Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001
Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. minister: de Minister van Klimaat en Groene Groei;
- –. wet: Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 2
Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in de bijlage bij deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in de bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen en de locatie waarop het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen bekend is, en:
- a. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, met uitzondering van onderdeel D, subonderdeel 1.1.E., van die bijlage, voor zover voor die investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, geen subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie is verleend op een aanvraag die na 31 december 2013 is ingediend;
- b. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, onder 1.1.E., van die bijlage, voor zover aan de belastingplichtige voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie is verleend op een aanvraag die tussen 1 januari 2016 en 31 december 2020 is ingediend;
- c. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1 van die bijlage, voor zover voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, geen subsidie op grond van titel 4.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies is verleend;
- d. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1 van die bijlage, voor zover voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, geen subsidie op grond van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse of op grond van de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse is verleend;
- e. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1 van die bijlage, voor zover voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, geen subsidie op grond van titel 5.2 en 5.3 van de Regeling Europese EZ, LVVN- en KGG-subsidies 2021 is verleend.
Artikel 3
De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan:
- a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;
- b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, indien het bedrijfsmiddel of onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het onderdeel.
Indien artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet van toepassing is, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op grond van het eerste lid.
Artikel 4
De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten vindt uitsluitend plaats langs de daartoe door de minister geopende elektronische weg.
De aanmelding wordt gedaan voor aangegane verplichtingen en gemaakte voortbrengingskosten die per melding samen ten minste € 2.500 bedragen.
Artikel 5
De verklaring van de minister, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake.
Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.
De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de minister daarom verzoekt, een berekening van de energiebesparing over.
Artikel 6
De minister kan de in artikel 5 bedoelde verklaring intrekken op verzoek van de belastingplichtige, dan wel wijzigen of intrekken indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die de minister bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring.
De bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van een verklaring ingevolge het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.
Artikel 7
Indien in de bijlage sprake is van meetvoorschriften of tests, of van verklaringen of certificaten, worden bedrijfsmiddelen die getoetst zijn met gelijkwaardige meetvoorschriften of tests, respectievelijk voorzien zijn van gelijkwaardige verklaringen of certificaten, gelijkgesteld met de aangewezen bedrijfsmiddelen. Deze meetvoorschriften, tests, verklaringen of certificaten moeten zijn opgesteld, respectievelijk verstrekt worden door daartoe geaccrediteerde instellingen of instituten.
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001.
Bijlage. behorende bij artikel 2 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001
Artikel 1
Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:
A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken, door:
- De verbetering van de energie-efficiëntie door:
- 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
- 1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 1.2.B. Een toestel voor HR-luchtverwarming voor het verwarmen van binnenruimten van bedrijfsgebouwen (niet zijnde tuinbouwkassen) door middel van een hoog rendement direct gasgestookte luchtverwarmer, die gemeten is conform NEN-EN 778, NEN-EN 1196 en NEN-EN1319, waarbij het deellastrendement ten minste 101% op onderwaarde bedraagt, en bestaande uit: HR-luchtverwarmer met gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) afzonderlijk opgehangen individueel thermostatisch geregelde ventilatorunit voor luchtcirculatie in hallen hoger dan 4 meter, die zorgt dat er een gelijkmatige luchttemperatuur ontstaat.
- 1.2.C.1. Een warmtepomp, waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van ruimten in woningen of bedrijfsgebouwen. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden (jaargemiddeld voor verwarming) te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,53 (c.o.p. ≥ 3,5), en bestaande uit: warmtepomp op basis van een medium dat geen cfk's of hcfk's bevat en die in de winter voornamelijk (> 50%) geregeld wordt op de warmtevraag, (eventueel) bronsysteem bestaande uit een grondwaterbron of een bodemwarmtewisselaar, (eventueel) restwarmteopslagvat.
- 1.2.C.2. Een warmtepompboiler waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van tapwater in woningen of bedrijfsgebouwen. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden (jaargemiddeld voor verwarming) te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,09 (c.o.p. ≥ 2,5), en bestaande uit: warmtepompboiler op basis van een medium dat geen cfk's of hcfk's bevat en die geregeld wordt op de warmtevraag, (eventueel) bronsysteem bestaande uit een grondwaterbron of een bodemwarmtewisselaar.
- 1.2.D. Vermindering van de inzet van energie voor het conditioneren van lucht met behulp van een droog- of bevochtigingrotor voor het drogen of bevochtigen van lucht ten behoeve van klimaatbeheersing in bedrijfsgebouwen door middel van een roterende schijf, die vocht uitwisselt tussen de in- en uitgaande luchtstroom, en bestaande uit: droog- of bevochtigingrotor, aandrijving.
- 1.2.E. Direct gasgestookt stralingspaneel voor het verwarmen van binnenruimten van bedrijfsgebouwen (niet zijnde tuinbouwkassen) door een direct gasgestookt hoogtemperatuur stralingstoestel (infraroodstraler) of een gasgestookte donkere-buis stralingstoestel (donkerstraler), dat gemeten is conform NEN-EN 437 en NEN-EN 419 (infraroodstraler) of NEN-EN 437, NEN-EN 416 en NEN-EN 777 (donkerstraler), waarbij
- de jaar-emissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan:
- 15 ppm bij het stoken op gas van de 2e familie en 18 ppm bij het stoken op gas van de 3e familie voor infraroodstralers, of
- 40 ppm met een belasting t/m 35 kW en 70 ppm met een belasting groter dan 35 kW voor donkerstralers en
- de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan: De jaar-emissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: direct gasgestookte infraroodstraler of gasgestookte donkerstraler.
- 50 ppm bij het stoken op gas van de 2e familie en 60 ppm bij het stoken op gas van de 3e familie voor infraroodstralers, of
- 160 ppm voor donkerstralers.
- 1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
- Vermindering van de warmte- of koellast door:
- 2.1.A. Thermische isolering.
- 2.1.B. HR-glas voor beglazing in buitengevel-, of dakconstructies van bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform EN 673 voor warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating of gasgevulde spouw, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 1,2 W/m2K en met:
- een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van ten minste 70%, of
- een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van ten minste 60% gecombineerd met een zontoetredingscoëfficiënt (ZTAN) van ten hoogste 40%. Exclusief kozijnen of constructie waarin of waarop het glas wordt gemonteerd.
- 2.1.C. Energieschermen voor het verminderen van het warmteverlies in bedrijfsgebouwen aan de binnenzijde van de lichtdoorlatende gebouwschil door het aanbrengen van beweegbare schermen, en bestaande uit: schermdoek dat voor tenminste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2 en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 10%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen.
