Vaststelling selectielijst handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein sociale voorzieningen over de periode 1940-1996

Type Archiefselectielijst
Publication 2006-04-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 mei 2000, nr. arc-99.206/5),

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein sociale voorzieningen over de periode 1940-1996' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

De volgende lijsten worden ingetrokken, voor zover ze betrekking hebben op het beleidsterrein sociale voorzieningen:

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Basisselectiedocument sociale voorzieningen, 1940-1996

1. Inleiding

Het PIVOT-rapport 'Sociale Voorzieningen. Een institutioneel onderzoek op het beleidsterrein sociale zekerheid ten aanzien van de sociale voorzieningen, 1940-1996' vormt de grondslag voor dit basisselectiedocument. Het rapport beschrijft de handelingen van de rijksoverheid op het deelterrein sociale voorzieningen van het beleidsterrein sociale zekerheid en geeft een overzicht van de actoren die zich op dit (deel)beleidsterrein bewegen.

In het tweede deel van het institutioneel onderzoek sociale zekerheid ('Verstrekkende zekerheid. Een institutioneel onderzoek op het beleidsterrein sociale zekerheid ten aanzien van de sociale verzekeringen, 1940-1997') worden de handelingen en actoren opgenomen die het deelterrein sociale verzekeringen vormen.

Met het rapport institutioneel onderzoek (RIO) implementeren de Algemene Rijksarchivaris, voor deze de projectleider PIVOT, en de vertegenwoordigers van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de afspraken die bij convenant van 21 januari 1992 tussen de Algemene Rijksarchivaris en de Secretaris-Generaal van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn gemaakt. De eerste stap van de implementatie is de waardering voor de neerslag van de handelingen, op basis waarvan bepaald kan worden welke neerslag voor permanente bewaring in het Algemeen Rijksarchief in aanmerking komt, en welke neerslag op termijn vernietigd kan worden. Deze eerste stap is in het basisselectiedocument (BSD) vastgelegd.

Het BSD is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van archiefbescheiden door de organisatie, alsmede het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie in de rijks- en provinciale archieven. In het BSD is aan iedere handeling een waardering gegeven voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op die handeling. Alvorens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het BSD vaststelt, hoort deze de Raad voor Cultuur. Na vaststelling van het BSD kan de procedure voor enerzijds de overbrenging van de bescheiden naar het Algemeen Rijksarchief en anderzijds de vernietiging van de bescheiden worden uitgevoerd.

Het BSD bestaat uit een korte beschrijving van het beleidsterrein en de actoren, een verantwoording van de doelstelling van de selectie en de gehanteerde selectiecriteria en de lijst van gewaardeerde handelingen, voorafgegaan door een toelichting op de lijst.

Op deze plaats dient nog opgemerkt te worden dat voor archiefbescheiden op het beleidsterrein sociale voorzieningen reeds twee vernietigingslijsten bestonden, te weten de 'Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid' (Stcrt. 1994, 72) en de 'Vernietigingslijst archiefbescheiden Rijksconsulentschappen voor Sociale Voorzieningen' (Stcrt. 1983, 156). Aan de hand van deze lijsten en op grond van incidentele machtigingen bij de bewerking / inventarisatie van archiefbestanden zijn in het verleden al archiefbescheiden vernietigd.

2. Hoofdlijnen van het handelen op het beleidsterrein sociale zekerheid

Het onderwerp van dit basisselectiedocument vormt een deel van het beleidsterrein sociale zekerheid. Dit beleidsterrein heeft betrekking op de overheidstaken in het kader van het recht op het gebied van de publieke sociale zekerheid, met als doel het bieden van inkomensbescherming. Hiermee wordt een belangrijke rechtsplicht van de overheid “het bieden van financiële bestaanszekerheid aan een ieder” vormgegeven. In 1983 is deze overheidstaak geformaliseerd in art. 20 lid 2 en 3 van de Grondwet.

