← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 14 december 2000, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet personenvervoer 2000 (Besluit personenvervoer 2000)

Geldende tekst a fecha 2019-10-01

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 10 juli 2000, Centrale Directie Juridische Zaken, nr. CDJZ/WVW/2000-767;

Gelet op de artikelen 2, 3, 8, 9, 14, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 35, 44, 46, 49, 70, 74, 82, 83, 86, 99, 102 en 104 van de Wet personenvervoer 2000, de Wegenverkeerswet 1994, artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet, artikel 22 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, artikel VI, tweede lid, van de wet van 26 februari 1996 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout (Stb. 155), artikel 12 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 5, vierde lid, en 15, derde lid, van de Wet goederenvervoer over de weg, de artikelen 8 en 9 van de Wet Infrastructuurfonds, de artikelen 27 en 32 van de Spoorwegwet, artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 16 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, artikel 72, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, en de Vreemdelingenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 18 september 2000, no. WO9.00.0283/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 7 december 2000, Centrale Directie Juridische Zaken, nr. CDJZ/WVW/2000-41452;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

§ 1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

§ 2. Werkingssfeer

Artikel 2

De wet en Verordening 1071/2009/EG zijn niet van toepassing op:

Artikel 3
1.

Onder de kosten van de auto, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de wet, worden verstaan de kosten van afschrijving, verzekering, motorrijtuigenbelasting en brandstof, alsmede onderhouds- en reparatiekosten.

2.

Als bijkomende kosten als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de wet, worden aangemerkt onkostenvergoedingen voor vrijwilligers tot een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

Artikel 4

De artikelen 7, eerste lid, 12, 13 en 14, eerste lid, van de wet en de artikelen 21 tot en met 30 van dit besluit zijn niet van toepassing op besloten busvervoer dat wordt verricht als nevenactiviteit ten behoeve van een hoofdactiviteit die niet bestaat uit het vervoer van personen dan wel dat niet commercieel van aard is, en dat een geringe weerslag heeft op de vervoersmarkt.

Artikel 5

De artikelen 45, eerste lid, onderdeel a, en 46 zijn niet van toepassing op openbaar vervoer per trein.

Artikel 6
1.

De artikelen 14, 70 tot en met 74, 76 tot en met 79, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97 tot en met 99, 101, 103, 105 en 106 van de wet en de artikelen 12 tot en met 23, 26, 28 tot en met 30, hoofdstuk 4, hoofdstuk 6, met uitzondering van de artikelen 73, 74 en 78, 118, 120, 121, 124 en 126 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer per auto dat niet volgens een dienstregeling wordt verricht:

2.

De artikelen 27, 28, 31, 32 en 44 van de wet en de artikelen 31 tot en met 34 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op vervoer als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, zijn de bij en krachtens hoofdstuk III, paragrafen 4a en 4b, van de wet gestelde regels van overeenkomstige toepassing op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voor zover dat vervoer wordt verricht in opdracht van een bestuursorgaan behorend tot een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 63a van de wet. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van Verordening (EG) 1370/2007 regels worden gesteld met betrekking tot dit artikellid.

Artikel 7
1.

De artikelen 12, 13, 14, 70 tot en met 74, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97, 98, 101, 102, 105 en 106 van de wet, en de artikelen 10 en 11 en hoofdstuk 4 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per passagiersschip dat wordt verricht:

2.

De artikelen 27, 28, 31, 32 en 44 van de wet en de artikelen 31 tot en met 34 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op vervoer als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

3.

Dit artikel is niet van toepassing op vervoer dat wordt verricht met passagiersschepen:

4.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, zijn de bij en krachtens hoofdstuk III, paragrafen 4a en 4b, van de wet gestelde regels van overeenkomstige toepassing op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voor zover dat vervoer wordt verricht in opdracht van een bestuursorgaan behorend tot een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 63a van de wet. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van Verordening (EG) 1370/2007 regels worden gesteld met betrekking tot dit artikellid.

Artikel 8
1.

In afwijking van artikel 2, aanhef en onderdeel l, zijn de artikelen 73, 74, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 91, 93, 97, 98,105 en 106 van de wet en de artikelen 52, 53, van dit besluit van overeenkomstige toepassing op door of vanwege de werkgever verzorgd vervoer van werknemers:

2.

Het vervoer, bedoeld in het eerste lid, is vervoer als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet dat door een gemeentelijk vervoerbedrijf mag worden verricht.

Artikel 9

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

§ 3. Reisinformatie

Artikel 10
1.

Een vervoerder die openbaar vervoer verricht, verstrekt aan degene, die daarom verzoekt ten behoeve van het voeden en actualiseren van een reisinformatiesysteem ten minste gegevens inzake:

2.

Een vervoerder die vervoer verricht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, verstrekt aan de exploitant van een reisinformatiesysteem op diens verzoek ten minste gegevens inzake:

3.

Bij ministeriële regeling kan:

Artikel 11
1.

Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag een exploitant van een reisinformatiesysteem met een landelijk bereik aanwijzen als bedoeld in artikel 14 van de wet, indien niet meer voorzien kan worden in ten minste één doelmatig en voor de reiziger toegankelijk reisinformatiesysteem met een landelijk bereik.

2.

Voordat Onze Minister een exploitant aanwijst, maakt hij in de Staatscourant zijn voornemen daartoe bekend.

3.

Bij de bekendmaking, bedoeld in het tweede lid, wordt de termijn aangegeven waarbinnen bij Onze Minister een aanvraag kan worden ingediend tot aanwijzing als exploitant van een reisinformatiesysteem.

4.

De aanvraag, bedoeld in het derde lid, bevat ten minste een voorstel tot exploitatie van een doelmatig en voor de reiziger toegankelijk reisinformatiesysteem met een landelijk bereik en de daarbij gedurende een bepaalde periode behorende jaarlijkse financiële bijdrage van de vervoerders die openbaar vervoer verrichten waardoor de instandhouding van het desbetreffende reisinformatiesysteem is gewaarborgd.

5.

Indien de aanvraag naar het oordeel van Onze Minister aan redelijke eisen van doelmatigheid en toegankelijkheid voor de reiziger kan voldoen, legt hij deze voor advies voor aan de vervoerders die openbaar vervoer verrichten.

6.

De vervoerders, bedoeld in het vijfde lid, leggen Onze Minister binnen een door hem bepaalde termijn een met redenen omkleed advies voor over het voorstel, bedoeld in het derde lid.

7.

De vervoerders stellen de aanvrager in de gelegenheid met hen overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht.

8.

Onze Minister wijst na afloop van de termijn, genoemd in het zesde lid, een exploitant aan van een reisinformatiesysteem dat het meest doelmatig is en waarvan de toegankelijkheid voor de reiziger en het landelijk bereik optimaal is gewaarborgd en stelt de daarbij behorende jaarlijkse financiële bijdrage vast die een vervoerder die openbaar vervoer verricht aan de aangewezen exploitant van het reisinformatiesysteem verleent.