- 2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen.
- Warmtehergebruik door:
- 3.1.A. Warmteterugwinning.
- 3.2.A. Systemen voor de aanwending van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van de besparingsnorm. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen. Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Verwarmingsnetten waarbij de warmte afkomstig is van nieuw te bouwen elektrisch vermogen worden uitgezonderd van deze regeling.
- Efficiëntere verlichting door:
- 4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
- 4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 4.2.B. Een vlakkeplaatlamp of elektroluminescentieverlichting voor het verlichten of markeren van ruimten of niet-mobiele objecten door middel van elektroluminescentie tape of elektroluminescentie plaat, en bestaande uit: elektroluminescentietape of elektroluminescentieplaat, regelaar, voeding.
- 4.2.C. Daglichtsysteem met spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers voor het optimaal benutten van daglicht in gebouwen door middel van een daglichtsysteem (niet zijnde (kunststof)daglichtkoepels), waarbij het daglicht dieper in de ruimte wordt gebracht via spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers, en bestaande uit: spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers, (eventueel) plafondspiegels.
- 4.2 D. Ruimteverlichting in koel- of vrieshuizen, en bestaande uit:
- centrale lichtbron met een gasontladingslamp geplaatst buiten de gekoelde ruimte met lichtbuizen of lichtkanalen of lichttransporterende kabels naar de gekoelde ruimte, of
- light emitting diodes (LED's) inclusief behuizing en LED-regeling.
- 4.2.E. Noodverlichting in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: light emitting diodes (LED's) inclusief behuizing en LED-regeling.
- 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing van apparatuur of processen door:
- De verbetering van de energie-efficiënte door:
- 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
- 1.1.B. Een verbeterde expansieregeling voor koelinstallaties voor het optimaliseren van installaties voor het koelen van producten, processen of bedrijfsgebouwen, door middel van:
- elektronische expansieregeling, waarbij de expansie van een koelmedium in een koelcircuit elektronisch wordt geregeld, en bestaande uit: sensoren, pulsmodulerend of versterkt-thermisch of magnetisch of met een stappenmotor uitgerust gestuurd expansieventiel of een elektronisch expansieventiel, elektronische regeleenheid, of
- vloeistofonderkoeling voor het expansieventiel, en bestaande uit: aan het expansieventiel gekoppelde warmtewisselaar, of
- het verzorgen van een constante druk van het condensaat bij de ventielinlaat, waardoor een lagere condensordruk mogelijk wordt, en bestaande uit: pomp, drukopnemers, regeleenheid.
- 1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 1.2.B. Een gasgestookt HR-frituurtoestel voor het bereiden van maaltijden door middel van een gasgestookt hoogrendement frituurtoestel, dat gemeten is conform NEN-EN 437, NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het thermisch rendement ten minste 83% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm en de jaar-emissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan: De jaar-emissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: hoogrendement gastoestel, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.
- 40 ppm voor toestellen met een belasting t/m 36 kW op onderwaarde, of
- 1,11 ppm per kW belasting voor toestellen met een belasting tussen 36 kW en 54 kW op onderwaarde, of
- 60 ppm voor toestellen met een belasting groter dan 54 kW op onderwaarde en
- 1.2.C. Hoogrendementmotoren voor het aandrijven van proceswerktuigen, en bestaande uit: asynchrone elektromotoren met een rendement van:
- ten minste 92% bij een vermogen van minder dan 50 kW, of
- ten minste 94% bij een vermogen van 50 tot 100 kW, of
- ten minste 96% bij een vermogen van 100 kW of meer, gemeten volgens de voorschriften van de IEC.
- 1.2.D. Een warmtepomp waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor processen. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden (jaargemiddelde voor verwarming) te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,53 (c.o.p. ≥ 3,5), en bestaande uit: compressiewarmtepomp of absorptiewarmtepomp op basis van een medium dat geen cfk's of hcfk's bevat en die in de winter voornamelijk (> 50%) geregeld wordt op de warmtevraag, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) bronsysteem bestaande uit een grondwaterbron of een bodemwarmtewisselaar, (eventueel) restwarmteopslagvat.
- 1.2.E. Gasgestookte hogedrukreiniger voor het reinigen van oppervlakken met warm water onder hoge druk eventueel met gelijktijdige dosering van reinigingsmiddelen, die gemeten is conform NEN-EN 1196, waarbij het indirect rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van de NOx niet meer bedraagt dan 60 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 160 ppm. De jaaremissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: gasgestookte hogedrukreiniger, (eventueel) standaard spuitlans, (eventueel) standaard hoge-drukslang.
- 1.2.F. CO2/NH3 cascade koelsysteem voor het koelen of vriezen door middel van een CO2/NH3 cascade koelsysteem, waarbij de beide koelsystemen zijn gekoppeld door een cascade koeler (CO2/NH3 warmtewisselaar), en bestaande uit: cascadekoeler (CO2/NH3 warmtewisselaar) en de componenten aan de CO2-zijde te weten: de vloeistofafscheider, koeler, (eventueel) compressor, (eventueel) circulatiepomp, (eventueel) oliewaskolom.
- 1.2.G. Direct gasgestookte condenserende boiler voor de productie van warm tapwater, en bestaande uit een condenserende warm tapwaterboiler, die gemeten is conform NEN-EN 89 en waarbij het rendement tenminste 100% op onderwaarde bedraagt.
- 1.2.H. Gasverwarmde wasdroger voor het drogen van wasgoed, en bestaande uit:
- een wasdroger waarbij de drooglucht direct met gas wordt verwarmd, of
- een wasdroger met een maximale belading van 15 kg, waarbij de drooglucht indirect wordt verwarmd door een gasgestookte installatie.
- 1.2.I. Gasgestookte lagedruk stoomvormer voor het verwarmen van kookketels voor maaltijden, en bestaande uit: gasgestookte lagedruk stoomvormer met een nominale belasting op onderwaarde van maximaal 130 kW.
- 1.2.J. Gasgestookte (stoom)convectieoven voor het bereiden van maaltijden in professionele keukens, die gemeten is conform NEN-EN 437 en NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het indirect rendement ten minste 80% op onderwaarde bedraagt, de jaaremissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan 83,6 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm. De jaar-emissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: een gasgestookte (stoom)convectieoven, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.
- 1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
- Vermindering van de warmte- of koellast door:
- 2.1.A. Thermische isolering.
- Warmtehergebruik door:
- 3.1.A. Warmteterugwinning.
