XV. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en strafonderbreking
Hoofdstuk XIV. Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 17a
De directeur kan de tenuitvoerlegging van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2 van de Jeugdwet schorsen, als de tenuitvoerlegging niet langer nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
Een besluit tot schorsing of intrekking wordt niet genomen dan nadat de directeur daaromtrent overleg heeft gepleegd met de betrokken gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming.
De directeur doet van een besluit tot schorsing of intrekking mededeling aan de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming.
Paragraaf 2. Bezwaar- en verzoekschriftprocedure
Hoofdstuk IVa. Vervoer
Hoofdstuk V. Perspectiefplan
Paragraaf 1. Bewegingsvrijheid binnen de inrichting
Paragraaf 2. Ordemaatregelen
Paragraaf 2. Ordemaatregelen
Hoofdstuk VII. Controle en geweldgebruik
Hoofdstuk VIII. Contact met de buitenwereld
Hoofdstuk VIII. Contact met de buitenwereld
Paragraaf 2. Onderwijs en andere activiteiten
Hoofdstuk XI. Informatie, hoor- en mededelingsplicht en dossier
Hoofdstuk XII. Bemiddeling
Hoofdstuk XIIIa. Beklag inzake vervoer
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7a
Onze Minister houdt toezicht op het verblijf van personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in een inrichting plaatsvindt.
De door Onze Minister aangewezen ambtenaren worden daartoe alle ter zake dienende inlichtingen verstrekt en zij hebben te allen tijde toegang tot een zodanige inrichting. Zij zijn, onder verplichting van geheimhouding tegenover derden en voor zover dit voor de uitoefening van hun taak redelijkerwijs nodig is, bevoegd de op personen als bedoeld in het eerste lid betrekking hebbende stukken in te zien.
Onze Minister stelt regels omtrent het houden van aantekeningen als bedoeld in artikel 6:6:31, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering en omtrent het houden van aantekeningen van andere belangrijke voorvallen ten tijde van het verblijf in de inrichting. Onze Minister kan daartoe een model vaststellen.
Hoofdstuk III. De inrichting
Hoofdstuk IV. Plaatsing en plaatsingsprocedure
Paragraaf 1. Plaatsing en overplaatsing
Hoofdstuk V. Perspectiefplan
Hoofdstuk VI. Bewegingsvrijheid
Paragraaf 1. Bewegingsvrijheid binnen de inrichting
Artikel 22c
Op een door Onze Minister als zodanig aangewezen individuele trajectafdeling nemen jeugdigen deel aan gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste zes uren per dag door de week en ten minste vier uren in het weekeinde.
Een jeugdige kan op een individuele trajectafdeling worden geplaatst indien:
- a. de jeugdige extra individuele begeleiding behoeft,
- b. de behoefte aan extra individuele begeleiding het gevolg is van een persoonlijkheidsstoornis en
- c. de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b niet in een inrichting kan verblijven met een regime als bedoeld in artikel 22.
Het verblijf van de jeugdige is gericht op de bevordering van de terugkeer in een regime als bedoeld in artikel 22 of de terugkeer van de jeugdige in de samenleving.
Een jeugdige die op een individuele trajectafdeling is geplaatst, verblijft, in afwijking van artikel 1, onder v, in een groep van tenminste twee personen.
De directeur van de inrichting waar de jeugdige op de individuele trajectafdeling is geplaatst, bepaalt telkens binnen ten hoogste zes maanden en na het advies te hebben ingewonnen van de adviescommissie of de noodzaak tot voortzetting van het verblijf op de afdeling voor individuele trajectafdeling nog bestaat.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissie, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 22d
Onze Minister kan bepalen dat een jeugdige aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, voor een periode van ten hoogste zeven weken ter observatie wordt geplaatst in een daartoe aangewezen inrichting.
Onze Minister kan, indien dit noodzakelijk is, de termijn genoemd in het eerste lid met ten hoogste vier weken verlengen.
