Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
Indien een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw aan een gezin met minderjarige kinderen is opgelegd geldt een maximale duur van twee weken. Indien de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgelegd en een asielaanvraag is ingediend, terwijl deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure wordt afgedaan zal de vrijheidsontnemende maatregel kunnen worden toegepast gedurende de asielprocedure (zie C9/2.1.1.1 en 2.1.1.2 voor de toepassing van artikel 6 Vw gedurende de algemene asielprocedure). De maatregel kan dan voortduren tot uiterlijk twee weken gerekend vanaf het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Ingeval er om een voorlopige voorziening is verzocht, waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het verzoek.
De maximale termijn van de vrijheidsontneming mag slechts worden overschreden indien door toedoen van (één van) de gezinsleden een binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden. Hiervan is sprake indien de uitzetting niet mogelijk is gebleken door fysiek verzet van de vreemdeling dan wel indien de vreemdeling in bewaring een nieuwe procedure start met als kennelijk doel de uitzetting te belemmeren.
2.8. De beëindiging
De vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel eindigt wanneer de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, dan wel de maatregel opgeheven wordt. Indien de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of schip niet het Nederlands grondgebied heeft verlaten (bijvoorbeeld door verzet van de vreemdeling), blijft de oorspronkelijk opgelegde maatregel van kracht. Er wordt geen nieuwe plaatsingsbeschikking genomen. Ook de oorspronkelijke toegangsweigering blijft van kracht.
6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
Indien de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw beveelt (zie A6/6) betekent dat niet dat ook de weigering van de toegang ex artikel 3 Vw wordt opgeheven. In die gevallen kan nog steeds op grond van artikel 6, eerste lid, Vw (vrijheidsbeperking) een ruimte of plaats worden aangewezen waar de vreemdeling zich dient op te houden. Indien de toegangsweigering wordt opgeheven, bijvoorbeeld omdat aan de vreemdeling alsnog rechtmatig verblijf toekomt op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, Vw of de rechtbank de beschikking van weigering toegang vernietigt, wordt de maatregel van artikel 6 Vw eveneens opgeheven. Voor het opheffen van de maatregel dient gebruik te worden gemaakt van Model M113.
Dat is anders voor de vrijheidsontnemende maatregel genoemd in artikel 6, eerste en tweede lid, Vw. In dat geval geldt in de door de Minister aangewezen ruimte of plaats het regime van het Reglement grenslogies. Wordt de vrijheidsontneming ten uitvoer gelegd in een andere (dan door de Minister aangewezen) ruimte of plaats dan dient het regime overeen te komen met dat van het Reglement grenslogies.
3.1. Het zich beschikbaar houden (artikel 55, eerste lid, Vw)
Aan een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd indient en de beslissing daarvan op grond van deze wet in Nederland mag afwachten, kan de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 55, eerste lid, Vw opgelegd worden. De maatregel houdt in dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw een plaats aangewezen krijgt waar hij zich gedurende het onderzoek naar de inwilligbaarheid van die aanvraag dient op de houden, overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen. De aanwijzingen, die betrekking kunnen hebben op het gehoor, het fotograferen of dactyloscoperen, en het verstrekken van gegevens, maken deel uit van de beschikbaarheidsverplichting. Het wél verblijven op de aangewezen plaats maar niet handelen overeenkomstig de gegeven aanwijzingen betekent dat de vreemdeling zich niet overeenkomstig artikel 55, eerste lid, Vw beschikbaar houdt op de aangewezen plaats. Daartegenover staat dat ook de beschikbaarheid noodzakelijk dient te zijn ten behoeve van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag. Het ontbreken van dergelijk verband maakt de maatregel onrechtmatig.
Voorzover de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning een aanvraag van een asielzoeker betreft, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvanglocatie zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet ophouden. Hij doet dit zowel mondeling als schriftelijk. Hiertoe wordt het model M117-A gebruikt. De aanwijzingen betreffen in ieder geval datum, tijdstip en plaats van aanwijzing. Daarnaast kunnen vervolgaanwijzingen worden gegeven met betrekking tot het verschaffen van extra informatie, het uitreiken van het rapport van gehoor of de beschikking. Het model M117-A doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking.
De asielzoeker wordt erop gewezen dat het niet nakomen van de aanwijzingen consequenties heeft voor de afhandeling van zijn aanvraag. Deze omstandigheid wordt mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag en kan op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, Vw reden zijn de aanvraag af te wijzen.
Het overtreden van artikel 55 Vw is strafbaar gesteld in artikel 108 Vw. Gedurende de tijd dat de vreemdeling zich niet beschikbaar hoeft te houden voor het onderzoek kan hij zich buiten de aangewezen plaats begeven. In dat geval overtreedt hij niet het voorschrift van artikel 55 Vw.
7. Overgangsrecht
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel door de vreemdeling wordt verwezen naar A6/6.
Het doel van deze maatregel is niet alleen de bevordering van de waarheidsvinding, maar ook de versnelling van de procedure doordat de vreemdeling steeds bereikbaar is. Meer in het algemeen kan het voorkomen dat tijdens de behandeling van de asielaanvraag nadere vragen opkomen die, als de asielzoeker bereikbaar is, snel beantwoord kunnen worden, wat niet alleen de voortgang van de procedure, maar ook de kwaliteit van de beslissing ten goede zal komen.
Heeft de vreemdeling het Nederlands grondgebied wél verlaten en keert hij terug (bijvoorbeeld na weigering toegang door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit), dan dient opnieuw te worden bekeken of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang. Indien deze beoordeling leidt tot een (nieuwe) toegangsweigering, dient ook de maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw opnieuw te worden opgelegd en moet een nieuwe plaatsingsbeschikking worden genomen. Tevens zal, ingeval de vreemdeling op grond van artikel 65 Vw is uitgezet, de vervoerder een nieuwe aanwijzing krijgen om de vreemdeling terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie A2/7.1.5).
3.3. De bevoegdheid
De bevoegde autoriteit die de plaats aanwijst waar de vreemdeling zich beschikbaar dient te houden overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen is de Minister. De Korpschef kan namens de Minister de beschikbaarheidsverplichting opleggen en de daarbij behorende aanwijzingen geven. De Korpschef kan van deze bevoegdheid ondermandaat verlenen aan de onder hem ressorterende ambtenaren (zie artikel 1.4 Vb).
3.1. Het zich beschikbaar houden (artikel 55, eerste lid, Vw)
Voor asielzoekers geldt dat zij zich beschikbaar dienen te houden in een AC of opvangvoorziening. Voor reguliere vreemdelingen kan dat de woon- of verblijfplaats zijn.
Voorzover de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning een aanvraag van een asielzoeker betreft, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvanglocatie zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet ophouden. Hij doet dit zowel mondeling als schriftelijk. Hiertoe wordt het model M117-A gebruikt. De aanwijzingen betreffen in ieder geval datum, tijdstip en plaats van aanwijzing. Daarnaast kunnen vervolgaanwijzingen worden gegeven met betrekking tot het verschaffen van extra informatie, het uitreiken van het rapport van gehoor of de beschikking. Het model M117-A doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking.
