Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden
Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 3, 5 en 8 van de Wet financiering decentrale overheden,
Besluit:
Artikel 1
In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
Voor de openbare lichamen wordt het percentage, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet als volgt vastgesteld:
- a. voor de provincies: 7,0%;
- b. voor de gemeenten: 8,5%;
- c. voor de waterschappen: 23%;
- d. voor de gemeenschappelijke regelingen: 8,2%;
- e. voor de in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde regio's: 6,2%.
Voor de openbare lichamen wordt het in artikel 5 van de wet genoemde percentage als volgt vastgesteld:
- a. voor de provincies: 20%;
- b. voor de gemeenten: 20%;
- c. voor de waterschappen: 20%;
- d. voor de gemeenschappelijke regelingen: 20%;
- e. voor de in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde regio's: 20%.
Voor de renterisiconorm geldt een minimumbedrag van 2.500.000 euro.
Artikel 3
Het renterisico op de vaste schuld in een jaar wordt als volgt berekend: de som van het bedrag aan herfinanciering en het bedrag aan renteherziening op de vaste schuld.
Artikel 4
De openbare lichamen zenden aan de toezichthouder
- a. Jaarlijks tezamen met het jaarverslag een opgave van:
- 1°. Het begrotingstotaal bij aanvang van het voorgaande jaar;
- 2°. De kasgeldlimiet bij aanvang van het voorgaande jaar;
- 3°. De gemiddelde netto vlottende schuld in elk van de kalenderkwartalen van het voorgaande jaar;
- 4°. De stand van de vaste schuld bij aanvang van het voorgaande jaar;
- 5°. De renterisiconorm bij aanvang van het voorgaande jaar;
- 6°. Het renterisico op de vaste schuld over het voorgaande jaar.
- b. Aan het einde van ieder kwartaal een opgave van de laatst berekende gemiddelde netto-vlottende schuld en de kasgeldlimiet voor het desbetreffende kalenderjaar.
De openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, lid a, van de wet zenden aan het Centraal bureau voor de statistiek driemaandelijks een opgave van de stand van het EMU-saldo op een door het Centraal Bureau voor de Statistiek te bepalen wijze.
Een openbaar lichaam kan toezending van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde gegevens aan de toezichthouder achterwege laten, indien de kasgeldlimiet van deze openbare lichamen gelijk is aan het wettelijke minimumbedrag.
Artikel 5
Het Centraal Bureau voor de Statistiek zendt iedere drie maanden voor het einde van het eerstvolgende kwartaal verzamelopgaven van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens aan Onze Minister van Financiën.
Artikel 6
De opgaven bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden verstrekt overeenkomstig de als bijlage bij deze regeling gevoegde modelstaten.
Artikel 7
Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, mag een openbaar lichaam in overleg met de toezichthouder stapsgewijs het nieuwe percentage van de kasgeldlimiet, als bedoeld in artikel 3 van de wet, eerste lid, bereiken.
Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, is, in afwijking van artikel 2, tweede lid, een percentage van de renterisiconorm van 30% van toepassing.
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet financiering decentrale overheden in werking treedt.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden.