Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Type Circulaire
Publication 2026-08-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-14
State In force
Source BWB
artikelen 31
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Als de vreemdeling kenbaar maakt dat hij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel wil dienen, dan volgt de registratie en indiening van de asielaanvraag. De registratie en indiening van de asielaanvraag vormen onderdeel van de OVA-fase, maar zijn geen onderdeel van screening. Zie verder paragraaf C1/2 Vc.

A7. Registratie en identificatie

In dit kader voert de Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek (RBL) bij binnenkomst op de screeningslocatie een veiligheidsfouillering van het lichaam en de bagage van de vreemdeling uit. Daarnaast doet de IND op basis van de afgenomen biometrie van de vreemdeling een bevraging op nationale en internationale systemen (artikel 15 lid 2/3/4). De IND stelt de vreemdeling ook enkele vragen die betrekking hebben op nationale veiligheid, 1F-gedragingen en openbare orde schendingen.

4.3.4. Voorlopige medische controle en beoordeling kwetsbaarheid

De IND biedt de vreemdeling een voorlopige medische controle aan als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, en artikel 12 Screeningsverordening. Dit medisch onderzoek wordt uitgevoerd door medisch gekwalificeerd personeel van Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA). Dit onderzoek vindt plaats na de OVA-fase op de aan de vreemdeling toegewezen COA-opvanglocatie. De uitkomst van de medische controle wordt niet gedeeld met de IND. De IND registreert wel of het onderzoek heeft plaatsgevonden.

10.1. Inleiding

De ongewenstverklaring betreft een administratieve maatregel die ten doel heeft bepaalde vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer is toegestaan in Nederland te verblijven, uit ons land te weren.

3.4. De toepassing

De vreemdeling wordt in staat gesteld om te reageren indien er (vermeende) onjuistheden op het screeningsformulier staan. Eventuele opmerkingen van de vreemdeling worden toegevoegd aan het screeningsformulier.

4.4. Vervolgstappen

De IND-medewerker checkt alle beschikbare informatie, die door de vreemdeling is aangeleverd of door de IND op andere wijze is verkregen (paragraaf A1/5.2 en 3 Vc). Zo nodig zorgen IND en vreemdeling voor aanvulling van de gegevens.

2.7. De duur

De vreemdeling ontvangt:

2.6. De tenuitvoerlegging

Het betreft hier vreemdelingen van wie het verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd conform het hiervoor geldende beleid. Het kan hier gaan om zowel intrekking als het niet-verlengen van de verblijfsvergunning (zie B1/5.3.6, C5/3, C8/3 en C8/5).

7.1. Het Protocol Identificatie en Labeling

Een opgelegde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie artikel 37 WvSr) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie artikel 38m WvSr) dan wel een inrichting voor jeugdigen (zie artikel 77h, vierde lid, onder a WvSr) alsook ter beschikkingstelling (zie artikel 37a WvSr) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.

3.1. Het zich beschikbaar houden (artikel 55, eerste lid, Vw)

Een vreemdeling die in één van de Benelux- of Schengenstaten ongewenst is verklaard, kan op een met redenen omkleed verzoek van één der lidstaten ook voor de andere lidstaten ongewenst worden verklaard.

10.3. Procedurele aspecten

Is de vreemdelingenpolitie of de KMar van oordeel dat er gronden aanwezig zijn tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan maken zij dat onverwijld kenbaar aan de IND, hetzij middels een gemotiveerd voorstel (model M63), hetzij middels een ander gemotiveerd schrijven. In ieder geval dienen alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de IND te worden gezonden. Gelet op de bewoordingen van artikel 67 Vw, kan de IND, indien op andere wijze is gebleken dat er gronden aanwezig zijn tot ongewenstverklaring, ook ambtshalve tot ongewenstverklaring overgegaan.

4.3.2. De bevoegdheid

Indien wordt overgegaan tot ongewenstverklaring van een vreemdeling is, ook bij eerste toelating – tenzij ook de gezinsleden Nederland (moeten) hebben verlaten – steeds sprake van inmenging.

10.3. Procedurele aspecten

Uit de door de vreemdelingenpolitie of de KMar aan de IND gezonden bescheiden dient duidelijk naar voren te komen of en hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht ingevolge artikel 4:7 en 4:8 Awb. Bij voorkeur is van het gehoor een proces-verbaal opgemaakt.

3.4. De toepassing

De IND geeft in beginsel uitvoering aan de hoorplicht in andere dan de genoemde situaties. Hierbij valt te denken aan de situatie waarin bij de afhandeling van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier een inbreuk op de openbare orde wordt geconstateerd, welke dermate ernstig is dat ongewenstverklaring van de vreemdeling ex artikel 67 Vw is geïndiceerd. Het vorenstaande laat onverlet dat er situaties kunnen zijn, waarin horen door de vreemdelingenpolitie of de KMar desalniettemin meer voor de hand ligt.

10.3.3. uitreiking van de beschikking

Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling met toepassing van artikel 67 Vw ongewenst is verklaard kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank ’s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer) open.

10.3.5. Geen opschortende werking in bezwaar

Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaarschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie artikel 6:16 Awb).

4.3.2. De bevoegdheid

Ingevolge artikel 68, eerste lid, Vw kan slechts op aanvraag worden beslist tot opheffing van de ongewenstverklaring. Het eerste lid van artikel 6.6 Vb heeft betrekking op de termijn waarna de ongewenstverklaring op aanvraag in ieder geval wordt opgeheven. Dit heeft het karakter van een bovengrens.

4.3.4. De beëindiging

Indien zwaarwegende belangen zich naar het oordeel van onze Minister verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, bedraagt deze termijn tien jaren (zie artikel 6.6, tweede lid, Vb). Toepassing hiervan vergt een afweging tussen de rechtstreeks in het geding zijnde individuele belangen.

10.3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring

Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Het algemeen belang van de Staat kan alleen wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden van het individuele geval die bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens) niet zijn betrokken. In ieder geval kan het enkele gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet worden aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid.

10.4.2. De vorm van de aanvraag

Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d kan achterwege blijven indien het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.

10.4.4. Beoordeling van de aanvraag

Bij de beoordeling of er op de Nederlandse Staat een verplichting rust om de ongewenstverklaring op te heffen, worden in ieder geval de volgende omstandigheden betrokken (zie B2/13.2.3.3):

5. Uitzetting

Vorenstaande laat onverlet dat de ongewenstverklaring blijft bestaan. Voorts geldt dat op de vreemdeling de plicht blijft rusten om Nederland zelfstandig te verlaten en mitsdien zelf gevolg te geven aan zijn vertrekplicht.

