Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 411
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • 2°. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is;
  • g. oud-Nederlander is, die het Nederlanderschap heeft verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, dan wel door intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend op de grond dat hij heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, en die voorafgaand aan de naturalisatie ten minste vijf jaren rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft gehad;
3.

Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegde deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering 2021 of een overgelegd advies als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering door een psychische of lichamelijke belemmering dan wel een verstandelijke beperking of handicap blijvend niet in staat is:

4.

Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5.

Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder e, het derde lid en het vijfde lid.

Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene

Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag

Artikel 3.107a
1.

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, aanhef, onderdeel d, van de Wet wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet inburgering 2021 of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inburgering 2021 dan wel indien hij het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet niet heeft behaald.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:

3.

Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegde deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering 2021 of een overgelegd advies als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering door een psychische of lichamelijke belemmering dan wel een verstandelijke beperking of handicap blijvend niet in staat is:

4.

Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5.

Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder e, het derde lid en het vijfde lid.

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Paragraaf 5. Intrekking

Paragraaf 1. Verlening

Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 6. Periodieke aanmelding

Paragraaf 7. Documenten

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1. Grensbewaking

Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen

Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland

Paragraaf 2. Intrekking

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2.2a
1.

De vervoerder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet, die passagiers vervoert door de lucht, verzamelt op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking de in het derde lid, onderdelen a en b, en onderdeel c, onder 1° en 2°, bedoelde passagiersgegevens, en verstrekt deze aan het eind van de instapcontroles aan een ambtenaar belast met de grensbewaking, tezamen met de in het derde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, bedoelde passagiersgegevens, voor zover die gegevens aanwezig zijn in het vertrekcontrolesysteem van de vervoerder.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling vanuit een lidstaat van de Europese Unie of een land dat betrokken is bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht.

3.

De in artikel 4, derde lid, van de Wet, bedoelde passagiersgegevens omvatten:

  • a. de volgende gegevens uit het document voor grensoverschrijding van de passagiers:
  • 1°. het nummer en de aard van het reisdocument;
  • 2°. de nationaliteit;
  • 3°. de volledige naam;
  • 4°. de geboortedatum;
  • 5°. het geslacht;
  • 6°. de staat van afgifte van het reisdocument;
  • 7°. de vervaldatum van het reisdocument;
  • b. de volgende gegevens over het desbetreffende vervoermiddel:
  • 1°. het vluchtnummer;
  • 2°. het tijdstip van vertrek en van aankomst van het vervoermiddel;
  • 3°. het totale aantal met dat vervoermiddel vervoerde passagiers.
  • c. de volgende gegevens over het desbetreffende vervoer van de passagier:
  • 1°. de grensdoorlaatpost van binnenkomst;
  • 2°. het eerste instappunt;
  • 3°. de overige reisroutegegevens;
  • 4°. de Passenger Name Record-bestandslocatie.
4.

Bij ministeriële regeling kunnen gevallen worden aangewezen waarin vervoerders verplicht zijn de in het derde lid bedoelde passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken zonder vordering daartoe. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vorm waarin de in het derde lid genoemde gegevens worden verstrekt.

5.

De vervoerder vernietigt de krachtens het eerste lid verzamelde gegevens binnen 24 uur na aankomst in Nederland.

6.

De vervoerder verstrekt de passagier informatie betreffende:

  • a. zijn identiteit;
  • b. de doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld;
  • c. de gegevens die worden verzameld;
  • d. de ontvangers van de gegevens, en
  • e. het bestaan van het recht om kennis te nemen van zijn gegevens en het recht om om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken.
7.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop de gegevens door de vervoerder worden verstrekt.

Artikel 2.2b

De ambtenaar belast met de grensbewaking vernietigt de op grond van artikel 2.2a verkregen passagiersgegevens binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken.

