Regeling eisen goedkeuring kentekenplaten 2000

Type Ministeriële regeling
Publication 2016-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 36, achtste lid, en 40, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 5 van het Kentekenreglement;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Hoofdstuk 2. Algemene eisen voor kentekenplaten

Artikel 2. Materiaal
1.

Het materiaal van de plaat dient een aluminium legering te zijn.

2.

Het materiaal moet voldoen aan onderstaande kenmerken:

3.

In afwijking van het tweede lid mag - voor het vervaardigen van kentekenplaten voorzien van kunststof tekens - materiaal met onderstaande eigenschappen worden gebezigd:

4.

De retroreflectiewaarden van gelakte platen en retroreflecterend materiaal moeten voldoen aan Bijlage 1, onderscheidenlijk Bijlage 1A.

5.

Het materiaal van de kunststof tekens dient te behoren tot een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde soort, bestand te zijn tegen zonlicht, kunstlicht, water, zouten, benzine, olie, hoge en lage temperaturen en tevens kleurbestendig te zijn.

Artikel 3. Kleur
1.

De trichromatische componenten van de kleuren moeten zijn gelegen binnen het voor elk der kleuren afzonderlijk aangegeven kleurenvlak.

2.

Het kleurenvlak wordt gevormd uit de voor elk der kleuren vastgestelde vier hoekpunten, aangegeven door de trichromatische componenten x en y, een en ander overeenkomstig bijlage 2.

3.

De waarde van de luminantiefactor van de kleur moet voldoen aan de voor die kleur vastgestelde waarde van de luminantiefactor ß (bijlage 3).

Artikel 4. Laklaag
1.

De dikte van elk der laklagen dient ten minste 20µm te bedragen.

2.

De dikte van de `kleurlaag' van het retroreflecterende materiaal dient buiten beschouwing te worden gelaten.

3.

De gerichte reflectie van de laklagen mag niet meer bedragen dan 25.

Artikel 5. Wijze van meten
1.

De bepaling van de kleur, luminantiefactor, gerichte reflectie en retroreflectie geschiedt overeenkomstig de door de International Commission on Illumination vastgestelde methode.

2.

De gerichte reflectie van laklagen, ten behoeve van de bepaling van de matheid, wordt vastgesteld bij een meetvlak van 60/60, een en ander overeenkomstig de Internationale Standaard ISO 2813, 1974-03-01.

3.

Voor de hiernavolgende begrippen geldt de door de International Commission on Illumination vastgestelde `International Lighting Vocabulary', 3rd Edition nr. 17 (E. 11) 1970: candela, invalshoek, kleur, kleurenvlak, lichtbron (primaire), lichtsoorten (standaard - van de CIE), lumen, luminantiefactor, lux, meetvlak, reflectie, gerichte reflectie, retroreflectie, reflectiemeter, reflectometerwaarde, trichromatische componenten, trichromatisch stelsel (van de CIE 1931), waarnemingshoek.

Hoofdstuk 3. Bijzondere eisen voor kentekenplaten volgens de modellen 1.1, 2.1, 3.1, 4.1, 5.1, 6.1, 7.1, 8.1, 9.1 en 10.1 van de bijlage behorende bij de Regeling kentekens en kentekenplaten

Artikel 6. Samenstellen van het kenteken

Bij de vervaardiging van de kentekenplaat zijn de hiernavolgende toleranties in de maatvoering toegestaan:

Artikel 7. Aanbrengen van het kenteken in of op de kentekenplaat
1.

Het kenteken dient:

2.

De tekens van het kenteken dienen zodanig in de plaat te zijn aangebracht dat deze tekens zich aan de voorzijde van de kentekenplaat bevinden.

3.

Het kenteken dient symmetrisch ten opzichte van het midden van de kentekenplaat te zijn aangebracht.

Artikel 8. Monsters
1.

Van elke soort gelakte kentekenplaat waarvoor door de fabrikant daarvan goedkeuring en erkenning voor het aanbrengen van het keurmerk op kentekenplaten wordt aangevraagd, dienen twee respectievelijk twee x twee monsters (1 x model 500 x 105 - 1 x model 275 x 195 respectievelijk 1 x model 500 x 105 - 1 x model 275 x 195 - 1 x model 350 x 80 - 1 x model 200 x 145) voor onderzoek te worden overgelegd.

2.

De in het eerste lid bedoelde monsters worden voor het uitvoeren van de in artikel 9 bedoelde proeven gebezigd.

Artikel 9. Proeven ten aanzien van de hechting van de laklaag
1.