De doelstelling, zoals hierboven omschreven wordt langs verschillende wegen gerealiseerd, enerzijds lenigt de overheid - door het verstrekken en aanvullen van inkomens - (directe) financiële nood. Anderzijds tracht de overheid door middel van het ontwikkelen van beleid gericht op het voorkomen van het verlies van inkomen (preventie) en het reïntegreren van arbeidsongeschikten en werklozen in het arbeidsproces, het beroep wat gedaan wordt op het stelsel van inkomensbescherming terug te dringen.

Van oudsher wordt in de sociale zekerheid op grond van het verschil in de mate van overheidsbemoeienis en de financieringsbron, een onderscheid gemaakt tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen. Sociale verzekeringen (inkomensdervingsregelingen) verzekeren de financiële gevolgen wanneer men als gevolg van ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid niet (meer) aan het arbeidsproces deelneemt en worden bekostigd uit premiebijdragen van werkgevers, werknemers en ingezetenen. Sociale voorzieningen (minimumbehoefteregelingen) zijn bedoeld om wanneer in een bepaalde situatie de middelen van bestaan onvoldoende zijn, het inkomensniveau aan te vullen tot het 'sociaal minimum'. 1Regelingen die vergoedingen verstrekken voor specifieke kosten zoals de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene Kinderbijslagwet kunnen niet behulp van deze definities worden omschreven. De Wvg maakt onderdeel uit van de sociale voorzieningen, de AKW valt onder de sociale verzekeringen (zie het desbetreffende bsd). Deze voorzieningen worden betaald uit de 'algemene middelen' (opbrengsten van de verschillende belastingen). Laatstgenoemd onderdeel komt aan de orde in het nu voorliggende BSD Sociale Voorzieningen. De sociale verzekeringen zullen in een apart BSD worden behandeld.

Het deelbeleidsterrein sociale voorzieningen valt uiteen in drie onderdelen.

Het eerste onderdeel is het zorgdragen voor (de instandhouding) van inkomensvoorzieningen zoals de Abw, de IOAW en IOAZ. Deze regelingen worden beschouwd als het sluitstuk van de sociale zekerheid en zijn bedoeld om inkomen te verschaffen wanneer er geen 'voorliggende voorziening' zoals een sociale verzekering, voorhanden is. De toetsingscriteria voor opname in genoemde regelingen verschillen onderling.

Een tweede groep zijn de additionele arbeidsvoorzieningen; hieronder wordt verstaan het treffen van voorzieningen die gericht zijn op het ondersteunen van mensen die moeite hebben met een zelfstandige toetreding tot de arbeidsmarkt. Op deze manier wordt getracht mensen voor te bereiden op die toetreding of direct in staat te stellen zelf een inkomen te verwerven. Hiertoe zijn regelingen in het leven geroepen als (in het verleden) de Beeldende Kunstenaars Regeling, loongarantieregelingen en in de jaren '90 de Rijksbijdrageregeling banenpools en de zogenaamde 'Melkertbanen'. Voor personen die tot werken in staat zijn, maar als gevolg van een handicap of andere specifieke persoonlijke factoren geen werk kunnen vinden, is aparte wetgeving ontwikkeld, de Wet sociale werkvoorziening. De arbeid die bij een werkvoorzieningsschap wordt gedaan is gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsongeschiktheid.

Tenslotte zijn er sociale voorzieningen ontwikkeld, die bestemd zijn voor bepaalde groepen. In 1939 nam de minister van Sociale Zaken de sociaal-culturele zorg op zich voor arbeiders in woonoorden. Deze arbeiders werden daar gehuisvest wegens de grote woon-werk-afstand. Ook ten aanzien van varenden had de minister deze taak.

In 1994 trad de Wet voorzieningen gehandicapten in werking. In dezewet is geregeld dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de verstrekking van woon- en vervoersvoorzieningen, waaronder rolstoelen. Gemeenten voeren deze taak uit op grond van een, door hen zelf uit te vaardigen verordening. De taak van de betrokken ministers (van VWS, VROM en SZW) in deze is beperkt, al hebben zij wel de mogelijkheid bepaalde zaken nader te regelen.

