Landelijk experimenteerkader Regionale Expertisecentra in oprichting

Type Beleidsregel
Publication 2001-02-21
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

1. Inleiding

In deze publicatie is informatie opgenomen over het kader waarbinnen scholen binnen Regionale expertisecentra in oprichting (hierna: REC’s i.o.) op experimentele basis vorm kunnen gaan geven aan onderwijskundige vernieuwing binnen REC’s i.o. Vanuit het scholenveld is meermalen aangegeven dat er behoefte bestaat aan het opdoen van praktijkervaring met de inrichting van de REC’s i.o.

Er zijn momenteel al een aantal REC’s i.o. waarbij de betrokken scholen al in een vergevorderd stadium zijn, zowel wat betreft de vernieuwing van onderwijs en begeleiding als wat betreft de daaruit voortvloeiende organisatorische en bestuurlijke aanpassingen. Dit proces mag niet stagneren in afwachting van de wijziging van de wettelijke kaders. Scholen binnen een REC i.o. moeten de mogelijkheid hebben om de inrichting van de onderwijskundige taken verder uit te werken. De huidige wet – en regelgeving kan daarbij belemmerend werken.

De Experimentenwet onderwijs (hierna: de Experimentenwet) biedt de mogelijkheid tot onderwijskundige experimenten die vallen buiten de kaders van de afzonderlijke onderwijswetten. Op basis van het hieronder geschetste landelijk experimenteerkader kunnen scholen die een REC i.o. vormen experimenteerplannen opstellen en indienen.

Met dit experimenteerkader wordt beoogd de onderwijskundige vernieuwing in het kader van de REC’s i.o. mogelijk te maken en verder te stimuleren. Hierbij dient onder meer te worden gedacht aan het realiseren van een nieuw, regionaal georganiseerd aanbod van onderwijs en begeleidingsactiviteiten, van indicatiestelling en diagnostiek voor leerlingen van het desbetreffende cluster van onderwijssoorten. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van mogelijkheden als verbrede toelating in het speciaal onderwijs, thuisnabij onderwijs via herspreiding van onderwijslocaties (in de vorm van nevenvestigingen), het fuseren tot een scholengemeenschap, preventieve ambulante begeleiding en geobjectiveerde indicatiestelling.

Hieronder zal eerst worden ingegaan op de aanvraagprocedure. Vervolgens wordt ingegaan op de wijze waarop ingediende experimenteerplannen zullen worden beoordeeld en welke kaders daarbij worden gehanteerd. Tenslotte zal worden aangegeven op welke wijze de deelnemende scholen worden bekostigd.

2. Aanvraagprocedure experimenten REC’s i.o.

De bevoegde gezagsorganen van scholen voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de Wet op de expertisecentra die samenwerken in een REC i.o. kunnen gezamenlijk een verzoek indienen om een onderwijskundig experiment te mogen starten.

Verzoeken die vallen binnen de hierna genoemde kaders kunnen in aanmerking komen voor bekostiging op grond van de Experimentenwet. Op grond van de Experimentenwet onderwijs kan een dergelijk verzoek worden ingediend door het bevoegd gezag van een school. Aangezien het hier gaat om een samenwerking van verschillende bevoegde gezagsorganen in een REC i.o. kunnen de afzonderlijke verzoeken worden gecombineerd in één verzoek dat wordt ondertekend door alle betrokken bevoegde gezagsorganen. Het bevoegd gezag van de coördinerende school van het REC i.o. kan dan dit gezamenlijke verzoek indienen met inachtneming van het navolgende:

Het verzoek dient te worden gericht aan: de Centrale Financiën Instellingen, Postbus 606, 2700 ML

Zoetermeer t.a.v. Cfi/FTO/TPL onder vermelding van: verzoek deelname experimenteerkader REC’s i.o.

Beoordelingsprocedure

Het verzoek om deel te nemen aan het experimenteerkader zal worden getoetst aan de hand van o.m. de hieronder beschreven kaders. De beoordeling van het verzoek om een onderwijskundig experiment te mogen starten geschiedt door de Minister van OCenW (art.2 Experimentenwet).