9.

Onze Minister geeft een aanwijzing voor bepaalde tijd.

Hoofdstuk 2. Vergunningen

§ 3. Reisinformatie

Artikel 12
1.

Onze Minister besluit binnen twaalf weken op een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een vergunning.

2.

Onze Minister neemt een aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning in behandeling nadat de bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling is ontvangen.

Artikel 13
1.

Van het voornemen tot ambtshalve wijziging, schorsing of intrekking van een vergunning doet Onze Minister mededeling aan de houder van de vergunning, waarna de houder van de vergunning ten minste vier weken in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

2.

Onze Minister neemt een besluit over de voorgenomen wijziging, schorsing of intrekking van de vergunning binnen acht weken na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt genomen ten aanzien van een communautaire vergunning en de houder van de vergunning ten tijde van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, openbaar vervoer verricht, wordt de concessieverlener tevens ten minste vier weken in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

4.

Indien Onze Minister besluit tot wijziging of intrekking van een vergunning, vermeldt hij in de beschikking de datum van ingang van de wijziging of de intrekking, die niet eerder mag liggen dan twaalf weken na verzending van de beschikking of zoveel later als de redelijke belangen van de vergunninghouder en van anderen die door wijziging of intrekking van de vergunning in hun belangen kunnen worden getroffen, vereisen.

5.

Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot schorsing van de vergunning, met dien verstande dat een termijn geldt van ten minste zes weken.

§ 2. Vereisten aan vergunningen

Artikel 14
1.

Vergunningen worden op naam van de vervoerder gesteld.

2.

Indien natuurlijke personen of rechtspersonen gezamenlijk als vervoerder optreden, worden de vergunningen op hun namen tezamen gesteld, met, in voorkomend geval, toevoeging van de naam waaronder zij gezamenlijk als vervoerder optreden.

3.

De vervoerder doet een aanvraag tot wijziging van de vergunning bij wijziging van de naam van de vervoerder, van een van de namen van de natuurlijke personen of rechtspersonen die gezamenlijk als vervoerder optreden of van de naam waaronder natuurlijke personen of rechtspersonen gezamenlijk als vervoerder optreden.

Artikel 15
1.

Onverminderd artikel 14 worden in de vergunning vermeld:

2.

In de vergunning worden, voor zover van toepassing, de voorschriften vermeld die aan de vergunning zijn verbonden en de beperkingen waaronder de vergunning is verleend.

§ 3. Vergunningbewijzen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17
1.

Vergunningbewijzen worden op aanvraag door Onze Minister verleend aan de vergunninghouder.

2.

Onze Minister neemt een aanvraag om verlening van een vergunningbewijs in behandeling nadat de bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling is ontvangen.

3.

Vergunningbewijzen zijn geldig voor een periode van ten hoogste vijf jaar, gerekend vanaf het moment van verlening van de vergunning.

4.

Onze Minister kan de verlening van het aantal vergunningbewijzen beperken tot het aantal bussen of auto's waarvan de vergunninghouder aantoont dat hij daarover duurzaam de beschikking heeft.

Artikel 18
1.

Op het vergunningbewijs worden vermeld:

2.

Op het vergunningbewijs worden voorts voor zover van toepassing vermeld:

Artikel 19
1.

Een vergunningbewijs is niet geldig vanaf het tijdstip waarop de vergunning is ingetrokken, gedurende de periode waarin de op het vergunningbewijs vermelde gegevens niet overeenstemmen met de feitelijke situatie en gedurende de periode waarin een vergunning is geschorst.

2.

Met uitzondering van de periode waarin een vergunning is geschorst en met uitzondering van het geval dat de geldigheidstermijn, bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel d, is verlopen, levert de vervoerder binnen vier weken na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, het vergunningbewijs in bij Onze Minister.

Artikel 20

Het is verboden een bewerkt vergunningbewijs te gebruiken.

§ 4. Eis van betrouwbaarheid

Artikel 21
1.

De vervoerder die openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, voldoet aan de eis van betrouwbaarheid.

2.

Indien meer natuurlijke personen of rechtspersonen gezamenlijk als vervoerder optreden, voldoet een ieder van de natuurlijke personen en een ieder van de bestuurders van de rechtspersonen aan de eis, bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien de vervoerder een rechtspersoon is, voldoet een ieder van de bestuurders van deze rechtspersoon aan de eis, bedoeld in het eerste lid.

4.

Indien de vervoerder een dienst of bedrijf van een gemeente is, voldoet het hoofd van de dienst of het bedrijf aan de eis, bedoeld in het eerste lid, en indien er meer hoofden zijn aangewezen, ieder van hen.

5.

Indien de natuurlijke personen of rechtspersonen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, niet of slechts gedeeltelijk zijn betrokken bij de permanente en daadwerkelijke leiding van de onderneming, de dienst of het bedrijf, voldoet degene die is belast met de permanente of daadwerkelijke leiding, mede aan de eis, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 22
1.

De vervoerder voldoet aan de eis van betrouwbaarheid, indien hij een met het oog op een communautaire vergunning of taxivervoer verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële gegevens heeft overgelegd die niet ouder is dan twee maanden.

2.

De vervoerder wiens land van vestiging een andere lidstaat is dan Nederland, dan wel een andere staat die partij is bij de EER, voldoet aan de eis van betrouwbaarheid indien hij een niet ouder dan twee maanden zijnde, in die staat daartoe afgegeven verklaring heeft overgelegd.

Artikel 23
1.

Het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoerder is een onevenredig strenge sanctie indien naar het oordeel van Onze Minister een door hem vast te stellen minimumaantal veroordelingen en sancties jegens een vervoerder niet is overschreden. Bij het bepalen van dit aantal houdt Onze Minister rekening met de aard van de overtreding die ten grondslag ligt aan een veroordeling of sanctie en het aantal gewaarmerkte afschriften van de vergunning van de vervoerder.

2.

Indien het in het eerste lid bedoelde aantal is overschreden, kan Onze Minister het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoerder als een onevenredig strenge sanctie aanmerken indien:

§ 4. Eis van betrouwbaarheid

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

§ 6. Eis van vakbekwaamheid

Artikel 26
1.

De vervoerder die taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2.

Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

3.

De vervoerder meldt Onze Minister de vervanging van een persoon als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 27

De vervoerder die openbaar vervoer of besloten busvervoer verricht, voldoet aan de eis van vakbekwaamheid door overlegging van een getuigschrift, dat is afgegeven door een door Onze Minister erkend exameninstituut, waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de onderwerpen en het opleidingsniveau van bijlage I, deel I, van verordening 1071/2009/EG en die overeenkomstig die bijlage zijn georganiseerd.

Artikel 28
1.

De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

2.

Een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geldt als een erkenning van EG-beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de wijze waarop een erkenning van EU-beroepskwalificaties als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstrekt.

4.