3. Actoren

Een actor is een overheidsorgaan, een particuliere instelling of een persoon die een rol speelt op een beleidsterrein. In het kader van het institutioneel onderzoek zijn met name die actoren van belang die overheidsorgaan zijn en handelingen verrichten op het terrein van de sociale voorzieningen. In het BSD zijn alleen handelingen opgenomen van landelijke en provinciale overheids-actoren. Belangrijkste actor op het beleidsterrein van de sociale voorzieningen is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De ontwikkeling van beleid op dit terrein is zijn voornaamste verantwoordelijkheid. Ministers van andere departementen zijn soms zijdelings betrokken bij de sociale voorzieningen. Tot 1982 waren de bijstandsaangelegenheden in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de minister van (Cultuur, Recreatie en) Maatschappelijk Werk, de minister van Sociale Zaken was voor een aantal aspecten wel medeverantwoordelijk. Toen het departement als gevolg van een reor-ganisatie werd omgevormd tot het ministerie van Welzijn, Volkgezondheid en Cultuur, kreeg de minister van Sociale Zaken opnieuw de volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Bijstandswet en aanverwante regelingen.

De aangelegenheden ingevolge de armenzorg (Armenwet) vielen onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken tot 1952, toen het ministerie van Maatschappelijk Werk werd ingesteld.

De meeste regelingen worden in medebewind uitgevoerd door de gemeente, maar ook de gedeputeerde staten van een provincie spelen hierin soms een rol. 2Handelingen van gemeentelijke en provinciale organen vallen buiten het kader van dit onderzoek.

De minister wordt bij de uitvoering van zijn taak van advies gediend door een aantal adviesorganen, een belangrijk orgaan was het College Algemene Bijstandwet. Andere belangrijke adviezen worden gegeven door de adviescommissies van de Sociaal-Economische Raad. Daarnaast zijn er nog commissies die een adviestaak hebben ten aanzien van een sociale voorziening voor een specifieke groep (bijv. de Centrale Commissie Zelfstandigen en de Sociale Commissie voor Binnenschippers) en adviescommissies en werkgroepen die ad hoc zijn ingesteld (bijv. de Staatscommissies tot vervanging van de Armenwet en de Werkgroep Beeldende Kunstenaarsregeling). Niet-overheidsorganen zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten houden zich ook bezig met de advisering van de minister, maar handelingen van deze organen vallen buiten het kader van dit onderzoek.

4. Selectie

4.1. Doelstelling van de selectie

De selectie richt zich op de archiefbescheiden van overheidsorganen op rijksniveau, die vallen onder de werking van de artikelen 1,23, en 41 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276). Het begrip overheidsorgaan wordt in artikel 1 van de Archiefwet 1995 gedefinieerd als:

Het begrip archiefbescheiden betreft alle neerslag van de omschreven handelingen, of het nu papier of een machine-leesbaar gegevensbestand (MLG) betreft, of het zich nu in een archief, bibliotheek, op een afdeling automatisering of bij beleidsambtenaren bevindt.

De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen enerzijds archiefbescheiden die in aanmerking komen voor bewaring en overbrenging naar het Algemeen Rijksarchief of een Rijksarchief in de provincie en anderzijds archiefbescheiden die (op termijn) voor vernietiging in aanmerking komen. De beslissing of neerslag van een handeling wel of niet voor bewaring in aanmerking komt, wordt genomen tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst/PIVOT, zoals de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur die bij de behandeling van de nieuwe archiefwet in de Tweede Kamer (13 april 1994) heeft gemeld en die luidt: 'het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen'. Door het Convent van Rijksarchivarissen is deze doelstelling vertaald als: 'het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring'.

In dit BSD wordt deze selectiedoelstelling uitgewerkt binnen het (deel)beleidsterrein sociale voorzieningen. Dit beleidsterrein vormt samen met het deelterrein sociale verzekeringen het beleidsterrein sociale zekerheid.

De handelingen van de verschillende organen worden geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie is dus de vraag aan de orde welke gegevensbestanden, behorende bij welke handeling, berustende bij welke actor, bewaard dienen te worden ten einde het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot de sociale voorzieningen op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.