De beschikbaarheidsverplichting wordt opgelegd door de Korpschef. Hij maakt daarbij gebruik van model M117-A. Dit model doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking. De daarbij gegeven aanwijzingen kunnen onder meer betrekking hebben op het gehoor, het fotograferen, dactyloscoperen en het verstrekken van gegevens en/of informatie. De vreemdeling wordt daarbij tevens gewezen op de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel.
De beschikbaarheidsverplichting houdt in dat de vreemdeling bereikbaar is op een woon- of verblijfplaats zodat hij kan worden opgeroepen voor een gehoor of om in kennis gesteld te worden van voor hem relevante beslissingen. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling die opgeroepen is voor een bepaalde datum (en tijd), in de tussenliggende periode met inachtneming van zijn meldingsplicht (en de huisregels van het centrum), zich naar een andere plaats in Nederland mag begeven.
6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
3.2. Het doel
Het doel van deze maatregel is niet alleen de bevordering van de waarheidsvinding, maar ook de versnelling van de procedure doordat de vreemdeling steeds bereikbaar is. Meer in het algemeen kan het voorkomen dat tijdens de behandeling van de asielaanvraag nadere vragen opkomen die, als de asielzoeker bereikbaar is, snel beantwoord kunnen worden, wat niet alleen de voortgang van de procedure, maar ook de kwaliteit van de beslissing ten goede zal komen.
Indien de rechtbank de toepassing of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig acht, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Ook kan de rechtbank schadevergoeding toekennen (zie hierna A6/6.4).
Voor het toezicht op vreemdelingen zijn de artikelen 50 en 56 Vw van belang. Artikel 50 Vw betreft de bevoegdheid van het staande- en ophouden van personen (eventueel ook Nederlanders) in het belang van het toezicht op vreemdelingen. Artikel 56 Vw geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken.
Voor het toezicht op vreemdelingen zijn de artikelen 50 en 56 Vw van belang. Artikel 50 Vw betreft de bevoegdheid van het staande- en ophouden van personen (eventueel ook Nederlanders) in het belang van het toezicht op vreemdelingen. Artikel 56 Vw geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken.
In verband met een uitvoerige beschrijving van alle onderdelen die met het toezicht op vreemdelingen te maken hebben, wordt voor de toepassing van artikel 50 Vw verwezen naarA3/3.
Voor asielzoekers geldt dat zij zich beschikbaar dienen te houden in een AC of opvangvoorziening. Voor reguliere vreemdelingen kan dat de woon- of verblijfplaats zijn.
4.3.1. Het doel
Artikel 56 Vw geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken (zie ook artikel 5.1 Vb en artikel 5.2 VV).
De opgelegde beperkingen mogen niet zo verstrekkend zijn, dat zij het karakter van een vrijheidsontnemende maatregel hebben. Neemt de vreemdeling de opgelegde beperking niet in acht, dan begaat hij een in artikel 108 Vw strafbaar gestelde overtreding.
Indien de vreemdeling in strijd met zijn beschikbaarheidsverplichting met onbekende bestemming is vertrokken, dient de Korpschef dit te melden door middel van model M100 met een kopie van het model M117-A. Het met onbekende bestemming vertrokken zijn dient in beginsel concreet vastgesteld te zijn aan de hand van bijvoorbeeld een adrescontrole.
4.3.2. De bevoegdheid
Indien de Korpschef van oordeel is dat de vrijheid van beweging van een vreemdeling beperkt dient te worden, doet de Korpschef daartoe een gemotiveerd voorstel aan de Minister. In spoedeisende gevallen is de Korpschef gemachtigd om, in afwachting van de beslissing van de Minister, de vrijheid van beweging van een vreemdeling voor de duur van ten hoogste een week te beperken. Maakt de Korpschef van deze bevoegdheid gebruik, dan geeft hij daarvan binnen 24 uur kennis aan de Minister.
De Korpschef kan deze bevoegdheid alleen ondermandateren aan een ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is (zie artikel 1.4 Vb).
2. Omzetting van verblijfsvergunningen
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt verwezen naar A6/6.
De beperking van vrijheidsbeweging kan niet toegepast worden ten aanzien van vreemdelingen die voor onbepaalde tijd in Nederland verblijven. Als gevolg van de goedkeuring van het vierde Protocol bij het EVRM (Trb. 1964, 15 en 1969, 241, TK 1980-1981, 15 396 [R 1110], nr. 6) kan deze maatregel ook niet opgelegd worden aan personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen (zie artikel 8.7 Vb en B10).
4.3. Het beperken van de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 Vw
Alleen in uitzonderingsgevallen, met name indien de uitzetting (nog) niet kan plaatsvinden en de toepassing van een andere vrijheidsbeperkende maatregel niet in aanmerking komt, kan deze maatregel in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid toegepast worden.
Artikel 56 Vw geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken (zie ook artikel 5.1 Vb en artikel 5.2 VV).
4.3.4. De beëindiging
De maatregel wordt bovendien beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en daartoe voor hem ook gelegenheid bestaat. Deze gelegenheid bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument en vlieg- of reistickets (of voldoende financiële middelen om het beoogde verblijf en de terugkeer te bekostigen). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
De bevoegdheid tot het opleggen, wijzigen of opheffen van deze maatregel berust bij de Minister.
De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw – al dan niet in combinatie met een toezichtsmaatregel op grond van artikel 54, tweede lid, Vw – kan worden opgelegd in een daartoe bestemde vrijheidsbeperkende locatie. De maatregel wordt opgelegd door de DT&V en in spoedeisende gevallen door de korpschef. Vanuit de vrijheidsbeperkende locatie zal intensieve facilitering van (zelfstandige) terugkeer plaatsvinden.
De vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw in een vrijheidsbeperkende locatie zal in beginsel uiterlijk twaalf weken worden opgelegd. Indien niet kan worden voorkomen dat met name bij gezinnen met minderjarige kinderen de vrijheidsbeperkende maatregel langer dan twaalf weken moet worden voortgezet, kan de minister besluiten de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats op te leggen.
In het belang van het kind dient vrijheidsontneming slechts als uiterste maatregel en slechts gedurende korte duur te worden gehanteerd. Daarom wordt ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden. Hierbij valt ook te denken aan gezinnen met minderjarige kinderen waarvan één ouder in bewaring is gesteld. Voor de voorwaarden waaronder vrijheidsontneming van een gezin kan plaatsvinden wordt verwezen naar A6/2.4 en A6/5.3.3.8. Indien sprake is van gronden van openbare orde of nationale veiligheid – ook indien op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan – en het vertrek van het gezin is niet binnen korte termijn te realiseren, dan kan het gezin gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van artikel 56 Vw in een vrijheidsbeperkende locatie worden opgelegd. Dit geldt zowel voor gezinnen die voorafgaande aan de maatregel in de opvang hebben verbleven als gezinnen die in de illegaliteit worden aangetroffen.
