C1. Asiel algemeen
1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 29, 30, 30a, 30b, 30c, 36, 37 Vw en van de artikelen 3.107b tot en met 3.121 Vb.
De IND behandelt de informatie die de vreemdeling verstrekt op grond van artikel 31, tweede lid Vw, strikt vertrouwelijk met inachtneming van de Wbp en de privacyreglementen voor de geautomatiseerde informatiesystemen, waarin de vreemdeling is geregistreerd. De IND verstrekt geen informatie over de vreemdeling aan derden, anders dan op grond van wettelijke verplichtingen of met de uitdrukkelijke toestemming van de vreemdeling.
De IND verzoekt de vreemdeling toestemming om het dossier van de vreemdeling door te zenden naar de Officier van Justitie, in ieder geval als:
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen maakt op grond van artikel 4.29 Vb geen aantekeningen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling. Dit geldt in ieder geval voor de vreemdeling:
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag een aantekening maken in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling geen asielprocedure meer doorloopt, en zich ten minste één van de volgende situaties voordoet:
2. Aanvraagprocedures
2.1. De aanmeldfase
In artikel 3.108d Vb is de aanmeldfase beschreven.
De vreemdeling geeft in persoon bij de aanmeldunit van de AVIM of bij de KMar tijdens het MTV, het grenstoezicht of andere werkzaamheden te kennen dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen. De AVIM/KMar registreert dit verzoek binnen het aantal werkdagen zoals bepaald in artikel 3.107b Vb.
De vreemdeling vult na aanmelding bij de aanmeldunit van de AVIM of bij de KMar een aanmeldformulier in.
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen (KMar/AVIM) verricht tijdens de aanmeldfase in ieder geval onderzoek naar:
Dit onderzoek kan doorlopen in de rust- en voorbereidingstermijn of nog tijdens de rust- en voorbereidingstermijn worden opgestart.
De vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger dient de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in bij de AVIM in het aanmeldcentrum Ter Apel of bij de KMar op de brigade, waar de vreemdeling zich bij KMar heeft gemeld.
2.2. De rust- en voorbereidingstermijn
In afwijking van de regel over het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gelden aparte beleidsregels voor de vreemdeling:
De IND merkt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die op een ander dan het door de IND aangewezen moment of locatie of op een andere dan de hierboven beschreven wijze wordt ingediend, aan als een onvolledige aanvraag. Een onvolledige aanvraag doet de termijnen van de rust- en voorbereidingstermijn en de algemene asielprocedure niet aanvangen.
Zodra de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend, verstrekt de IND aan de vreemdeling:
De IND maakt aan de hand van het onderzoek van de AVIM/KMar en de gegevens op het aanmeldformulier een inschatting van de procedure die voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal worden gevolgd:
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen (AVIM) neemt originele documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten van de vreemdeling in voor onderzoek naar de authenticiteit van de documenten. De vreemdeling ontvangt:
Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling wordt ingewilligd, geeft de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen (KMar/AVIM) de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten terug aan de vreemdeling. Deze ambtenaar stelt een rapportage over de authenticiteit van de documenten ter beschikking aan de vreemdeling.
Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen (KMar/AVIM) heeft geconcludeerd dat de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten vals of vervalst zijn, geeft deze ambtenaar deze documenten niet terug aan de vreemdeling. Valse of vervalste documenten worden definitief aan het rechtsverkeer onttrokken.
Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling wordt afgewezen, duurt de grondslag voor het innemen en onder zicht houden van de ingenomen documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten als bedoeld in artikel 4.23, eerste lid aanhef en onder d, Vb voort tot het moment waarop de vreemdeling daadwerkelijk vertrekt. Onder daadwerkelijk vertrek in de zin van artikel 52, tweede lid, Vw wordt verstaan het metterdaad verlaten van het Schengengebied. In dat geval worden de documenten de vreemdeling ter beschikking gesteld op de Luchthaven Schiphol waar hij het document direct voor uitreis kan ophalen.
Als de vreemdeling door het overleggen van een vliegtuigticket aantoont dat hij op het punt staat om te vertrekken uit het Schengengebied via een luchthaven die buiten Nederland is gelegen, of hij vertrekt naar een plaats in het Schengengebied waar zijn verblijf rechtmatig is, worden de ingenomen documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten hem ter beschikking gesteld op het moment dat de vreemdeling Nederland verlaat, tenzij er aanknopingspunten zijn dat de vreemdeling niet te goeder trouw handelt.
Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij het document nodig heeft om zijn vertrek voor te bereiden of voor een andere handeling in het Nederlandse rechtsverkeer die zich verhoudt met zijn verblijfsstatus, wordt hij gefaciliteerd door de DT&V. Dit kan betekenen dat een medewerker van de DT&V de vreemdeling vergezelt. Op verzoek wordt de vreemdeling een kopie van de ingenomen documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten ter beschikking gesteld.
Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen (KMar/AVIM) andere bewijsmiddelen bij de vreemdeling heeft aangetroffen dan documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten, verstrekt hij deze aan de IND. De IND onderzoekt de authenticiteit van deze documenten.
De IND verstrekt de vreemdeling, van wie bewijsmiddelen worden ingenomen:
De IND neemt een kopie van deze bewijsmiddelen op in het dossier van de vreemdeling.
De IND geeft de bewijsmiddelen terug aan de vreemdeling nadat het onderzoek is afgerond met een rapportage over de authenticiteit van de onderzochte bewijsmiddelen.
De IND geeft de bewijsmiddelen niet terug aan de vreemdeling als de IND heeft geconcludeerd dat de bewijsmiddelen vals of vervalst zijn.
De IND zendt de resultaten van onderzoek zo snel mogelijk na ontvangst aan de vreemdeling of zijn gemachtigde.
Waar in het Vreemdelingenbesluit wordt gesproken over het ‘Aanmeldcentrum′, wordt gedoeld op de volgende locaties die door de IND zijn ingericht als aanmeldcentrum:
De IND verstrekt aan de vreemdeling met het oog op zijn beschikbaarheid tijdens de asielprocedure (inclusief de Dublinprocedure) een aanwijzing door middel van model M117-C, waarin staat aangegeven in welke plaats of locatie hij zich gedurende die periode dient op te houden. De IND licht de aanwijzing mondeling toe. Voor de Dublinprocedure wordt de aanwijzing door middel van model M117-C verstrekt op de dag dat de IND een gehoor afneemt in de zin van artikel 3.109c, vierde lid, Vb.
De IND beoordeelt op verzoek van de vreemdeling of de beschikbaarheid van de vreemdeling tijdens de asielprocedure nog langer nodig is. De beschikbaarheid van de vreemdeling is niet meer nodig als de IND geen processtappen meer voorziet waarvoor de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk is.
De IND vraagt aan elke vreemdeling van 12 jaar en ouder om bij zijn asielaanvraag de antecedentenverklaring (conform bijlage 12 VV 2000) in te vullen en te ondertekenen. De vreemdeling verklaart daarin onder meer of hij voor een strafbaar feit is veroordeeld en of hij op het moment van zijn aanvraag niet aan een strafvervolging is onderworpen. Daarnaast dient de vreemdeling te verklaren zich niet schuldig te hebben gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, en dat er in een andere Europese lidstaat nooit een inreisverbod aan hem is opgelegd. Als de vreemdeling deze vragen niet wil beantwoorden, zal de IND hier gevolgen aan verbinden. Hier zal de vreemdeling dan onder meer uitvoerig over bevraagd worden. Als blijkt dat de vreemdeling de verklaring feitelijk onjuist heeft ingevuld, doordat hij bijvoorbeeld ooit is veroordeeld, of schuldig is aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, terwijl hij daar op de antecedentenverklaring geen melding van heeft gemaakt, dan staat vast dat hij deze verklaring onjuist heeft ingevuld en daarmee onjuiste gegevens heeft verstrekt (zie ook C1/4.2 Vc inzake het verstrekken van onjuiste gegevens).
Na indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd start de IND conform artikel 20, eerste lid van Verordening (EU) 604/2013 met het onderzoek welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag.
Voor dit onderzoek verricht de IND, de AVIM en/of de ambtenaar belast met de grensbewaking onderzoek naar de vingerafdrukken van de vreemdeling in EU VIS en Eurodac.
Als de IND de aanvraag vermoedelijk niet in behandeling zal nemen op grond van artikel 30 Vw, behandelt de IND de aanvraag conform artikel 3.109c Vb in de Dublinprocedure. De IND neemt een gehoor af als bedoeld in artikel 3.109c, vierde lid, Vb. Dit gehoor wordt aangeduid als een Dublin gehoor.
Zie voor het verdere verloop van de Dublinprocedure paragraaf C1/2.6 VC.
Wanneer de aanvraag vermoedelijk kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk zal worden verklaard vanwege één van de in artikel 3.109ca, eerste lid, Vb genoemde gronden, neemt de IND, na het indienen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een gehoor als bedoeld in artikel 3.109ca, vierde lid, Vb af. Zie paragraaf C1/2.7 Vc voor de verdere procedure.
Wanneer de IND inschat dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal worden behandeld in de algemene asielprocedure, neemt de IND een aanmeldgehoor af als bedoeld in artikel 3.108d, zesde lid, Vb. De IND neemt ook een aanmeldgehoor af bij niet alleenstaande minderjarige vreemdelingen vanaf vijftien jaar (die zelfstandig een aanvraag hebben ingediend) en bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen vanaf twaalf jaar.