De jeugdige keert na het verstrijken van de observatietermijn terug naar de inrichting waar hij voorheen was geplaatst, tenzij uit de observatierapportage blijkt dat overplaatsing naar een andere inrichting aangewezen is.
De plaatsing ter observatie kan op verzoek van de directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft plaatsvinden in de volgende gevallen:
- a. indien daartoe uit het oogpunt van de behandeling van de jeugdige aanleiding bestaat;
- b. indien deze noodzakelijk wordt geacht met het oog op de opstelling van een advies ten behoeve van verlenging van de maatregel.
Artikel 23a
Een personeelslid of medewerker kan de jeugdige voor een maximale aaneengesloten duur van een uur uitsluiten van het verblijf in de groep of van gemeenschappelijke activiteiten indien het gedrag van de jeugdige verstorend is voor de rust in de groep, en in verband daarmee de kortdurende uitsluiting ertoe bijdraagt dat het gedrag van de jeugdige gunstig wordt beïnvloed.
Een uitsluiting als bedoeld in het eerste lid kan op een dag herhaaldelijk worden toegepast, met dien verstande dat de totale duur van de uitsluitingen de twee uren per etmaal niet overstijgt.
De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van uitsluiting, bedoeld in het eerste lid, en de herhaalde toepassing, bedoeld in het tweede lid, aantekening in een register. De directeur stelt aan de hand van dit register elke drie maanden de commissie van toezicht van de toepassing van de maatregel op de hoogte en treedt daarover met de commissie in overleg.
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Hoofdstuk VII. Controle en geweldgebruik
Paragraaf 1. Verzorging
Paragraaf 1a. Verblijf in een bijzondere zorgafdeling in verband met de geestelijke gezondheidstoestand
Hoofdstuk X. Disciplinaire straffen
Hoofdstuk XV. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof, proefverlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en strafonderbreking
Hoofdstuk XIV. Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie
Hoofdstuk XVIa. Experimenten
Hoofdstuk XIV. Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 2. Ordemaatregelen
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Hoofdstuk VII. Controle en geweldgebruik
Hoofdstuk VIII. Contact met de buitenwereld
Paragraaf 1. Verzorging
Paragraaf 2. Onderwijs en andere activiteiten
Hoofdstuk X. Disciplinaire straffen
Hoofdstuk XIIIa. Beklag inzake vervoer
Artikel 80a
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bij wijze van experiment regels worden gesteld waarmee tijdelijk wordt afgeweken van de in artikel 80b te noemen bepalingen, zulks met inachtneming van de aldaar genoemde doelen met het oog waarop afwijking van de betreffende bepaling gedurende de werkingsduur van de maatregel plaats kan hebben.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van het experiment.
Onze Minister zendt tenminste drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk.
De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, geldt voor een periode van ten hoogste twee jaar na inwerkingtreding daarvan.
Het vijfde lid is niet van toepassing, indien binnen de twee jaar voordracht plaatsvindt van een voorstel van wet, waarmee in het onderwerp van de maatregel wordt voorzien.
Artikel 80b
Op de wijze als voorzien in artikel 80a kan worden afgeweken van:
- a. artikel 1, onderdeel v, ten aanzien van de grootte van de groep, voor zover dit dienstig is aan een experiment ingevolge de navolgende onderdelen van dit artikel en voor zover dit in het belang is van de opvoeding of de behandeling van de jeugdige;
- b. artikel 3, met als doel de vaststelling van een vroeger moment waarop de jeugdige aan een scholings- en trainingsprogramma kan deelnemen;
- c. artikel 10, met als doel de vaststelling van andersoortige mate van beveiliging voor zover bijzondere technologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geven;
- d. artikel 17, met als doel de vaststelling van andersoortige wijzen van onderbrenging van de jeugdige;
- e. de artikelen 22 tot en met 22b, voorzover dit dienstig is aan een experiment waarbij de jeugdige in een inrichting, afdeling of plaats met een bijzondere bestemming als bedoeld in artikel 8, derde lid, verblijft en voor zover dit in het belang is van de opvoeding of de behandeling van de jeugdige;
- f. artikel 49, tweede lid, met als doel het voorkomen van ordeverstorend gedrag dan wel het structureel bevorderen van de orde of veiligheid binnen de inrichting;
- g. artikel 64, met als doel het bevorderen van het gebruik van de bemiddelingsprocedure als wijze van geschillenbeslechting.