- 3.2.A. Systemen voor de aanwending van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van de besparingsnorm. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen. Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Verwarmingsnetten waarbij de warmte afkomstig is van nieuw te bouwen elektrisch vermogen worden uitgezonderd van deze regeling.
- Efficiëntere verlichting door:
- 4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
- 4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 4.2.B. LED seinlampen of verkeerslichten bij wegen of vaarwegen of spoorwegen, en bestaande uit: light emitting diodes (LED's) inclusief behuizing en LED-regeling, (eventueel) vervanging van de elektronische voeding, exclusief lantaarn, exclusief palen, exclusief verkeersregeling en exclusief aansluiting op het elektriciteitsnet.
- 4.2.C. Geleidingsverlichting of markeringsverlichting voor openbare wegen, en bestaande uit:
- in of naast het wegdek aangebrachte light emitting diodes (LED's), inclusief behuizing, LED-regeling en elektronische voeding, (eventueel) geïntegreerd fotovoltaïsch zonne-energiesysteem en accumulator, (eventueel) laadregelaar voor het energieopslagsysteem, exclusief aansluiting op het elektriciteitsnet, of
- in of naast het wegdek aangebrachte glasvezelverlichting, inclusief gasontladingslamp, behuizing, regeling en elektronische voeding, (eventueel) geïntegreerd fotovoltaïsch zonne-energiesysteem en accumulator, (eventueel) laadregelaar voor het energieopslagsysteem, exclusief aansluiting op het elektriciteitsnet.
- 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
C. Investeringen ten behoeve van het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing door:
Een warmtekrachtinstallatie voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis tenminste 65% bedraagt. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.
D. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij transportmiddelen
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen bij de binnenvaart of bij railgebonden voertuigen door:
- Verbetering van de energie-efficiency door:
- 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
- 1.1.B. Een cruise control voor het minimaliseren van snelheidsfluctuaties van voertuigen voor beroepsvervoer over de weg, en bestaande uit: elektronische regeleenheid, (eventueel) regelmotor.
- 1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 1.3.A. Additionele efficiency verhogende voorzieningen.
- 1.3.B. Een driedimensionale dakspoiler voor het beter geleiden van de rijwind, ter vermindering van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport met een maximum massa beladen voertuig van meer dan 3.500 kg, en bestaande uit: 3-D dakspoiler van kunststof of staalplaat.
- 1.3.C. Een neuskegel of een spoiler intermodaal chassis voor het beter geleiden van de rijwind, ter vermindering van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport met een maximum massa beladen voertuig van meer dan 3.500 kg, en bestaande uit: vast aan de oplegger of het chassis gemonteerde kunststof of metalen 3-D spoiler.
- 1.3.D. Zij-afscherming voor het verminderen van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport door middel van panelen ter afsluiting van de open ruimte aan de zijkant van motorwagens, aanhangers, trekkers en opleggers die tevens voldoen aan de eisen voor de verkeersveiligheid conform EEG-richtlijn 89/297, en bestaande uit: zij-afscherming.
- 1.3.E. Lichtgewicht brandstoftank voor voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport, en bestaande uit: een lichtgewicht brandstoftank van aluminium of kunststof met een inhoud van tenminste 600 liter.
- Vermindering van de warmte- of koellast door:
- 2.1.A. Thermische isolering.
- 2.1.B. Een lichtgewicht aramide koelcontainer bestemd voor het wegvervoer, railvervoer, watervervoer of intermodaal vervoer, en bestaande uit: koelcontainer of opbouw van koelwagens of -opleggers, exclusief het aanwezige koelaggregaat, met aramide zijwanden met een lengte van ten minste 6 meter en met een dikte van het isolatiemateriaal van ten minste 42 mm. Hierbij dienen alle zijwanden ten minste 220 g/m2 aramideweefsel of -legsel te bevatten.
- 2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverlies.
- Warmtehergebruik door
- 3.1.A. Warmteterugwinning.
- Efficiënte verlichting door:
- 4.1.A. Toepassing van automatische meet en regelapparatuur.
- 4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
E. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie
Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van duurzame energie door:
- Zonne-energie door:
- 1.1.A. Conversie naar elektriciteit of warmte (met uitzondering van het gebruik van passieve zonne-energie).
- 1.1.B. Een fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk piekvermogen van ten minste 90 Watt, (eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel) accumulator.
- 1.1.C. Zonnecollectorsysteem bestemd voor het verwarmen van water, en bestaande uit: zonnecollector, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) in het vat geïntegreerde naverwarmer.
- Windenergie door:
- 2.1.A. Een windturbine voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine die - voor zover deze normen daarop van toepassing zijn - is gecertificeerd volgens:
- NEN 6096/2, indien certificatie heeft plaatsgevonden voor 1 april 2000, of
- NVN 11400-0, indien certificatie heeft plaatsgevonden op of na 1 april 2000, mast, (eventueel) netaansluiting, (eventueel) uitsluitend voor plaatsing en onderhoud van de windmolen bestemde ontsluitingsweg.
- Waterkracht door:
- 3.1.A. Conversie naar elektrische of mechanische energie,
- 3.1 B. Een waterkrachtinstallatie bestemd voor het benutten van het verval van waterstromen voor de opwekking van elektrische of mechanische energie, en bestaande uit: waterrad of waterturbine, (eventueel) transmissie, (eventueel) generator, (eventueel) transformator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.
- Benutten of opslaan van omgevingswarmte door:
- 4.1.A. Een aardwarmtewinningssysteem bestemd voor het winnen van warmte uit diepe aardlagen ten behoeve van de verwarming van processen of van gebouwen, en bestaande uit: aardwarmtewinningsinstallatie, aansluiting op verwarmingsnet.
- 4.1.B. Een grondwarmtewisselaar bestemd voor:
- het conditioneren van de temperatuur van lucht voor gebruik in bedrijfsgebouwen of bij processen, met behulp van ondergrondse buizen als warmtewisselaar, en bestaande uit: grondbuizen, ventilatoren, water/lucht-warmtewisselaar, of
- het koelen of verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen of bij processen, met behulp van een in het grondwater liggende warmtewisselaar, en bestaande uit: pomp(en), ondergrondse warmtewisselaar, (eventueel) restwarmteopslagvat.
- het verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen of bij processen met behulp van een in de wegverharding liggende warmtewisselaar, en bestaande uit: pomp(en), ondergrondse warmtewisselaar of warmtevoerende buizen in de wegverharding exclusief de wegverharding zelf, (eventueel) restwarmteopslagvat.