Artikel 2.2c

Vervallen

Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding

Afdeling 3. Openbare orde

Hoofdstuk 3. Verblijf

Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier

Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften

Paragraaf 2. Geldigheidsduur

Paragraaf 2. Geldigheidsduur

Afdeling 4. Procedurele bepalingen

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 2. Afwijzing van de aanvraag

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Paragraaf 2. Procedurele bepalingen

Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Afdeling 3. Ongewenstverklaring

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Afdeling 1. Grensbewaking

Paragraaf 2. Intrekking

Paragraaf 2. Intrekking

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.56a

Vervallen

Paragraaf 2. Geldigheidsduur

Artikel 3.89a

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met uitwisseling, studie, het verrichten van arbeid als kennismigrant of onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, wordt, indien de erkenning van de referent is geschorst of ingetrokken, niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet afgewezen, dan nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende een termijn van drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.

Artikel 3.91a

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met uitwisseling, studie, het verrichten van arbeid als kennismigrant of onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, wordt, indien de erkenning van de referent is geschorst of ingetrokken, niet op grond van artikel 19 van de Wet, in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet, ingetrokken, dan nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.

Paragraaf 2. Geldigheidsduur

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1. Grensbewaking

Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland

Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens

Afdeling 1. Uitzetting

Afdeling 3. Ongewenstverklaring

Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen

Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen

Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen

Paragraaf 3. Procedurele bepalingen

Paragraaf 3. Procedurele bepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.106a
1.

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

  • a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en
  • c. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en
  • d. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
  • e. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.
2.

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

3.

Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Artikel 3.120a

Bij ministeriele regeling worden voorschriften gesteld omtrent:

  • a. het verstrekken van inlichtingen aan de vreemdeling over de te volgen procedure, en
  • b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens aanvraag.

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1. Grensbewaking

Paragraaf 5. Intrekking

Paragraaf 1. Verlening

Afdeling 4. Procedurele bepalingen

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen

Paragraaf 3. Bijzondere procedurele bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen

Paragraaf 3. Procedurele bepalingen

Paragraaf 3. Procedurele bepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.105a
1.

De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die met toepassing van artikel 28, derde lid, van de Wet ambtshalve wordt verleend, wordt verleend met ingang van de dag nadat de machtiging tot voorlopig verblijf aan de vreemdeling in persoon is afgegeven.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de verblijfsvergunning worden verleend met ingang van de dag die bij de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf is opgegeven als de dag waarop de vreemdeling Nederland zal inreizen.

Artikel 3.105b

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet.

Artikel 3.105c

Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet is, kan verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van die toelatingsgrond slechts worden geweigerd, indien:

  • a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
  • b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
Artikel 3.105d
1.

De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet, wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen indien sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet.

2.

De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet, kan slechts op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet worden ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen, indien:

  • a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
  • b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.105e

Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die de rechtsgrond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet, vormen, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet verleend, tenzij er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:

  • a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
  • b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
  • c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
  • d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of
  • e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde misdrijven of daden,

in welk geval verlening van evenbedoelde verblijfsvergunning op voormelde grond wordt geweigerd.

Artikel 3.105f
1.

De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen, indien sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet.

2.

De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet wordt slechts ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt slechts afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet, indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:

  • a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
  • b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
  • c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
  • d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de nationale veiligheid; of
  • e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c genoemde misdrijven of daden.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2. Procedurele bepalingen

Artikel 3.121

Bij ministeriele regeling worden voorschriften gesteld omtrent:

  • a. het verstrekken van inlichtingen aan de vreemdeling over de te volgen procedure,
  • b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens aanvraag, en
Artikel 3.122
1.

Aan de vreemdeling aan wie op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet is verleend, wordt zo spoedig mogelijk na verlening van die verblijfsvergunning in een voor hem begrijpelijke taal informatie verschaft over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de verblijfsvergunning.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt verschaft.