Een vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen, die een vertrekplicht heeft en die voorafgaande aan de maatregel in de opvang van het COA of gemeentelijke (nood)opvang heeft verbleven, kan in beginsel de maatregel op grond van artikel 56 Vw worden opgelegd. De openbare orde wordt immers geacht de beperking van de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 Vw te vorderen indien een vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten. Het gegeven dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten – zijn vertrektermijn is immers ongebruikt verstreken – brengt met zich mee dat het gevaar dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan toezicht in beginsel aanwezig is.
4. Rechtsmiddelen
Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel te voldoen, kan hem vervoer naar de VBL worden aangeboden. Het vervoer van een vreemdeling naar de VBL vindt op vrijwillige basis plaats en kan dus niet rechtstreeks worden afgedwongen. Weigert hij hiervan gebruik te maken, en heeft hij geen concrete andere mogelijkheid om aan de maatregel te voldoen, dan kan de vreemdeling in beginsel vanwege het niet naleven van de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel uit hoofde van artikel 50 Vw worden staande gehouden en naar een plaats bestemd voor verhoor worden gebracht.
5. Uitzetting
5.1. Het doel van de maatregelen van artikel 57, 58 en 59 Vw
Om de overheid in staat te stellen haar bevoegdheid tot uitzetting van vreemdelingen die niet dan wel niet langer rechtmatig in Nederland verblijven uit te kunnen laten voeren, zijn in de wet vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen opgenomen.
Artikel 57 (vrijheidsbeperking) en 58 (vrijheidsontneming) Vw maken het mogelijk om vreemdelingen van wie de asielaanvraag is afgewezen te verplichten zich in verband met hun uitzetting beschikbaar te houden in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats die, indien noodzakelijk, tegen ongeoorloofd vertrek daaruit beveiligd kan worden. Het zich niet houden aan de verplichting van artikel 57 of 58 Vw is strafbaar gesteld in artikel 108 Vw.
Indien de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, kunnen vreemdelingen, zowel asielzoekers als reguliere vreemdelingen, ter fine van hun uitzetting in bewaring gesteld worden op grond van artikel 59 Vw. Bij deze maatregel gaat het in beginsel – anders dan bij artikel 58 Vw – om vreemdelingen ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn voor het vermoeden dat zij zich aan de uitzetting zullen onttrekken.
De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw – al dan niet in combinatie met een toezichtsmaatregel op grond van artikel 54, tweede lid, Vw – kan worden opgelegd in een daartoe bestemde vrijheidsbeperkende locatie. De maatregel wordt opgelegd door de DT&V en in spoedeisende gevallen door de korpschef. Vanuit de vrijheidsbeperkende locatie zal intensieve facilitering van (zelfstandige) terugkeer plaatsvinden.
De vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw in een vrijheidsbeperkende locatie zal in beginsel uiterlijk twaalf weken worden opgelegd. Indien niet kan worden voorkomen dat met name bij gezinnen met minderjarige kinderen de vrijheidsbeperkende maatregel langer dan twaalf weken moet worden voortgezet, kan de minister besluiten de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats op te leggen.
In artikel 57, eerste lid, Vw staat vermeld dat de Minister aan de asielzoeker de aanwijzing geeft om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden. Over het algemeen zal een dergelijke aanwijzing in de afwijzende beschikking opgenomen worden (zie artikel 5.7 Vb).
De Korpschef is namens de Minister bevoegd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen (zie A6/5.2.2 en artikel 1.4 Vb) de asielzoeker de verplichting op te leggen om zich beschikbaar te houden in een ruimte of plaats die beveiligd is tegen ongeoorloofd vertrek daaruit (zie artikel 58 Vw). Deze aanwijzing dient bij afzonderlijke beschikking gegeven te worden. De beschikking dient gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend te zijn. Aan de vreemdeling wordt een afschrift daarvan uitgereikt.
Deze laatst bedoelde aanwijzing wordt gegeven door de Korpschef van de politieregio waaronder de gemeente, waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft, ressorteert. De Korpschef kan van zijn bevoegdheid ondermandaat verlenen aan een hulpofficier van justitie (zie artikel 1.4 Vb).
5.2.2. De toepassing
De aanwijzing om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden kan gegeven worden ten aanzien van vreemdelingen van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie artikel 28 Vw) is afgewezen.
Het gaat hier dus zowel om de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen als de afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de gronden genoemd in artikel 30 en31 Vw. De motivatie voor het geven van de aanwijzing is gelegen in die gronden.
Bovendien kan deze aanwijzing slechts plaatsvinden indien de afwijzing op de aanvraag binnen acht weken (in verband met de voornemenprocedure) na de indiening daarvan is gegeven. De termijn van acht weken, bedoeld in artikel 57, derde lid, Vw is de termijn tussen indiening van de aanvraag en kennisgeving van de beschikking. Heeft de vreemdeling zich onttrokken aan de beschikbaarheidsplicht (van artikel 55 Vw) nadat het onderzoek is afgerond, maar nog voordat de afwijzende beschikking te zijner kennis is gebracht dan wordt de tijd waarin de vreemdeling zich heeft onttrokken aan de beschikbaarheidsplicht opgeteld bij de eerder genoemde termijn van acht weken (zie artikel 57, derde en vijfde lid, Vw). De afwijzing behoeft niet onherroepelijk te zijn. Dus ook als de vreemdeling procedeert bij de Vreemdelingenkamer tegen de afwijzing van zijn aanvraag kan hem deze aanwijzing gegeven worden.
Voor de aanwijzing op grond van artikel 58 Vw dient de Korpschef gebruikt te maken van een afzonderlijke beschikking. De beschikking dient gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend te zijn. Aan de vreemdeling wordt een afschrift daarvan uitgereikt (zie artikel 5.7 Vb). Daarbij wordt tevens (schriftelijk) mededeling gedaan van de mogelijkheid om tegen deze maatregel beroep in te stellen bij de rechtbank (zie A6/6).
5.2.3. De tenuitvoerlegging
De maatregel van artikel 57 en 58 Vw houdt in dat de asielzoeker zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats dient op te houden. Bij de term ‘ruimte’ kan gedacht worden aan bijvoorbeeld: een AC of opvangvoorziening, een gebouw of gebouwencomplex. De term ‘ruimte’ is niet beperkt tot een ‘cel’ waarvan de deur op slot kan. Ook een groter complex, dat de vreemdeling vrij veel bewegingsvrijheid laat, maar waarvan de buitenpoort dicht of afgesloten is, levert een ‘ruimte’ op. Ook een schip of vliegtuig valt onder de term ‘ruimte’. De term ‘plaats’ ziet meer op een geografische situatie, zoals bijvoorbeeld een haventerrein.
5.2.1. De bevoegdheid
5.3.7. Het strafrecht en bewaring
Voor het verkrijgen van een plaats in een grenslogies zie A6/5.3.6.2. Is plaatsing daar niet mogelijk, dan moet de vrijheidsontneming plaatsvinden in een ruimte of plaats met een overeenkomstig regime.
Deze laatst bedoelde aanwijzing wordt gegeven door de Korpschef van de politieregio waaronder de gemeente, waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft, ressorteert. De Korpschef kan van zijn bevoegdheid ondermandaat verlenen aan een hulpofficier van justitie (zie artikel 1.4 Vb).
