Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001
Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. minister: de Minister van Klimaat en Groene Groei;
- –. wet: Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 2
Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in de bijlage bij deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in de bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen en de locatie waarop het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen bekend is, en:
- a. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, met uitzondering van onderdeel D, subonderdeel 1.1.E., van die bijlage, voor zover voor die investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, geen subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie is verleend op een aanvraag die na 31 december 2013 is ingediend;
- b. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, onder 1.1.E., van die bijlage, voor zover aan de belastingplichtige voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie is verleend op een aanvraag die tussen 1 januari 2016 en 31 december 2020 is ingediend;
- c. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1 van die bijlage, voor zover voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, geen subsidie op grond van titel 4.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies is verleend;
- d. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1 van die bijlage, voor zover voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, geen subsidie op grond van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse of op grond van de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse is verleend;
- e. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1 van die bijlage, voor zover voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, geen subsidie op grond van titel 5.2 en 5.3 van de Regeling Europese EZ, LVVN- en KGG-subsidies 2021 is verleend.
Artikel 3
De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan:
- a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;
- b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, indien het bedrijfsmiddel of onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het onderdeel.
Indien artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet van toepassing is, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op grond van het eerste lid.
Artikel 4
De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten vindt uitsluitend plaats langs de daartoe door de minister geopende elektronische weg.
De aanmelding wordt gedaan voor aangegane verplichtingen en gemaakte voortbrengingskosten die per melding samen ten minste € 2.500 bedragen.
Artikel 5
De verklaring van de minister, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake.
Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.
De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de minister daarom verzoekt, een berekening van de energiebesparing over.
Artikel 6
De minister kan de in artikel 5 bedoelde verklaring intrekken op verzoek van de belastingplichtige, dan wel wijzigen of intrekken indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die de minister bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring.
De bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van een verklaring ingevolge het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.
Artikel 7
Indien in de bijlage sprake is van meetvoorschriften of tests, of van verklaringen of certificaten, worden bedrijfsmiddelen die getoetst zijn met gelijkwaardige meetvoorschriften of tests, respectievelijk voorzien zijn van gelijkwaardige verklaringen of certificaten, gelijkgesteld met de aangewezen bedrijfsmiddelen. Deze meetvoorschriften, tests, verklaringen of certificaten moeten zijn opgesteld, respectievelijk verstrekt worden door daartoe geaccrediteerde instellingen of instituten.
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001.
Bijlage. behorende bij artikel 2 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001
Artikel 1
Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:
A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken, door:
- De verbetering van de energie-efficiëntie door:
- 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
- 1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 1.2.B. Een toestel voor HR-luchtverwarming voor het verwarmen van binnenruimten van bedrijfsgebouwen (niet zijnde tuinbouwkassen) door middel van een hoog rendement direct gasgestookte luchtverwarmer, die gemeten is conform NEN-EN 778, NEN-EN 1196 en NEN-EN1319, waarbij het deellastrendement ten minste 101% op onderwaarde bedraagt, en bestaande uit: HR-luchtverwarmer met gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) afzonderlijk opgehangen individueel thermostatisch geregelde ventilatorunit voor luchtcirculatie in hallen hoger dan 4 meter, die zorgt dat er een gelijkmatige luchttemperatuur ontstaat.
- 1.2.C.1. Een warmtepomp, waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van ruimten in woningen of bedrijfsgebouwen. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden (jaargemiddeld voor verwarming) te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,53 (c.o.p. ≥ 3,5), en bestaande uit: warmtepomp op basis van een medium dat geen cfk's of hcfk's bevat en die in de winter voornamelijk (> 50%) geregeld wordt op de warmtevraag, (eventueel) bronsysteem bestaande uit een grondwaterbron of een bodemwarmtewisselaar, (eventueel) restwarmteopslagvat.
- 1.2.C.2. Een warmtepompboiler waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van tapwater in woningen of bedrijfsgebouwen. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden (jaargemiddeld voor verwarming) te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,09 (c.o.p. ≥ 2,5), en bestaande uit: warmtepompboiler op basis van een medium dat geen cfk's of hcfk's bevat en die geregeld wordt op de warmtevraag, (eventueel) bronsysteem bestaande uit een grondwaterbron of een bodemwarmtewisselaar.
- 1.2.D. Vermindering van de inzet van energie voor het conditioneren van lucht met behulp van een droog- of bevochtigingrotor voor het drogen of bevochtigen van lucht ten behoeve van klimaatbeheersing in bedrijfsgebouwen door middel van een roterende schijf, die vocht uitwisselt tussen de in- en uitgaande luchtstroom, en bestaande uit: droog- of bevochtigingrotor, aandrijving.
