Besluit van 18 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, alsmede houdende wijziging van onder meer het Besluit bezoldiging politie in verband met de invoering van de Ziektewet voor de sector politie (Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie)
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid van 24 november 2000, nummer EA2000/U98287;
Gelet op artikel 50, eerste lid, en 53 d, eerste lid, van de Politiewet 1993 en artikel 9, zesde lid, van de LSOP-wet;
De Raad van State gehoord (advies van 14 december 2000, nr. W04.00.0556/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2000, nr. EA2000/U102388, Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit algemene rechtspositie politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar, die als gevolg van ontslag verleend op grond van de artikelen 89, eerste tot en met derde lid, 90, eerste, tweede en achtste lid, 91, eerste lid, 92, of 94, eerste lid, onderdelen e, f of g, van het Besluit algemene rechtspositie politie werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
- c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering bedoeld in hoofdstuk 2;
- d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering bedoeld in hoofdstuk 3;
- e. bovenwettelijke uitkering: de aanvullende en aansluitende uitkering gezamenlijk;
- f. dagloon: het dagloon als bedoeld inartikel 1b van de Werkloosheidswet, voor zover het betreft het loon dat betrokkene verdiende in de betrekking bij de politie waaruit hij werkloos is geworden, met uitzondering van het bedrag, bedoeld in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, waarbij, in het geval sprake is van partieel uittreden of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 13a respectievelijk 41 van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt uitgegaan van het feitelijke inkomen onmiddellijk voorafgaand aan het uittreden respectievelijk het verlof;
- g. diensttijd: voor zover gelegen voor 1 januari 1996: de tijd die voor de betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet; voor zover gelegen op of na 1 januari 1996: de tijd gedurende welke de betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP; in beide gevallen met uitzondering van de tijd:
- 1°. die voorafgaat aan een ontslag uit een betrekking, bedoeld in de artikelen 88 en 88a van het Besluit algemene rechtspositie politie, mits op grond van dat ontslag een uitkering is toegekend;
- 2°. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een wachtgeld of van een uitkering ter zake van onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;
- 3°. die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd door ontslag van langer dan een jaar;
- 4°. bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;
- 5°. in een aangehouden betrekking;
- h. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;
- i. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
- j. pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement;
- k. privatiseringsoperatie: het uitbesteden of overdragen van werkzaamheden van de overheid aan een bestaande of voor dat doel opgerichte privaatrechtelijke organisatie;
- l. privaatrechtelijke organisatie: de privaatrechtelijke organisatie die de werkzaamheden uitvoert die in het kader van een privatiseringsoperatie door de overheid zijn uitbesteed of overgedragen;
- m. privatiseringsontslag: het ontslag uit een overheidsbetrekking in het kader van een privatiseringsoperatie;
- n. WW-uitkering: een uitkering krachtens de Werkloosheidswet;
- o. ZW-uitkering: een uitkering krachtens de Ziektewet;
- p. AOW-gerechtigde leeftijd: de leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat;
- q. maandloon: het dagloon, vermenigvuldigd met 21,75;
- r. gerechtvaardigde aanspraak: het bedrag van de gecombineerde netto ouderdomspensioenen als bedoeld in artikel 9 van de Algemene ouderdomswet en het pensioenreglement, waarop een betrokkene aanspraak zou hebben gehad, indien de AOW-gerechtigde leeftijd en de pensioenrekenleeftijd als bedoeld in bijlage 2 bij het pensioenreglement 65 jaar zouden zijn gebleven.
Bij de bepaling van diensttijd in een aangehouden betrekking wordt in voorkomend geval de diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals dat luidde op 31 december 1995, mede in aanmerking genomen. Het verzoek, bedoeld in artikel D2 van genoemde wet, wordt daarbij geacht te zijn gedaan. Indien voor diensttijd die bij de berekening van de bovenwettelijke uitkering in aanmerking is genomen recht op een overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP bestaat, worden de duur en het bedrag van de bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.
In dit besluit wordt onder betrokkene mede verstaan: de directeur van de Politieacademie of zijn plaatsvervanger, die als gevolg van een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet.