Zodra de vreemdeling zijn vrijheid ontnomen is op grond van artikel 58 Vw, wordt een (door hem gewenste) raadsman of een via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp aangewezen raadsman ingelicht.
De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld onverwijld contact met zijn raadsman op te nemen. De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge artikel 104 Vw tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot hem. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen, zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen. Een en ander onder toezicht indien vereist en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Voor het aanwenden van rechtsmiddelen en de procedure van beroep bij de rechtbank zie A6/6.
5.2.5. De duur
De duur van de vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregel op grond van artikel 57 en 58 Vw is niet aan een termijn gebonden. Overigens mogen de maatregelen niet langer duren dan met het oog op het doel (de uitzetting) daarvan strikt noodzakelijk is.
Voor de aanwijzing op grond van artikel 58 Vw dient de Korpschef gebruikt te maken van een afzonderlijke beschikking. De beschikking dient gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend te zijn. Aan de vreemdeling wordt een afschrift daarvan uitgereikt (zie artikel 5.7 Vb). Daarbij wordt tevens (schriftelijk) mededeling gedaan van de mogelijkheid om tegen deze maatregel beroep in te stellen bij de rechtbank (zie A6/6).
Zodra de grond voor het toepassen van de maatregel van artikel 57 of 58 Vw niet meer aanwezig is, heft de Korpschef deze maatregel op. Hiervan kan sprake zijn:
5.3. Bewaring op grond van artikel 59 Vw
De asielzoeker zal in beginsel als vrijheidsbeperkende maatregel de aanwijzing krijgen om zich beschikbaar te houden in een bepaalde opvangvoorziening. Meer dan een beschikbaarheidsverplichting mag de vreemdeling niet opgelegd worden. Daarbij dient hij de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit, dat is de Korpschef, in acht te nemen. Deze aanwijzingen houden in ieder geval in dat de vreemdeling zich tweemaal per dag dient te melden bij de Korpschef.
Vreemdelingenbewaring is een maatregel die ten doel heeft de uitzetting van een vreemdeling te effectueren. Indien een vreemdeling niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dient hij in beginsel Nederland zelf te verlaten. Doet hij dat niet, dan vindt uitzetting plaats. Op deze wijze bestaat er een directe relatie tussen de vreemdelingenbewaring en het terugkeerbeleid. Mede vanwege het ingrijpende karakter is ook deze maatregel met strikte waarborgen omkleed.
Voor het verkrijgen van een plaats in een grenslogies zie A6/5.3.6.2. Is plaatsing daar niet mogelijk, dan moet de vrijheidsontneming plaatsvinden in een ruimte of plaats met een overeenkomstig regime.
De bevoegdheid tot inbewaringstelling berust bij de Minister (zie artikel 59, eerste lid, Vw). De maatregel van inbewaringstelling wordt namens hem opgelegd en opgeheven door een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is (zie artikel 1.4 Vb en artikel 5.3 VV).
Zodra de vreemdeling zijn vrijheid ontnomen is op grond van artikel 58 Vw, wordt een (door hem gewenste) raadsman of een via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp aangewezen raadsman ingelicht.
Indien het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid dat vordert, kunnen, met het oog op de uitzetting, in bewaring gesteld worden vreemdelingen die:
Indien het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid dat vordert, kunnen, met het oog op de uitzetting, in bewaring gesteld worden vreemdelingen die:
De openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen wanneer de noodzakelijke bescheiden ten behoeve van de uitzetting (zoals een geldig document voor grensoverschrijding, een reisbiljet en/of een claim op een vervoersmaatschappij) voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn (zie artikel 59, tweede lid, Vw en A6/5.3.3.5).
Het belang van de openbare orde kan de bewaring vorderen (Vb, art. 5.1a):
Overigens mag bewaring op grond van de Vw niet voor strafvorderingsdoeleinden worden toegepast; wel is het toegestaan om een vreemdeling als verdachte van een strafbaar feit marginaal te horen en daarvan proces-verbaal op te maken.
Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken kan worden aangenomen ingeval de vreemdeling (art. 5.1b Vb):
5.3.1. Het doel
6. Rechtsmiddelen
In het algemeen kan worden aangenomen dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure belemmert indien hij niet binnen de aan hem gegunde vertrektermijn is vertrokken en geen activiteiten onderneemt om dit vertrek mogelijk te maken. Ook indien de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert kan niet op de enkele grond van 5.1b, eerste lid onder c Vb 2000 de maatregel van bewaring worden gemotiveerd maar zal een aanvullende grond moeten worden vermeld.
5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid
5.3.3.3. Het niet of niet langer toepassen van bewaring
Gronden om de vreemdelingenbewaring niet of niet langer toe te passen kunnen zijn:
Bewaring mag bovendien niet worden toegepast uitsluitend op basis van overwegingen van algemene aard. De bewaring moet gerelateerd zijn aan feiten en/of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de vreemdeling. Steeds zal een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden tussen het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid en het individuele belang van de vreemdeling (zie A6/5.3.5).
De openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen wanneer de noodzakelijke bescheiden ten behoeve van de uitzetting (zoals een geldig document voor grensoverschrijding, een reisbiljet en/of een claim op een vervoersmaatschappij) voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn (zie artikel 59, tweede lid, Vw en A6/5.3.3.5).
5.3.3.4. Vreemdelingen die op korte termijn uitgezet kunnen worden
Aan de gebruikmaking van het bewaringsinstrument ex Artikel 59, eerste en tweede lid, Vw is een aantal belangrijke beperkingen verbonden. Hieronder worden deze opgesomd:
Daarnaast kunnen nog andere, persoonsgebonden belangen een rol spelen.
Uit het bewaringsdossier van de vreemdeling dient te blijken dat een belangenafweging, waarbij het bovenstaande in acht is genomen, heeft plaatsgevonden.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure belemmert indien hij niet binnen de aan hem gegunde vertrektermijn is vertrokken en geen activiteiten onderneemt om dit vertrek mogelijk te maken. Ook indien de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert kan niet op de enkele grond van 5.1b, eerste lid onder c Vb 2000 de maatregel van bewaring worden gemotiveerd maar zal een aanvullende grond moeten worden vermeld.
5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid
Indien een vreemdeling die vanwege criminele antecedenten een gevaar vormt voor de openbare orde een (herhaalde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd wil indienen of heeft ingediend zal in beginsel bewaring op grond van artikel 59, eerste lid Vw of artikel 59 eerste en tweede lid Vw worden toegepast. Voor die toepassing is het noodzakelijk dat een belangenafweging plaatsvindt.
Het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, dient verder zo beperkt mogelijk te geschieden. Het kan hierbij gaan om vreemdelingen die een dergelijke aanvraag indienen/ingediend hebben en waarvan bijvoorbeeld om redenen van manifest bedrog of andere gronden genoemd in A6/5.3.3.1 aangenomen kan worden dat zij zich aan de eventuele uitzetting zullen gaan onttrekken. Ook kan het voorkomen dat een vreemdeling eerst nadat hij in bewaring gesteld is een asielaanvraag indient. In beide gevallen zal aan de hand van de bekend geworden feiten en omstandigheden voor de aanvraag bijvoorbeeld het nader gehoor, een concrete afweging gemaakt moeten worden met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag.