Onze Minister neemt een aanvraag om verlening van een erkenning van EU-beroepskwalificaties voor taxivervoer in behandeling nadat de door Onze Minister vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling is ontvangen.

5.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald van welke onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onder a, vrijstelling kan worden verleend aan houders van in die regeling genoemde diploma's.

Artikel 29
1.

Indien de vervoerder door overlijden, wettelijke of lichamelijke onbekwaamheid van degene die op grond van artikel 26 voldeed aan de eis van vakbekwaamheid in een onderneming, dienst of bedrijf van een gemeente, niet langer aan deze eis voldoet, kan Onze Minister, te rekenen vanaf dit moment, de belanghebbende die het vervoer wenst voort te zetten, onverminderd het vereiste van een vergunning, op verzoek voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van deze eis in die onderneming of die dienst of dat bedrijf van een gemeente.

2.

Onze Minister neemt een aanvraag om verlening van een ontheffing in behandeling nadat de bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling is ontvangen.

3.

De periode, bedoeld in het eerste lid, kan in bijzondere gevallen met maximaal zes maanden worden verlengd.

4.

Indien de vervoerder door overlijden, wettelijke of lichamelijke onbekwaamheid van degene die op grond van artikel 27 voldeed aan de eis van vakbekwaamheid in een onderneming, dienst of bedrijf van een gemeente, niet langer aan deze eis voldoet, kan Onze Minister, te rekenen vanaf dit moment, degene die beschikt over een praktische ervaring van ten minste drie jaar in de dagelijkse leiding van die onderneming, die dienst of dat bedrijf, in bijzondere gevallen op verzoek voor bepaalde tijd ontheffing verlenen van deze eis in die onderneming, die dienst of dat bedrijf.

5.

Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan het voorschrift worden verbonden dat de belanghebbende binnen de periode waarvoor een ontheffing geldt, alsnog zal voldoen aan de eis van vakbekwaamheid.

§ 7. Periodieke toetsing van de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid

Artikel 30
1.

De vervoerder die taxivervoer verricht overlegt elke vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop de vergunning is verleend, aan Onze Minister een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 22, eerste lid, en toont aan dat hij voldoet aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 28, eerste lid.

2.

Indien Onze Minister vermoedt dat een persoon als bedoeld in artikel 21 niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, kan Onze Minister verlangen dat, in afwijking van het eerste lid, die persoon binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt.

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 1. Concessies

Artikel 31

Consumentenorganisaties die ingevolge de artikelen 27, eerste lid, 31, eerste lid, en 44, derde lid, van de wet om advies worden gevraagd:

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33
1.

De onderwerpen, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wetwaarover de concessiehouder krachtens de concessie ten minste eenmaal per jaar advies vraagt aan consumentenorganisaties als bedoeld in artikel 31 van dit besluit betreffen, voor zover de concessiehouder ten aanzien van die onderwerpen maatregelen heeft getroffen:

2.

Het eerste lid is van toepassing op de concessieverlener indien hij op grond van artikel 31, zevende lid, van de wet, een wijziging initieert van een onderwerp als bedoeld in het eerste lid.

3.

Voor zover de concessieverlener ten aanzien van die onderwerpen voorschriften aan de concessie heeft verbonden en voor zover de concessiehouder ten aanzien van die onderwerpen maatregelen heeft getroffen, is de aanhef van het eerste lid, mede van toepassing op:

Artikel 34

De concessieverlener informeert consumentenorganisaties als bedoeld in artikel 31 ten minste over resultaten van maatregelen ten aanzien van:

Artikel 35

De plicht te gedogen, bedoeld in artikel 35 van de wet, geldt ten aanzien van het gebruik door de concessiehouder van in bijlage I opgenomen categorieën of onderdelen van infrastructuur.

Artikel 36
1.

De duur van een concessie voor openbaar vervoer per trein bedraagt ten hoogste vijf jaar. Indien de concessie tevens wordt verleend voor het verrichten van openbaar vervoer anders dan per trein, bedraagt de duur van de concessie ten hoogste acht jaar.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de duur van een concessie voor openbaar vervoer per trein op ten hoogste tien jaar worden vastgesteld, indien dit naar het oordeel van de concessieverlener wordt gerechtvaardigd door het bestaan van commerciële overeenkomsten, specifieke investeringen of bijzondere risico’s.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de duur van een concessie voor openbaar vervoer per trein op ten hoogste vijftien jaar worden vastgesteld, indien dit naar het oordeel van de concessieverlener wordt gerechtvaardigd door het bestaan van omvangrijke investeringen voor lange termijn.

§ 2. Aanbesteding

Artikel 37
1.

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van Verordening (EG) 1370/2007 nadere regels worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop aanbesteding van concessies voor openbaar vervoer plaatsvindt.

2.

Voor zover de wet niet anders bepaalt, wendt een concessieverlener zich zonder discriminatie en onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor gegadigden of inschrijvers in Nederland stelt, tot ondernemers in andere lidstaten en in overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die voldoen aan de vereisten gesteld krachtens richtlijn nr. 2004/18/EG, en handelt hierbij transparant.

Artikel 38

Het besluit tot concessieverlening geschiedt op grond van gunningscriteria nadat de geschiktheid van de vervoerders die niet uit hoofde van de wet, artikel 37 of andere door de concessieverlener bij de aanbesteding gestelde voorwaarden zijn uitgesloten, door de concessieverlener is vastgesteld.

Artikel 39
1.

Onverminderd hetgeen bij de concessieverlening is bepaald, verstrekt een concessiehouder van een concessie die is verleend vóór de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel K, van de Wet van 30 januari 2019 (Stb. 61) met het oog op de voorbereiding van aanbesteding van een concessie desgevraagd aan een concessieverlener:

2.

De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde kosten worden ingedeeld naar de kostensoorten personeel en materieel en zodanig gespecificeerd en toegelicht dat een overzichtelijk beeld ontstaat van de samenstelling ervan, van de samenhang tussen kostensoorten en van de relatie met het niveau van de dienstverlening.

3.

De concessiehouder verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, desgevraagd vergezeld van een toelichting en een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vervoerder die openbaar vervoer verricht zonder een daartoe verleende concessie, indien de gegevens noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van aanbesteding van een concessie voor dat openbaar vervoer.

Artikel 40
1.

De concessieverleners die een concessie hebben verleend, zenden een kennisgeving betreffende het verloop en de uitslag van de aanbestedingsprocedure aan Onze Minister.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de gegevens die de kennisgeving tenminste moet bevatten.

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

Artikel 44

Een reiziger is voor het vervoer een vervoerprijs verschuldigd overeenkomstig het daarvoor geldende tarief.

Artikel 45
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over een legitimatiebewijs als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alsmede over de afgifte ervan.

Artikel 46
1.

Geen vervoerprijs is verschuldigd voor het vervoer van handbagage en een hond die een persoon begeleidt die is voorzien van een legitimatiebewijs voor gehandicapten.

2.