10.4.4. Beoordeling van de aanvraag

Indien de toets inderdaad tot deze conclusie leidt, kan de ongewenstverklaring op verzoek van de vreemdeling worden opgeheven. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing wordt in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.

5.3.2. De bevoegdheid

Bij de beoordeling of er op de Nederlandse Staat een verplichting rust om de ongewenstverklaring op te heffen, worden in ieder geval de volgende omstandigheden betrokken (zie B2/13.2.3.3):

10.4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering

Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, zal hij niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling wordt het bepaalde in C2/3 betrokken.

10.5.1. Inleiding

In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:

10.5.2. Vorm van het verzoek

In onderstaande, niet uitputtende lijst, zijn verblijfsdoelen weergegeven die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring. De bewijslast voor het aannemelijk maken van zijn verblijfsdoel ligt bij de vreemdeling. Voor alle omstandigheden geldt dat de vreemdeling na afloop onverwijld Nederland dient te verlaten.

10.5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing

Aan de overkomst van de vreemdeling naar Nederland moeten voorwaarden worden gesteld.

10.5.6. Inreis, toezicht en uitreis

Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring dient schriftelijk bij de IND te worden ingediend. Het dient afkomstig te zijn van de vreemdeling zelf, van zijn gemachtigde, of van een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van betrokkene naar Nederland. In het laatste geval kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het OM of een internationaal straftribunaal. Als het verzoek wordt ingediend door het OM dient het te zijn ondertekend door een Hoofdofficier van Justitie. In het geval van bijvoorbeeld een internationaal straftribunaal moet de ondertekening geschieden door iemand van het niveau van een Hoofdofficier van Justitie. Ook een rechter kan een verzoek ondertekenen om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.

10.5.3. Inhoud van het verzoek

Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar B10.

10.5.4. Beoordeling van het verzoek

De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsdbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van de vreemdeling. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd (zie artikel 27, tweede lid, Richtlijn 2004/38).

10.6. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden

Bij de voorbereiding van de beschikking tot beëindiging van het rechtmatig verblijf dienen in overweging te worden genomen (zie artikel 28, eerste lid, Richtlijn 2004/38):

10.6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring

Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar B10.

10.6.4.1. Inleiding

De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan ingevolge het bepaalde in artikel 8.22, vierde lid, Vb, slechts worden gedaan:

5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden

De aanvraag tot opheffing dient te worden ingediend bij de IND. Voor de vormvereisten van de aanvraag wordt verwezen naar A5/4.2 en A5/5.2.

10.6.4.3. Inhoud van de aanvraag

Zie voor de procedurele aspecten met betrekking tot de ongewenstverklaring A5/3.

10.6.4.1. Inleiding

De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan ingevolge het bepaalde in artikel 8.22, vierde lid, Vb, slechts worden gedaan:

1. Algemeen

Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is in veel gevallen het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren kan de overheid gebruik maken van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen.

10.6.4.3. Inhoud van de aanvraag

De Minister kan aan de Korpschef, aan de Commandant der Kmar en aan de Algemeen Directeur van de DT&V aanwijzingen geven over de uitvoering van de Vw, ook ten aanzien van de in dit hoofdstuk genoemde maatregelen (zie artikel 48, tweede lid, Vw).

1.1. Overzicht vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is in veel gevallen het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren kan de overheid gebruik maken van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen.

1. Algemeen

De betrokken vreemdeling dient er steeds op gewezen te worden dat hij contact kan (laten) opnemen met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan zal worden, indien hij geen contact met de betreffende vertegenwoordiging verlangt.

1.1. Overzicht vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

De in de vorige alinea’s vermelde verplichting rust op de ambtenaar die de maatregel oplegt.

1.4. Het lichten van vreemdelingen

De op grond van artikel 6, 58 of 59 Vw opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.

1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen

De in de vorige alinea’s vermelde verplichting rust op de ambtenaar die de maatregel oplegt.

1.3. Aanmelding vreemdeling

Vreemdelingenbewaring vindt in de regel plaats in speciale inrichtingen voor bewaring, namelijk detentie- en uitzetcentra. In bijzondere omstandigheden kan het voorkomen dat vreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd op een (gespecialiseerde) afdeling in een regulier huis van bewaring. Hiervan kan sprake zijn indien de vreemdeling voorzieningen nodig heeft die niet worden geboden in een detentie- of uitzetcentrum. Als voorbeeld kan een Penitentiair Psychiatrisch Centrum en het Justitieel Medisch Centrum worden genoemd. De tenuitvoerlegging vindt daar niet langer plaats dan noodzakelijk. Daarnaast kan een vreemdeling vanwege zijn gedrag in een detentie- of uitzetcentrum om beheersmatige redenen worden geplaatst in een regulier huis van bewaring. Indien een vreemdeling wordt geplaatst in een regulier huis van bewaring wordt hij zoveel mogelijk gescheiden gehouden van strafrechtelijk gedetineerden. De plaatsing in een regulier huis van bewaring vindt plaats door de selectiefunctionaris. Tegen het plaatsingsbesluit van de selectiefunctionaris kan op grond van artikel 17, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet bezwaar worden gemaakt. Op grond van artikel 72, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet staat tegen het besluit op bezwaar beroep open bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.

2. Toegang

Indien het voornemen bestaat een uitzondering te maken op a – c vindt overleg tussen de inbewaringstellende instantie en de DT&V plaats.

1.6. gezinnen met minderjarige kinderen

Artikel 6, eerste lid, Vw geeft aan dat aan de vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, de verplichting opgelegd kan worden om zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Deze ruimte kan ingevolge het tweede lid worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is in ieder geval geïndiceerd wanneer naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de aanwijzing om zich op te houden in de bedoelde ruimte of plaats en/of omdat aspecten van openbare orde of nationale veiligheid dit vorderen. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel indienen of hebben ingediend, wordt verwezen naar A6/2.5 en C9/2.1.1.1 en 2.1.1.2. De vrijheidsbeneming zal dan een aanvang nemen in een gebouw van de grensdoorlaatpost of een politiebureau. Daarna zal de vreemdeling met een nieuwe beschikking geplaatst moeten worden in een inrichting waar het Reglement grenslogies (Stb. 1993, nr. 45) van toepassing is. Dient deze vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in dan dient gehandeld te worden zoals hierna vermeld.

