Besluit van 6 februari 2001, houdende vaststelling van de regels rond het recht op een bijzonder militair invaliditeitspensioen vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en op bijzonder militair nabestaandenpensioen (Besluit bijzondere militaire pensioenen)

Type AMvB
Publication 2018-11-24
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 februari 1999, nr. P/99000777;

Gelet op artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen;

De Raad van State gehoord (advies van 27 april 1999, No. W07.99.0081/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 1 februari 2001, nr. P/2001000558;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Aanspraken op eigen pensioen

Artikel 2. Het invaliditeitspensioen
1.

De militair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld heeft uit hoofde van de dienstverhouding waarin die invaliditeit is ontstaan vanaf de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt recht op een invaliditeitspensioen.

2.

Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen is gelijk aan zoveel procent van de bij de betreffende dienstverhouding behorende berekeningsgrondslag als de mate van invaliditeit met dienstverband op het in dat lid bedoelde moment bedraagt, verminderd met hetzelfde percentage van het AOW-pensioen van de rechthebbende.

3.

Het in het eerste en tweede lid bedoelde invaliditeitspensioen wordt uitbetaald voor zolang en voor zover het bedrag daarvan de som van het krachtens het pensioenreglement bij dezelfde dienstverhouding behorende ouderdomspensioen, de daar eventueel van af te leiden bijzondere ouderdomspensioenen en de op die pensioenen te verlenen toeslagen overschrijdt.

4.

De berekeningsgrondslag voor het invaliditeitspensioen bedraagt niet minder dan € 17 034,25.

5.

In afwijking van het eerste lid, heeft de militair, bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld recht op invaliditeitspensioen vanaf de dag waarop hij de leeftijd van 65 bereikt indien de militair voor 1 januari 2017 is ontslagen of de militair een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 39a, eerste tot en met vierde lid van het Algemeen militair ambtenarenreglement.

Artikel 3. De bijzondere invaliditeitsverhoging
1.

De militair met een recht op invaliditeitspensioen wiens ontslag heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2007 heeft recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van:

De militair met een recht op een invaliditeitspensioen wiens ontslag heeft plaatsgevonden op of na 1 juli 2007 heeft recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van:

2.

Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:

bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 30 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.

3.

Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:

bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 40 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.

4.

Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden handen en voeten onder ledematen begrepen.

5.

Indien de invaliditeit met dienstverband bestaat uit meerdere van de in het tweede en derde lid omschreven omstandigheden, bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging 40 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.

Artikel 4. Garantiepensioen
1.

Het invaliditeitspensioen voor de ter zake van ziekten of gebreken ontslagen dienstplichtige of reservist die als zodanig een diensttijd van vijf of meer jaren kan aanwijzen die, waren zij als beroepsmilitair doorgebracht of als gewezen beroepsmilitair in verband met arbeidsongeschiktheid opgebouwd, zouden zijn vergolden met een ouderdomspensioen in de zin van het pensioenreglement, bedraagt niet minder dan dat ouderdomspensioen, vastgesteld met gebruikmaking van de berekeningsgrondslag voor dat invaliditeitspensioen en overigens naar de normen en voorwaarden van dat reglement.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder diensttijd verstaan:

3.

Bij de berekening van het in het eerste lid bedoelde garantiepensioen wordt van de daar bedoelde tijd het deel dat kan worden vergolden met een ander pensioen buiten beschouwing gelaten.

Artikel 5. Uitkering bij overlijden
1.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de rechthebbende op invaliditeitspensioen wordt aan de partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen, zoals dat na toepassing van artikel 3 en met voorbijgaan aan artikel 2, derde lid, over een tijdvak van twee maanden op het overlijdensmoment kan worden vastgesteld. De uitkering bij overlijden op het in artikel 2, derde lid, bedoelde ouderdomspensioen en de daarop te verlenen toeslagen wordt op het gevonden bedrag in mindering gebracht.

2.

Bij ontstentenis van een partner als bedoeld in het eerste lid komt de overlijdensuitkering toe aan de wezen die ingevolge dit besluit aan het overlijden recht op wezenpensioen kunnen ontlenen.

3.

Bij ontstentenis van zowel een partner als bedoeld in het eerste lid, als van wezen, bedoeld in het tweede lid, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van de ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, indien de overledene kostwinner was van de genoemde betrekkingen.

4.

Indien de overledene geen betrekkingen nalaat als bedoeld in de voorgaande leden, kan het bedrag van de overlijdensuitkering geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

5.

Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van een gepensioneerde.

Paragraaf 3. De aanspraken op nabestaandenpensioen

Artikel 6. Het recht op voortdurend partner- of wezenpensioen
1.

De nabestaanden van de militair die is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit AO/IP, de nabestaanden van een rechthebbende op invaliditeitspensioen krachtens dit besluit of krachtens de artikelen 7 of 11 van het besluit AO/IV of van een militair of gewezen militair die, ware hij niet overleden, recht op een zodanig pensioen zou hebben kunnen doen gelden, hebben te rekenen van de dag volgende op diens overlijden recht op partner- of wezenpensioen.

2.

De in het eerste lid bedoelde pensioenen worden afgeleid van een invaliditeitspensioen zoals dat, zonder toepassing van de in het tweede en derde lid van artikel 2 bedoelde kortingen en zonder de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel 3, ingevolge dit besluit kan worden vastgesteld,

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor zolang niets anders vaststaat, vermissing in de uitoefening van de militaire dienst of tengevolge van bijzondere omstandigheden die zich bij de uitoefening van die dienst hebben voorgedaan, gelijkgesteld met een overlijden als bedoeld in het tweede lid, onder a, en vermissing onder andere omstandigheden gelijkgesteld met een overlijden als bedoeld in het tweede lid, onder b.

4.

Het recht op pensioen ingevolge dit artikel wordt tot het in artikel 7, derde lid, onder b, bedoelde moment opgeschort indien de belanghebbende uit hoofde van dezelfde dienstverhouding ingevolge dat artikel recht heeft op een hoger pensioen.

Artikel 7. Het recht op tijdelijk verhoogd partner- of wezenpensioen
1.

De nabestaanden van de militair die is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit AO/IV, de nabestaanden van een rechthebbende op verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen ingevolge artikel 3, vijfde lid, van dat besluit of van een militair of gewezen militair die, ware hij niet overleden, recht op een zodanig pensioen zou hebben kunnen doen gelden, hebben, indien diens overlijden in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, te rekenen van de dag volgende op dat overlijden recht op tijdelijk partner- of wezenpensioen.

2.

De in het eerste lid bedoelde tijdelijke pensioenen worden afgeleid van een invaliditeitspensioen zoals dat, zonder toepassing van de in het tweede en derde lid van artikel 2 bedoelde kortingen en zonder de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel 3, naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 90,02 procent ingevolge dit besluit kan worden vastgesteld.

3.

Het recht op pensioen ingevolge dit artikel vervalt:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.