- 4.1.C. Een warmte- of koude-opslag in de bodem (aquifer) bestemd voor het opslaan van warmte of koude in de bodem met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve van het koelen of verwarmen van gebouwen of processen, en bestaande uit: een gesloten systeem met grondwaterbronnen/ putten, die voor onttrekking en injectie worden gebruikt en waarbij de jaarlijkse netto thermische balans van de bodem nagenoeg neutraal is, grondwaterpompen, transportleiding van putten naar applicatievestiging, (eventueel) warmtewisselaar tussen grondwater en gebouwnet.
- Biomassa door:
- 5.1.A. Conversie naar mechanische of elektrische energie, warmte, of gasvormige, vloeibare of vaste energiedragers en waarbij sprake moet zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Onder biomassa wordt hier verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig moeten zijn. Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen: Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen.
- houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;
- stro, bermmaaisel, riet, kippenmest en overige agrarische residuen, exclusief natte drijfmest;
- residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;
- oud papier en karton;
- steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
- specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen daarvan;
- organische residuen uit de voedings-en genotmiddelenmiddelenindustrie, exclusief ongeboren mest.
- 5.1.B. Biomassavergassingsinstallatie, bestemd voor het opwekken van warmte of mechanische of elektrische energie door het vergassen van biomassa. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Wel moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het thermisch vermogen van de installatie moet ten minste 100 kW bedragen en het totaal energetisch rendement van de installatie moet ten minste 30% bedragen. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het netto energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het netto energetisch rendement van de productie van de nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: vergassingsreactor, (eventueel) gasmotor of -turbine, (eventueel) rookgasreinigingsapparatuur, (eventueel) generator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) gasreinigingsapparatuur, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) brander, (eventueel) ketel. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.
- 5.1.C. Een biomassaverbrandingsinstallatie voor het opwekken van warmte en mechanische of elektrische energie door verbranding van biomassa, waarbij de warmte nuttig wordt aangewend. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Wel moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het totaal energetisch rendement van de installatie moet ten minste 40% bedragen. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het netto energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het netto energetisch rendement van de productie van de nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: verbrandingsinstallatie, ketel, (eventueel) voorbewerkingsapparatuur, (eventueel) stoomexpansieturbine, (eventueel) rookgasreinigingsapparatuur, (eventueel) generator (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.
- 5.1.D. Een biomassaverbrandingsinstallatie voor het opwekken van warmte door verbranding van biomassa, waarbij de warmte nuttig wordt aangewend. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Wel moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het totaal energetisch rendement van de installatie moet tenminste 75% bedragen, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: verbrandingsinstallatie, ketel, (eventueel) voorbewerkingsapparatuur, (eventueel) rookgas-reinigingsapparatuur. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.
- 5.1.E. Een stortgaswinningsinstallatie voor het onttrekken van (stort)gas uit gestort afval en het nuttig aanwenden van de daarin aanwezige energie met een totaal energetisch rendement van ten minste 50%. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het netto energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het netto energetisch rendement van de productie van de nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: stortgasonttrekkingssysteem, gasbehandelingsapparatuur, (eventueel) compressor, (eventueel) gasmotor, (eventueel) generator met of zonder aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) warmtewisselaar.
- 5.1.F. Een biogasbenuttingsinstallatie voor het omzetten van biogas, afkomstig van anaërobe vergisting, in mechanische of elektrische energie of warmte. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Wel moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het totaal energetisch rendement van de installatie moet ten minste 50% bedragen. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het netto energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het netto energetisch rendement van de productie van de nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: (eventueel) gasbehandelingsapparatuur, (eventueel) compressor, (eventueel) gasmotor, (eventueel) generator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) ketel, (eventueel) warmtewisselaar.
- 5.1.G. Een anaërobe-vergistingsinstallatie voor het anaëroob vergisten van organische reststromen of mest en het daarbij opwekken van warmte en mechanische of elektrische energie, waarbij een deel van de niet in mechanische of elektrische energie omgezette warmte nuttig wordt aangewend. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Wel moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het totaal energetisch rendement van de installatie moet ten minste 35% bedragen. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het netto energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het netto energetisch rendement van de productie van de nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: reactor, menger, biogashouder, warmtewisselaar, silo, biogasbehandelingsapparatuur, (eventueel) compressor, (eventueel) gasmotor, (eventueel) generator.
- 5.1.H. Een biomassavoorbewerkingsinstallatie voor het voorbewerken en opslaan van biomassa tot direct inzetbare brandstof, door middel van opslag en drogen of verkleinen of pelletteren of briketteren. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Wel moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct, en bestaande uit: ontvangstinstallatie, opslagsilo's, droogapparatuur, of verkleiningsapparatuur, of pelletteerapparatuur, of briketteerapparatuur, (eventueel) transportschroeven of -banden. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.
- 5.1.I. Biomassavergassingsinstallatie voor het produceren van biogas door het vergassen van biomassa en het biogas opwaarderen tot aardgasnetkwaliteit en waarbij het gas in het aardgasnet wordt gebracht. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Wel moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het cold-gas rendement van de installatie moet ten minste 60% bedragen. Het cold-gas rendement wordt berekend door de onderste verbrandingswaarde van het geleverde gas van aardgasnetkwaliteit samen met de nuttig aangewende warmte, te delen door de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: vergassingsreactor, voorziening die het geproduceerde biogas opwaardeert tot aardgasnetkwaliteit, (eventueel) rookgasreinigingsapparatuur, (eventueel) gasreinigingsapparatuur. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.
- 5.1.J. Pyrolyse-installatie voor het onder zuurstofarme of -loze omstandigheden verwerken van biomassa door middel van thermische ontleding, waarbij de vrijkomende vaste, vloeibare of gasvormige reactieproducten worden aangewend als brandstof voor energieopwekking of als grondstof en daarbij fossiele energiedragers verdringen, en bestaande uit: pyrolysereactor, (eventueel) voorbewerkingsapparatuur, (eventueel) gasreinigingssysteem, (eventueel) rookgasreinigingsinstallatie. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.
- 5.1.K. Biogasopwaardeerinstallatie voor het produceren van gas van aardgasnetkwaliteit, waarbij uitsluitend uit biomassa verkregen gassen als energie-input mogen dienen, en bestaande uit: voorziening die geproduceerde biogas opwaardeert naar gas van aardgasnetkwaliteit, (eventueel) gasreinigingsapparatuur, (eventueel) compressor. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.
