Regeling eisen goedkeuring kentekenplaten 2000
Gelet op de artikelen 36, achtste lid, en 40, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 5 van het Kentekenreglement;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
- a. kentekenplaat: een plaat die het kenteken toont van een voertuig;
- b. retroreflecterende kentekenplaat: een kentekenplaat waarvan de achtergrond van retroreflecterend materiaal is voorzien;
- c. monster: een gelakte kentekenplaat dan wel een retroreflecterende kentekenplaat die voor beoordeling of beproeving wordt overgelegd,
- 1°. een gelakte kentekenplaat dan wel een retroreflecterende kentekenplaat die voor beoordeling of beproeving wordt overgelegd,
- 2°. een halffabrikaat dat voor beoordeling of beproeving wordt overgelegd;
- d. proefstuk: uitsnijding van het monster;
- e. halffabrikaat: voorbewerkt materiaal dat voor de vervaardiging van kentekenplaten wordt gebezigd en dat van het waarmerk is voorzien, en wel:
- 1°. gelakte aluminium plaat van de voorgeschreven afmetingen,
- 2°. retroreflecterend materiaal, voorzien van een zelfhechtende lijmlaag aan de achterzijde, of
- 3°. aluminium plaat van de voorgeschreven afmetingen, voorzien van retroreflecterend materiaal als bedoeld onder 2°;
- f. goedgekeurd type: een type kentekenplaat of halffabrikaat dat geheel voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen en voor welk type erkenning voor het aanbrengen van het rijkskeurmerk, het keurmerk dan wel het waarmerk is verleend.
Hoofdstuk 2. Algemene eisen voor kentekenplaten
Artikel 2. Materiaal
Het materiaal van de plaat dient een aluminium legering te zijn.
Het materiaal moet voldoen aan onderstaande kenmerken:
- a. materiaaldikte ≥ 1 mm
- b. treksterkte (σ): ≥ 138N/mm2
- c. rekgrens (σ 0,2): ≥ 69N/mm2
- d. rek (meetlengte 50 mm/dikte 1 mm): ≥ 12%
- e. Brinell hardheid: ≥ 35
- f. Cu < 0,20%.
In afwijking van het tweede lid mag - voor het vervaardigen van kentekenplaten voorzien van kunststof tekens - materiaal met onderstaande eigenschappen worden gebezigd:
- a. materiaaldikte: ≥ 1 mm
- b. rekgrens (σ 0,2): ≥ 90N/mm2
- c. rek (meetlengte 50 mm/dikte 1 mm): ≥ 5%
- d. Cu < 0,20%.
De retroreflectiewaarden van gelakte platen en retroreflecterend materiaal moeten voldoen aan Bijlage 1, onderscheidenlijk Bijlage 1A.
Het materiaal van de kunststof tekens dient te behoren tot een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde soort, bestand te zijn tegen zonlicht, kunstlicht, water, zouten, benzine, olie, hoge en lage temperaturen en tevens kleurbestendig te zijn.
Artikel 3. Kleur
De trichromatische componenten van de kleuren moeten zijn gelegen binnen het voor elk der kleuren afzonderlijk aangegeven kleurenvlak.
Het kleurenvlak wordt gevormd uit de voor elk der kleuren vastgestelde vier hoekpunten, aangegeven door de trichromatische componenten x en y, een en ander overeenkomstig bijlage 2.
De waarde van de luminantiefactor van de kleur moet voldoen aan de voor die kleur vastgestelde waarde van de luminantiefactor ß (bijlage 3).
Artikel 4. Laklaag
De dikte van elk der laklagen dient ten minste 20µm te bedragen.
De dikte van de `kleurlaag' van het retroreflecterende materiaal dient buiten beschouwing te worden gelaten.
De gerichte reflectie van de laklagen mag niet meer bedragen dan 25.
Artikel 5. Wijze van meten
De bepaling van de kleur, luminantiefactor, gerichte reflectie en retroreflectie geschiedt overeenkomstig de door de International Commission on Illumination vastgestelde methode.