Artikel 5a
De directeur stelt voor zijn personeelsleden en medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
De directeur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
Paragraaf 3. Toezicht
Hoofdstuk III. De inrichting
Hoofdstuk IV. Plaatsing en plaatsingsprocedure
Paragraaf 1. Plaatsing en overplaatsing
Paragraaf 2. Ordemaatregelen
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Hoofdstuk VIII. Contact met de buitenwereld
Hoofdstuk IX. Verzorging, onderwijs en andere activiteiten
Paragraaf 1. Verzorging
Paragraaf 1a. Verblijf in een bijzondere zorgafdeling in verband met de geestelijke gezondheidstoestand
Artikel 51a
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder gevaar verstaan:
-
- gevaar voor de jeugdige, die het veroorzaakt, hetgeen onder meer bestaat uit:
- a. het gevaar dat de jeugdige zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen;
- b. het gevaar dat de jeugdige maatschappelijk te gronde gaat;
- c. het gevaar dat de jeugdige zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen;
- d. het gevaar dat de jeugdige met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen.
-
- gevaar voor een of meer anderen, hetgeen onder meer bestaat uit:
- a. het gevaar dat de jeugdige een ander van het leven zal beroven of hem ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen;
- b. het gevaar voor de psychische gezondheid van een ander;
- c. het gevaar dat de jeugdige een ander, die aan zijn zorg is toevertrouwd, zal verwaarlozen;
-
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.
Artikel 51b
De directeur draagt zorg dat binnen twee weken na plaatsing op een afdeling voor intensieve zorg als bedoeld in artikel 22a of een afdeling voor intensieve behandeling als bedoeld in artikel 22b, in overleg met de jeugdige een geneeskundige behandelingsplan wordt vastgesteld.
Het geneeskundig behandelingsplan is gericht op het zodanig wegnemen van het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de jeugdige doet veroorzaken dat de jeugdige niet langer in verband met zijn geestelijke gezondheidstoestand op een afdeling voor intensieve zorg of intensieve behandeling behoeft te verblijven. Zo mogelijk geschiedt dit door het behandelen van de stoornis. Indien dit niet mogelijk is, geschiedt dit door het anderszins wegnemen van het gevaar.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de eisen waaraan een geneeskundig behandelingsplan tenminste moet voldoen en de voorschriften die bij een wijziging daarvan in acht genomen moeten worden.
Artikel 51c
Behandeling van de jeugdige op een afdeling voor intensieve zorg als bedoeld in artikel 22a of een afdeling voor intensieve behandeling als bedoeld in artikel 22b vindt slechts plaats:
- a. voor zover deze is voorzien in het geneeskundig behandelingsplan bedoeld in artikel 51b, eerste lid
- b. indien het overleg over het geneeskundig behandelingsplan, bedoeld in artikel 51b, eerste lid, heeft geleid tot overeenstemming met de jeugdige en, indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, met zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling, en
- c. indien de jeugdige of, indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling, zich niet tegen de geneeskundige behandeling verzetten.
Artikel 51d
Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 51c, onderdelen b en c, kan niettemin als uiterste redmiddel geneeskundige behandeling plaatsvinden:
- a. voor zover aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de jeugdige doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen, of
- b. voor zover dit volstrekt noodzakelijk is om het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de jeugdige binnen de inrichting doet veroorzaken, af te wenden.
Artikel 51e
Behandeling overeenkomstig artikel 51d, onder a, vindt plaats na een schriftelijke beslissing van de directeur waarin wordt vermeld voor welke termijn zij geldt.