- 5.1.L. Bio-oliemotor voor het opwekken van warmte en mechanische of elektrische energie door het benutten van de energie-inhoud van uit biomassa verkregen secundaire vloeibare energiedragers. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Wel moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het totaal energetisch rendement van de installatie moet ten minste 40% bedragen. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het netto energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het netto energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: stationaire motor, generator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet (eventueel) warmtewisselaar. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.
- 5.1.M. Stortgaswinningsinstallatie voor het onttrekken van (stort)gas uit gestort afval, waarbij het stortgas wordt opgewaardeerd naar gas van aardgasnetkwaliteit en in het aardgasnet wordt gebracht, en bestaande uit: stortgasonttrekkingssysteem, gasbehandelingsapparatuur, voorziening die het stortgas opwaardeert naar gas van aardgasnetkwaliteit, (eventueel) compressor.
F. Energie-advies
Een energie-advies ter verbetering van de energie-efficiency van objecten door middel van een verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen, en bestaande uit: een rapportage waarin de mogelijkheden om maatregelen te treffen ter verbetering van de energie-efficiency zijn vastgelegd. Deze rapportage bevat in ieder geval:
- Beschrijving van het object;
- Een overzicht van de totale energiehuishouding van het bestaande totale object;
- Een energiebalans van de relevante onderdelen van het bestaande totale object;
- Een overzicht van de mogelijkheden en de kwantificering tot energiebesparing;
- Een overzicht van de noodzakelijke organisatorische en administratieve aanpassingen;
- Een raming van de te verwachten investeringskosten en de te verwachten baten. Voor afnemers met een energiegebruik van meer dan 25.000 m3 aardgas (of aardgasequivalent) of 50.000 kWh elektriciteit per jaar gelden de volgende aanvullende eisen:
- Inzicht in alle maatregelen met een terugverdientijd tot en met vijf jaar;
- Van de energiebalans dient 90% van het totale energiegebruik te worden gespecificeerd, tenzij daar gemotiveerd van afgeweken kan worden;
- Helder en eenvoudig plan voor het uitvoeren van de energiebesparende maatregelen.
D. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie
D. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie
Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van:
Artikel 3
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij processen door:
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij processen
De energiebesparing moet gebaseerd zijn op dezelfde rij- of vaarroute, waarbij wordt uitgegaan van dezelfde goederen en van een maximale belading.
Op een transportmiddel geplaatste bedrijfsmiddelen, die worden ingezet voor productiewerkzaamheden, moeten voldoen aan de vereisten genoemd in artikel 1, onderdeel B, voor investeringen ten behoeve van processen.
Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van:
Technische voorzieningen die er toe strekken energie te besparen door balanceren van energie in de energie infrastructuur, door:
Technische voorzieningen die bijdragen aan een toekomstbestendige energievoorziening of CO2-emissiereductie, door:
Voor het berekenen van de terugverdientijd door de energiebesparing bij nieuwe bedrijfsgebouwen of processen of in of aan nieuwe transportmiddelen geldt de volgende formule:
Onder de investering vallen alle kosten die noodzakelijk zijn om het bedrijfsmiddel in gebruik te nemen, met uitzondering van financieringskosten.
De energieprijs dient te worden vastgesteld door gebruikmaking van onderstaande gegevens voor aardgas, elektriciteit en diesel. Indien wordt bespaard op een andere energiedrager, dan dient de in de markt gangbare prijs voor die energiedrager te worden gebruikt.
Technische voorzieningen die bijdragen aan een toekomstbestendige energievoorziening of CO2-emissiereductie, door:
Verder moet het plan aan de volgende voorwaarden voldoen:
Voor investeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel A, onder 5, in de energieprestatieverbetering van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op het moment van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen, waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd in artikel 1, onderdeel A, onder 5, moeten zijn aangegaan.
Artikel 3
Onder de investering vallen alle kosten die noodzakelijk zijn om het bedrijfsmiddel in gebruik te nemen, met uitzondering van financieringskosten.
De energieprijs dient te worden vastgesteld door gebruikmaking van onderstaande gegevens voor aardgas, elektriciteit en diesel. Indien wordt bespaard op een andere energiedrager, dan dient de in de markt gangbare prijs voor die energiedrager te worden gebruikt.
Onder de investering vallen alle kosten die noodzakelijk zijn om het bedrijfsmiddel in gebruik te nemen, met uitzondering van financieringskosten.
De energieprijs dient te worden vastgesteld door gebruikmaking van onderstaande gegevens voor aardgas, elektriciteit en diesel. Indien wordt bespaard op een andere energiedrager, dan dient de in de markt gangbare prijs voor die energiedrager te worden gebruikt.
Artikel 4
De energieprijs dient te worden vastgesteld door gebruikmaking van onderstaande gegevens voor aardgas, elektriciteit en diesel. Indien wordt bespaard op een andere energiedrager, dan dient de in de markt gangbare prijs voor die energiedrager te worden gebruikt.
Voor investeringen bedoeld in artikel 1, onderdeel A, onder 5, van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op het moment van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen, waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd in artikel 1, onderdeel A, onder 5, moeten zijn aangegaan.
Voor wegtransport: € 1,16 per liter
Voor investeringen bedoeld in artikel 1, onderdeel A, onder 5, van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op het moment van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen, waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd in artikel 1, onderdeel A, onder 5, moeten zijn aangegaan.
2.1.D. Isolatie voor bestaande constructies in bedrijfsgebouwen door verbetering van de isolatie van bestaande vloeren, daken, plafonds of wanden van ruimten, en bestaande uit:
Voor investeringen bedoeld in artikel 1, onderdeel A, onder 5, van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op het moment van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen, waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd in artikel 1, onderdeel A, onder 5, moeten zijn aangegaan.
Het maximum bedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 20/m2 te isoleren oppervlak. De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997).
2.1.E Isolatie van koel- of vriesruimten door isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R=Σ(Rm) = Σ(d/λ);
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen
De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997).
1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:
Warmtehergebruik door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
3.1.B. Warmtewisselaar voor warmteterugwinning in tuinbouwkassen, voor het afwisselend onttrekken en toevoeren van warmte, waarbij de overtollige warmte tijdelijk wordt opgeslagen om op momenten van warmtebehoefte weer ingezet te worden, en bestaande uit: warmtewisselaar met geïntegreerde toerengeregelde ventilator, pomp, (eventueel) dagbuffer.
3.2.A. Systeem voor het uitkoppelen bij de bron en primair transport van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van het besparingskental. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen in het uitkoppelen en primair transport van afvalwarmte.
Secundair transport (distributie) van afvalwarmte in stadswijken en verwarmingsnetten zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.
Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Warmte afkomstig van nieuw te bouwen elektrisch vermogen is geen afvalwarmte.
3.2.B. Warmtebuffersysteem bestemd voor het opslaan van restwarmte vrijkomend bij warmteopwekking in tuinbouwkassen voor lichte stookteelt en bestaande uit: opslagtank of opslagzak. Bij lichte stookteelt is de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur van de stooklijn in de maand januari lager dan 17 °C.
Efficiënte verlichting door:
4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
4.2.B. Daglichtsysteem met spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers voor het optimaal benutten van daglicht in bedrijfsgebouwen door een daglichtsysteem (niet zijnde (kunststof) daglichtkoepels), waarbij het daglicht dieper in de ruimte wordt gebracht, en bestaande uit: buitenlichtkoepel, spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers, (eventueel) actief zonvolgsysteem met roterende spiegel, (eventueel) lichtdiffusor, (eventueel) plafondspiegels.
4.2.C. Vluchtwegsignalering voor verlichte vluchtrouteaanduiding in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: armaturen welke voorzien zijn van met tritiumgas gevulde buisjes.
4.2.D. Energie-efficiënt verlichtingssysteem voor:
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
1.2.E. Gasgestookte hogedrukreiniger voor het reinigen van oppervlakken met warm water onder hoge druk eventueel met gelijktijdige dosering van reinigingsmiddelen, die gemeten is conform NEN-EN 1196, waarbij het indirect rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van de NOx niet meer bedraagt dan 60 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 160 ppm. De jaaremissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: gasgestookte hogedrukreiniger, (eventueel) standaard spuitlans, (eventueel) standaard hoge-drukslang.
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen door:
De verbetering van de energie-efficiëntie door:
1.1.A. Toepassing van meet- en regelapparatuur.
1.1.B. Energie of aardgas tussenmeter voor het onderbemeteren van het energieverbruik van productieprocessen of bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: tussenmeter voor het onderbemeteren van het verbruik op aardgas of elektriciteit of warmte of stoom of perslucht, (eventueel) puls- of busuitgang op de meter. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt per meter EUR 3.000.
1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
1.2.B. Gasgestookt HR-frituurtoestel voor het bereiden van maaltijden, dat gemeten is conform NEN-EN 437, NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het thermisch rendement ten minste 83% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm en de jaar-emissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan:
De jaar-emissiewaarden van NOX en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: hoogrendement gastoestel, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.
2. Vermindering van de warmte- of koellast door:
asynchrone elektromotoren:
3. Warmtehergebruik door:
1.2.E. Gasgestookte hogedrukreiniger voor het reinigen van oppervlakken met warm water onder hoge druk eventueel met gelijktijdige dosering van reinigingsmiddelen, die gemeten is conform NEN-EN 1196, waarbij het indirect rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van de NOx niet meer bedraagt dan 60 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 160 ppm. De jaaremissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: gasgestookte hogedrukreiniger, (eventueel) standaard spuitlans, (eventueel) standaard hoge-drukslang.
1.2.F. Direct gasgestookte condenserende boiler voor de productie van warm tapwater, en bestaande uit: een condenserende warm tapwaterboiler, die gemeten is conform NEN-EN 89 en waarbij het rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt.
1.2.G. Gasverwarmde wasdroger voor het drogen van wasgoed, en bestaande uit:
4. Efficiënte verlichting door:
1.2.I. Gasgestookte (stoom)convectieoven voor het bereiden van maaltijden, die gemeten is conform NEN-EN 437 en NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het indirect rendement ten minste 80% op onderwaarde bedraagt, de jaaremissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan 83,6 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm. De jaar-emissiewaarde van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: gasgestookte (stoom)convectieoven, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.
1.2.J. Energiezuinige koel- of vriesinstallatie voor het koelen of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 12 °C, en bestaande uit: tenminste één frequentiegeregelde compressor of één digitaal geregelde scrollcompressor, (natte)condensor ontworpen op maximaal 10 K temperatuurverschil tussen condensatie- en buitenluchttemperatuur met een specifiek ventilatorvermogen van de condensor van maximaal 25 W per kW condensorvermogen, bepaald conform NEN-EN 327 (luchtgekoelde condensor) of NEN-EN 15218 (verdampingscondensor), weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot + 13 °C buitentemperatuur, elektronische expansieregeling bij een direct expansiesysteem, verdamper exclusief koelmeubel of koeltunnel.
Voor Energie-investeringsaftrek komt in aanmerking:
1.2.K. Energiezuinige professionele koel- of vrieskast met een maximale netto inhoud van 1000 liter voor:
C. Investeringen ten behoeve van het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.
D. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij transportmiddelen
1.2.M. Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch vermogen tot 150 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 65% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 600 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen. Een warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor met een nominaal elektrisch vermogen groter dan 150 MWe komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.
1. Verbetering van de energie-efficiëntie door:
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.
Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.
1.2.N. Brandstofcel voor het gelijktijding opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande uit brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.
1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
Vermindering van de warmte- of koellast door:
2.1.A. Thermische isolering.
2. Vermindering van de warmte- of koellast door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
3.2.A. Systeem voor het uitkoppelen bij de bron en primair transport van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van het besparingskental. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen in het uitkoppelen en primair transport van afvalwarmte.
Secundair transport (distributie) van afvalwarmte in stadswijken en verwarmingsnetten zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.
3. Warmtehergebruik door:
Efficiënte verlichting door:
4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
2.1.B. Lichtgewicht aramide koelcontainer voor het wegvervoer, railvervoer, watervervoer of intermodaal vervoer, en bestaande uit: koelcontainer of opbouw van koelwagens of -opleggers, exclusief het aanwezige koelaggregaat, met aramide zijwanden met een lengte van ten minste 6 meter en met een dikte van het isolatiemateriaal van ten minste 42 mm. Hierbij dienen alle zijwanden ten minste 220 g/m2 aramideweefsel of -legsel te bevatten.
E. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie
Verbetering van de energie-efficiëntie door:
1. Zonne-energie door:
1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
1.2.B. Wielnaafmotoren voor het aandrijven van de wielen van een voertuig, en bestaande uit:
elektromotoren met permanente magneten en motorcontroller die in de wielnaaf zijn geïntegreerd, oplaadbare accu’s ten behoeve van de voeding van de motoren.
1.2.C. Energiezuinige scheepsmotor voor het voortstuwen van een bestaand binnenvaartschip, en bestaande uit een dieselmotor met een nominaal vermogen van ten minste 250 kW, waarvan het brandstofverbruik minder bedraagt dan 198 g/kWh, gemeten volgens norm NEN-ISO 3046 -1:2002. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 125 per kW nominaal vermogen.
E. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie
1.3.B. Kopschot windscherm of spoiler intermodaal chassis voor het beter geleiden van de rijwind, ter vermindering van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport met een maximum massa beladen voertuig van meer dan 3.500 kg, en bestaande uit: vast aan de oplegger of het chassis gemonteerde kunststof of metalen 3-D spoiler.
1.3.C. Zij-afscherming voor het verminderen van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport door middel van panelen ter afsluiting van de open ruimte aan de zijkant van motorwagens, aanhangers, trekkers en opleggers die tevens voldoen aan de eisen voor de verkeersveiligheid conform EEG-richtlijn 89/297, en bestaande uit: zijafscherming.
Vermindering van de warmte- of koellast door:
2.1.A. Thermische isolering.
2.1.B. Lichtgewicht aramide koelcontainer voor het wegvervoer, railvervoer, watervervoer of intermodaal vervoer, en bestaande uit: koelcontainer of opbouw van koelwagens of -opleggers, exclusief het aanwezige koelaggregaat, met aramide zijwanden met een lengte van ten minste 6 meter en met een dikte van het isolatiemateriaal van ten minste 42 mm. Hierbij dienen alle zijwanden ten minste 220 g/m2 aramideweefsel of -legsel te bevatten.
2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverlies.
3. Waterkracht door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
Efficiënte verlichting door:
4. Benutten of opslaan van omgevingswarmte door:
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.
5. Biomassa door:
Zonne-energie door:
1.1.A. Conversie naar elektriciteit of warmte (met uitzondering van het gebruik van passieve zonne-energie).
1.1.B. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk piekvermogen van ten minste 90 Watt, (eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel) accumulator. Het investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt maximaal EUR 3000/kW piekvermogen.
1.1.C. Zonnecollectorsysteem voor het verwarmen van water of lucht, en bestaande uit: zonnecollector, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) in het vat geïntegreerde naverwarmer, (eventueel) in luchtverwarmer geïntegreerde fotovoltaïsche zonnecellen.
Windenergie door:
2.1.A. Windturbine met een nominaal vermogen > 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, mast, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) uitsluitend voor plaatsing en onderhoud van de windmolen bestemde ontsluitingsweg.
Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt voor windturbines die:
Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.
2.1.B. Windturbine met een nominaal vermogen ≤ 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, (eventueel) mast, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.
Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 3000/kW;
Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.
Waterkracht door:
3.1.A. Conversie naar elektrische of mechanische energie,
3.1 B. Waterkrachtinstallatie voor het benutten van waterstroming of het verval van waterstromen voor de opwekking van elektrische of mechanische energie, en bestaande uit: waterrad of waterturbine, (eventueel) transmissie, (eventueel) generator, (eventueel) transformator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.
Benutten of opslaan van omgevingswarmte door:
4.1.A. Aardwarmtewinningssysteem voor het winnen van warmte uit diepe aardlagen ten behoeve van de verwarming van processen of van gebouwen, en bestaande uit:
aardwarmtewinningsinstallatie, aansluiting op verwarmingsnet.
4.1.B. Grondwarmtewisselaar voor:
4.1.C. Warmte- of koude-opslag in de bodem (aquifer) voor het opslaan van warmte of koude in de bodem met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve van het koelen of verwarmen van gebouwen of processen, en bestaande uit: een gesloten systeem met grondwaterbronnen/putten, die voor onttrekking en injectie worden gebruikt en waarbij de jaarlijkse netto thermische balans van de bodem nagenoeg neutraal is, grondwaterpompen, transportleiding van putten naar applicatievestiging, (eventueel) warmtewisselaar tussen grondwater en gebouwnet.
Benutten van warmte of kracht uit biomassa door:
5.1.A. Warmtekrachtinstallatie gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 60% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) primair warmtetransportsysteem exclusief verwarmingsnetten in bouwwerken en warmtedistributienetten in woonwijken.
Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.
F. Energie-advies
Onder biomassa wordt hier verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen.
Artikel 3
Artikel 3
Onder het warmterendement wordt verstaan het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.
Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.
Artikel 4
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of aan transportmiddelen. Onder transportmiddelen wordt verstaan: voertuigen voor het vervoer over de weg, voertuigen voor intern transport, vaartuigen en railgebonden voertuigen. Deze voorzieningen moeten er toe leiden dat het transportmiddel zelf energie-efficiënter wordt. Technische voorzieningen die het transportmiddel zelf niet energie-efficiënter maken, maar indirect energie besparen zijn uitgesloten voor energie-investeringsaftrek.
Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van:
Verder moet het plan aan de volgende voorwaarden voldoen:
Voor investeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel A, onder 5, in de energieprestatieverbetering van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op het moment van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen, waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd in artikel 1, onderdeel A, onder 5, moeten zijn aangegaan.
Bij een scheiding tussen twee gekoelde ruimten is de zwaarste warmteweerstandseis van toepassing.
2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen.
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen
1.2.C. Hoogrendementmotoren voor het aandrijven van proceswerktuigen, en bestaande uit:
1.2.D. Warmtepomp waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor processen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepomp met een COP ≥ 3,6 gemeten onder normale bedrijfsomstandigheden of een absorptiewarmtepomp. Bij een direct gasgestookte (absorptie)warmtepomp dient de gas utilization efficiency ≥ 1,4 te zijn, gemeten onder normale bedrijfsomstandigheden, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.
1.2.H. Gasgestookte lagedruk stoomvormer voor het verwarmen van kookketels voor maaltijden, en bestaande uit: gasgestookte lagedruk stoomvormer met een nominale belasting op onderwaarde van maximaal 130 kW.
C. Investeringen ten behoeve van het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
1.2.L. Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 70% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 350 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.
D. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij transportmiddelen
Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.
Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.
Warmtehergebruik door:
Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Warmte afkomstig van nieuw te bouwen elektrisch vermogen is geen afvalwarmte.
E. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie
Technische voorzieningen in of aan voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen bij de binnenvaart of bij railgebonden voertuigen ten behoeve van energiebesparing:
1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
Warmtehergebruik door:
4.1.A. Toepassing van automatische meet en regelapparatuur.
Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van duurzame energie door:
F. Energie-advies
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.
Artikel 2
5.1.B. Ketel gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor het verwarmen van gebouwen of processen onder de voorwaarde dat het warmterendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 80% bedraagt, en bestaande uit: ketel, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) primair warmtetransportsysteem exclusief verwarmingsnetten in bouwwerken en warmtedistributienetten in woonwijken.