5.3.6. De tenuitvoerlegging

De weigering van toegang strekt zich niet enkel uit tot de verdere inreis in Nederland, doch ook tot de verdere inreis in het overige Schengengebied. Voor een toelichting op de situatie waarbij een asielzoeker de toegang geweigerd wordt, terwijl tegelijkertijd op grond van de Verordening 343/2003 een verzoek tot overname van de asielaanvraag ingediend wordt bij een andere staat, wordt verwezen naar A2/5.5.6. Aan Dublinclaimanten aan wie de toegang niet geweigerd kan worden, wordt de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 55 Vw opgelegd of, indien aan de voorwaarden daarvan wordt voldaan, de maatregel van artikel 59 Vw.

2. Toegang

Bij het opleggen van de vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw aan een geweigerde vreemdeling kan iedere ruimte of plaats in Nederland aangewezen worden. Het kan dus zo zijn dat de ruimte of plaats verder landinwaarts gelegen is. Ook in deze feitelijke situatie blijft de toegang geweigerd.

5.3.6.3. Declaratie van de kosten van bewaring in een politiecel

Dat is anders voor de vrijheidsontnemende maatregel genoemd in artikel 6, eerste en tweede lid, Vw. In dat geval geldt in de door de Minister aangewezen ruimte of plaats het regime van het Reglement grenslogies. Wordt de vrijheidsontneming ten uitvoer gelegd in een andere (dan door de Minister aangewezen) ruimte of plaats dan dient het regime overeen te komen met dat van het Reglement grenslogies.

2.7. De duur

Conform artikel 59 Vw kan de maatregel, zoals bedoeld in artikel 6 Vw, niet langer dan zes maanden duren. De maatregel kan ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd indien:

2.5. De vorm

Indien redenen aanwezig zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal 12 maanden te verlengen, dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de Algemene Termijnenwet niet van toepassing. Uiteraard kan het tijdvak van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid Vw langer zijn dan 18 maanden indien de vreemdeling gedurende de bewaring rechtmatig verblijf gehad op één van de gronden genoemd in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b Vw. Uit artikel 59, vierde lid van de Vw volgt dat de termijn hierdoor – per doorlopen aanvraag – met maximaal vier weken ingeval het betreft een aanvraag als bedoedl in artikel 14 Vw betreft, of zes weken in geval het betreft een aanvraag als bedoeld in artikel 29 Vw.

2.5. De vorm

De maximale termijn van de vrijheidsontneming mag slechts worden overschreden indien door toedoen van (één van) de gezinsleden een binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden. Hiervan is sprake indien de uitzetting niet mogelijk is gebleken door fysiek verzet van de vreemdeling dan wel indien de vreemdeling in bewaring een nieuwe procedure start met als kennelijk doel de uitzetting te belemmeren.

2.8. De beëindiging

Heeft de vreemdeling het Nederlands grondgebied wél verlaten en keert hij terug (bijvoorbeeld na weigering toegang door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit), dan dient opnieuw te worden bekeken of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang. Indien deze beoordeling leidt tot een (nieuwe) toegangsweigering, dient ook de maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw opnieuw te worden opgelegd en moet een nieuwe plaatsingsbeschikking worden genomen. Tevens zal, ingeval de vreemdeling op grond van artikel 65 Vw is uitgezet, de vervoerder een nieuwe aanwijzing krijgen om de vreemdeling terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie A2/7.1.5).

2.7. De duur

De maatregel en de duur daarvan zal, mede gelet op het bepaalde in artikel 94 Vw, binnen 42 dagen getoetst worden door de rechtbank. De rechtbank zal alsdan toetsen of de maatregel voldoet aan het gestelde doel en of de maatregel bij afweging van alle belangen gerechtvaardigd is.

3.1. Het zich beschikbaar houden (artikel 55, eerste lid, Vw)

Voor het aanwenden van een rechtsmiddel door de vreemdeling wordt verwezen naar A6/6.

3.2. Het doel

De bevoegde autoriteit die de plaats aanwijst waar de vreemdeling zich beschikbaar dient te houden overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen is de Minister. De Korpschef kan namens de Minister de beschikbaarheidsverplichting opleggen en de daarbij behorende aanwijzingen geven. De Korpschef kan van deze bevoegdheid ondermandaat verlenen aan de onder hem ressorterende ambtenaren (zie artikel 1.4 Vb).

3.4. De toepassing

De beschikbaarheidsverplichting van artikel 55, eerste lid, Vw kan opgelegd worden aan vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd indienen. Deze beschikbaarheidsverplichting geldt tot en met de uitreiking van de beschikking in eerste aanleg. Is uitreiking niet mogelijk dan geldt de hierna vermelde procedure.

6.4. Schadevergoeding

Indien de vreemdeling in strijd met zijn beschikbaarheidsverplichting met onbekende bestemming is vertrokken, dient de Korpschef dit te melden door middel van model M100 met een kopie van het model M117-A. Het met onbekende bestemming vertrokken zijn dient in beginsel concreet vastgesteld te zijn aan de hand van bijvoorbeeld een adrescontrole.

4. Toezicht

De beschikbaarheidsverplichting houdt in dat de vreemdeling bereikbaar is op een woon- of verblijfplaats zodat hij kan worden opgeroepen voor een gehoor of om in kennis gesteld te worden van voor hem relevante beslissingen. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling die opgeroepen is voor een bepaalde datum (en tijd), in de tussenliggende periode met inachtneming van zijn meldingsplicht (en de huisregels van het centrum), zich naar een andere plaats in Nederland mag begeven.

4.3.1. Het doel

De bevoegdheid tot het opleggen, wijzigen of opheffen van deze maatregel berust bij de Minister.

4. Toezicht

Voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt verwezen naar A6/6.

4.3.3. De toepassing

Deze maatregel kan derhalve alleen opgelegd worden aan vreemdelingen die:

4.3.1. Het doel

Hoewel de maatregel niet aan een wettelijke termijn gebonden is, dienen ook hierbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel toegepast worden) in acht genomen te worden.

4.3.2. De bevoegdheid

Omdat de hier bedoelde vreemdelingen voorafgaande aan de maatregel op grond van de RVA in de opvang, en daarmee in het zicht van de overheid, hebben verbleven wordt het direct opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in deze gevallen in beginsel niet geïndiceerd geacht en kan voor het lichtere middel van een beperking van de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 Vw in de vrijheidsbeperkende locatie worden gekozen. Dit laat overigens onverlet dat, indien het belang van de openbare orde dat vordert, tot het opleggen van bewaring ter fine van uitzetting kan worden overgegaan (zie A6/5.3.3.1).

4.3.4. De beëindiging

Alleen in uitzonderingsgevallen, met name indien de uitzetting (nog) niet kan plaatsvinden en de toepassing van een andere vrijheidsbeperkende maatregel niet in aanmerking komt, kan deze maatregel in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid toegepast worden.