De gerichte reflectie van laklagen, ten behoeve van de bepaling van de matheid, wordt vastgesteld bij een meetvlak van 60/60, een en ander overeenkomstig de Internationale Standaard ISO 2813, 1974-03-01.
Voor de hiernavolgende begrippen geldt de door de International Commission on Illumination vastgestelde `International Lighting Vocabulary', 3rd Edition nr. 17 (E. 11) 1970: candela, invalshoek, kleur, kleurenvlak, lichtbron (primaire), lichtsoorten (standaard - van de CIE), lumen, luminantiefactor, lux, meetvlak, reflectie, gerichte reflectie, retroreflectie, reflectiemeter, reflectometerwaarde, trichromatische componenten, trichromatisch stelsel (van de CIE 1931), waarnemingshoek.
Hoofdstuk 3. Bijzondere eisen voor kentekenplaten volgens de modellen 1.1, 2.1, 3.1, 4.1, 5.1, 6.1, 7.1, 8.1, 9.1 en 10.1 van de bijlage behorende bij de Regeling kentekens en kentekenplaten
Artikel 6. Samenstellen van het kenteken
Bij de vervaardiging van de kentekenplaat zijn de hiernavolgende toleranties in de maatvoering toegestaan:
- a. op de afmetingen van elk der tekens: 0,5 mm;
- b. op de totale lengte van het kenteken: 1o. bij de modellen 1.1, 3.1 en 5.1: 2 mm; 2o. bij de modellen 2.1, 4.1, 6.1, 7.1, 9.1 en 10.1: 1 mm bij één groep tekens en 1,5 mm bij twee groepen tekens;
- c. op de totale hoogte van het kenteken: bij de modellen 2.1, 4.1, 6.1, 7.1, 9.1 en 10.1: 1 mm.
Artikel 7. Aanbrengen van het kenteken in of op de kentekenplaat
Het kenteken dient:
- a. door persing in de plaat te zijn aangebracht, of
- b. door middel van losse tekens op de plaat te zijn aangebracht; deze tekens dienen deugdelijk aan de plaat te zijn bevestigd, een en ander overeenkomstig bijlage 4.
De tekens van het kenteken dienen zodanig in de plaat te zijn aangebracht dat deze tekens zich aan de voorzijde van de kentekenplaat bevinden.
Het kenteken dient symmetrisch ten opzichte van het midden van de kentekenplaat te zijn aangebracht.
Artikel 8. Monsters
Van elke soort gelakte kentekenplaat waarvoor door de fabrikant daarvan goedkeuring en erkenning voor het aanbrengen van het keurmerk op kentekenplaten wordt aangevraagd, dienen twee respectievelijk twee x twee monsters (1 x model 500 x 105 - 1 x model 275 x 195 respectievelijk 1 x model 500 x 105 - 1 x model 275 x 195 - 1 x model 350 x 80 - 1 x model 200 x 145) voor onderzoek te worden overgelegd.
De in het eerste lid bedoelde monsters worden voor het uitvoeren van de in artikel 9 bedoelde proeven gebezigd.
Artikel 9. Proeven ten aanzien van de hechting van de laklaag
In de laklaag van de kentekenplaat worden, op een onderlinge afstand van 1 mm, insnijdingen aangebracht zoals bepaald in de paragrafen 3.1a of 3.1.b en 5.1 tot en met 5.3 van de Duitse norm DIN 53151 van december 1970. Na het aanbrengen van deze insnijdingen wordt over het ingesneden gedeelte kleefband aangebracht zodanig dat het gehele oppervlak zich daaraan hecht. Vervolgens wordt het kleefband daarvan afgerukt. Het ingesneden gedeelte mag daarna geen enkele beschadiging vertonen. Het kleefband moet voldoen aan de eisen gesteld voor type I, class A in de Federal Specification L-T-90C van 17 maart 1959, met amendement-1 van 13 januari 1961 en int.-amendement-2 van 3 november 1965. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
In de kentekenplaat wordt vanaf de achterzijde een kogel tot op een diepte van 4 mm gedrukt, een en ander zoals bepaald in de paragrafen 3, 5.2, 5.3, 6.2, 6.2.1 en 6.2.2 van de Internationale Standaard ISO 1520 van 15 december 1973. Na de proef mag het beproefde gedeelte van de laklaag geen barstvorming of loslaten van de ondergrond vertonen. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
- De kentekenplaat wordt in een tijdsbestek van 1-2 seconden over een hoek van 180o gebogen om een cilindrische doorn met een diameter van 50 mm. De laklaag dient zich daarbij aan de buitenzijde te bevinden. Na de proef dient het beproefde gedeelte van de laklaag te worden onderzocht met behulp van een loep ‘10 x’, waarbij de laklaag geen barstvorming of loslaten van de ondergrond mag vertonen. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
Artikel 10. Keurmerk
Het keurmerk op de kentekenplaat moet zichtbaar aan de voorzijde daarvan zijn ingeslagen.
