Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 3.31, 3.34, 3.36, 3.38 en 3.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3.31, 3.34, 3.36, 3.38 en 3.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2.

Deze regeling verstaat onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.

Hoofdstuk 2. Milieu-bedrijfsmiddelen

Artikel 2
1.

Met betrekking tot milieu-bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van de wet, is willekeurige afschrijving alleen mogelijk indien de aanmelding van de aangegane verplichtingen of gemaakte voortbrengingskosten, bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, van de wet plaatsvindt binnen een termijn van drie maanden.

2.

De in het eerste lid bedoelde termijn vangt aan:

3.

Ingeval artikel 3.52, eerste lid, onderdeel a, van de wet toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op grond van het eerste lid.

Artikel 3

De termijn bedoeld in artikel 3.31, vierde lid, van de wet waarbinnen het verzoek ter zake van een bedrijfsmiddel dat bestemd is om te worden gebruikt buiten Nederland, moet zijn ingediend, wordt gesteld op de in artikel 2 gestelde termijn. Bij dit verzoek worden tevens de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van het bedrijfsmiddel aangemeld.

Artikel 4
1.

De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten vindt uitsluitend plaats langs de daartoe door de Minister van Economische Zaken en Klimaat geopende elektronische weg.

2.

De aanmelding wordt gedaan voor aangegane verplichtingen en gemaakte voortbrengingskosten die per melding samen ten minste € 2.500 bedragen.

Artikel 5

Met betrekking tot milieubedrijfsmiddelen die op grond van artikel 3.42a, zevende lid, van de wet worden aangemeld voor de milieu-investeringsaftrek en waarop de belastingplichtige tevens willekeurig wil afschrijven, kan de aanmelding voor willekeurige afschrijving, bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, van de wet, worden opgenomen in de aanmelding voor de milieu-investeringsaftrek.

Hoofdstuk 3. Bedrijfsmiddelen in het belang van de arbeidsomstandigheden

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 3. Bedrijfsmiddelen in het belang van de arbeidsomstandigheden

Paragraaf 1. Investeringen door startende ondernemers

Artikel 7
1.

Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, in verbinding met het derde lid, van de wet, worden aangewezen: bedrijfsmiddelen voor zover de belastingplichtige ter zake verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in een kalenderjaar waarover bij hem de verhoogde zelfstandigenaftrek als bedoeld in artikel 3.76, derde lid, van de wet van toepassing is.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden bedrijfsmiddelen voor zover de belastingplichtige ter zake verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in een kalenderjaar en bij hem de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 3.76, eerste lid, van de wet in dat jaar niet van toepassing is en dat onmiddellijk voorafgaat aan een kalenderjaar waarin bij hem de verhoogde zelfstandigenaftrek van toepassing is, mede gerekend tot de bedrijfsmiddelen van het laatstgenoemde kalenderjaar.

3.

Het eerste lid is slechts van toepassing op bedrijfsmiddelen waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten worden gemaakt in het kader van een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.

4.

Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 3.43, tweede lid, artikel 3.45, eerste, tweede en vijfde lid, en artikel 3.46 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

Op de aanschaffings- of voortbrengingskosten, bedoeld in artikel 7, kan willekeurig worden afgeschreven voor zover het gezamenlijke bedrag van die kosten in het kalenderjaar niet uitgaat boven het in de tabel van artikel 3.41, tweede lid, van de wet opgenomen maximum bedrag waarover kleinschaligheidsinvesteringsaftrek kan worden verkregen. De eerste volzin vindt geen toepassing op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen waarop uit andere hoofde willekeurig wordt afgeschreven.

Artikel 9

De periode bedoeld in artikel 3.38 van de wet wordt gesteld op vijf jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Paragraaf 2. Zeeschepen

Artikel 10

Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, van de wet worden voorts aangewezen: schepen die door de belastingplichtige worden geëxploiteerd op een wijze als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid en vijfde lid, van de wet.

Artikel 11

De willekeurige afschrijving op bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 10 bedraagt per kalenderjaar ten hoogste 20% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten. De willekeurige afschrijving kan slechts worden toegepast voor zover de berekening van de winst uit zeescheepvaart bedoeld in 3.22, vierde lid en vijfde lid, van de wet zonder die afschrijving tot een positief bedrag leidt. Indien de afschrijving - willekeurig of op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de wet - in een jaar minder bedraagt dan het bedrag dat op grond van de eerste volzin ten hoogste willekeurig kan worden afgeschreven, wordt het verschil toegevoegd aan het bedrag dat in het volgende jaar ten hoogste willekeurig kan worden afgeschreven.

Artikel 12

Met betrekking tot bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 10 wordt de periode, bedoeld in artikel 3.38 van de wet, gesteld op tien jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingingskosten zijn gemaakt.

Paragraaf 3. Investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling

Artikel 13
1.

Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, van de wet, worden voorts aangewezen: bedrijfsmiddelen die niet eerder in gebruik zijn genomen, voor zover de belastingplichtige ter zake van de aanschaffing verplichtingen is aangegaan of ter zake van de voortbrenging voortbrengingskosten heeft gemaakt in het kalenderjaar 2023, en het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2026 door hem in gebruik wordt genomen.

2.

Tot de bedrijfsmiddelen, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:

3.

De datum van 1 januari 2026, waarvoor de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel dient plaats te vinden, wordt verschoven, indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de ingebruikneming door bijzondere omstandigheden is vertraagd. De verschuiving bedraagt zoveel dagen als door die omstandigheden wordt gerechtvaardigd.

Artikel 14

Voor zover de belastingplichtige ter zake van de aanschaffing of voortbrenging van aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 13 verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in het kalenderjaar 2023 kan eenmalig ten hoogste 50% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten willekeurig worden afgeschreven in het jaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Artikel 15

Voor de toepassing van artikel 3.38 van de wet eindigt de periode waarin het bedrijfsmiddel moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 13 op 31 december 2025. Ingeval met betrekking tot het bedrijfsmiddel artikel 13, derde lid, toepassing vindt, wordt de periode verlengd met het aantal dagen van de verschuiving, bedoeld in artikel 13, derde lid.

Artikel 15a

Vervallen

Artikel 15b

Vervallen

Paragraaf 4. Investeringen op het continentaal plat

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Paragraaf 5. Film

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Artikel 20

Vervallen

Paragraaf 6. Nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 25

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 26

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Paragraaf 4. Investeringen op het continentaal plat

Paragraaf 5. Film

Paragraaf 6. Nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5a
1.

De verklaring van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van de wet, vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de investering.

2.

Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding, bedoeld in de artikelen 2 en 4.

3.

De belastingplichtige overlegt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Infrastructuur en Waterstaat daarom verzoekt, vergunningen, certificaten of andere voor het verstrekken van de verklaring benodigde informatie.

Artikel 5b
1.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan de in artikel 5a bedoelde verklaring intrekken op verzoek van de belastingplichtige, dan wel wijzigen of intrekken indien de door of namens de belastingplichtige verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kunnen geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring.

2.

De bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van een verklaring ingevolge het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

Hoofdstuk 4. Andere aangewezen bedrijfsmiddelen

Paragraaf 1. Investeringen door startende ondernemers

Paragraaf 2. Zeeschepen

Paragraaf 3. Investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.