5.1. Het doel van de maatregelen van artikel 57, 58 en 59 Vw

Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel te voldoen, kan hem vervoer naar de VBL worden aangeboden. Het vervoer van een vreemdeling naar de VBL vindt op vrijwillige basis plaats en kan dus niet rechtstreeks worden afgedwongen. Weigert hij hiervan gebruik te maken, en heeft hij geen concrete andere mogelijkheid om aan de maatregel te voldoen, dan kan de vreemdeling in beginsel vanwege het niet naleven van de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel uit hoofde van artikel 50 Vw worden staande gehouden en naar een plaats bestemd voor verhoor worden gebracht.

5. Uitzetting

Indien de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, kunnen vreemdelingen, zowel asielzoekers als reguliere vreemdelingen, ter fine van hun uitzetting in bewaring gesteld worden op grond van artikel 59 Vw. Bij deze maatregel gaat het in beginsel – anders dan bij artikel 58 Vw – om vreemdelingen ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn voor het vermoeden dat zij zich aan de uitzetting zullen onttrekken.

5.2. Het zich ophouden op grond van artikel 57 en 58 Vw

De asielzoeker zal in beginsel als vrijheidsbeperkende maatregel de aanwijzing krijgen om zich beschikbaar te houden in een bepaalde opvangvoorziening. Meer dan een beschikbaarheidsverplichting mag de vreemdeling niet opgelegd worden. Daarbij dient hij de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit, dat is de Korpschef, in acht te nemen. Deze aanwijzingen houden in ieder geval in dat de vreemdeling zich tweemaal per dag dient te melden bij de Korpschef.

5.2.2. De toepassing

Het gaat hier dus zowel om de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen als de afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de gronden genoemd in artikel 30 en31 Vw. De motivatie voor het geven van de aanwijzing is gelegen in die gronden.

5.2.5. De duur

De maatregel van artikel 57 en 58 Vw houdt in dat de asielzoeker zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats dient op te houden. Bij de term ‘ruimte’ kan gedacht worden aan bijvoorbeeld: een AC of opvangvoorziening, een gebouw of gebouwencomplex. De term ‘ruimte’ is niet beperkt tot een ‘cel’ waarvan de deur op slot kan. Ook een groter complex, dat de vreemdeling vrij veel bewegingsvrijheid laat, maar waarvan de buitenpoort dicht of afgesloten is, levert een ‘ruimte’ op. Ook een schip of vliegtuig valt onder de term ‘ruimte’. De term ‘plaats’ ziet meer op een geografische situatie, zoals bijvoorbeeld een haventerrein.

5.3.1. Het doel

Een zodanig risico of ontwijking of belemmering wordt echter niet aangenomen ingeval slechts een van de vorenvermelde feiten en omstandigheden zich voordoet.

5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid

In de meeste gevallen waarbij bewaring wordt overwogen, zal de maatregel gebaseerd zijn op het belang van de openbare orde en niet op het belang van de nationale veiligheid (bijv. spionage, terroristische activiteiten) betreffen. Indien er aanleiding is inbewaringstelling op deze laatste grond te baseren, kan dat alleen na een bijzondere aanwijzing van de Minister.

5.3.3.3. Het niet of niet langer toepassen van bewaring

Artikel 59, tweede lid, Vw biedt de mogelijkheid vreemdelingen voor wie de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel op korte termijn voorhanden zullen zijn, in bewaring te stellen. Het tweede lid van artikel 59 bepaalt dat in deze gevallen wordt geacht dat de openbare orde de bewaring van de vreemdeling vordert. Met noodzakelijke bescheiden wordt bedoeld dat een paspoort, laissez-passer (of andere geldige documenten voor grensoverschrijding) of een claim op een vervoersmaatschappij voorhanden is, dan wel binnen korte termijn voorhanden zal zijn. Met ‘binnen korte termijn voorhanden zal zijn’ wordt bijvoorbeeld gedoeld op de situatie dat de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling een vervangend document voor grensoverschrijding in het vooruitzicht heeft gesteld. De bewaringsgrond van het tweede lid van artikel 59 Vw dient er toe om te voorkomen dat een vreemdeling die goed gedocumenteerd is of op korte termijn goed gedocumenteerd zal zijn, zich alsnog aan uitzetting onttrekt.

6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank

Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw biedt de mogelijkheid tot het in bewaring stellen van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen (verlengen) van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd indienen/ingediend hebben en van wie in afwachting van de beslissing daarop de uitzetting achterwege blijft (zie artikel 8, aanhef en onder f en g, Vw). Voor de procedure tot inbewaringstelling van deze vreemdelingen wordt verwezen naar A6/5.3.4.

6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank

Artikel 59, tweede lid, Vw biedt de mogelijkheid vreemdelingen voor wie de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel op korte termijn voorhanden zullen zijn, in bewaring te stellen. Het tweede lid van artikel 59 bepaalt dat in deze gevallen wordt geacht dat de openbare orde de bewaring van de vreemdeling vordert. Met noodzakelijke bescheiden wordt bedoeld dat een paspoort, laissez-passer (of andere geldige documenten voor grensoverschrijding) of een claim op een vervoersmaatschappij voorhanden is, dan wel binnen korte termijn voorhanden zal zijn. Met ‘binnen korte termijn voorhanden zal zijn’ wordt bijvoorbeeld gedoeld op de situatie dat de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling een vervangend document voor grensoverschrijding in het vooruitzicht heeft gesteld. De bewaringsgrond van het tweede lid van artikel 59 Vw dient er toe om te voorkomen dat een vreemdeling die goed gedocumenteerd is of op korte termijn goed gedocumenteerd zal zijn, zich alsnog aan uitzetting onttrekt.

5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden

Bewaring op grond van artikel 59 Vw kan slechts aan gezinnen met minderjarige kinderen worden opgelegd wanneer gedwongen vertrek op korte termijn gerealiseerd kan worden. Hierbij gaat het om de situatie dat de voor het vertrek noodzakelijke reisdocumenten voorhanden zijn of binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Er kan in dat geval – al naar gelang wordt voldaan aan de voorwaarden – worden gekozen voor een maatregel op grond van artikel 59, eerste dan wel tweede lid, Vw.

5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten

Ingeval van asielzoekers geldt dat zolang de aanvraag nog niet in eerste aanleg is afgewezen, de inbewaringstelling uitsluitend mag plaatsvinden en voortduren na vooraf overleg met de IND. Van dat overleg dient verslag te worden gelegd in de vreemdelingenadministratie.