De beslissing op het verzoek wordt zomogelijk in 3 maanden (uiterlijk binnen 9 maanden) na ontvangst daarvan aan de aanvrager bekendgemaakt (art. 2, lid 2 Experimentenwet). Bij een positieve beslissing wordt tevens bepaald welke regels en voorwaarden voor bekostiging zullen gelden, alsmede de wijze van bekostiging (art. 4, lid 1, Experimentenwet).

3. Kaders experimenteerkader

4. Looptijd

De beslissing over deelname aan het experimenteerkader wordt gegeven voor een of meer tijdvakken, tezamen ten hoogste 10 jaar. Bij het in werking treden van de eerste fase Wet op de expertisecentra zal worden bezien op welke wijze inpassing in het wettelijk kader dient te geschieden.

5. Bekostiging

Zoals hiervoor aangegeven wordt bij de beslissing op het verzoek tevens bepaald welke regels en voorwaarden voor bekostiging zullen gelden, alsmede de wijze van bekostiging. De bekostigingsregeling die wordt vastgesteld voor het experiment gaat uit van de huidige bekostigingsregels. Daarnaast is er ruimte voor aanvullende bekostiging. Deze is opgebouwd uit 3 componenten. Allereerst krijgt het REC i.o. eenmalig een bedrag van ƒ 50.000,- . Daarnaast wordt per deelnemende school een bedrag van ƒ 40.000 beschikbaar gesteld. En tenslotte krijgt het REC i.o. per leerling een bedrag van ƒ 100,- gebaseerd op het totaal aantal leerlingen van de aan het REC deelnemende scholen.

De bekostiging kan voor de afloop van de daarvoor bepaalde termijn worden beëindigd in de volgende situaties:

Indien de bekostiging van het experiment wordt beëindigd aan een school die onmiddellijk voorafgaand aan het experiment uit de openbare kas werd bekostigd, wordt wederom vergoeding toegekend volgens dezelfde regelen en voorwaarden als voor het schooltype gelden, waartoe de school behoorde voor de aanvang van het experiment (art. 4, lid 2 Experimentenwet).

Bijlage 1. Indicatiecriteria toelaatbaarheid tot (v)so en leerling gebonden budget

De CvI heeft tot taak te beslissen of door de ouders aangemelde kinderen, woonachtig in de REC-regio, voldoen aan de landelijke criteria en derhalve toelaatbaar zijn tot het (v)so, danwel in aanmerking komen voor ambulante begeleiding (aan te vragen door de reguliere school, zie WEC). De CvI’s verzamelen de gegevens die nodig zijn voor indicatiestelling volgens het OC&W protocol dat tevens gebruikt is in het kader van het proeftraject-indicatiestelling (in het kader van de Derde Faciliteringsregeling Regionale Expertisecentra i.o. 2000/ 2001). Indien gegevens niet door of via de ouders geleverd kunnen worden draagt de CvI er zorg voor dat het onderzoek, dat in het kader van het protocol nodig is, uitgevoerd wordt. Zo nodig wordt dit uitgevoerd door de Commissie voor Onderzoek (CvO) van een van de scholen binnen het REC.

Het protocol en de bijbehorende onderzoeksdocumenten worden anoniem gemaakt. Protocol en bijlagen worden voorzien van het REC nummer. Het protocolformulier wordt zo mogelijk gedigitaliseerd opgesteld en verzonden door de CvI aan de LCTI. Het protocol met bijlagen wordt tevens per post verzonden.

Toelichting op het tot stand komen van de criteria

De criteria zijn als volgt tot stand gekomen:

Toelichting bij criteria

Op een drietal punten is nadere toelichting op de criteria nodig. Het betreft de indicering van meervoudig gehandicapten, de mogelijkheid om een leerling met een zware belemmering in onderwijsparticipatie toelaatbaar te verklaren ook wanneer de stoornissen niet binnen de criteria zoals omschreven in paragraaf 8, 9 of 10 vallen, en de mg indicatie als beschreven in paragraaf 9 punt 5.2.