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1. Grensbewaking

Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking

Paragraaf 1. Verlening

Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking

Afdeling 1. Grensbewaking

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking

Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Afdeling 1. Uitzetting

Afdeling 3. Ongewenstverklaring

Paragraaf 1. Verlening

Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.118a

Vervallen

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1. Grensbewaking

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Paragraaf 2. Procedurele bepalingen

Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Afdeling 1. Uitzetting

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene

Paragraaf 1. Verlening

Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.1b
1.

Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart heeft tot gevolg dat uitzetting achterwege blijft, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart.

2.

Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, heeft tot gevolg dat uitzetting achterwege blijft, indien:

  • a. de vreemdeling de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van een houder van een Europese blauwe kaart is, dan wel het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe kaart;
  • b. de houder van de Europese blauwe kaart, bedoeld in onderdeel a, direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart, en
  • c. geen sprake is van gezinsvorming.

Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier

§ 4. Overige bepalingen

Paragraaf 2. Geldigheidsduur

Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag

Artikel 3.79a
1.

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, verblijf als houder van de Europese blauwe kaart of onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 wordt niet afgewezen op de grond dat de werkgever niet krachtens artikel 2c van de Wet als referent is erkend of ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Wet heeft afgelegd, indien de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft, in welk geval de werkgever niet als referent wordt aangewezen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties niet wordt afgewezen om de reden dat ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder k, van de Wet, is overgelegd. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aanwijzing als referent.

Artikel 3.87a
1.

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met studie, kan in ieder geval op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet worden afgewezen, indien de houder daarvan:

  • a. niet meer studeert aan een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling, of
  • b. niet overeenkomstig bij ministeriële regeling vastgestelde normen voldoende studievoortgang boekt.
2.

Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Wet wordt geen verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland aangenomen als een onderzoeker of student tijdelijk verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie in het kader van mobiliteit in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 en de gastovereenkomst dan wel de inschrijving als student geldig blijft.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid, onder a, en het tweede lid.

Artikel 3.89b
1.

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart kan worden afgewezen, indien:

  • a. de houder niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van die kaart, zoals opgenomen in artikel 3.30b, met uitzondering van het eerste lid, onder d, e en h;
  • b. de houder niet voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend; of
  • c. geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 4.43, tenzij het nalaten hiervan de bevoegde autoriteiten niet heeft bereikt om redenen waarop hij geen invloed heeft.
2.

In afwijking van het eerste lid en artikel 3.4, derde lid, wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart niet met toepassing van artikel 18, eerste lid, onder d en f van de Wet afgewezen op de grond dat de houder werkloos is, tenzij deze:

  • a. langer dan drie achtereenvolgende maanden werkloos is en hij minder dan twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart; of
  • b. langer dan zes achtereenvolgende maanden werkloos is en hij ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart.
3.

In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart niet met toepassing van artikel 18, eerste lid, onder d en f van de Wet afgewezen indien de houder tijdelijk, en in ieder geval niet langer dan twaalf maanden, niet voldoet aan deze voorwaarden als gevolg van ziekte, handicap of ouderschapsverlof en geen uitkering krachtens de Participatiewet heeft aangevraagd.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.

Artikel 3.89c
1.

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met seizoenarbeid, lerend werken of arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, verblijf als houder van de Europese blauwe kaart, onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 wordt niet afgewezen op de grond dat de werkgever niet krachtens artikel 2c van de Wet als referent is erkend of ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Wet heeft afgelegd, indien de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft, in welk geval de werkgever niet als referent wordt aangewezen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties niet wordt afgewezen om de reden dat ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder k, van de Wet, is overgelegd. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aanwijzing als referent.

Artikel 3.91b
1.

Onverminderd artikel 3.91a kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met studie, in ieder geval op grond van artikel 19 van de Wet, in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet worden ingetrokken, indien de houder daarvan:

  • a. niet meer studeert aan een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling, of
  • b. niet overeenkomstig bij ministeriële regeling vastgestelde normen voldoende studievoortgang boekt.
2.