5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten

Het is mogelijk om een Dublinclaimant op grond van artikel 59, eerste lid, Vw of artikel 59, eerste én tweede lid, Vw in bewaring te stellen. Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangenafweging plaatsvindt (zie A6/5.3.3.5). Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging in beginsel al gegeven, nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname), dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname). Het gegeven dat er gevaar bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, is dus in beginsel altijd aanwezig bij Dublinclaimanten.

5.3.4.1. Het gehoor

Is het bevel gegeven zonder dat de vreemdeling kon worden gehoord, dan heeft het gehoor zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de maatregel plaats (zie artikel 5.2, vierde lid, Vb). Wat in dit verband ‘zo spoedig als mogelijk’ is zal afhangen van de feiten of omstandigheden van het individuele geval.

5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen

Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door degene die bevoegd is tot het geven van een besluit tot inbewaringstelling.

5.3.3.9. Bewaring na afwijzing tweede of volgende asielaanvraag

De bewaring die op grond van artikel 59, eerste of tweede lid, Vw, is opgelegd aan een gezin met minderjarige kinderen zal niet langer duren dan veertien dagen. Deze termijn kan slechts worden overschreden indien de binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden vanwege:

5.3.3.9. Bewaring na afwijzing tweede of volgende asielaanvraag

Er dienen voldoende afschriften te worden gemaakt van de maatregel waarbij de bewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is:

5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie

Het kan voorkomen dat de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient of dat tijdens zijn vrijheidsontneming een door hem ingediende aanvraag wordt afgewezen. In die gevallen kan de bewaring op een andere categorie worden voortgezet (zie voor de verschillende categorieën artikel 59, eerste lid, onder a en b, Vw). De bewaring wordt niet opgeheven, immers de gronden voor de bewaring kunnen dezelfde blijven. Als de bewaring wordt voortgezet op een andere categorie wordt door de hulpofficier van justitie of door de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is onverwijld een nieuw model M110-A aan de vreemdeling uitgereikt (zie artikel 5.3, tweede lid, Vb). Gelet op het bepaalde in artikel 5.2 Vb hoeft de vreemdeling daarbij niet gehoord te worden.

5.3.4.2. Bijstand van een raadsman

Voor de specifieke bepalingen ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel in bewaring wordt verwezen naar B9/3.1.

5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond

In artikel 59, vierde lid, Vw wordt aangegeven hoe lang de maatregel van bewaring mag duren. Daarbij is het volgende onderscheid gemaakt:

4.1. Inleiding

In het vijfde lid artikel 59 Vw is aangegeven dat bewaring maximaal zes maanden mag duren (de termijn genoemd onder d). Deze termijn kan op grond van het zesde lid van artikel 59 Vw met nog eens maximaal twaalf maanden worden verlengd indien:

4.2. Bezwaar

Indien een vreemdeling gedurende de tenuitvoerlegging van de bewaring een verzoek om een voorlopige voorziening indient, blijft de vreemdelingenbewaring in beginsel voortduren. De ambtenaar van de DT&V zal in overleg met de IND na moeten gaan of deze procedure in Nederland afgewacht mag worden. Indien daartoe besloten wordt en de vreemdelingenbewaring voortduurt, zal de IND aan de rechtbank verzoeken om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te laten plaatsvinden. Ook de advocaat van de vreemdeling kan in deze gevallen aan de rechtbank om bespoediging van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening vragen.

5.3.6. De tenuitvoerlegging

Indien redenen aanwezig zijn om de bewaring met maximaal twaalf maanden te verlengen dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden door de DT&V hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. Van belang hierbij is dat voor de berekening van de zes maanden termijn van de laatste datum inbewaringstelling dient te worden uitgegaan. De termijn die gemoeid is met een periode waarin niet tot uitzetting kan worden overgegaan (gedurende toelatingsaanvragen) wordt niet bij deze termijn meegenomen. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de Algemene Termijnenwet niet van toepassing.

5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting

Bij het verzoek tot plaatsing dienen de benodigde gegevens over de van zijn vrijheid ontnomen vreemdeling aan DJI verstrekt te worden.

Model M82. Reisdocument voor vluchtelingen

Vervallen

Artikel 3.103 Vb is geen bepaling van overgangsrecht per 1 april 2001. Dit artikel is bedoeld voor wijzigingen van na de inwerkingtreding van de Vw en codificeert de in het vreemdelingenrecht geldende uitzondering op het onmiddellijkheidsbeginsel.

In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst

Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging worden aangemerkt als aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 20 Vw.

Artikel 1 – weekindeling

De nadruk ligt op de datum van het bekendmaken van het besluit om te verzekeren dat in gelijke gevallen hetzelfde recht zou worden toegepast. Indien de datum van het indienen van het rechtsmiddel als uitgangspunt zou zijn genomen, dan zou in gelijke gevallen (de beslissing is op dezelfde dag bekendgemaakt) een ander rechtsregime gelden. Dat is uiteraard niet de bedoeling.

In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst

Op het bezwaarschrift zijn de materiële bepalingen van het nieuwe recht van toepassing, omdat in bezwaar op grond van de hoofdregel uit het algemene bestuursrecht ex nunc wordt beslist (Memorie van Toelichting, pagina 94). Wel dient – als een overgangsregeling voor het beleid ontbreekt – het voor de vreemdeling meest gunstige beleid te worden toegepast.

In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst

Tegen een besluit op grond van de Vw (oud), dat is bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van de Vw, kan op grond van het oude recht bezwaar worden gemaakt. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vw (oud) die is verricht voor inwerkingtreding van de Vw. Dit is bepaald in artikel 118, eerste lid, Vw.

Artikel 4 – zakgeld

De nadruk ligt op de datum van het bekendmaken van het besluit om te verzekeren dat in gelijke gevallen hetzelfde recht zou worden toegepast. Indien de datum van het indienen van het rechtsmiddel als uitgangspunt zou zijn genomen, dan zou in gelijke gevallen (de beslissing is op dezelfde dag bekendgemaakt) een ander rechtsregime gelden. Dat is uiteraard niet de bedoeling.

Artikel 5 – geldigheid

Op het bezwaarschrift zijn de materiële bepalingen van het nieuwe recht van toepassing, omdat in bezwaar op grond van de hoofdregel uit het algemene bestuursrecht ex nunc wordt beslist (Memorie van Toelichting, pagina 94). Wel dient – als een overgangsregeling voor het beleid ontbreekt – het voor de vreemdeling meest gunstige beleid te worden toegepast.

Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.