Het keurmerk op de kentekenplaat dient te zijn aangebracht hetzij boven de tweede streep, hetzij boven de streep van het kenteken, hetzij, indien geen streep in het kenteken aanwezig is, midden tussen de groepen van tekens.
Hoofdstuk 4. Bijzondere eisen voor kentekenplaten volgens de modellen 11.1, 12.1, 13.1, 14.1, 15.1, 16.1, 17.1, 18.1, 18.2A tot en met 18.2E, 27.1A tot en met 27.2H, 27.10A tot en met 27.26E en 27.30A tot en met 27.31E en 30.1A tot en met 30.16 van de bijlage behorende bij de Regeling kentekens en kentekenplaten
Artikel 11
Bij de vervaardiging van de kentekenplaat zijn de volgende toleranties in de maatvoering toegestaan:
- a. op de afmetingen van elk der tekens: 0,5 mm;
- b. op de totale lengte van het kenteken:
- 1°. bij kentekenplaten volgens de modellen 11.1, 13.1, 15.1, 18.2A tot en met 18.2E, 27.1A tot en met 27.1G, 27.11, 27.14, 27.15A tot en met 27.15E, 27.18, 27.21, 27.24A tot en met 27.24C, 27.27 en 27.30A tot en met 27.30E: 3 mm;
- 2°. bij kentekenplaten volgens de modellen 12.1, 14.1, 16.1, 17.1 en 18.1: 1 mm bij één groep tekens en 1,5 mm bij twee groepen tekens;
- 3°. bij kentekenplaten volgens de modellen 27.2A tot en met 27.2H, 27.10A tot en met 27.10E, 27.12, 27.13, 27.16A tot en met 27.16E, 27.17A tot en met 27.17E, 27.19, 27.20, 27.22, 27.23, 27.25A tot en met 27.25E, 27.26A tot en met 27.26E, 27.28, 27.29, 27.31A tot en met 27.31E, 30.1A tot en met 30.4D, 30.5, 30.6, 30.7, 30.8, 30.9, 30.10, 30.11, 30.12, 30.13, 30.14, 30.15 en 30.16: 1,5 mm bij één groep tekens en 2 mm bij twee groepen tekens;
- c. op de totale hoogte van het kenteken: bij kentekenplaten volgens de modellen 12.1, 14.1, 16.1, 17.1, 18.1, 27.2A tot en met 27.2H, 27.12, 27.16A tot en met 27.16E, 27.19, 27.22, 27.25A tot en met 27.25E, 27.28 en 27.31A tot en met 27.31E: 2 mm en 27.10A tot en met 27.10E, 27.13, 27.17A tot en met 27.17E, 27.20, 27.23, 27.26A tot en met 27.26E, 27.29, 30.1A, tot en met 30.16: 1 mm.
Artikel 12. Aanbrengen van het kenteken, duplicaatcode, lamineercode en maandnummer in de kentekenplaat, datering en afrondingsstraal kentekenplaat
Het kenteken dient door persing en reliëf in de plaat te worden aangebracht en in voorkomend geval van kunststof tekens te worden voorzien.
De tekens van het kenteken, duplicaatcode en maandnummer dienen zodanig in de plaat te zijn geperst dat zij zich op de voorzijde van de kentekenplaat bevinden.