In de laklaag van de kentekenplaat worden, op een onderlinge afstand van 1 mm, insnijdingen aangebracht zoals bepaald in de paragrafen 3.1a of 3.1.b en 5.1 tot en met 5.3 van de Duitse norm DIN 53151 van december 1970. Na het aanbrengen van deze insnijdingen wordt over het ingesneden gedeelte kleefband aangebracht zodanig dat het gehele oppervlak zich daaraan hecht. Vervolgens wordt het kleefband daarvan afgerukt. Het ingesneden gedeelte mag daarna geen enkele beschadiging vertonen. Het kleefband moet voldoen aan de eisen gesteld voor type I, class A in de Federal Specification L-T-90C van 17 maart 1959, met amendement-1 van 13 januari 1961 en int.-amendement-2 van 3 november 1965. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.

2.

In de kentekenplaat wordt vanaf de achterzijde een kogel tot op een diepte van 4 mm gedrukt, een en ander zoals bepaald in de paragrafen 3, 5.2, 5.3, 6.2, 6.2.1 en 6.2.2 van de Internationale Standaard ISO 1520 van 15 december 1973. Na de proef mag het beproefde gedeelte van de laklaag geen barstvorming of loslaten van de ondergrond vertonen. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.

3.
  1. De kentekenplaat wordt in een tijdsbestek van 1-2 seconden over een hoek van 180o gebogen om een cilindrische doorn met een diameter van 50 mm. De laklaag dient zich daarbij aan de buitenzijde te bevinden. Na de proef dient het beproefde gedeelte van de laklaag te worden onderzocht met behulp van een loep ‘10 x’, waarbij de laklaag geen barstvorming of loslaten van de ondergrond mag vertonen. De proef dient binnen drie weken na ontvangst van het monster te worden uitgevoerd bij de standaard atmosfeer 23/50, volgens de Nederlandse norm NEN 2172 van november 1969.
Artikel 10. Keurmerk
1.

Het keurmerk op de kentekenplaat moet zichtbaar aan de voorzijde daarvan zijn ingeslagen.

2.

Het keurmerk op de kentekenplaat dient te zijn aangebracht hetzij boven de tweede streep, hetzij boven de streep van het kenteken, hetzij, indien geen streep in het kenteken aanwezig is, midden tussen de groepen van tekens.

Hoofdstuk 4. Bijzondere eisen voor kentekenplaten volgens de modellen 11.1, 12.1, 13.1, 14.1, 15.1, 16.1, 17.1, 18.1, 18.2A tot en met 18.2E, 27.1A tot en met 27.2H, 27.10A tot en met 27.26E en 27.30A tot en met 27.31E en 30.1A tot en met 30.16 van de bijlage behorende bij de Regeling kentekens en kentekenplaten

Artikel 11

Bij de vervaardiging van de kentekenplaat zijn de volgende toleranties in de maatvoering toegestaan:

Artikel 12. Aanbrengen van het kenteken, duplicaatcode, lamineercode en maandnummer in de kentekenplaat, datering en afrondingsstraal kentekenplaat
1.

Het kenteken dient door persing en reliëf in de plaat te worden aangebracht en in voorkomend geval van kunststof tekens te worden voorzien.

2.

De tekens van het kenteken, duplicaatcode en maandnummer dienen zodanig in de plaat te zijn geperst dat zij zich op de voorzijde van de kentekenplaat bevinden.

3.

De hoogte van de persing van de tekens, de duplicaatcode, het maandnummer en het kader dient ten minste 0,75 mm en ten hoogste 3 mm te bedragen.

4.

Indien het kenteken bovendien wordt voorzien van kunststof tekens, dient:

5.

Het kenteken dient symmetrisch ten opzichte van het midden van de kentekenplaat te zijn aangebracht. De maximum tolerantie ten opzichte van de symmetrielijn bedraagt 3 mm. Bij de modellen 27.1A tot en met 27.10E dient de ruimte van het blauwe Europese vignet daarbij buiten beschouwing te worden gelaten. Bij de modellen 30.2A tot en met 30.2D, 30.4A tot en met 30.4D, 30.6, 30.8, 30.10, 30.12, 30.14 en 30.16 wordt het kenteken rechts ten opzichte van het midden geplaatst.

6.

De hoekpunten van de kentekenplaat dienen te zijn afgerond. De straal van de afronding moet zijn gelegen tussen 5 en 15 mm.

7.

Kentekenplaten volgens de modellen 27.15A tot en met 27.17E, 30.7 en 30.8 moeten zijn voorzien van een maandnummer. Het maandnummer wordt in 20 mm hoge tekens aangegeven. Het maandnummer bestaat uit twee cijfers en dient 90 graden linksom gedraaid en verticaal te zijn aangebracht aan de linker voorzijde van de kentekenplaat.

8.

Kentekenplaten volgens de modellen:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.