Ingeval van asielzoekers geldt dat zolang de aanvraag nog niet in eerste aanleg is afgewezen, de inbewaringstelling uitsluitend mag plaatsvinden en voortduren na vooraf overleg met de IND. Van dat overleg dient verslag te worden gelegd in de vreemdelingenadministratie.
Bewaring mag bovendien niet worden toegepast uitsluitend op basis van overwegingen van algemene aard. De bewaring moet gerelateerd zijn aan feiten en/of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de vreemdeling. Steeds zal een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden tussen het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid en het individuele belang van de vreemdeling (zie A6/5.3.5).
Het is mogelijk om een Dublinclaimant op grond van artikel 59, eerste lid, Vw of artikel 59, eerste én tweede lid, Vw in bewaring te stellen. Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangenafweging plaatsvindt (zie A6/5.3.3.5). Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging in beginsel al gegeven, nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname), dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname). Het gegeven dat er gevaar bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, is dus in beginsel altijd aanwezig bij Dublinclaimanten.
5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Artikel 8.7 Vb geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van de (bepalingen die gelden voor de) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar B10.
Met de documenten als bedoeld in artikel 50, eerste lid, Vw en artikel 4.21 Vb kan de vreemdeling aantonen verblijfsrecht te ontlenen aan het Gemeenschapsrecht. Hij heeft, als persoon die valt onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder e, Vw, zolang en indien het onderzoek door de Minister niet heeft uitgewezen dat de betrokken persoon geen verblijfsrecht (meer) heeft, of anderszins niet voldaan is aan de beperkingen en voorwaarden van het Gemeenschapsrecht (zie Richtlijn 2004/38, alsmede de uitspraak van de ABRvS d.d. 7 juli 2003, JV 2003, 431).
Een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, alsmede het familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, kan slechts in bewaring worden gesteld indien de Minister een besluit op grond van Richtlijn 2004/38 heeft genomen, waarmee het verblijfsrecht van de vreemdeling is beëindigd of aan hem is ontzegd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid én
Tenslotte kan ten aanzien van een vreemdeling die stelt gebruik te maken van het Gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van personen, maar geen geldige identiteitskaart of geldig paspoort toont en evenmin op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen, als regel niet worden vastgesteld dat hij onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt en kan hij in bewaring worden gesteld.
Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw biedt de mogelijkheid tot het in bewaring stellen van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen (verlengen) van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd indienen/ingediend hebben en van wie in afwachting van de beslissing daarop de uitzetting achterwege blijft (zie artikel 8, aanhef en onder f en g, Vw). Voor de procedure tot inbewaringstelling van deze vreemdelingen wordt verwezen naar A6/5.3.4.
5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
De bewaring die op grond van artikel 59, eerste of tweede lid, Vw, is opgelegd aan een gezin met minderjarige kinderen zal niet langer duren dan veertien dagen. Deze termijn kan slechts worden overschreden indien de binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden vanwege:
5.3.3.9. Bewaring na afwijzing tweede of volgende asielaanvraag
Ten aanzien van vreemdelingen van wie de tweede of volgende asielaanvraag met toepassing van artikel 4:6 Awb in de algemene asielprocedure is afgewezen omdat geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht wordt zo spoedig mogelijk na bekendmaking van de afwijzende beschikking beoordeeld of bewaring op grond van artikel 59 Vw zal worden toegepast. Indien de hier bedoelde vreemdeling zich eerder gedurende enige tijd heeft ontrokken aan toezicht weegt het belang van de openbare orde in beginsel zwaarder dan het individuele belang van de vreemdeling. Voor de beoordeling van tweede of herhaalde aanvragen wordt verwezen naar C14/4.
5.3.4. De procedure
5.3.4.1. Het gehoor
Zie artikel 5.2 Vb. Het uitgangspunt is dat een vreemdeling, voordat hij in bewaring gesteld wordt, gehoord wordt. Het kan voorkomen dat het gehoor na de inbewaringstelling plaatsvindt. Dit geval kan zich bijvoorbeeld voordoen als de vreemdeling aansluitend aan een ontslag uit strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld is en vervolgens voor het gehoor overgebracht wordt naar een politiebureau. Een gehoor na de inbewaringstelling kan zich ook voordoen als de advocaat niet tijdig op verzoek van de vreemdeling bij het gehoor aanwezig kan zijn.
2. Omzetting van verblijfsvergunningen
Uit de vreemdelingenadministratie dient duidelijk te blijken om welke reden(en) het gehoor na de inbewaringstelling plaatsgevonden heeft.
3. Behandeling van de aanvraag
5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
Van het gehoor wordt een proces-verbaal M110-B opgemaakt (zie artikel 5.2, vierde lid, Vb).
5.3.4.2. Bijstand van een raadsman
In beginsel wordt de vreemdeling gehoord in het bijzijn van een advocaat. Van dit recht moet door de bevoegde ambtenaar aan de vreemdeling tijdig mededeling gedaan worden (zie artikel 5.2, vijfde lid, Vb). ‘Tijdig’ betekent in dit verband dat, als de vreemdeling rechtsbijstand bij het gehoor wil, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zich zodanig dient in te spannen dat die bijstand in redelijkheid gerealiseerd kan worden.
Ten aanzien van deze vorm van rechtsbijstand kunnen zich de volgende situaties voordoen:
Op verzoek van de raadsman wordt hem een afschrift verstrekt van het besluit tot bewaring M110-A en van het proces-verbaal van gehoor M110-B. De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge artikel 104 Vw tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot de vreemdeling. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen, indien vereist, onder toezicht en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
Op verzoek van de raadsman wordt hem een afschrift verstrekt van het besluit tot bewaring M110-A en van het proces-verbaal van gehoor M110-B. De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge artikel 104 Vw tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot de vreemdeling. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen, indien vereist, onder toezicht en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
De maatregel waarbij de bewaring opgelegd wordt, wordt gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt (zie artikel 5.3 Vb). Deze vereisten gelden ook bij de voortzetting van de bewaring op een andere grond, zie A6/5.3.4.5. Wanneer aan de in bewaring te stellen vreemdeling eveneens een terugkeerbesluit, inclusief een eventueel inreisverbod (zie A5/1), wordt uitgereikt, vindt uitreiking daarvan plaats voorafgaand aan of gelijktijdig met de inbewaringstelling. De vreemdeling moet daarbij schriftelijk en mondeling (in een voor hem begrijpelijke taal) worden gewezen op de mogelijkheid tot het aanwenden van het rechtsmiddel genoemd in artikel 93 Vw (zie A6/6). Voor het opleggen van de maatregel van bewaring dient gebruik te worden gemaakt van een formulier M110-A. Dit model is zodanig ingericht dat daarin, overeenkomstig artikel 59 Vw, steeds de gronden voor de inbewaringstelling worden aangegeven.
3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
Uit de vreemdelingenadministratie dient duidelijk te blijken om welke reden(en) het gehoor na de inbewaringstelling plaatsgevonden heeft.