Onder handbagage wordt verstaan zaken die een reiziger als gemakkelijk mee te voeren, draagbaar, dan wel met de hand verrijdbaar bij zich heeft en geen zitplaats in het vervoermiddel innemen, waaronder een vouwfiets, levende dieren die gemakkelijk zijn mee te voeren en die geen zitplaats innemen, alsmede zaken die door de vervoerder als handbagage zijn toegelaten.

3.

Tenzij de concessieverlener en concessiehouder anders regelen, is geen vervoerprijs verschuldigd voor het vervoer van:

4.

Het derde lid is niet van toepassing op openbaar vervoer per trein waarvoor door Onze Minister een concessie is verleend.

Artikel 47
1.

De reiziger is met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 45, en met uitzondering van de door de vervoerder bepaalde gevallen, verplicht zich van een geldig elektronisch vervoerbewijs te voorzien:

2.

Een elektronisch vervoerbewijs is geldig indien:

3.

Een elektronisch vervoerbewijs is niet geldig indien het gewijzigd of anderszins bewerkt is.

Artikel 48
1.

De reiziger die het vervoerbewijs waarvan hij moet zijn voorzien desgevraagd ter controle niet toont of overhandigt, is op vordering van de vervoerder de vervoerprijs verschuldigd die geldt voor het traject tussen vertrekpunt en plaats van bestemming van de reiziger.

2.

Onverminderd het eerste lid, is de reiziger op vordering van de vervoerder een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag verschuldigd indien hij:

3.

Indien de vervoerder die gelegenheid biedt, betaalt de reiziger het bedrag, bedoeld in het tweede lid, terstond tezamen met de krachtens het eerste lid verschuldigde vervoerprijs.

4.

Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen terstond betaalt, is de vervoerder verplicht een betalingsbewijs af te geven, dat voor zover nodig tevens geldt als vervoerbewijs.

5.

Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen niet terstond betaalt, stelt de vervoerder hem in de gelegenheid deze bedragen alsnog te betalen binnen veertien dagen nadat het feit is geconstateerd. De vervoerder kan aan de reiziger een bewijs verstrekken op grond waarvan deze zijn reis kan aanvangen of voortzetten.

6.

Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, heeft betaald, stelt de vervoerder hem nogmaals in de gelegenheid deze bedragen, verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan administratiekosten, te betalen binnen veertien dagen na afloop van de termijn, bedoeld in het vijfde lid.

7.

Zodra de reiziger voldoet aan het in het tweede, derde, vijfde of zesde lid bepaalde, vervalt het recht van strafvervolging ter zake van overtreding van artikel 70, eerste lid, van de wet.

Artikel 49

Zolang een opeisbare schuld ter zake van vervoerbewijzen niet is voldaan, heeft de betrokkene geen recht op afgifte van een op naam gesteld vervoerbewijs.

Artikel 50

Vervallen

Artikel 51

Bij intrekking van een vervoerbewijs of gedeelte van een vervoerbewijs geven de in de artikelen 87 en 89 van de wet bedoelde ambtenaren en personen daarvan een bewijs af aan de reiziger.

§ 2. Bepalingen voor de reiziger

Artikel 52
1.

Onder verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang als bedoeld in artikel 72 van de wetworden verstaan:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de vervoerder daarvoor, met inachtneming van de belangen van de reizigers, toestemming heeft gegeven.

Artikel 53

Onder aanwijzingen betreffende orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt mede verstaan de door of vanwege de vervoerder kenbaar gemaakte aanduidingen in beeld of geschrift.

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

Artikel 54

Vervallen

Artikel 55

Vervallen

Artikel 56

Vervallen

Artikel 57

Vervallen

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

§ 1. Berekening van de bijdrage en de vervoeropbrengsten

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

Artikel 67

Vervallen

Artikel 68

Vervallen

Artikel 69

Vervallen

Artikel 70

Vervallen

Artikel 71

Vervallen

§ 3. Besteding en bevoorschotting van de bijdrage

Artikel 72

Vervallen

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 4. Controle, verantwoording en administratie van de besteding van de bijdrage

Artikel 73
1.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verplichting voor de vervoerder om het ten tijde van het aanbieden van het taxivervoer te hanteren tarief duidelijk leesbaar te tonen zowel aan de buitenzijde van als binnen in de auto waarmee dat vervoer wordt verricht of dit tarief op een andere wijze kenbaar te maken.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verplichting voor de vervoerder om de reiziger na afloop van het verrichtte taxivervoer een automatisch gegenereerd ritbewijs te verstrekken en over de verplicht op het ritbewijs te vermelden gegevens.

3.

De regels, bedoeld in het tweede lid, kunnen voor bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten taxidiensten verschillend luiden.

4.

In de regels, bedoeld in het tweede lid, kan een uitzondering worden opgenomen voor taxivervoer dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst waarbij gedurende in een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgelegd tarief.

Artikel 74
1.

Met het besturen van een bus wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een niet ouder dan vijf jaar zijnde geneeskundige verklaring waaruit blijkt dat hij geen lichamelijke of geestelijke afwijkingen heeft welke hem zouden kunnen beletten een bus naar behoren te besturen en dat hij beschikt over voldoende gehoor- en gezichtsvermogen. De geneeskundige verklaring wordt afgegeven door een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in de onderdelen b of c, van dat lid, of een arts die deel uitmaakt van een arbodienst als bedoeld in die wet.

2.

Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een bus, werkzaam in het openbaar vervoer of besloten busvervoer, niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder zich binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn aan een nieuw geneeskundig onderzoek onderwerpt. Indien dit onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan de geneeskundige verklaring worden ingetrokken.

3.

De bestuurder van een bus is verplicht de geneeskundige verklaring bij zich te hebben.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de afgifte van een geneeskundige verklaring en een geneeskundig onderzoek.

Artikel 75

Met het oog op de herkenbaarheid en toegankelijkheid van het vervoer van personen kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld inzake de inrichting en uitrusting van trein, metro, tram, bus en auto.

Artikel 76
1.

Het is verboden openbaar vervoer met een bus of besloten busvervoer te verrichten indien in het kentekenregister de vermelding ontbreekt dat het voertuig is goedgekeurd als bus. Het is verboden taxivervoer of openbaar vervoer met een auto te verrichten indien in het kentekenregister de vermelding ontbreekt dat het voertuig is goedgekeurd als taxi.

2.

Een keuringsbewijs als bedoeld in artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994, dat is afgegeven voor het verrichten van openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer met een bus of auto, verliest zijn geldigheid indien hieruit niet blijkt dat is voldaan aan de eisen, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, regels worden gesteld inzake de inrichting, uitrusting en keuring van bussen en auto's, alsmede de voor de keuring verschuldigde vergoedingen, ten behoeve van de afgifte van:

Artikel 77
1.

In het kentekenregister wordt het hoogste aantal personen, buiten de bestuurder, dat met een bus of auto mag worden vervoerd, vermeld, waarbij rekening kan worden gehouden met het soort vervoer dat wordt verricht en met de wijze waarop wordt plaats genomen in de bus of auto.