Voor de toepassing van artikel 19 in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder a, van de Wet wordt geen verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland aangenomen als een onderzoeker of student tijdelijk verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie in het kader van mobiliteit in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 en de gastovereenkomst dan wel de inschrijving als student geldig blijft.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid, onder a, en het tweede lid.

Artikel 3.91c
1.

De Europese blauwe kaart kan worden ingetrokken op de in artikel 3.89b, eerste lid, genoemde gronden. Het tweede tot en met vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

In afwijking van het eerste lid, wordt de Europese blauwe kaart niet ingetrokken indien de houder bij een andere staat die Partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een aanvraag heeft gedaan voor een Europese blauwe kaart en nog geen besluit op deze aanvraag is genomen, met uitzondering van de situatie dat intrekking plaatsvindt op grond van het overleggen van documenten die op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of op ongeoorloofde wijze zijn gewijzigd of vanwege redenen die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

Artikel 3.91d
1.

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met seizoenarbeid, lerend werken of arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, verblijf als houder van de Europese blauwe kaart, onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 wordt niet ingetrokken op de grond dat de werkgever niet krachtens artikel 2c van de Wet als referent is erkend of ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Wet heeft afgelegd, indien de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft, in welk geval de werkgever niet als referent wordt aangewezen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties niet wordt ingetrokken om de reden dat ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder h, van de Wet, is overgelegd. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aanwijzing als referent.

Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene

Afdeling 4. Procedurele bepalingen

Paragraaf 5. Intrekking

Artikel 3.108a
1.

Op de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.

2.

De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.

3.

De artikelen 43 en 43a van de Wet zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Paragraaf 3. Intrekking

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Artikel 4.44a
1.

De referent die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de vreemdeling, wiens referent hij is, niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, doet hiervan binnen vier weken mededeling aan Onze Minister.

2.

De referent doet binnen vier weken mededeling aan Onze Minister van de beëindiging van diens aan het referentschap ten grondslag liggende relatie tot de vreemdeling.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de door de referent te verstrekken gegevens betreffende:

  • a. de vreemdeling wiens referent hij is of is geweest;
  • b. de nakoming van zijn verplichtingen als referent, en
  • c. zijn positie als referent,

en kan ten aanzien van de referent worden voorzien in een verplichting tot jaarlijkse bevestiging of correctie van de gegevens die bij Onze Minister blijkens diens opgaaf bekend zijn.

4.

In het belang van het toezicht op vreemdelingen of het toezicht op referenten kan Onze Minister of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met het toezicht op referenten bepalen dat de referent de gegevens in persoon verstrekt.

Artikel 4.44b
1.

De houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ten behoeve van wiens verblijf geen referent optreedt, verstrekt Onze Minister gegevens die van belang zijn voor de toepassing van de wet.

2.

In het belang van het toezicht op vreemdelingen kan Onze Minister of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen bepalen dat de vreemdeling de gegevens in persoon verstrekt.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Afdeling 1. Uitzetting

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Afdeling 1. Vertrek en uitzetting

Artikel 8.2a
1.

Gegevens en inlichtingen ten behoeve van de vreemdelingenadministratie kunnen in ieder geval worden verstrekt door:

  • b. de Sociale Verzekeringsbank;
  • c. het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;
  • d. de Rijksbelastingdienst;
  • e. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor zover deze is belast met de uitvoering van de Wet basisregistratie personen;
  • f. de Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
  • h. de Nederlandse Arbeidsinspectie;
  • i. de Kamer van Koophandel;
  • j. de FIOD-ECD.
2.