De hoogte van de persing van de tekens, de duplicaatcode, het maandnummer en het kader dient ten minste 0,75 mm en ten hoogste 3 mm te bedragen.
Indien het kenteken bovendien wordt voorzien van kunststof tekens, dient:
- a. de hoogte van de persing ten minste 0,2 mm te bedragen,
- b. de stokbreedte van de geperste tekens ten minste 6 mm te bedragen,
- c. het aanbrengen van de gaten ten behoeve van de bevestiging van de kunststof tekens in de plaat tegelijk met het persen van de tekens te geschieden,
- d. de totale hoogte van het samengestelde teken ten hoogste 5 mm te bedragen,
- e. de hellingshoek van de zijvlakken van de kunststof tekens met het grondvlak niet minder dan 70o te bedragen,
- f. de afrondingsstraal van de hoekpunten van de kunststof tekens niet meer dan 1,5 mm te bedragen,
- g. het kunststof teken te zijn voorzien van bevestigingspennen zoals aangegeven in de bijlagen 6, 7 of 7A,
- h. de diameter van de bevestigingspennen ten minste 3,0 mm en ten hoogste 5 mm te bedragen,
- i. de bevestiging van de kunststof tekens door middel van koudvervormen van de bevestigingspennen aan de achterzijde van de plaat te geschieden, en wel zodanig dat bij ieder bevestigingspunt teruggeklonken of geperst dient te worden waardoor de randen van alle bevestigingspennen kwalitatief goed worden omgewelsd,
- j. de kentekenplaat op zodanige wijze te zijn vervaardigd dat - indien één of meerdere tekens ontbreken dan wel een gedeelte van een teken ontbreekt - het kenteken duidelijk leesbaar blijft in de voor het desbetreffende type kentekenplaat voorgeschreven kleur.
Het kenteken dient symmetrisch ten opzichte van het midden van de kentekenplaat te zijn aangebracht. De maximum tolerantie ten opzichte van de symmetrielijn bedraagt 3 mm. Bij de modellen 27.1A tot en met 27.10E dient de ruimte van het blauwe Europese vignet daarbij buiten beschouwing te worden gelaten. Bij de modellen 30.2A tot en met 30.2D, 30.4A tot en met 30.4D, 30.6, 30.8, 30.10, 30.12, 30.14 en 30.16 wordt het kenteken rechts ten opzichte van het midden geplaatst.
De hoekpunten van de kentekenplaat dienen te zijn afgerond. De straal van de afronding moet zijn gelegen tussen 5 en 15 mm.
Kentekenplaten volgens de modellen 27.15A tot en met 27.17E, 30.7 en 30.8 moeten zijn voorzien van een maandnummer. Het maandnummer wordt in 20 mm hoge tekens aangegeven. Het maandnummer bestaat uit twee cijfers en dient 90 graden linksom gedraaid en verticaal te zijn aangebracht aan de linker voorzijde van de kentekenplaat.
Kentekenplaten volgens de modellen:
- a. 27.1A tot en met 27.2B, 27.2D tot en met 27.2H, 27.10A, 27.10B, en 27.30A tot en met 27.31B moeten met ingang van 1 februari 2003, indien het desbetreffende kentekenbewijs is voorzien van een duplicaatcode, zijn voorzien van dezelfde duplicaatcode, met uitzondering van kentekenplaten die zijn afgegeven na 21 september 2008, die moeten zijn voorzien van een door de Dienst Wegverkeer opgegeven duplicaatcode. Kentekenplaten die vóór 1 februari 2003 zijn afgegeven mogen zijn voorzien van bedoelde duplicaatcode. De duplicaatcode wordt in 23 mm (tolerantie 1 mm) hoge tekens aangegeven. De duplicaatcode bestaat uit één cijfer en dient te zijn aangebracht hetzij boven de eerste streep voor de duplicaten 1 tot en met 9, hetzij onder de eerste streep voor de duplicaten 10 tot en met 19 hetzij, indien geen eerste streep in het kenteken voorkomt, linksboven respectievelijk rechtsboven op de kentekenplaat;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.