2.

Het is verboden met een bus of auto meer personen te vervoeren, dan wel deze voor ander vervoer te gebruiken dan blijkens het kentekenregister is toegestaan.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop het aantal personen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald.

Artikel 78
1.

De vervoerder die taxivervoer verricht draagt er zorg voor dat in een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, een taxameter aanwezig is die zichtbaar voor de reiziger de vervoerprijs overeenkomstig de kenbaar gemaakte tarieven aangeeft.

2.

De taxameter voldoet aan de regels die bij of krachtens de Metrologiewet zijn gesteld.

3.

Behoudens in geval schriftelijk in een overeenkomst tarieven zijn vastgelegd voor gedurende een bepaalde periode meermalen te verrichten taxivervoer, wordt taxivervoer slechts verricht indien de in de auto aanwezige taxameter wordt gebruikt.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de instelling van de taxameter en de tijdvakken waarop een controle van de taxameter moet plaatsvinden tegen de in het tweede lid bedoelde eisen voor een in gebruik genomen taxameter. De artikelen 14, tweede lid, en artikel 22 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

5.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

6.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de auto uitsluitend wordt gebruikt voor taxivervoer dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst waarbij gedurende in een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgelegd tarief en in door Onze Minister te bepalen gevallen waarbij de auto uitsluitend wordt gebruikt voor vervoer tegen eenheidsprijzen.

§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en bestuurders

Artikel 79
1.

De vervoerder die taxivervoer verricht, draagt er zorg voor dat in een auto waarmee taxivervoer wordt verricht een op correcte wijze functionerende boordcomputer aanwezig is waarvoor een typegoedkeuring is verleend, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

De boordcomputer, bedoeld in het eerste lid, heeft een activeringskeuring en, voor zover bepaald bij ministeriële regeling, een periodiek onderzoek ondergaan, die zijn uitgevoerd door erkende natuurlijke of rechtspersonen, als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet.

3.

De vervoerder die taxivervoer verricht draagt er zorg voor dat de boordcomputer te allen tijde de volgende gegevens registreert:

4.

De vervoerder die taxivervoer verricht draagt er tevens zorg voor dat de boordcomputer de arbeids- en rusttijden van de bestuurder registreert.

5.

Indien de bestuurder taxivervoer verricht, draagt de vervoerder er, onverminderd het derde en vierde lid, zorg voor dat de boordcomputer de volgende gegevens registreert:

6.

Indien de boordcomputer buiten toedoen van de bestuurder en de vervoerder buiten gebruik is, geldt in plaats van de verplichting, bedoeld in het derde tot en met het vijfde lid, het bepaalde krachtens artikel 80, vijfde lid.

7.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de keuring ter activering van de boordcomputer, het periodiek onderzoek en de tijdvakken waarop een onderzoek van de boordcomputer plaatsvindt.

8.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het erkennen van natuurlijke of rechtspersonen die een boordcomputer activeren, herstellen en periodiek onderzoeken, de aanvraag van de erkenning, de voor de erkenning gestelde eisen, de aan de erkenning te verbinden voorschriften en de intrekking of schorsing van een erkenning.

Artikel 80
1.

De bestuurder en de vervoerder die taxivervoer verrichten, gebruiken de boordcomputer overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde, tenzij de boordcomputer buiten toedoen van de bestuurder en de vervoerder buiten gebruik is.

2.

De vervoerder die taxivervoer verricht bewaart de door de boordcomputer geregistreerde gegevens, bedoeld in artikel 79, derde en vijfde lid, en de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, ten minste 104 weken, gerekend vanaf de datum waarop de gegevens betrekking hebben.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van bewaren van de gegevens, bedoeld in artikel 79, derde en vijfde lid, en het overbrengen van de in de boordcomputer en de op de chauffeurskaart geregistreerde gegevens naar de vestiging van de vervoerder die taxivervoer verricht.

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de gegevens bedoeld in artikel 79, vierde lid.

5.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de registratieverplichtingen die op de vervoerder en de bestuurder rusten indien de boordcomputer buiten gebruik is en de gegevens die in dat geval aanwezig zijn in de auto waarmee taxivervoer wordt verricht.

6.

Indien de boordcomputer niet op correcte wijze functioneert of buiten gebruik is, draagt de vervoerder er zorg voor dat de boordcomputer, binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn, hersteld wordt door erkende natuurlijke of rechtspersonen, als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet.

7.

De vervoerder verstrekt de bestuurder op diens verzoek een kopie van de gegevens die ingevolge het derde lid van de chauffeurskaart zijn overgebracht naar de vestiging van de vervoerder.

8.

Het is de vervoerder die taxivervoer verricht verboden:

9.

Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht.

Artikel 81
1.

De vervoerder die taxivervoer verricht, gebruikt ten behoeve van een deugdelijke registratie van de gegevens, bedoeld in artikel 79, derde tot en met vijfde lid, een door Onze Minister verstrekte ondernemerskaart.

2.

De erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet gebruikt ten behoeve van het installeren, onderzoeken of herstellen van de boordcomputer een door Onze Minister verstrekte keuringskaart.

3.

Met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige, behoorlijk leesbare, door Onze Minister verstrekte chauffeurskaart.

4.

Voor bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten taxidiensten waarbij gedurende een bepaalde periode meermalen taxivervoer wordt verricht volgens een schriftelijke overeenkomst waarin tarieven zijn vastgelegd, kan in de plaats van de in het derde lid bedoelde chauffeurskaart volstaan worden met een chauffeurskaart onder beperkingen.

5.

De bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, is in het bezit van een door Onze Minister verstrekte chauffeurskaart of chauffeurskaart onder beperkingen en gebruikt deze kaart ten behoeve van een deugdelijke registratie van de gegevens, bedoeld in artikel 79, derde tot en met vijfde lid.

6.

Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens het vierde lid, is in een auto waarmee een in het vierde lid bedoelde taxidienst wordt verricht het deel van de administratie aanwezig waarmee kan worden aangetoond dat daadwerkelijk de in het vierde lid bedoelde soort taxidienst wordt verricht.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen eisen gesteld worden aan het deel van de administratie, bedoeld in het zesde lid.

8.

Ingeval van verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de ondernemerskaart respectievelijk de chauffeurskaart geldt in plaats van de verplichtingen, bedoeld in het eerste en vijfde lid, het bij ministeriële regeling bepaalde.

Artikel 82
1.

Bij de aanvraag voor de chauffeurskaart worden de volgende documenten overgelegd:

2.

Op de aanvrager die woonachtig is in een andere lidstaat dan Nederland, dan wel een andere staat die partij is bij de EER, is voor wat betreft de verklaring omtrent het gedrag, artikel 22, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het document of de verklaring niet ouder is dan vier maanden.

3.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald van welke onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, vrijstelling kan worden verleend.

4.

Onze Minister kan onder voorwaarden en beperkingen vrijstelling verlenen van de verplichting om het getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, over te leggen.

5.

Indien naar het oordeel van Onze Minister niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen, bedoeld in het vierde lid, kan de vrijstelling worden ingetrokken.

6.

Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een geneeskundige verklaring of een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, respectievelijk c, kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder zich binnen een door hem vast te stellen termijn aan een nieuw geneeskundig onderzoek onderwerpt, respectievelijk opnieuw verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn de nieuwe geneeskundige verklaring of de nieuwe verklaring omtrent het gedrag.

7.

Een aanvrager van een chauffeurskaart die voorafgaand aan de verlening van die chauffeurskaart in het bezit is van een geldige chauffeurskaart, hoeft bij zijn aanvraag geen verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, te overleggen, onverminderd de bevoegdheid om opnieuw afgifte van een verklaring omtrent het gedrag te verlangen, bedoeld in het zesde lid.

Artikel 83
1.

Onze Minister neemt een aanvraag om verlening van een boordcomputerkaart in behandeling nadat de bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling is ontvangen.

2.

De boordcomputerkaarten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar.

3.

Een boordcomputerkaart verliest zijn geldigheid door intrekking of schorsing en door het verstrijken van de geldigheidsduur.

4.

Een binnen de geldigheidsduur verloren, gestolen, defect geraakt, of beschadigde boordcomputerkaart, wordt vervangen door een vervangende kaart voor de resterende termijn van geldigheid.

5.

De houder van een chauffeurskaart of ondernemerskaart meldt verlies of diefstal van zijn boordcomputerkaart aan Onze Minister.

6.

De houder van een chauffeurskaart of ondernemerskaart levert een defecte, beschadigde of ingetrokken boordcomputerkaart in bij Onze Minister binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn.

7.

Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de houder van een keuringskaart.

8.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

9.

In het kader van leer-werktrajecten en in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, kan door Onze Minister een chauffeurskaart worden verstrekt met een kortere geldigheidsduur dan de in het tweede lid bedoelde geldigheidsduur, dan wel ontheffing worden verleend van de in artikel 81, vijfde lid, bedoelde eis.

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Artikel 84

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

Artikel 86

Vervallen

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 1. Definities

Artikel 89

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 90

Vervallen

Artikel 91
1.

Onze Minister beslist op een aanvraag om een vergunning, een attest of een bewijs van toelating voor internationaal vervoer als bedoeld in dit hoofdstuk. Hij kan ambtshalve of op verzoek de vergunning, het attest of het bewijs van toelating vernieuwen, wijzigen of intrekken. De vergunning kan tevens ambtshalve worden geschorst.

2.

Reisbladenboekjes als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de ASOR, alsmede in artikel 11 van de Interbus-overeenkomst worden voor Nederland afgegeven door Onze Minister.

3.

Een kopie van het reisblad als bedoeld in artikel 13 van de ASOR, alsmede in artikel 13 van de Interbus-overeenkomst wordt op het hoofdkantoor van de desbetreffende vervoerder tenminste twee jaar bewaard.

Artikel 92

Vervallen

Artikel 93

Vervallen

Artikel 94

Hoofdstuk 2, paragrafen 1, 2 en 3, zijn van overeenkomstige toepassing op de verlening, wijziging of intrekking van vergunningen en documenten als bedoeld in dit hoofdstuk.

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 95

Vervallen

Artikel 96

Vervallen

Artikel 97

Vervallen

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

Artikel 98
1.

Het is verboden geregeld vervoer of een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.

2.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt aan de in Nederland gevestigde vervoerder slechts verleend indien hem een communautaire vergunning is verleend.

3.

Tenzij met een land is overeengekomen dat geen vergunning is vereist, is het eerste lid eveneens van toepassing op vervoer dat voor niet-lucratieve en niet-commerciële doeleinden door een natuurlijke of rechtspersoon wordt verricht, en dat slechts een bijkomstige activiteit vormt.

Artikel 99
1.

Indien de vervoerder, aan wie een vergunning is verleend voor het verrichten van geregeld vervoer, het voornemen heeft de exploitatie te beëindigen voordat de vergunning haar geldigheid heeft verloren, stelt hij uiterlijk drie maanden vóór het tijdstip waarop hij zich voorstelt de exploitatie te beëindigen, Onze Minister schriftelijk in kennis van dit voornemen onder opgave van de redenen.

2.

De vervoerder maakt zijn voornemen op zodanige wijze kenbaar, dat de betrokken reizigers en overige belanghebbenden ervan kunnen kennis nemen.

Artikel 100

De vervoerder die geregeld vervoer of een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee dat vervoer wordt verricht de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of het door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.

Artikel 101
1.

De in Nederland gevestigde vervoerder die geregeld vervoer of een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, verstrekt aan Onze Minister binnen twee maanden na afloop van ieder kalenderjaar van elk in dat jaar per kwartaal verricht vervoer de gegevens in een vervoerverslag.

2.

Onze Minister stelt het model vast voor het vervoerverslag.

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

Artikel 102
1.

Het is verboden pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning, tenzij met een land is overeengekomen dat geen vergunning is vereist.

2.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt aan de in Nederland gevestigde vervoerder slechts verleend indien hem een communautaire vergunning is verleend.

Artikel 103

De vervoerder die pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee dat vervoer wordt verricht de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of het door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.

§ 5. Pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

Artikel 104
1.

Het is vervoerders die in Nederland, België of Luxemburg zijn gevestigd, verboden ongeregeld vervoer te verrichten in strijd met de Beneluxbeschikking.

2.

Het is verboden met bussen die blijkens het kenteken zijn ingeschreven in derde landen, ongeregeld vervoer te verrichten in strijd met de ASOR.

3.

Het is verboden met bussen die blijkens het kenteken zijn ingeschreven in landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst ongeregeld vervoer te verrichten in strijd met de Interbus-overeenkomst.

Artikel 105
1.

Het is verboden ongeregeld vervoer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de ASOR, van en naar derde landen te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning, met uitzondering van het vervoer, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van die overeenkomst.

2.

Het is verboden ongeregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Interbus-overeenkomst te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning als bedoeld in artikel 15 van de Interbus-overeenkomst, met uitzondering van het vervoer bedoeld in artikel 6 van die overeenkomst.

Artikel 106

Het is verboden met bussen die blijkens het kenteken zijn ingeschreven in een andere staat, ongeregeld vervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning, tenzij met een staat is overeengekomen dat geen vergunning is vereist.

Artikel 107

De in Nederland gevestigde vervoerder die ongeregeld vervoer als bedoeld in deze paragraaf verricht, is houder van een communautaire vergunning.