Gegevens en inlichtingen worden in ieder geval verstrekt ten behoeve van de vreemdelingenadministratie, indien zij noodzakelijk zijn voor:

  • a. de voorbereiding van beschikkingen omtrent de machtiging tot voorlopig verblijf, de verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring;
  • b. de erkenning als referent, en de schorsing en intrekking van die erkenning;
  • c. het toezicht op naleving van wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking, het toezicht op vreemdelingen en het toezicht op referenten;
3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:

  • a. de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens en inlichtingen worden verstrekt;
  • b. de doorlevering van gegevens en inlichtingen;
  • c. de verwijdering en vernietiging van de in de vreemdelingenadministratie opgenomen gegevens;
  • d. de gevallen waarin de verstrekking van gegevens en inlichtingen anders dan kosteloos geschiedt.

De regels, bedoeld onder a en b, worden gesteld in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat, tenzij uit de aard van de gegevens volgt dat daaraan geen behoefte bestaat.

Afdeling 1. Grensbewaking

Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Paragraaf 8. Administratieplichten

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 4.17a
1.

De bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wet, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:

  • a. op luchthavens bij de aankomst van vluchten vanuit het Schengengebied;
  • b. in treinen gedurende ten hoogste dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens;
  • c. op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.
2.

Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

3.

Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt ten hoogste zeven keer per week uitgevoerd ten aanzien van vluchten op eenzelfde vliegroute, met een maximum van eenderde van het totale aantal geplande vluchten per maand op die vliegroute. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passagiers op een vlucht staande gehouden.

4.

Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt per dag in ten hoogste drie treinen per traject en ten hoogste twintig treinen in totaal uitgevoerd, met dien verstande dat het toezicht slechts mag worden uitgeoefend in een deel van de trein, en per trein in ten hoogste vier treincoupés.

5.

Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland

Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring

Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen

Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene

Afdeling 1. Grensbewaking

Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking

Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.23b
1.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de houder van de door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart, en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe kaart, indien:

  • a. dat kind, die echtgenoot of die partner in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is toegelaten als gezinslid van die houder van de Europese blauwe kaart;
  • b. dat kind, die echtgenoot of die partner in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
  • c. dat kind, die echtgenoot of die partner geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78 of de nationale veiligheid vormt;
  • d. de hoofdpersoon ten behoeve van het verblijf van dat kind, die echtgenoot of die partner een verklaring als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Wet heeft afgelegd.
2.

De verblijfsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon:

  • a. direct voorafgaande aan de verlening van de Europese blauwe kaart door Onze Minister houder was van een door de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart en gedurende ten minste twaalf maanden als houder van die kaart in die lidstaat heeft verbleven of na een dergelijk verblijf gedurende ten minste zes maanden als houder van een Europese blauwe kaart in een andere lidstaat heeft verbleven; en
3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien:

  • a. wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in Richtlijn (EU) 2021/1883, in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst;
  • b. de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een Turkse werknemer is als bedoeld in artikelen 6 en 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, in welk geval deze hoofdpersoon niet als referent wordt aangewezen.
Artikel 3.30a
1.

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend onder een beperking verband houdend met arbeid als kennismigrant aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, die arbeid ten behoeve van een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende werkgever verricht of wil verrichten tenzij het overeengekomen loon naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is.

2.

De aanvraag wordt niet afgewezen op de grond dat de werkgever niet krachtens artikel 2c van de Wet als referent is erkend of ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Wet heeft afgelegd, indien de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft. In dat geval wordt de werkgever niet als referent aangewezen.

3.

De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking «overplaatsing binnen een onderneming», in welk geval laatstgenoemde verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend, onverminderd artikel 24a, derde lid, van de Wet.

4.

De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling onder de reikwijdte van richtlijn 2014/66/EU valt en niet in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking «overplaatsing binnen een onderneming», tenzij de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft.

Artikel 3.30b
1.