Artikel 4
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen
C. Investeringen ten behoeve van het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
D. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij transportmiddelen
Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen:
5.1.C. Opwaarderen van uit biomassa verkregen gasvormige energiedragers naar aardgaskwaliteit, en bestaande uit: biogasopwaardeerapparatuur, aansluiting op het aardgasnet, (eventueel) compressor.
Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.
5.1.D. Conversie naar vloeibare of gasvormige of vaste energiedragers uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa, waarbij de energiedrager wordt gebruikt voor het opwekken van warmte of kracht of als transportbrandstof door: pyrolyse of vergassing of torrefactie of thermische ontleding of chemische ontleding of enzymatische ontleding, en bestaande uit: reactor waarin één van de hiervoor genoemde processen plaatsvindt. Nabehandelingsapparatuur voor het verder verwerken van de reactorproducten en op- en overslagvoorzieningen komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.
Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.
Voorbeelden van organische reststoffen zijn: melasse, aardappelschillen, bietenpuntjes, gebruikte plantaardige of dierlijke oliën of vetten, slachtafval, glycerine dat als restproduct is vrijgekomen.
Een energie-advies ter verbetering van de energie-efficiency van objecten door middel van een verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen, en bestaande uit:
F. Energie-advies
Dit EPA-maatwerkadviesrapport bevat ten minste de volgende gegevens:
Artikel 2
Als referentie voor de berekening van de energiebesparing dient bij bestaande bouwwerken, bestaande processen en bestaande transportmiddelen het historisch energiegebruik. Bij nieuwe processen, nieuwe bouwwerken en nieuwe transportmiddelen dient het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij (soortgelijke) nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie.
De bovenstaande systematiek is ook van toepassing indien een besparing plaatsvindt op de fossiele brandstoffen, aardgas, aardolie of steenkool die als grondstof worden ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.
Ook geldt dit indien wordt bespaard op waterstof die als grondstof, secundaire hulpstof of brandstof wordt ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.
De systematiek is daarnaast ook van toepassing indien een besparing op fossiele brandstoffen plaatsvindt door vloeibare- of gasvormige zuurstof of vloeibare- of gasvormige stikstof of vloeibare CO2 die als hulpstof worden ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.
Bij de berekening van de energiebesparing wordt de besparing door verlaging van het primaire energiegebruik per eenheid product door toepassing van groeibevorderende stoffen of groeibevorderende voorzieningen voor levende organismen buiten beschouwing gelaten.
Ten aanzien van de investeringen omschreven onder D moeten deze voorzieningen er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door voor ten minste 70% van de energie-inhoud gebruik te maken van duurzame energie. Onder duurzame energie valt: zonne-energie, windenergie, waterkracht, het benutten of opslaan van omgevingswarmte en biomassa.
Voor investeringen, die naar aard, toepassing en gebruik overeenkomen met een nader omschreven investering, zijn de eisen die worden gesteld aan zo’n nader omschreven investering eveneens van toepassing.
Dit geldt voor:
A.1.2.B tot en met A.1.2.K; A.2.1.B tot en met A.2.1.E; A.3.1.B; A.3.2.B.; A.4.2.B tot en met A.4.2.D;
B.1.1.B.;B.1.2.B tot en met B.1.2.N;
C.1.2.B; C.1.2.C; C.1.3.B; C.1.3.C; C.2.1.B;
D.1.1.B; D.1.1.C; D.2.1.A; D.2.1.B; D.3.1.B; D.4.1.A tot en met D.4.1.C; D.5.1.A tot en met D.5.1.D.
Indien bij deze nader omschreven investeringen de omschrijving zich beperkt tot de bestaande situatie, zijn deze investeringen die geen betrekking hebben op de bestaande situatie, uitgesloten van energie-investeringsaftrek.
Met betrekking tot investeringen nader omschreven onder A.2.1.C en A.3.2 .B zijn voorzieningen die (mede) worden toegepast in tuinbouwkassen voor zware stookteelt uitgesloten van deze regeling. De uitsluiting geldt niet voor investeringen nader omschreven onder A.1.2.B., A.2.1.C.b., A.2.1.C.c., A.3.1.B., D.5.1.A en D.5.1.B.
Met betrekking tot investeringen nader omschreven onder A.2.1.C en A.3.2 .B zijn voorzieningen die (mede) worden toegepast in tuinbouwkassen voor zware stookteelt uitgesloten van deze regeling. De uitsluiting geldt niet voor investeringen nader omschreven onder A.1.2.B., A.2.1.C.b., A.2.1.C.c. en A.3.2.C.
Artikel 3
Hierbij wordt X berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/Nm3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/Nm3 .
Hierbij wordt X berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/Nm3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/Nm3.
Artikel 4
Bij een gecombineerd energie-milieuadvies wordt 50% van de totale advieskosten toegerekend aan het energie-advies.
Bij de berekening van de energiebesparing per geïnvesteerde euro voor investeringen als bedoeld in artikel 2, blijven bij het geïnvesteerde bedrag de kosten van het energie-advies buiten beschouwing.
Een object is een bestaand totaal bedrijfsgebouw of een bestaand totaal proces dat apart bemeterd is voor energiedragers.
Een object is een bestaand totaal bedrijfsgebouw of een bestaand totaal proces dat apart bemeterd is voor energiedragers.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen
C. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij transportmiddelen
D. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie
E. Energie-advies of een maatwerkadvies zoals dit is vastgelegd in ISSO 75.2.
Het maatwerkadvies zoals dat neergelegd is in ISSO 75.2 is afgestemd op de BRL9500 deel 4 EPA-maatwerkadvies voor bestaande utiliteitsgebouwen.
Artikel 3
Bij de berekening van de besparing gelden de volgende omrekenfactoren:
Artikel 4
De voorwaarden als bedoeld in artikel 3.42, vijfde lid, van de wet waaronder de kosten van een daar bedoeld advies inzake energiebesparende maatregelen kunnen worden begrepen onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een energie-investering, zijn:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
C. Investeringen in of aan transportmiddelen ten behoeve van energiebesparing
Artikel 2
E. Investeringen ten behoeve van balanceren van energie in de energie-infrastructuur
F. Investeringen ten behoeve van energietransitie en CO2-emissiereductie
Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 2
Artikel 5
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
F. Investeringen ten behoeve van energietransitie en CO2-emissiereductie
Artikel 4
Artikel 3
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5
Artikel 4
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 4
Artikel 5
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 4
Artikel 5
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, door:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)