Tegen beslissingen waartegen onder het oude recht wel bezwaar open stond, maar onder het nieuwe recht niet, stond bezwaar open als zij voor inwerkingtreding van de wet waren bekendgemaakt. Beroep staat open tegen besluiten die na inwerkingtreding van de Vw zijn bekendgemaakt.

Artikel 7 – geschillenclausule

In artikel 120 Vw is bepaald dat het hoger beroep als bedoeld in artikel 84 Vw slechts kan worden ingesteld tegen de uitspraak die is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Het betreft een uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank over de beschikking op de aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, dan wel over de beschikking waarbij de verblijfsvergunning is ingetrokken. Dit artikel beoogt het instellen van hoger beroep te beperken tot die zaken, waarin vanaf de eerste aanlegfase de nieuwe wet is toegepast (artikel 117 Vw).

Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant

De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent toegang aan een vreemdeling aan wie als adoptiekind, adoptiefkind dan wel als pleegkind een mvv is afgegeven. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet de IND raadplegen als geen mvv voor verblijf als adoptiekind, adoptiefkind dan wel als pleegkind is verleend.

In beide gevallen legt de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling een meldplicht op als bedoeld in artikel 4.26 Vb.

De regels over de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van die lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, zijn neergelegd in de Visumcode.

De IND mag een terugkeervisum afgeven aan een vreemdeling die daarom verzoekt. In de artikelen 2k t/m o en 2w t/m cc Vw en verder de artikelen 1.24, 1.26 t/m 1.28 Vb zijn bepalingen opgenomen inzake de behandeling, afgifte, weigering, geldigheidsduur, wijziging en intrekking van terugkeervisa. De indiening van een aanvraag om een terugkeervisum vindt op dezelfde wijze plaats als een aanvraag tot wijziging of verlenging van de geldigheidsduur van een visum.

Als een vreemdeling gesignaleerd staat in het SIS of E&S kan dat een indicatie zijn dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft onmiddellijke kennis aan de ambtenaren van de KMar belast met het toezicht op vreemdelingen, evenals aan de vreemdelingenpolitie als de vreemdeling aan wie toegang is verleend niet op het voorgeschreven tijdstip is vertrokken.

Bij uitreis plaatst de ambtenaar belast met de grensbewaking een uitreisnotitie in EES.

7.3. Weigeren van toegang

De ambtenaar belast met de grensbewaking plaatst een Clausulestempel voorzien van het verbalisantennummer van de afgevende ambtenaar en de datum van de (vermoedelijke) uitreis in het document voor grensoverschrijding. In de uitsparing van de Clausulestempel wordt bij inreis tevens een inreisstempel geplaatst.

De ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeelt of aan de vreemdeling alsnog toegang tot het grondgebied kan worden verleend na afloop van:

Als de vreemdeling de bovenstaande bewijsmiddelen overlegt, stelt het Nederlandse Consulaat-Generaal de vreemdeling in het bezit van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum mag niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het arbeidscontract of het geldige document voor grensoverschrijding.

Wanneer de vreemdeling een redelijke grond kan aanvoeren voor zijn verlate terugkeer mag de ambtenaar belast met de grensbewaking toegang verlenen aan:

De vervoerder moet door middel van een kort en bondig onderzoek controleren of het aangeboden document voor grensoverschrijding vals of vervalst is, waarbij zonodig gebruik gemaakt moet worden van eenvoudige hulpmiddelen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking claimt vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd voor terugname bij de vervoerder.

4. Rechtsbijstand

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet van het ophouden van personen een proces-verbaal opmaken door gebruik te maken van het model M105-A of in geval van Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) van het model M105-D.

Als de opgehouden persoon minderjarig is, worden degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen geïnformeerd over de ophouding. Als daartoe geen gelegenheid bestaat, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de kennisgeving doen aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland. Van de verplichting tot kennisgeving aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging kan worden afgezien indien de minderjarige persoon kenbaar maakt een verblijfsvergunning asiel te willen indienen.

Voor zover de vreemdeling onder de werking van de Screeningsverordening valt, wordt voor het screeningsproces verwezen naar paragraaf A6/1 Vc.

De ambtenaren beoordelen per sessie onafhankelijk van de andere sessie of er sprake is van evidente:

De opgehouden persoon heeft het recht om onmiddellijk contact op te nemen met zijn raadsman. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon hiertoe in de gelegenheid stellen.

De raadsman heeft vrije toegang tot de opgehouden persoon. Hij kan hem alleen spreken of onder toezicht van een ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Het gesprek tussen de raadsman en de opgehouden persoon mag uitsluitend onder toezicht van de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen plaatsvinden om te verzekeren dat:

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de wens van de opgehouden persoon respecteren om bepaalde vragen van de ambtenaar niet te beantwoorden voordat de vreemdeling met zijn raadsman overleg heeft gepleegd.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag voor het vaststellen van de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de opgehouden persoon, bij instellingen of andere personen dan de opgehouden persoon zelf, informatie inwinnen die kunnen leiden tot het vaststellen van de identiteit van de opgehouden persoon.

De termijn van 48 uur voor verlengde ophouding wordt niet volledig gebruikt als de verlengde ophouding niet langer noodzakelijk is. Gedurende de verlengde ophouding dient voortvarend gewerkt te worden. Zo spoedig mogelijk nadat het onderzoek is afgerond beëindigt deze ambtenaar de verlengde ophouding en stelt de opgehouden persoon in vrijheid dan wel in bewaring.

De opgehouden persoon moet door de Korpschef of de Commandant der KMar van deze mogelijkheid op de hoogte worden gesteld.

Als de redenen van de tijdelijke inbewaringneming van het document komen te vervallen, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het document zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling teruggeven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet in ieder geval de volgende gedragslijnen in acht nemen bij vreemdelingen zonder bewijsmiddelen:

De Korpschef of de Commandant der KMar moet een mondelinge of schriftelijke vordering aan een vreemdeling tot het verstrekken van gegevens zoals bedoeld in artikel 4.38 Vb, in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal doen.

De Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, doet de vordering tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die bij de werkgever in dienst zijn of in dienst zijn geweest. De Korpschef of Commandant der KMar moet overleg voeren en gegevens van deze vreemdelingen uitwisselen met de Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar de vreemdelingen woonachtig zijn.

De Korpschef legt de vreemdeling die zich niet rechtmatig in Nederland bevindt en zich conform artikel 54, eerste lid onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid Vb meldt, het tijdstip en de plaats van melden op. Deze meldplicht gaat gepaard met terugkeerbegeleiding door DTenV. Het opleggen van de meldplicht met terugkeerbegeleiding kan worden gecombineerd met andere toezichtsmaatregelen.