De Europese blauwe kaart wordt verleend aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 2.2 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, die:

  • c. in Nederland arbeid gaat verrichten die voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgelegd uit hoofde van het toepasselijke recht, in collectieve overeenkomsten of door praktijken in de relevante beroepssectoren voor hooggekwalificeerde banen;
  • d. in Nederland arbeid verricht of gaat verrichten voor een onderneming welke niet is opgericht of opereert met als voornaamste doel de toegang van onderdanen van derde landen te faciliteren;
  • e. in Nederland arbeid verricht of gaat verrichten voor een onderneming welke niet uit hoofde van het insolventierecht ontbonden is of wordt, of die geen economische activiteit uitoefent;
  • g. in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;
  • h. in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, afgegeven onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart, dan wel behoort tot een van de in artikel 17 van de Wet of artikel 3.71, tweede lid, bedoelde categorieën, en
  • i. geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78 of de nationale veiligheid vormt.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de vreemdeling, die:

  • a. een aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist;
  • b. een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 heeft ingediend, waarop nog niet onherroepelijk is beslist;
  • c. gemeenschapsonderdaan of langdurig ingezetene is;
  • d. in Nederland verblijft op grond van een verdrag dat de toegang en het tijdelijk verblijf van bepaalde categorieën natuurlijke personen in verband met handel en investeringen gemakkelijker maken, met uitzondering van onderdanen van derde landen die toegang hebben gekregen tot het grondgebied van een lidstaat in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming op grond van Richtlijn 2014/66/EU;
  • e. in Nederland verblijft als vreemdeling die onder Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten valt en in Nederland ter beschikking is gesteld; of
  • f. tijdelijk niet wordt uitgezet op grond van feitelijke of juridische gronden.
3.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel f wordt onder hogere beroepsvaardigheden verstaan:

  • a. voor de in bijlage I van Richtlijn (EU) 2021/1883 genoemde beroepen: de kennis, vaardigheden en competenties die worden gestaafd door beroepservaring die minimaal vergelijkbaar is met het niveau van getuigschriften van hoger onderwijs, die relevant zijn voor het beroep of de sector zoals gespecificeerd in de arbeidsovereenkomst of het bindende baanaanbod, en die verworven zijn tijdens de in bijlage I voor elk relevant beroep bepaalde periode;
  • b. voor de overige beroepen: de kennis, vaardigheden en competenties die worden gestaafd door ten minste vijf jaar beroepservaring die vergelijkbaar is met het niveau van de benodigde getuigschriften van hoger onderwijs en die relevant zijn voor het beroep of de sector zoals gespecificeerd in de arbeidsovereenkomst of het bindende baanaanbod.
4.

Aan een vreemdeling die houder is van een geldige Europese blauwe kaart die is afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie en gedurende ten minste twaalf maanden als houder van die kaart in die lidstaat heeft verbleven of na een dergelijk verblijf gedurende ten minste zes maanden als houder van een Europese blauwe kaart in een andere lidstaat heeft verbleven, wordt de Europese blauwe kaart verleend indien die voldoet aan de voorwaarden als genoemd in het eerste lid, sub a, f en g.

5.

Voor zover een vreemdeling houder is van een door Nederland afgegeven vergunning als bedoeld in artikel 14, onder de beperking «arbeid als kennismigrant», is het eerste lid, onder f, niet van toepassing voor zover deze documenten reeds geverifieerd werden in het kader van de aanvraag in de nationale procedure.

6.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of op ongeoorloofde wijze zijn gewijzigd.

7.

De aanvraag wordt niet afgewezen op de grond dat de werkgever niet krachtens artikel 2c van de Wet als referent is erkend of ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Wet heeft afgelegd, indien:

  • a. wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de Europese blauwe kaart, zoals gesteld in Richtlijn (EU) 2021/1883, in welk geval Onze Minister de werkgever als referent aanwijst;
  • b. de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft, in welk geval de werkgever niet als referent wordt aangewezen.
8.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid.

Artikel 3.59c

Vervallen

Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag

Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene

Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Paragraaf 3. Procedurele bepalingen

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Paragraaf 3. Bijzondere procedurele bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1. Grensbewaking

Afdeling 3. Ongewenstverklaring

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1. Grensbewaking

Afdeling 1. Grensbewaking

Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking

Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie

Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende maatregelen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2.1b
1.