5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
Indien de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een reguliere aanvraag of een asielaanvraag indient, komt aan de beslissing op de reguliere aanvraag ingevolge artikel 73, vierde lid, Vw en aan de beslissing op de asielaanvraag ingevolge artikel 82, vierde lid, Vw geen opschortende werking toe. Voor de procedure betreffende de indiening van een reguliere aanvraag wordt verwezen naar B1/9.1.1.
3.5. Wijze van behandeling
Voor de specifieke bepalingen ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel in bewaring wordt verwezen naar B9/3.1.
Indien de bewaring wordt opgeheven, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing – zonder dat de vreemdeling uit de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten is geweest – opnieuw in bewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van bewaring is het noodzakelijk dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Het maakt in dit verband geen verschil of de opheffing van de eerdere bewaring door de rechtbank is bevolen dan wel op eigen initiatief namens de Minister is opgeheven. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.
Ook is het denkbaar dat de bewaringsgrond van artikel 59, tweede lid, Vw wordt omgezet in artikel 59, eerste lid, Vw. Bijvoorbeeld indien de vreemdeling zich verzet bij de uitzetting. Bij een hernieuwde inbewaringstelling dient de vreemdeling uiteraard te worden gehoord.
Op verzoek van de raadsman wordt hem een afschrift verstrekt van het besluit tot bewaring M110-A en van het proces-verbaal van gehoor M110-B. De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge artikel 104 Vw tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot de vreemdeling. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen, indien vereist, onder toezicht en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
Naast de wettelijke termijn van artikel 59, vierde en vijfde lid, Vw geldt een maximale duur van de bewaring indien een gezin met minderjarige kinderen een maatregel op grond van artikel 59 Vw is opgelegd. Voor deze maximale termijn en de voorwaarden waaronder deze termijn mag worden overschreden, wordt verwezen naar A6/5.3.3.8.
5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
Indien redenen aanwezig zijn om de bewaring met maximaal twaalf maanden te verlengen dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden door de DT&V hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. Van belang hierbij is dat voor de berekening van de zes maanden termijn van de laatste datum inbewaringstelling dient te worden uitgegaan. De termijn die gemoeid is met een periode waarin niet tot uitzetting kan worden overgegaan (gedurende toelatingsaanvragen) wordt niet bij deze termijn meegenomen. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de Algemene Termijnenwet niet van toepassing.
Voorts mag de bewaring niet langer duren dan met het oog op het doel van deze maatregel strikt noodzakelijk is.
De DT&V moet gelet hierop alle maatregelen nemen om de uitzetting op zo kort mogelijke termijn te effectueren (onderzoek naar identiteit en nationaliteit, naar aanwezigheid reisdocumenten, verblijfspositie, aanvraag (vervangende) reisdocumenten e.d.). Bij het voortduren van de maatregel zal de nadruk gelegd dienen te worden op de voortvarendheid van het handelen met betrekking tot het verkrijgen van reis- en/of identiteitsdocumenten.
De omstandigheid dat een beroep op de rechtbank (zie artikel 93 Vw) over de rechtmatigheid van de bewaring nog bij de rechter aanhangig is, staat niet aan de uitzetting in de weg.
Indien de bewaring wordt opgeheven, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing – zonder dat de vreemdeling uit de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten is geweest – opnieuw in bewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van bewaring is het noodzakelijk dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Het maakt in dit verband geen verschil of de opheffing van de eerdere bewaring door de rechtbank is bevolen dan wel op eigen initiatief namens de Minister is opgeheven. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.
5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
Indien een vreemdeling gedurende de tenuitvoerlegging van de bewaring een verzoek om een voorlopige voorziening indient, blijft de vreemdelingenbewaring in beginsel voortduren. De ambtenaar van de DT&V zal in overleg met de IND na moeten gaan of deze procedure in Nederland afgewacht mag worden. Indien daartoe besloten wordt en de vreemdelingenbewaring voortduurt, zal de IND aan de rechtbank verzoeken om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te laten plaatsvinden. Ook de advocaat van de vreemdeling kan in deze gevallen aan de rechtbank om bespoediging van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening vragen.
In artikel 59, vierde lid, Vw wordt aangegeven hoe lang de maatregel van bewaring mag duren. Daarbij is het volgende onderscheid gemaakt:
Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, Vb wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een cel van de KMar of in een huis van bewaring. Tenuitvoerlegging in een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 58, eerste lid, Vw is eveneens mogelijk. Het regime is geregeld in respectievelijk de Regeling Politiecellencomplex, de Penitentiaire beginselenwet en het Reglement grenslogies. In artikel 5.4, eerste lid, Vb is bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van de bewaring de vreemdeling niet verder beperkt wordt in de uitoefening van zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de bewaring en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van de tenuitvoerlegging.
Hoewel de tenuitvoerlegging van de bewaring doorgaans op een politiebureau of in een cel van de KMar zal aanvangen, dient deze in beginsel te worden voortgezet in een justitiële inrichting of in een ruimte of plaats waar het Reglement grenslogies van toepassing is, indien en zodra dit redelijkerwijs mogelijk is (zie artikel 5.4, tweede lid, Vb). Het criterium ‘redelijkerwijs mogelijk’ ziet op de beschikbare capaciteit in de desbetreffende inrichtingen, alsmede op de prioriteitstelling die bij de verdeling daarvan gehanteerd dient te worden.
Een uitzetcentrum is in beginsel bedoeld voor illegale vreemdelingen die op korte termijn uitzetbaar zijn. Een uitzetting verloopt in beginsel altijd via een uitzetcentrum (zie A4/6.4). Echter, de duur van het verblijf in het uitzetcentrum is niet aan een wettelijk maximum gebonden. Vreemdelingenbewaring in een uitzetcentrum kan duren zolang de openbare orde of de nationale veiligheid dat vergt en zolang er zicht is op uitzetting. Ook vanuit de optiek van de in het uitzetcentrum aanwezige voorzieningen bestaat er geen limiet aan de verblijfsduur in het uitzetcentrum.
5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen meldt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na inbewaringstelling aan bij DJI.