Artikel 108

De vervoerder die ongeregeld vervoer verricht met bussen van en naar staten die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst dan wel derde landen, draagt zorg dat in de bus waarmee het vervoer wordt verricht aanwezig is:

Artikel 109

De vervoerder die ongeregeld vervoer van en naar derde landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee dat vervoer wordt verricht, indien het vervoer betreft waarvoor op grond van artikel 105 een vergunning is vereist, de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of het door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

Artikel 110

Vervallen

Artikel 111

Vervallen

Artikel 112

Vervallen

Artikel 113

Vervallen

Artikel 114

De vervoerder die vervoer voor eigen rekening van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee vervoer wordt verricht, de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of een door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

Artikel 115
1.

Artikel 76 van de wet is niet van toepassing op taxivervoer met een auto die blijkens het kenteken buiten Nederland is geregistreerd, mits het betreft:

2.

Artikel 76 van de wet is evenmin van toepassing op taxivervoer met een auto die blijkens het kenteken is geregistreerd in België of Luxemburg, waarbij de heenreis zonder reizigers geschiedt teneinde reizigers op te nemen die de auto hadden besteld voordat de auto Nederland was binnengekomen.

3.

De vervoerder, bedoeld in het eerste en tweede lid, beschikt over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer van het land waar de auto is geregistreerd.

Artikel 116

Vervallen

Artikel 117

De vervoerder, bedoeld in artikel 115, draagt er zorg voor dat in de auto aanwezig is:

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

Artikel 118

Overtreding van elk van de voorschriften gesteld bij de artikelen 76, derde lid, 77, eerste en tweede lid, 78, eerste lid en 80 van de wet, en van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 14, 19, 20, 26, 72a tot en met 83, 91, 98 tot en met 109 en 114 tot en met 117 van het besluit, vormt een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

§ 8. Internationaal taxivervoer

Artikel 119
1.

Artikel 6 is van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 5b van het Besluit personenvervoer, waarvan de overeenkomst op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog niet was beëindigd.

2.

Artikel 7 is van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 5c van het Besluit personenvervoer, waarvan de overeenkomst op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog niet was beëindigd

Artikel 120

In afwijking van artikel 12 geldt voor een beslissing op een aanvraag om verlening van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer een termijn van zes maanden, voorzover deze aanvraag is gedaan voor 1 januari 2001.

Artikel 121
1.

Gedurende de periode dat vergunningen die krachtens de Wet personenvervoer zijn verleend, overeenkomstig artikel 112 of 113 van de Wet personenvervoer 2000 geldig blijven, behouden ook de op deze vergunningen verstrekte vergunningbewijzen hun geldigheid, behoudens het bepaalde in artikel 14.

2.

Artikel 16 is niet van toepassing op vergunningen als bedoeld in het eerste lid, die zijn verleend voor het verrichten van openbaar vervoer.

Artikel 122

Wijzigt dit besluit..

Artikel 123

Wijzigt dit besluit.

Artikel 124

Degene die in het bezit is van een verklaring die voor 1 oktober 1999 overeenkomstig artikel 10 van richtlijn nr. 96/26/EG is afgegeven door Onze Minister of door een andere lidstaat dan Nederland, dan wel door een andere staat die partij is bij de EER, voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.

Artikel 125

Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien:

Artikel 126

Degene aan wie op grond van artikel 29 van het Besluit personenvervoer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van artikel 29, een ontheffing is verleend van de eis van vakbekwaamheid, blijft vanaf de inwerkingtreding van dit besluit ontheven van de eis van vakbekwaamheid onder de voorwaarden waaronder en gedurende de periode waarvoor die ontheffing is verleend.

Artikel 127

Vervallen

Artikel 128

Een geneeskundige verklaring die voor de inwerkingtreding van dit besluit op grond van artikel 157 van het Besluit personenvervoer is afgegeven en zijn geldigheid niet heeft verloren, wordt vanaf de inwerkingtreding van dit besluit gelijkgesteld met de verklaring, bedoeld in artikel 74.

Artikel 129

Een wijziging van richtlijn nr. 96/26/EG en richtlijn nr. 92/50/EEG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

Artikel 130

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Artikel 131

Wijzigt het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.

Artikel 132

Wijzigt het Wijzigingsbesluit Wet op de rechterlijke organisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout (Stb. 155), en aanpassing van lagere regelgeving aan die wet.

Artikel 133

Wijzigt het Besluit gevonden voorwerpen.

Artikel 134

Wijzigt het Besluit goederenvervoer over de weg.

Artikel 135

Wijzigt het Besluit infrastructuurfonds.

Artikel 136

Wijzigt het Interimbesluit capaciteitstoewijzing spoorwegen.

Artikel 137

Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Artikel 138

Wijzigt het Transactiebesluit 1994.

Artikel 139

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.

Artikel 140

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.

Artikel 141

Wijzigt het Voertuigreglement.

Artikel 142

Wijzigt het Vreemdelingenbesluit.

Artikel 143

Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de hierna genoemde ministeriële regelingen op de daarbij vermelde artikelen van dit besluit:

§ 3. Slotbepalingen

Artikel 144

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 145

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit personenvervoer 2000.

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

§ 2. openbaar vervoer per tram of metro

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 72a

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verplichting voor de vervoerder die taxivervoer verricht om in of op de auto waarmee taxivervoer wordt verricht dan wel anderszins duidelijk kenbaar te maken op welke wijze een klacht als bedoeld in artikel 78, eerste lid, van de wet kan worden ingediend en op welke wijze deze wordt behandeld.

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 2. Algemene bepalingen

§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 5. Pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 4a

Artikel 32, tweede lid, onderdelen i, j en k, van de wet is niet van toepassing op openbaar vervoer anders dan per trein.

§ 3. Reisinformatie

Hoofdstuk 2. Vergunningen

§ 1. Verlening, wijziging, schorsing of intrekking

§ 1. Verlening, wijziging, schorsing of intrekking

§ 2. Vereisten aan vergunningen

§ 4. Eis van betrouwbaarheid

§ 5. Eis van kredietwaardigheid

§ 5. Eis van kredietwaardigheid

§ 6. Eis van vakbekwaamheid

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 7. Periodieke toetsing van de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid

Artikel 36a
1.

Onverminderd in de situaties, bedoeld in artikel 5, lid 3bis, van de verordening (EG) nr. 1370/2007, kan bij wijze van tijdelijke maatregel een concessie voor openbaar vervoer per trein als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, worden verleend zonder dat een aanbesteding wordt gehouden:

2.

Van een concessieverlening, bedoeld in het eerste lid, wordt melding gedaan bij Onze Minister.

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

§ 2. Bepalingen voor de reiziger

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 1. Berekening van de bijdrage en de vervoeropbrengsten

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

§ 3. Besteding en bevoorschotting van de bijdrage

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

§ 5. Experimentenregeling

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 5. Experimentenregeling

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 36b

Bevoegd tot het verlenen, wijzigen, of intrekken van concessies als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de wet, is:

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 2. Aanbesteding

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

§ 4. Controle, verantwoording en administratie van de besteding van de bijdrage

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en bestuurders

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 5. Pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 8. Internationaal taxivervoer

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 8. Internationaal taxivervoer

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 7a
1.