De afgifte van documenten ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus als bedoeld in artikel 4.21 Vb (zowel ingeval van vervanging als van vernieuwing), gebeurt door de IND.

in ieder geval de volgende handeling:

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht bij een vreemdeling die in het kader van binnenlands toezicht of bij controle aan de buitengrens bij uitreis wordt aangetroffen, die:

Na de ontvangst van een terugkeerbevestiging van een door Nederland in SIS gesignaleerde vreemdeling, moet de IND:

In de volgende paragrafen zijn beleidsregels opgenomen ter invulling van deze gronden om de vertrektermijn te verkorten of onthouden:

Als onmiddellijke uitzetting van de vreemdeling door middel van overdracht aan de buitenlandse grensautoriteiten of door plaatsing aan boord van een schip of een vliegtuig mogelijk is, vraagt de DTenV geen geldig document voor grensoverschrijding en de eventueel benodigde visa, transitvisa en ‘re-entry permit’ bij de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging aan.

Als blijkt dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een re-entry permit dan moet DTenV zo snel mogelijk tenminste een van de volgende bewijsmiddelen aanvragen bij de buitenlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling:

Dit is van belang in die gevallen waarin het BMA in het medisch advies:

De IND toetst op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve tijdens de eerste asielprocedure of een vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. De IND neemt medische omstandigheden mee, die tijdens de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel tot uiting komen.

7.3.2.3. Toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming tijdens de algemene asielprocedure

7.2.6. Raadplegen BMA

De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling:

Uitzondering hierop is de situatie dat:

7.3.2.7. Procedure bij klinische opname

7.3.2.1. Tijdens beoordeling aanvraag om uitstel vertrek

7.4.4. Verzoek toepassing artikel 64 Vw van een vreemdeling afkomstig uit een lidstaat van de Europese Unie

7.4.2. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een overdracht op grond van de Verordening (EU) nr.604/2013

7.3.2.4. Procedure bij zwangerschap/bevalling

7.3.2.4.2. Overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening

7.3.2.5. Procedure bij tbc

11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname

7.4.1. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een inreisverbod

7.4.3. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring

7.3.2.6.1. Algemeen

9. Verhaal van kosten van uitzetting

1. Inleiding

De vreemdelingenketen moet contact opnemen met DTenV voor informatie over:

9. Verhaal van kosten van uitzetting

Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B7/3.8 Vc.

2. Het inreisverbod

2.1. Gronden voor het inreisverbod

11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname

Met de vrijheidsstraf zoals bedoeld in artikel 6.5a Vb, wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf bedoeld. Als meerdere vrijheidsstraffen zijn opgelegd, worden deze bij elkaar opgeteld.

In paragraaf A2/12.10 Vc wordt de raadplegingsprocedure met het oog op signalering beschreven in het geval de vreemdeling verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland. Een vreemdeling met internationale bescherming in een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland kan geen terugkeerbesluit uitgevaardigd krijgen en daarom kan hem ook geen inreisverbod worden opgelegd. Voor het geven van een bevel zich onmiddellijk te begeven naar de verblijfgevende lidstaat, zie paragraaf A3/2 Vc.

2.4. Procedurele aspecten

2.6. Rechtsgevolgen van het inreisverbod

2.4. Procedurele aspecten

2.4.1. Voorbereiding van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod

2.5.4. Tijdelijke opheffing van het inreisverbod

2.6. Rechtsgevolgen van het inreisverbod

De hiervoor genoemde rechtsgevolgen van het inreisverbod treden pas in als de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland daadwerkelijk heeft verlaten. In dat geval staat het inreisverbod wel in de weg aan het verkrijgen van rechtmatig verblijf, behoudens (volgende) aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en de uitzonderingen die voortvloeien uit artikel 66a, zesde en zevende lid, Vw.

De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd anders dan op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw en in Nederland verblijft, is strafbaar op grond van artikel 108 Vw. De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw en in Nederland verblijft, is strafbaar op grond van artikel 197 WvSr.

3.8.2. Inhoud van de aanvraag

3.1. Gronden voor ongewenstverklaring

3.3. Voorbereiding van een besluit tot ongewenstverklaring

3.6.1. Inleiding

3.5. Rechtsgevolgen ongewenstverklaring

3.6.1. Inleiding

3.8.3. Beoordeling van de aanvraag

De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Bij de beoordeling betrekt de IND in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf. Als de vreemdeling disproportionaliteit aannemelijk heeft gemaakt, willigt de IND de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in.

3.8. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

De IND kan in de volgende situaties de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring inwilligen:

De IND heft een ongewenstverklaring van een vreemdeling die een gevaar vormt voor de nationale veiligheid slechts tijdelijk op als aannemelijk is dat de nationale veiligheid niet in gevaar komt met de komst van de vreemdeling naar Nederland. Deze voorwaarde geldt in aanvulling op de voorwaarden a, b en c uit paragraaf A4/3.8.3 Vc.

3.8.6. Binnenkomst, toezicht en vertrek

3.10. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden

2.1. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen

3.8.4. Gevaar voor de nationale veiligheid

3.9. Opheffen ongewenstverklaring bij het aantreffen aan de grens bij uitreis of binnen Nederland

Voor de duur van het besluit tot signalering is het beleid uit paragraaf A4/2.3 Vc van overeenkomstige toepassing.

Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het besluit tot signalering. Zie paragraaf A4/3.7 Vc.

2.3. Het lichten van vreemdelingen

2.4.2. Niet-begeleide minderjarigen

Bij niet-begeleide minderjarigen is vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, Vw alleen gerechtvaardigd als zwaarwegende belangen aanwezig zijn. Van zwaarwegende belangen is uitsluitend sprake in de volgende situaties:

2. Algemeen

2.4.2.2. Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a of artikel 59b, Vw

2.4.3. Gezinnen met minderjarigen

3.1. Gronden voor vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw

2.4.5. Plaatsing van niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen in vreemdelingenbewaring

De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND hoeft geen nieuwe beschikking model M19/M19A te maken als tijdelijke overplaatsing van de vreemdeling nodig is om redenen die voortvloeien uit toepassing van de Vw. Ook het vervoer naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder beschikking model M19/M19A.