Model M52. Verzoek aan de vreemdeling om in persoon te verschijnen
Model M53. Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
Model M54. Aanvraagformulier Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Model M47. Garantverklaring
Vervallen
Model M47-A. Garantverklaring verkorte mvv-procedure (bedrijven en onderwijsinstelingen)
Vervallen
Model M48. Garantverklaring uitwisselingsorganisatie
Vervallen
Model M48-B. Bewust en garantverklaring verblijf bij religieuze en levensbeschouwelijke organisaties
Model M49. Arbeidsongeschiktheidsverklaring
Vervallen
Model M50. Checklist mvv-vereiste
Vervallen
Model M51-A. Verklaring ontvangst waarborgsom
Vervallen
Model M51-B. Verklaring teruggave waarborgsom
Vervallen
Model M52. Verzoek aan de vreemdeling om in persoon te verschijnen
Model M53. Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
Model M54. Aanvraagformulier Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Model M119. Dossier vreemdelingenbewaring
Model M120. (Voortgangs) Gegevens met betrekking tot uitzetting
Model M122
Model M123-M129. Gereserveerd
Model M130. Brochure ongewenstverklaring
Vervallen
Model M131-A. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Diplomatenverdrag
Vervallen
Model M131-B. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Consulaire Verdrag
Vervallen
Model M132. Verzoek om inlichtingen aan de Regionale Directie Arbeidsvoorziening
Vervallen
Model M133-A. Inlichtingenformulier voor het vragen van inlichtingen conform art. 8.1 Vb
Vervallen
Model M133-B. Antwoordformulier
Vervallen
Model M133-C. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
Model M133-D. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
Model M134. Verrekeningsstaat
Vervallen
Model M135. Declaratie kosten verwijdering
Vervallen
Model M136. Opgave van ingenomen gelden
Vervallen
Model M137-A. Formulier restitutie garantiesom
Vervallen
Model M137-B. Formulier restitutie passagebiljet
Vervallen
Model M138. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
Vervallen
Model M139. Verzoek om afgifte van een Machtiging tot voorlopig verblijf
Vervallen
Model M55. Kennisgeving bedenktijd/aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel en beroep op regeling B9 Vreemdelingencirculaire 2000
| Vreemdelingennummer: | ............... |
|---|---|
| Bedrijfsprocessen Systeemnummer: | ............... |
| Aan: de Staatssecretaris van Justitie | Aan: de Staatssecretaris van Justitie |
| --- | --- |
| Immigratie- en Naturalisatiedienst | Immigratie- en Naturalisatiedienst |
| Locatie: | ............... |
| Ter attentie van de contactpersoon mensenhandel: | Ter attentie van de contactpersoon mensenhandel: |
| faxnummer: | ............... |
Conform het gestelde in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire 2000, deel ik u mede namens de Korpschef van de politieregio ......, dat aan/ door:
| achternaam: | ............... |
|---|---|
| voorna(a)m(en): | ............... |
| geboortedatum: | ............... |
| geboorteplaats: | ............... |
| nationaliteit: | ............... |
| geslacht: | ............... |
| adres: | ............... |
| postcode, plaats: | ............... |
- ( ). Op ...... (datum) bedenktijd op grond van de regeling B9 Vreemdelingencirculaire is verleend. Betrokkene
- •. komt wel/niet voor in het herkenningsdienstsysteem/opsporingsregister/nationaal Schengen informatiesysteem;
- •. is wel/niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding. Indien betrokkene niet in het bezit is van een geldig document voor de grensoverschrijding wordt betrokkene voor de duur van de bedenktijdfase in het bezit gesteld van een W2 document. Hiertoe dient een door betrokkene ondertekende fotokaart, voorzien van persoonsgegevens, een pasfoto en het vreemdelingennummer aan de IND contactpersoon separaat nagezonden te worden;
- •. is wel/niet in vreemdelingenbewaring gesteld;
- •. heeft wel/niet alsnog toegang via Schiphol tot Nederland verkregen in verband met bedenktijd;
- •. heeft ......(aantal) in Nederland verblijvende kinderen;
- •. heeft wel/niet een uitkering op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen aangevraagd.
- ( ). Te ...... (plaats van aangifte) aangifte is gedaan van het misdrijf genoemd in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (mensenhandel). Betrokkene is slachtoffer/ getuige-aangever en doet een beroep op de regeling uit B9, om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. De voornoemde aangifte heeft geresulteerd in: ...... (procesverbaal-nummer) Betrokkene:
- •. komt wel/niet voor in het herkenningsdienstsysteem/opsporingsregister/nationaal Schengen informatiesysteem;
- •. is wel/niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding;
- •. is wel/niet in vreemdelingenbewaring gesteld;
- •. heeft ......(aantal) in Nederland verblijvende kinderen;
- •. wenst wel/niet te vertrekken na aangifte;
- •. heeft wel/niet gebruik gemaakt van de bedenktijdfase, eindigend op ...... (datum);
- •. heeft wel/niet een uitkering op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen aangevraagd.
- ( ). Op ...... (datum verlenen medewerking) medewerking is verleend door middel van ...... (wijze verlenen medewerking) aan de opsporing en vervolging van het misdrijf genoemd in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (mensenhandel). Betrokkene is slachtoffer en doet een beroep op de regeling uit B9, om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. De medewerking wordt verleend bij: ...... (fase van het onderzoek/evt. zaaknummer) Betrokkene:
- •. komt wel/niet voor in het herkenningsdienstsysteem/opsporingsregister/nationaal Schengen informatiesysteem;
- •. is wel/niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding;
- •. is wel/niet in vreemdelingenbewaring gesteld;
- •. heeft ...... (aantal) in Nederland verblijvende kinderen;
- •. wenst wel/niet te vertrekken na medewerking;
- •. heeft wel/niet gebruik gemaakt van de bedenktijdfase, eindigend op ...... (datum);
- •. heeft wel/niet een uitkering op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen aangevraagd.
| Document als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000 | Document als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000 |
|---|---|
| Aard: identiteitsbewijs/ paspoort/ anders, te weten: ...... | Aard: identiteitsbewijs/ paspoort/ anders, te weten: ...... |
| afgegeven op | ............... (datum) |
| afgegeven te | ............... (plaats) |
| land van afgifte | ............... |
| geldig tot | ............... (datum) |
Gegevens omtrent in Nederland verblijvende kind(eren) van betrokkene
| Aantal kinderen: | ............... |
|---|---|
| Kind 1 | ............... |
| --- | --- |
| Achternaam: | ............... |
| Voorna(a)m(en): | ............... |
| Geboortedatum: | ............... |
| Geboorteplaats: | ............... |
| Geboorteland: | ............... |
| Nationaliteit: | ............... |
| Betrokkene is wel/ niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding. | Betrokkene is wel/ niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding. |
Indien aan de ouder van betrokkene bedenktijd is verleend en betrokkene niet in het bezit is van een geldig document voor de grensoverschrijding wordt betrokkene voor de duur van de bedenktijdfase van de ouder in het bezit gesteld van een W2 document. Hiertoe dient een door betrokkene of diens ouder ondertekende fotokaart, voorzien van persoonsgegevens, een pasfoto en het vreemdelingennummer aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst contactpersoon separaat nagezonden te worden.
| Kind 2 | ............... |
|---|---|
| Achternaam: | ............... |
| Voorna(a)m(en): | ............... |
| Geboortedatum: | ............... |
| Geboorteplaats: | ............... |
| Geboorteland: | ............... |
| Nationaliteit: | ............... |
| Betrokkene is wel/ niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding. | Betrokkene is wel/ niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding. |
Indien aan de ouder van betrokkene bedenktijd is verleend en betrokkene niet in het bezit is van een geldig document voor de grensoverschrijding wordt betrokkene voor de duur van de bedenktijdfase van de ouder in het bezit gesteld van een W2 document. Hiertoe dient een door betrokkene of diens ouder ondertekende fotokaart, voorzien van persoonsgegevens, een pasfoto en het vreemdelingennummer aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst contactpersoon separaat nagezonden te worden.