De toegang wordt niet geweigerd indien de vreemdeling van een andere staat als bedoeld in artikel 1.3 het bevel heeft gekregen onmiddellijk naar Nederland terug te keren, en hij op dat moment rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van de Wet had.

2.

De toegang wordt evenmin geweigerd indien Nederland op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling een vreemdeling van een andere staat als bedoeld in artikel 1.3 moet terugnemen en die vreemdeling in die andere staat verblijft zonder verblijfstitel of andere toestemming tot verblijf. In dat geval geeft Onze Minister aan die vreemdeling de kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Wet, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Wet.

Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding

Afdeling 3. Openbare orde

Hoofdstuk 3. Verblijf

Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier

Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften

Paragraaf 2. Geldigheidsduur

Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag

Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Afdeling 4. Procedurele bepalingen

Artikel 3.103b
1.

Indien Onze Minister een inreisverbod uitvaardigt, registreert Onze Minister dit inreisverbod in het Schengen Informatiesysteem.

2.

Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling die houder is van een verblijfstitel of andere toestemming tot verblijf, afgegeven door een andere staat als bedoeld in artikel 1.3, uit te zetten naar de staat waarvan de vreemdeling de nationaliteit bezit of bij het ontbreken van een nationaliteit naar de staat van zijn vroegere verblijfplaats, wint Onze Minister de nodige informatie in bij de autoriteiten van die andere staat. Indien Onze Minister besluit de vreemdeling uit te zetten, verstrekt hij de autoriteiten van die andere staat alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.

3.

Onze Minister vormt het contactpunt ter uitvoering van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven en is verantwoordelijk voor het inwinnen en verstrekken van de informatie, bedoeld in het tweede lid.

Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 4. Procedurele bepalingen

Paragraaf 3. Intrekking

Paragraaf 4. Bekendmaking

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Artikel 4.35a
1.

De aantekening, bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onder j, wordt geplaatst, indien de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toegang tot een derde land, niet zijnde een andere staat als bedoeld in artikel 1.3, daardoor wordt bemoeilijkt.

2.

Uit de aantekening blijken de duur van het inreisverbod en de datum waarop het is uitgevaardigd.

Paragraaf 2. Procedurele bepalingen

Paragraaf 3. Bijzondere procedurele bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen

Artikel 4.52a
1.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen kan van de vreemdeling die Nederland ingevolge artikel 62, eerste of derde lid, van de Wet uit eigen beweging binnen vier weken dan wel een maand moet verlaten zekerheid verlangen, teneinde het risico te beperken dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht.

2.

De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, kan ook worden verlangd in geval van uitstel van vertrek of uitzetting:

  • a. op grond dat het vertrek of de uitzetting in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement;
  • c. wegens technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van het vertrek of de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.
3.

De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:

  • a. de overlegging van een reis- of identiteitsdocument;
  • b. de overlegging van een passagebiljet;
  • c. het deponeren van een waarborgsom;
  • d. een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt;
  • e. de overlegging van bewijs van het beschikken over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.
4.

Het model van de garantverklaring wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 4.52b
1.

De waarborgsom, bedoeld in artikel 4.52a, derde lid, onder c, wordt door Onze Minister in ieder geval aan de rechthebbende teruggegeven:

  • a. zodra de vreemdeling, bedoeld in artikel 4.52a, eerste lid, binnen de voor hem geldende vertrektermijn uit eigen beweging Nederland heeft verlaten zonder zich tussentijds aan het toezicht te hebben onttrokken; dan wel
  • b. zodra de vreemdeling na uitstel van het vertrek of de uitzetting, bedoeld in artikel 4.52a, tweede lid, Nederland heeft verlaten of is uitgezet zonder zich tussentijds aan het toezicht te hebben onttrokken.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)