Ten behoeve van deze beslissing dient te worden overgelegd een verklaring van de behandelend psychiater alsmede van een psychiater die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was. Uit de verklaringen dient te blijken dat de jeugdige op wie de verklaring betrekking heeft, is gestoord in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in artikel 51d, onder a, zich voordoet. De verklaringen moeten met redenen zijn omkleed en ondertekend.
De beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt gemeld aan de voorzitter van de Commissie van Toezicht. De voorzitter van de Commissie van Toezicht doet onverwijld een melding aan de maandcommissaris.
De termijn als bedoeld in het eerste lid is zo kort mogelijk, maar niet langer dan drie maanden, gerekend vanaf de dag waarop de beslissing tot stand komt. De directeur doet onverwijld een afschrift van de beslissing toekomen aan de jeugdige en, indien de jeugdige de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt, tevens aan zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling.
Indien na afloop van de termijn als bedoeld in het eerste lid, voortzetting van de behandeling overeenkomstig artikel 51d, onder a, nodig is, geschiedt dit slechts krachtens een schriftelijke beslissing van de directeur. Het bepaalde in de voorgaande volzin is eveneens van toepassing indien binnen zes maanden na afloop van de termijn als bedoeld in het vierde lid opnieuw behandeling overeenkomstig artikel 51d, onder a, nodig is. De directeur geeft in zijn beslissing aan waarom van een behandeling alsnog het beoogde effect wordt verwacht. Op zodanige beslissingen is het vierde lid, eerste volzin van toepassing.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid alsmede omtrent de toepassing van artikel 51d, onder b.
Deze in het zesde lid bedoelde regels betreffen in ieder geval de melding en de registratie van de behandeling alsmede de taak van de behandelend arts. Tevens kunnen categorieën van behandelingsmiddelen of -maatregelen worden aangewezen die niet mogen worden toegepast bij een behandeling overeenkomstig het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts ten aanzien van daarbij aangegeven categorieën van behandelingsmiddelen of -maatregelen regels worden gegeven met betrekking tot de wijze waarop tot toepassing daarvan moet worden besloten.
Paragraaf 2. Onderwijs en andere activiteiten
Hoofdstuk X. Disciplinaire straffen
Hoofdstuk XV. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en strafonderbreking
Hoofdstuk XIVb. Beroep tegen medisch handelen
Hoofdstuk XIVa. Beroep inzake vervoer
Hoofdstuk XVII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 2. Onderwijs en andere activiteiten
Hoofdstuk XI. Informatie, hoor- en mededelingsplicht en dossier
Hoofdstuk XII. Bemiddeling
Hoofdstuk XV. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en strafonderbreking
Hoofdstuk XVI. Medezeggenschap en vertegenwoordiging
Hoofdstuk XVIa. Experimenten
Hoofdstuk XVII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 19a
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het vervoer van de jeugdige plaatsvindt.
Artikel 19b
Er is een commissie van toezicht voor het vervoer, die door Onze Minister is ingesteld.
De commissie van toezicht voor het vervoer heeft tot taak:
- a. toezicht te houden op de uitvoering van het vervoer van jeugdigen door Onze Minister;
- b. kennis te nemen van door de jeugdige naar voren gebrachte grieven betreffende het vervoer door Onze Minister;
- c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge het bepaalde in hoofdstuk XIIIA;
- d. aan Onze Minister en de Raad advies en inlichtingen te geven omtrent het onder a gestelde.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie en de benoeming en het ontslag van haar leden.