6.4. Gehoor

3.2. Minderjarigen en gezinnen met minderjarigen op grond van artikel 6 of 6a, Vw

6.4. Gehoor

3.2.1. Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 6 derde lid of 6a Vw

5.1. Algemeen en procedure

6.6. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd

5.2. Dringende redenen van openbare orde

5.3. Vrijheidsbeperkende locatie (vbl)

7. De behandeling van het beroep

5.3. Vrijheidsbeperkende locatie (vbl)

6.1. Algemene voorwaarden voor vreemdelingenbewaring

5.6. Handhavings- en toezichtlocatie (htl)

De vreemdeling wordt opgedragen te verblijven op en in een gebied rondom de htl.

A6. Registratie en identificatie

6.3. Vreemdelingenbewaring van een AMbV-claimant op grond van artikel 59a Vw

9.4. Verantwoording ontvangen gelden

6.8. De duur

6.4. Gehoor

6.5. Gehoor

6.6. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd

6.7. Hernieuwde vrijheidsontneming op een andere bewaringsgrond

1. Algemeen

6.14. Beëindiging vrijheidsontneming

6.10. Tenuitvoerlegging

4.3. De inhoud van de aanvraag

6.7. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd

6.1. Het Protocol Identificatie en Labeling

6.11. Tenuitvoerlegging

De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontneming van een vreemdeling in een politiebureau voor een termijn langer dan vierentwintig uur moet worden voorkomen.

6.13. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie

1. Vreemdelingen die onder de Screeningsverordening vallen

Anderzijds gaat het om screening op het grondgebied waarbij de vreemdeling:

6.4.4. Uitreiking van de beschikking

3. Vreemdeling aangetroffen in het kader van binnenlands toezicht

6.4.5. Signalering in het (N)SIS

6.5. Het inreisverbod door de IND

2.1. Algemeen

6.5. Het inreisverbod door de IND

4. De vreemdeling meldt zich op de screeningslocatie op het grondgebied

4.2. Screening en ontvangen en voorlichten van de vreemdeling

7.3. De inhoud van de aanvraag

7.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering

7.4.2. Verzoek om opheffing inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid

10.2. Gronden voor ongewenstverklaring

Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject) dan wel een combinatie van beide. De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In geval van een veroordeling tot een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat, met inachtneming van het bovenstaande, de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf (zie de artikelen 22, c en d, WvSr).

4.3.1. Het doel

10.3.1. Indienen van een voorstel

10.3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring

10.3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring

In artikel 6.6, derde lid, Vb is opgenomen wanneer de termijnen opnieuw aanvangen.

5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond

5.2.5. De duur

5.2. Het zich ophouden op grond van artikel 57 en 58 Vw

Indien een ongewenstverklaarde vreemdeling een asielaanvraag indient en aannemelijk maakt dat hij verdragsvluchteling is, dan wel dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, moet de ongewenstverklaring worden opgeheven en aan hem op grond van artikel 3.105b Vb, respectievelijk artikel 3.105e Vb, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Dit is slechts dan niet van toepassing als de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan openbare-ordeverstoringen als omschreven in voornoemde bepalingen of als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

10.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

10.5.3. Inhoud van het verzoek

Het duurzame verblijfsrecht kan met toepassing van artikel 8.18, onder b, Vb worden beëindigd, indien ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen. In dat geval kan ook tot ongewenstverklaring worden overgegaan met toepassing van artikel 8.22, eerste lid, Vb.

10.6.1. Inleiding

Model M75-A. Document I

Vervallen

Model M75-B. Document II

Vervallen

Model M75-C. Document III

Vervallen

Model M75-D. Document IV

Vervallen

Model M75-E. Document EU/EER

Vervallen

Model M75-F. Document W

Vervallen

Model M75-G. Document W2

Vervallen

Model M76. Ontvangstbewijs voor het in ontvangst nemen van een verblijfsdocument

Model M77-A. Sticker verblijfsaantekeningen Algemeen

Vervallen

Model M77-B. Sticker verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen

Vervallen

Model M77-C. Sticker verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures

Vervallen

Model M77-D

Vervallen

Model M78-A. Rappelbrief omtrent tijdige aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel)

Vervallen

Model M78-B. Rappelbrief omtrent tijdige verlenging / wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel aanvraag van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (regulier)

Vervallen

Model M79. Reizigerslijst voor schoolreizen

Vervallen

Model M80. Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen

Model M81. Geprivilegieerdendocument

Model M81-A. Geprivilegieerdendocument (toelichting)

Vervallen

Model M82. Reisdocument voor vluchtelingen

Vervallen

Model M83. Aanvraag vervanging, vernieuwing of eerste aanvraag vreemdelingendocument

Vervallen

Model M84-M89. Gereserveerd

Model M90. Vordering van de vreemdeling om in persoon te verschijnen

Model M90-A. Vordering van de vreemdeling om in persoon te verschijnen en medewerking te verlenen aan een interview met een diplomatieke vertegenwoordiging

Model M91. Kennisgeving adreswijziging/vertrek

Vervallen

Model M92. Verhuismutaties (melding aan de IND)

Vervallen

Model M93. Bericht omtrent signalering

Vervallen

Model M94-A. Verklaring ex artikel 25 lid 1 Uitvoeringsovereenkomst Schengen

Vervallen

Model M94-B. Verklaring ex artikel 25 lid 2 Uitvoeringsovereenkomst Schengen

Vervallen

Model M95-M99. Gereserveerd

Model M100. Bericht van vertrek

Vervallen

Model M100-A. Bericht van ontruiming

Model M101. Ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/ of identiteitspapieren

Model M102. Maatregel ex artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000

Vervallen

Model M102-A. Transit request for the purposes of removal by air

Vervallen

Model M103-M104

Model M105. Proces-verbaal staandehouding/overbrenging/overdracht als bedoeld in artikel 50 dan wel artikel 50a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

M015A. Proces-verbaal staandehouding ter uitvoering van een overdrachtsbesluit

Vervallen

M015B. Proces-verbaal staandehouding als bedoeld in artikel 55 Vreemdelingenwet 2000

Vervallen

Model M105-A. Proces-verbaal ophouding en onderzoek als bedoeld in artikel 50, dan wel artikel 50a, Vw

Model M105-B. Proces-verbaal van staandehouding als bedoeld in artikel 55 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

M105C. Proces-verbaal overbrenging en ophouding

Vervallen

Model M105-D. Proces-verbaal staandehouding / overbrenging

Model M105-E. Beschikking verlenging ophouding, artikel 50, vierde lid, Vw

Model M106-M108

Model M106-A. Bevel ingevolge artikel 62a, 3e lid, Vw

Model M106-B. Proces-verbaal van gehoor zich onmiddellijk te begeven naar lidstaat van verblijf (artikel 62a Vw)

M106-C. Intrekking van het bevel zich onmiddellijk te begeven naar lidstaat van verblijf

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)