De artikelen 1, 12 tot en met 14, 19, eerste en tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 25 eerste, tweede en derde lid, 26, eerste lid met uitzondering van de zinsnede «bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid», 27, 28 tot en met 29a, 31 tot en met 32a, 33 tot en met 37, 38 met uitzondering van het tweede en derde lid, 39, 40, 41, 43, 43a, tweede tot en met zevende lid, 43b en 43c, 44, 45, 46, 49, 70, 71, 72, 73, 74, 87 met uitzondering van het vierde lid, 88, eerste lid, 89, 90 tot en met 93, 97, 98, 100, 101, 102, 105 en 106 van de wet en de artikelen 1, 2, 10, eerste lid, onderdelen a tot en met e en onderdeel g, 11, 31, 33, 34, 39, 44 tot en met 46, 48, 49, 51, 52 en 53 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer met of zonder een dienstregeling per veerboot of passagiersschip dat wordt verricht tussen twee of meer aanlegplaatsen gelegen aan de Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee en met havens die in open verbinding staan met de Waddenzee, waarbij Vlieland, Terschelling, Ameland of Schiermonnikoog met het vasteland wordt verbonden.

2.

Met het in het eerste lid genoemde personenvervoer wordt tevens bedoeld vervoer van personen die zich verplaatsen per motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van vrachtauto’s als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen. De bedoelde motorrijtuigen kunnen voorzien zijn van een aanhangwagen.

3.

Onze Minister verleent concessies voor het personenvervoer, bedoeld in het eerste lid, voor de duur van ten hoogste 15 jaar nadat daartoe een aanbesteding is gehouden. Artikel 5, derde lid, van Verordening (EG) 1370/2007 is daarbij van toepassing.

4.

Onze Minister kan in afwijking van het derde lid, de in dat lid genoemde concessie voor de eerste maal verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien die concessie voldoet aan een van de kenmerken betreffende personenvervoer, anders dan per spoor, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van Verordening (EG) 1370/2007.

Indien Onze Minister een concessie als bedoeld in de eerste volzin verleent, wordt het programma van eisen, bedoeld in artikel 44 van de wet, voorafgaand aan de concessieverlening gepubliceerd.

5.

Voor de toepassing van de artikelen van de wet en het besluit op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, wordt gelezen voor:

6.

De plicht te gedogen, bedoeld in artikel 35 van de wet, geldt voor het in het eerste lid bedoelde vervoer ten aanzien van het gebruik door de concessiehouder van de haveninfrastructuur waaronder wordt verstaan:

§ 3. Reisinformatie

Hoofdstuk 2. Vergunningen

§ 1. Verlening, wijziging, schorsing of intrekking

§ 2. Vereisten aan vergunningen

§ 3. Vergunningbewijzen voor taxivervoer

§ 4. Eis van betrouwbaarheid

§ 5. Eis van kredietwaardigheid

§ 6. Eis van vakbekwaamheid

§ 7. Periodieke toetsing van de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 1. Concessies

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 2. Bepalingen voor de reiziger

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 1. Berekening van de bijdrage en de vervoeropbrengsten

§ 3. Besteding en bevoorschotting van de bijdrage

§ 3. Besteding en bevoorschotting van de bijdrage

§ 5. Experimentenregeling

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 5. Experimentenregeling

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 1. Definities

§ 5. Pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 35a
1.

Aan een concessie als bedoeld in artikel 19 van de wet die wordt verleend of gewijzigd wordt het voorschrift verbonden dat de concessiehouder verplicht om reizigers in staat te stellen een OV-chipkaart die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels als elektronisch vervoerbewijs te gebruiken op het openbaar vervoer dat de concessiehouder aanbiedt.

2.

Het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van door de concessiehouder aangeboden openbaar vervoer per auto, internationale passagiersvervoersdiensten en bij ministeriële regeling aangewezen soorten openbaar vervoer die daarmee gelijkenis vertonen, tenzij de desbetreffende concessieverlener anders voorschrijft.

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

§ 4. Controle, verantwoording en administratie van de besteding van de bijdrage

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en bestuurders

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

§ 5. Pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 8. Internationaal taxivervoer

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

§ 2. openbaar vervoer per tram of metro

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en bestuurders

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 23a
1.

Het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoersmanager is een onevenredig strenge sanctie indien naar het oordeel van Onze Minister een door hem vast te stellen minimumaantal veroordelingen en sancties jegens een vervoersmanager niet is overschreden. Bij het bepalen van dit aantal houdt Onze Minister rekening met de aard van de overtreding die ten grondslag ligt aan een veroordeling of sanctie en het aantal gewaarmerkte afschriften van de vergunning van de vervoerder of vervoerders waarvoor de vervoersmanager werkzaam is.

2.

Indien het in het eerste lid bedoelde aantal is overschreden, kan Onze Minister het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoersmanager als een onevenredig strenge sanctie aanmerken indien:

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het gaat om de in artikel 23 bedoelde veroordelingen en sancties jegens de vervoerder waarvoor de vervoersmanager werkzaam is.

Artikel 23b

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de artikelen 23 en 23a.

§ 6. Eis van vakbekwaamheid

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 1. Concessies

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 2. Bepalingen voor de reiziger

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 1. Berekening van de bijdrage en de vervoeropbrengsten

§ 4. Controle, verantwoording en administratie van de besteding van de bijdrage

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 3. Taxameter en boordcomputer

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 8. Internationaal taxivervoer

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 9a
1.

Het verbod openbaar vervoer anders dan per trein te verrichten zonder geldige communautaire vergunning, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op een vervoerder die openbaar vervoer per auto verricht en beschikt over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van de wet.

2.

Het verbod openbaar vervoer anders dan per trein te verrichten zonder de aanwezigheid in het voertuig van een eensluidend gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op een vervoerder als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9b
1.

Bij ministeriële regeling kan, in voorkomend geval met inachtneming van bindende EU-rechtshandelingen en voor zover de belangen van reizigers zich daar niet tegen verzetten, vrijstelling worden verleend van één of meer regels van dit besluit die krachtens de artikelen 2, vijfde lid, 76c, 79 en 104 van de wet zijn vastgesteld.

2.

Een vrijstelling kan worden verleend met het oog op:

3.

Bij een vrijstelling worden regels gesteld, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

4.

Een vrijstelling kan tevens worden verleend in het kader van een experiment.

5.

Bij een zodanig experiment worden in ieder geval regels gesteld over:

Hoofdstuk 2. Vergunningen

§ 3. Vergunningbewijzen voor taxivervoer

§ 5. Eis van kredietwaardigheid

§ 7. Periodieke toetsing van de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 1. Concessies

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 5. Experimentenregeling

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 3. Taxameter en boordcomputer

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

§ 2. openbaar vervoer per tram of metro

Bijlage II. behorende bij artikel 36b, onderdeel a, van het Besluit personenvervoer 2000

Bijlage III. behorende bij artikel 36b, onderdeel b, van het Besluit personenvervoer 2000

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.