Ten aanzien van de indicatiestelling meervoudig gehandicapt (MG) is in het uitwerkingsoverleg LGF afgesproken dat combinaties zmlk/ mlk de centrale categorie vormen voor MG. Bestaande afdelingen en scholen met combinaties waarin zmlk/ mlk blijven gehandhaafd. In de criteria voor zintuiglijk gehandicapten is de IQ grens in deze MG combinaties op 75 gesteld, waardoor ook een belangrijk deel van de MLK populatie onder deze indicatie kan vallen. Ten aanzien van de MG combinaties lichamelijk en verstandelijk gehandicapt (paragraaf 9.5.2) is de IQ grens vooralsnog op 70 gehandhaafd. In de huidige praktijk worden wel kinderen met een lichamelijke handicap en een IQ tot 80 toegelaten. Daarbij is echter steeds sprake van aanvullende problematiek. Gedurende dit proeftraject zal in samenspraak met cluster 3 nagegaan worden hoe deze aanvullende problematiek in criteria te omschrijven is.

MG combinaties voor epilepsiescholen en voor doof/ blinden scholen komen te vervallen. In plaats daarvan worden voorzieningen getroffen in het kader van de aparte taken en functie bekostiging. In het kader van het overleg over het taken en functieonderzoek zal worden nagegaan in hoeverre ook voor andere scholen/ afdelingen met een specifieke mg combinatie een voorziening getroffen moet worden.

De CvI kan een leerling toelaatbaar verklaren wanneer de stoornissen en beperkingen van een leerling niet binnen de criteria zoals omschreven in paragraaf 8, 9 of 10 vallen maar onderbouwd wordt dat er sprake is van een even zware belemmering in onderwijsparticipatie als bij leerlingen die wel aan die criteria voldoen. Indien de CvI gebruik maakt van deze mogelijkheid, een rapportage met bevindingen uit de handelingsgerichte diagnostiek zendt naar de LCTI en/ of een evaluatie van het handelingsplan tot op dat moment van de Commissie van Begeleiding.

Criteria cluster 1

Er worden, conform de specifieke positie die cluster 1 inneemt in het LGF-traject, voor cluster 1 geen indicatiecriteria geformuleerd in deze publicatie. Over de criteria voor toelaatbaarheid tot speciale scholen in cluster 1 worden met cluster 1 afspraken gemaakt.

Bijlage 2. Indicatiecriteria toelaatbaarheid tot (v)so en leerling gebonden financiering

§ 1. Begripsomschrijvingen

In dit document wordt verstaan onder:

§ 2. Samenstelling Commissie van Indicatiestelling

De CvI bestaat uit een voorzitter, die tevens lid is, en ten minste vier andere leden. De onafhankelijkheid van de voorzitter en leden van de CvI t.o.v. de scholen in het REC dient gewaarborgd te zijn. Een (adjunct)directeur van een van de scholen van het REC, of een bovenschools (adjunct)directeur binnen het REC kan geen voorzitter of lid van de CvI zijn. Tot de leden behoren in ieder geval een arts, met een specifieke deskundigheid ten aanzien van de stoornissen en beperkingen die kenmerkend zijn voor de leerlingen in het betreffende cluster of een jeugdarts en een onderzoeker met deskundigheid ten aanzien van deze stoornissen en beperkingen, een als diagnosticus gekwalificeerde gedragswetenschapper (psycholoog of orthopedagoog), een onderwijsdeskundige of orthodidacticus en een maatschappelijk deskundige. De leden dienen voorts voldoende op de hoogte te zijn van de doelgroepen en van het aanbod van de overige clusters teneinde bij de toelaatbaarheidsbepaling goed te kunnen differentiëren tussen de clusters.

§ 3. Werkwijze Commissie van Indicatiestelling

Als regel geldt dat onderzoeksgegevens niet ouder mogen zijn dan een jaar, tenzij het gaat om gegevens betreffende evident stabiele leerlingkenmerken. Voor het onderwijskundig rapport geldt dat dit uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het moment van aanmelding, dan wel aan het moment van schoolverlaten mag zijn opgesteld.

§ 4. Protocol indicatiestelling toelaatbaarheid tot (V)SO en leerling gebonden financiering

§ 5. Indicatiecriteria algemeen

§ 6. Stoornissen en beperkingen

§ 7. Belemmering in de onderwijsparticipatie

§ 8. Specifieke indicatiecriteria voor stoornissen en beperkingen geldend voor de onderwijssoorten deel uitmakend van cluster 2

§ 9. Specifieke indicatiecriteria voor stoornissen en beperkingen geldend voor de onderwijssoorten deel uitmakend van cluster 3

§ 10. Specifieke indicatiecriteria voor stoornissen en beperkingen geldend voor de onderwijssoorten deel uitmakend van cluster 4

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.