Document als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000
| Aard: | bijgeschreven in document voor grensoverschrijding ouder/ identiteitsbewijs/ paspoort/ anders, te weten ............... |
|---|---|
| afgegeven op | ............... (datum) |
| afgegeven te | ............... (plaats) |
| land van afgifte | ............... |
| geldig tot | ............... (datum) |
| Contactpersoon bij de politie: | Contactpersoon bij de politie: |
| --- | --- |
| Naam: | ............... |
| Telefoonnummer: | ............... |
| Faxnummer: | ............... |
| Contactpersoon bij het Openbaar Ministerie | Contactpersoon bij het Openbaar Ministerie |
| --- | --- |
| Parketnummer: | ............... |
| Parket: | ............... |
| Naam: | ............... |
| Telefoonnummer: | ............... |
| Faxnummer: | ............... |
Indien de kennisgeving een aangifte of het verlenen van medewerking aan de opsporing en vervolging van mensenhandel betreft, bericht ik u tevens het onderstaande.
De genoemde aangifte/het verlenen van medewerking aan de opsporing of vervolging dient gezien te worden als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd “onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9” en ik verzoek u mij, in het belang van het onderzoek en de te nemen maatregelen in het kader van vreemdelingentoezicht, te berichten over uw beslissing/ de voortgang van de opsporing dan wel vervolging.
Voor de kinderen van slachtoffer-aangevers, getuige-aangevers en slachtoffers die op andere wijze medewerking verlenen aan de opsporing en vervolging van mensenhandel dient een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij ouder” te worden ingediend.
Voor zover het een aanvraag van een slachtoffer-aangever of een slachtoffer dat medewerking verleend aan de vervolging of opsporing betreft, verzoek ik u mij, in het belang van het onderzoek en de te nemen maatregelen in het kader van vreemdelingentoezicht, binnen 24 uur te berichten over uw beslissing.
de Korpschef,
namens deze,
Datum:
Plaats:
Model M55-A. Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel gedurende asielprocedure
Model M56. Voorblad aanvraag verblijfsvergunning door een inbewaringgestelde vreemdeling
Vreemdelingennummer: ..........
Immigratie- en Naturalisatiedienstnummer: ..........
Aan:
de Staatssecretaris van Justitie,
Immigratie en Naturalisatiedienst,
Locatie .........
Ter attentie van de contactpersoon:
faxnummer: ..........
Hierbij deel ik u namens de Korpschef/ Commandant der Koninklijke Marechaussee te .........., mede, dat op .........., door:
achternaam: ..........
voorna(a)m(en): ..........
geboortedatum: ..........
geboorteplaats: ..........
geboorteland: ..........
nationaliteit: ..........
geslacht: ..........
adres: ..........
postcode/plaats: ..........
te .......... (plaats), een aanvraag is ingediend voor:
- ( ). een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000
- ( ). een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000
- –. Betrokkene is op grond van .......... in vreemdelingenbewaring gesteld;
- –. behoort tot de categorie ..........;
- –. komt: niet/ wel voor in het Herkenningsdienstsysteem/ Opsporingsregister/Nationaal Schengen Informatie Systeem ter zake ..........;
- –. betrokkene is niet/ wel in het bezit van een geldig reisdocument;
- –. betrokkene is niet/ wel op korte termijn uitzetbaar.
Naam: ..........
Telefoonnummer: ..........
Faxnummer: ..........
In het belang van de te nemen maatregelen van vreemdelingentoezicht, verzoek ik om mij binnen 24 uur over uw beslissing te berichten.
de Korpschef/ Commandant der Koninklijke Marechaussee,
namens deze,
Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
Vervallen
Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
Vervallen
Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
Vervallen
Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
Model M63. Voorstel intrekking verblijfsvergunning en/ of ongewenstverklaring
Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
Model M65-C. Beschikking afwijzen aanvraag wijziging verblijfsvergunning
Vervallen
Model M66. Beschikking intrekking verblijfsvergunning
Vervallen
Model M67. Staat van inlichtingen adoptie
Model M68. Staat van inlichtingen opname als pleegkind
Vervallen
Model M69-M74. Gereserveerd
Model M75-A. Document I
Vervallen
Model M75-B. Document II
Vervallen
Model M75-C. Document III
Vervallen
Model M75-D. Document IV
Vervallen
Model M75-E. Document EU/EER
Vervallen
Model M75-F. Document W
Vervallen
Model M75-G. Document W2
Vervallen
Model M76. Ontvangstbewijs voor het in ontvangst nemen van een verblijfsdocument
Model M77-A. Sticker verblijfsaantekeningen Algemeen
Vervallen
Model M77-B. Sticker verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen
Vervallen
Model M77-C. Sticker verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures
Vervallen
Model M77-D
Vervallen
Model M78-A. Rappelbrief omtrent tijdige aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel)
Vervallen
Model M78-B. Rappelbrief omtrent tijdige verlenging / wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel aanvraag van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (regulier)
Vervallen
Model M79. Reizigerslijst voor schoolreizen
Vervallen
Model M80. EU-staat
Model M81. Geprivilegieerdendocument
Model M81-A. Geprivilegieerdendocument (toelichting)
Vervallen
In artikel 3:40 Awb is vastgelegd dat een besluit pas in werking treedt als het bekendgemaakt is. Deze hoofdregel geldt ook hier. Dat betekent dat de beslissing wordt genomen met inachtneming van het nieuwe materiële recht, dus de inhoudelijke toets vindt aan de hand van de Vw plaats. Dit geldt zowel voor aanvragen in eerste aanleg die op of na 1 april 2001 zijn ontvangen als voor aanvragen in eerste aanleg die per 1 april 2001 reeds waren ontvangen, waarop nog niet is beslist.
14. Verwerking persoonsgegevens
Artikel 3.103 Vb is geen bepaling van overgangsrecht per 1 april 2001. Dit artikel is bedoeld voor wijzigingen van na de inwerkingtreding van de Vw en codificeert de in het vreemdelingenrecht geldende uitzondering op het onmiddellijkheidsbeginsel.
Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf op grond van artikel 9 Vw (oud) voor een regulier verblijfsdoel (onder een beperking) worden aangemerkt als aanvragen tot het verlenen of het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw.
De artikelen 118–120 Vw regelen het overgangsrecht ten aan zien van de rechtsmiddelen. Voornoemde artikelen bevatte zowel de mogelijkheden tot het instellen van een rechtsmiddel op grond van de Vw (oud) en de behandeling van dit rechtsmiddel.
De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
Dit betekent dat het mogelijk was een bezwaarschrift in te dienen op grond van de Vw (oud) zolang de bezwaartermijn na inwerkingtreding van de wet nog niet was verstreken. Indien bijvoorbeeld een besluit twee weken voor inwerkingtreding van de Vw bekend was gemaakt, respectievelijk een handeling twee weken voor inwerkingtreding was verricht, kon nog gedurende twee weken na inwerkingtreding van de wet bezwaar daartegen worden gemaakt.
Artikel 2 – alternatief
In artikel 118, tweede lid, Vw is vastgelegd dat op de behandeling van een dergelijk bezwaarschrift de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn. Het betreft dan artikel 29 en volgende Vw (oud). Dat betekent ook dat bijvoorbeeld de ACVZ moet worden ingeschakeld indien dat volgens artikel 31, tweede lid, Vw (oud) verplicht is.
Toelichting
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)