4.2. Selectiecriteria

Bij de selectie van handelingen is door PIVOT een aantal criteria onderscheiden dat op elk beleidsterrein of onderdeel van een terrein van toepassing is. Daarnaast is het mogelijk dat er specifieke criteria geformuleerd worden voor het desbetreffende beleidsterrein. De criteria, die in deze selectielijst zijn toegepast, worden in het onderstaande schema weergegeven. Voor het beleidsterrein sociale voorzieningen is het formuleren van specifieke criteria niet nodig gebleken.

De selectiecriteria zijn positief geformuleerd, dat wil zeggen dat zij aangegeven van welke handelingen de neerslag na het verstrijken van de wettelijk overbrengingstermijn van 20 jaar naar een Rijksarchief dient te worden overgebracht. Handelingen die aan één van de criteria voldoen, zijn met een B gewaardeerd met vermelding van het desbetreffende criterium. Handelingen die niet aan één van de criteria voldoen zijn met een V gewaardeerd, met vermelding van de minimale termijn, dat de archiefbescheiden door het orgaan, dat met de zorg ervoor belast is, bewaard moeten worden. De documentaire neerslag die uit deze handelingen voortvloeit is niet noodzakelijk voor de reconstructie van het overheidsbeleid op hoofdlijnen. De V staat voor vernietigen; de neerslag van de met een V gewaardeerde handelingen kan na de voorgeschreven termijn vernietigd worden.

Selectiecriteria

Handelingen die worden gewaardeerd met B(ewaren)

5. Selectielijst

In de selectielijst zijn de handelingen uit het rapport 'Verstrekkende zekerheid' geordend per actor, te beginnen bij de minister van Sociale Zaken, de voornaamste actor op dit beleidsterrein. Vanwege de ordening per actor zijn handelingen die volgens het rapport door meer dan één actor worden uitgevoerd in dit BSD meer keren opgenomen. Het BSD bevat dus meer items dan het rapport. De overige actoren zijn geordend aan de hand van hoofdstuk II van het RIO 'Verstrekkende zekerheid'.

De gegevensblokken van het RIO zijn in het BSD overgenomen, ook de nummering van het RIO is in het BSD gehandhaafd. Deze doorlopende nummering in het RIO wordt dus een verspringende nummering in het BSD, vanwege de andere wijze van ordenen (nl. per actor). Handelingen die in het BSD bij verschillende actoren voorkomen hebben aan hun nummer een letter toegevoegd gekregen (bijv. 20 a), zo wordt duidelijk dat deze handeling ook door een andere actor wordt uitgevoerd. Het uitgangspunt is steeds geweest dat er een directe relatie moet worden gehandhaafd tussen het RIO en het BSD.

In de gegevensblokken is het onderdeel 'actor' weggelaten, dit is terug te vinden in de kop van de pagina. Bij de actoren is de (sub)indeling van het RIO overgenomen om enige ordening in de handelingen aan te brengen. De naam van de actor is dezelfde als die in het RIO, zie verder hoofdstuk 2 van het RIO.

Van de opmerkingen bij gegevensblokken in het RIO zijn alleen die overgenomen die toelichting geven op het product of informatie geven die relevant is voor de selectiebeslissing.

Bij het product wordt steeds het eindproduct van een handeling genoemd, waarbij als bekend wordt verondersteld dat de neerslag van het gehele proces dat geleid heeft tot dat eindproduct bewaard dient te blijven of voor vernietiging in aanmerking komt. Ook in gevallen waarbij geen eindproduct tot stand is gekomen, wordt de neerslag van de voorbereiding daartoe tot de handeling gerekend en dient deze overeenkomstig deze lijst bewaard of vernietigd te worden.

Door middel van de plaatsing van de letters B en V wordt een waardering gegeven voor het 'Bewaren' of 'Vernietigen' van de neerslag van die handeling. Bij de handelingen die met een B gewaardeerd zijn, wordt het selectiecriterium uit het schema van § 4.2 genoemd dat tot dat voorstel geleid heeft.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.