- 1.2.E. Direct gasgestookt stralingspaneel voor het verwarmen van binnenruimten van bedrijfsgebouwen (niet zijnde tuinbouwkassen) door een direct gasgestookt hoogtemperatuur stralingstoestel (infraroodstraler) of een gasgestookte donkere-buis stralingstoestel (donkerstraler), dat gemeten is conform NEN-EN 437 en NEN-EN 419 (infraroodstraler) of NEN-EN 437, NEN-EN 416 en NEN-EN 777 (donkerstraler), waarbij
- de jaar-emissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan:
- 15 ppm bij het stoken op gas van de 2e familie en 18 ppm bij het stoken op gas van de 3e familie voor infraroodstralers, of
- 40 ppm met een belasting t/m 35 kW en 70 ppm met een belasting groter dan 35 kW voor donkerstralers en
- de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan: De jaar-emissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: direct gasgestookte infraroodstraler of gasgestookte donkerstraler.
- 50 ppm bij het stoken op gas van de 2e familie en 60 ppm bij het stoken op gas van de 3e familie voor infraroodstralers, of
- 160 ppm voor donkerstralers.
- 1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
- Vermindering van de warmte- of koellast door:
- 2.1.A. Thermische isolering.
- 2.1.B. HR-glas voor beglazing in buitengevel-, of dakconstructies van bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform EN 673 voor warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating of gasgevulde spouw, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 1,2 W/m2K en met:
- een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van ten minste 70%, of
- een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van ten minste 60% gecombineerd met een zontoetredingscoëfficiënt (ZTAN) van ten hoogste 40%. Exclusief kozijnen of constructie waarin of waarop het glas wordt gemonteerd.
- 2.1.C. Energieschermen voor het verminderen van het warmteverlies in bedrijfsgebouwen aan de binnenzijde van de lichtdoorlatende gebouwschil door het aanbrengen van beweegbare schermen, en bestaande uit: schermdoek dat voor tenminste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2 en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 10%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen.
- 2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen.
- Warmtehergebruik door:
- 3.1.A. Warmteterugwinning.
- 3.2.A. Systemen voor de aanwending van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van de besparingsnorm. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen. Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Verwarmingsnetten waarbij de warmte afkomstig is van nieuw te bouwen elektrisch vermogen worden uitgezonderd van deze regeling.
- Efficiëntere verlichting door:
- 4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
- 4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 4.2.B. Een vlakkeplaatlamp of elektroluminescentieverlichting voor het verlichten of markeren van ruimten of niet-mobiele objecten door middel van elektroluminescentie tape of elektroluminescentie plaat, en bestaande uit: elektroluminescentietape of elektroluminescentieplaat, regelaar, voeding.
- 4.2.C. Daglichtsysteem met spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers voor het optimaal benutten van daglicht in gebouwen door middel van een daglichtsysteem (niet zijnde (kunststof)daglichtkoepels), waarbij het daglicht dieper in de ruimte wordt gebracht via spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers, en bestaande uit: spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers, (eventueel) plafondspiegels.
- 4.2 D. Ruimteverlichting in koel- of vrieshuizen, en bestaande uit:
- centrale lichtbron met een gasontladingslamp geplaatst buiten de gekoelde ruimte met lichtbuizen of lichtkanalen of lichttransporterende kabels naar de gekoelde ruimte, of
- light emitting diodes (LED's) inclusief behuizing en LED-regeling.
- 4.2.E. Noodverlichting in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: light emitting diodes (LED's) inclusief behuizing en LED-regeling.
- 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing van apparatuur of processen door:
- De verbetering van de energie-efficiënte door:
- 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
- 1.1.B. Een verbeterde expansieregeling voor koelinstallaties voor het optimaliseren van installaties voor het koelen van producten, processen of bedrijfsgebouwen, door middel van:
- elektronische expansieregeling, waarbij de expansie van een koelmedium in een koelcircuit elektronisch wordt geregeld, en bestaande uit: sensoren, pulsmodulerend of versterkt-thermisch of magnetisch of met een stappenmotor uitgerust gestuurd expansieventiel of een elektronisch expansieventiel, elektronische regeleenheid, of
- vloeistofonderkoeling voor het expansieventiel, en bestaande uit: aan het expansieventiel gekoppelde warmtewisselaar, of
- het verzorgen van een constante druk van het condensaat bij de ventielinlaat, waardoor een lagere condensordruk mogelijk wordt, en bestaande uit: pomp, drukopnemers, regeleenheid.
- 1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
- 1.2.B. Een gasgestookt HR-frituurtoestel voor het bereiden van maaltijden door middel van een gasgestookt hoogrendement frituurtoestel, dat gemeten is conform NEN-EN 437, NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het thermisch rendement ten minste 83% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm en de jaar-emissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan: De jaar-emissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: hoogrendement gastoestel, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.
- 40 ppm voor toestellen met een belasting t/m 36 kW op onderwaarde, of
- 1,11 ppm per kW belasting voor toestellen met een belasting tussen 36 kW en 54 kW op onderwaarde, of
- 60 ppm voor toestellen met een belasting groter dan 54 kW op onderwaarde en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.