Artikel 2. Bovenwettelijke uitkering en berekeningswijze van de duur
Met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat heeft de betrokkene recht op een bovenwettelijke uitkering, zoals neergelegd in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van dit besluit.
De maximale duur van de uitkering is drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene, die op de dag waarop het ontslag ingaat:
- a. de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt: met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;
- b. 21 jaar of ouder is: met een duur van 19,5% van de diensttijd en vervolgens per leeftijdsjaar vermeerderd met 1,5%;
- c. 60 jaar of ouder is: met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.
Indien uitgaande van het moment van ontslag de maximale uitkeringsduur, berekend op grond van het tweede lid, langer is dan de duur van de WW-uitkering, wordt het verschil in duur tot een maximum van twee jaar in mindering gebracht op de maximale uitkeringsduur. Vervolgens wordt:
- a. voor elk jaar dat de diensttijd langer is dan tien jaar de duur verminderd met een halve maand, tot een maximum van 14 maanden, en
- b. voor elk jaar dat de diensttijd langer is dan achttien jaar de duur verminderd met een maand tot een maximum van 22 maanden.
Bij het berekenen van de vermindering van de maximale uitkeringsduur worden de maanden en de halve maanden bij elkaar opgeteld en wanneer die berekening niet leidt tot een aantal gehele maanden, telt een halve maand voor 15 kalenderdagen.
De vermindering van de maximale duur van de uitkering, berekend op grond van het derde lid, kan er niet toe leiden dat de duur van de uitkering korter wordt dan de duur van de WW-uitkering.
De duur van de uitkering van de betrokkene die ten tijde van het ontslag maximaal 7,5 jaar jonger is dan de op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd en een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van de termijn die op basis van het tweede en derde lid is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Hoofdstuk 2. De aanvullende uitkering bij werkloosheid
Artikel 3. Recht op aanvullende uitkering
De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder ingaat dan de dag waarop het ontslag in werking treedt.
Op de aanvullende uitkering zijn de artikelen 22 tot en met 33, 36 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 34, 35a en 35aa van de Werkloosheidswet zijn slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.
Artikel 4. Hoogte van de aanvullende uitkering
Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, ten minste gelijk is aan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de WW-uitkering gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% van het voor de betrokkene geldende dagloon aangevuld.
Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, korter is dan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daarop volgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld.
Voor de toepassing van dit artikel wordt de WW-uitkering steeds geacht door de betrokkene onverminderd te zijn genoten.
Artikel 5. Aanvullende uitkering bij ziekte
Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij recht heeft op een WW-uitkering wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten en deswege een ZW-uitkering geniet, wordt de ZW-uitkering aangevuld tot de percentages van het dagloon, genoemd in artikel 4, met inachtneming van de daaraan voorafgaande termijn waarover de betrokkene recht op een aanvullende uitkering op grond van dit besluit heeft gehad.
Indien het recht op de WW-uitkering na afloop van de periode waarin de Ziektewet op de betrokkene van toepassing is geweest, herleeft, telt zowel de termijn waarover de betrokkene voorafgaand aan deze periode recht heeft gehad op een WW-uitkering als de termijn waarin de Ziektewet op hem van toepassing is geweest, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4.
Voor de toepassing van dit artikel worden de WW-uitkering en de ZW-uitkering steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten.
Artikel 6. Overlijdensuitkering
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt de uitkering, bedoeld in artikel 35 of 36 van de Ziektewet, aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene geldende dagloon over drie maanden.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de betrokkene geacht steeds onverminderd ziekengeld te hebben genoten.
Artikel 7. Verplichting of sanctie
Indien ten aanzien van de WW-uitkering of de ZW-uitkering een verplichting of een sanctie wordt opgelegd, wordt die verplichting eveneens opgelegd dan wel die sanctie op overeenkomstige wijze toegepast op de aanvullende uitkering.
Hoofdstuk 3. Aansluitende uitkering bij werkloosheid
Artikel 8. Het recht op aansluitende uitkering
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.