Hoofdstuk VI. Bewegingsvrijheid
Paragraaf 1. Bewegingsvrijheid binnen de inrichting
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Hoofdstuk VII. Controle en geweldgebruik
Hoofdstuk IX. Verzorging, onderwijs en andere activiteiten
Paragraaf 1a. Verblijf in een bijzondere zorgafdeling in verband met de geestelijke gezondheidstoestand
Paragraaf 2. Onderwijs en andere activiteiten
Hoofdstuk XI. Informatie, hoor- en mededelingsplicht en dossier
Artikel 73a
Een jeugdige kan bij de beklagcommissie van de commissie van toezicht voor het vervoer, bedoeld in artikel 19b, beklag doen over de beslissingen, bedoeld in de artikelen 34, tweede lid, en 40, tweede lid, voor zover de beslissing is genomen ten behoeve van het vervoer van de jeugdige.
De directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft, draagt zorg dat een jeugdige die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
Artikel 73b
Artikel 73, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien het beklag geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht, bepaalt de beklagcommissie of enige tegemoetkoming aan de jeugdige geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.
Artikel 76a
Tegen de uitspraak van de beklagcommissie bedoeld in hoofdstuk XIIIA kunnen Onze Minister en de jeugdige beroep instellen. Hoofdstuk XIV is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 75, tweede lid.
Hoofdstuk XIVb. Beroep tegen medisch handelen
Artikel 76b
Een jeugdige kan een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger, bedoeld in artikel 47. Met de inrichtingsarts wordt in dit hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan jeugdigen zijn betrokken.
Artikel 76c
Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de jeugdige een schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie om te bemiddelen ter zake van de klacht. Dit verzoek dient uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het medisch handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden te worden ingediend.
De indiening van het schriftelijk verzoek kan door tussenkomst van een door de directeur daartoe aangewezen ambtenaar of medewerker geschieden, die bevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen. Deze ambtenaar of medewerker draagt in dat geval zorg dat het verzoekschrift van een dagtekening wordt voorzien, welke dag geldt als dag van indiening.
De ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, voert een of meerdere gesprekken met de betrokkenen en zendt een verslag daarvan naar de Medisch Adviseur.
De Medisch Adviseur stelt de betrokkene in de gelegenheid de klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.
De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd het medisch dossier van de jeugdige in te zien.
De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken nadat hij het verslag, bedoeld in het derde lid, heeft ontvangen een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.
De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling van zijn bevindingen aan de jeugdige en de arts. De jeugdige wordt gewezen op de mogelijkheden van het indienen van een beroepschrift alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.
De Medisch Adviseur zendt een afschrift van de mededeling aan de ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, en de directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch handelen de klacht zich richt, is verbonden.
De ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, en de Medisch Adviseur zijn bevoegd een klacht die geen medisch handelen betreft, door te verwijzen naar de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing een bericht aan de jeugdige en, indien het de Medisch Adviseur is die doorverwijst, naar de ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid. Indien reeds een verslag als bedoeld in het derde lid is opgesteld, wordt dit naar de commissie van toezicht gezonden.
Artikel 76d
Een met redenen omkleed beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door de Raad benoemde commissie van drie leden of buitengewone leden, bestaande uit één jurist en twee artsen, die wordt bijgestaan door een secretaris.
Het beroepschrift wordt ingediend uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de mededeling van de Medisch Adviseur. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beroep wenst in te stellen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
Artikel 66, tweede en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.
Artikel 76e
De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de jeugdige in te zien.
De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het openbaar plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
De secretaris van de beroepscommissie zendt de inrichtingsarts een afschrift van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de bemiddeling op bij de Medisch Adviseur.
De beroepscommissie stelt de jeugdige en de inrichtingsarts in de gelegenheid omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De beroepscommissie kan bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, kunnen worden gemaakt.
Artikel 69, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.
Artikel 70, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 76f
De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.
De artikelen 72, tweede, vierde en zevende lid, en 73, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
De uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep indien sprake is van:
- a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg die de in artikel 76b bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de jeugdige, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;
- b. enig ander onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.
Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of enige tegemoetkoming aan de jeugdige geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.
Hoofdstuk XV. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en strafonderbreking
Hoofdstuk XVI. Medezeggenschap en vertegenwoordiging
Hoofdstuk XVIa. Experimenten
Hoofdstuk XVII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)