De vragen die de IND tijdens het aanmeldgehoor stelt, betreffen onder andere vragen over:
Daarnaast vraagt de IND naar een korte opgave van de asielmotieven.
De IND kan bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen jonger dan twaalf jaar een aanmeldgehoor afnemen. De IND vraagt in dat geval uitsluitend naar de volgende gegevens:
De IND vraagt de vreemdeling conform artikel 3.108, vierde lid, Vb tijdens de aanmeldfase naar een korte opgave van de asielmotieven. Doel van het kort informeren naar asielmotieven is het bevorderen van een efficiënte en zorgvuldige afhandeling van de asielaanvraag. De IND vraagt hiernaar in het aanmeldformulier en/of tijdens het aanmeldgehoor. De IND stelt tijdens het aanmeldgehoor geen verdiepende vragen naar aanleiding van de opgegeven asielmotieven. De IND betrekt de afgelegde verklaringen over de asielmotieven zoals vermeld in het aanmeldformulier en/of tijdens het aanmeldgehoor niet bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit is wel mogelijk als de verklaringen betrekking hebben op daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, andere zware strafbare feiten of relevant zijn in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid. De IND kan de overige tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen wel betrekken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Na afronding van het aanmeldgehoor, eindigt de aanmeldfase. De IND verstrekt een afschrift van het rapport van aanmeldgehoor aan de gemachtigde. De vreemdeling mag schriftelijk op het rapport van aanmeldgehoor reageren door het indienen van correcties en aanvullingen.
Bij een alleenstaande minderjarige vreemdeling die zijn minderjarigheid niet met authentieke identiteitsdocumenten kan aantonen, vindt tijdens de aanmeldfase een leeftijdsschouw plaats. De leeftijdsschouw bestaat uit twee sessies die de volgende samenstelling hebben:
De medewerkers beoordelen per sessie onafhankelijk van de andere sessie of er sprake is van:
Per sessie zien de ambtenaren de vreemdeling apart van de andere sessie en elke sessie trekt een eigen conclusie. Er dient unaniem, dat wil zeggen door beide sessies, geoordeeld te zijn om tot evidente meerder- of minderjarigheid te kunnen concluderen. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en de medewerker van de IND zorgen ervoor dat de conclusie dat een vreemdeling evident meerderjarig, evident minderjarig is of dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd, wordt opgenomen in het dossier van de vreemdeling.
Bij de beoordeling worden alle volgende aspecten van de vreemdeling betrokken:
2.2. De rust- en voorbereidingstermijn
In artikel 3.109 Vb is de rust- en voorbereidingstermijn beschreven. De rust- en voorbereidingstermijn start op de dag volgend op het einde van de aanmeldfase.
In artikel 3.109 Vb is de rust- en voorbereidingstermijn beschreven. De rust- en voorbereidingstermijn start op de dag volgend op het einde van de aanmeldfase.
De IND verstrekt tijdens de rust- en voorbereidingstermijn aan de vreemdeling een W-document, als bedoeld in artikel 4.21 Vb.
De rust- en voorbereidingstermijn van een vreemdeling stopt als de vreemdeling op grond van de artikelen 3.109, zesde lid; 3.109b, tweede lid; 3.109c, eerste lid; of artikel 3.109ca, eerste lid, Vb, niet (meer) in aanmerking komt of wenst te komen voor de rust- en voorbereidingstermijn. De IND start de algemene asielprocedure van de vreemdeling zo snel mogelijk als de vreemdeling niet (meer) in aanmerking komt voor de rust en voorbereidingstermijn.
Op grond van artikel 3.109, zesde lid, Vb komt een vreemdeling onder andere niet in aanmerking voor de rust- en voorbereidingstermijn als de vreemdeling:
De IND beslist of een vreemdeling die te kennen heeft gegeven een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willen dienen een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Voor de beoordeling of de vreemdeling in deze gevallen een gevaar vormt voor de openbare orde, wordt aangesloten bij artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, Vb en bij paragraaf B1/4.4 Vc. De veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn. Voor de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid wordt verwezen naar paragraaf B1/4.4 Vc.
Er is in ieder geval sprake van overlast, als bedoeld in 3.109, zesde lid, aanhef en onder b, Vb als de vreemdeling:
Een vreemdeling komt niet in aanmerking voor de rust- en voorbereidingstermijn ingeval de vreemdeling:
Ook de vreemdeling wiens asielaanvraag in vreemdelingenbewaring wordt afgehandeld, komt niet in aanmerking voor de rust- en voorbereidingstermijn.
Het betreft vreemdelingen die bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onjuiste informatie of valse dan wel vervalste documenten met betrekking tot hun identiteit, nationaliteit, herkomst of etniciteit hebben verstrekt. Ook betreft het vreemdelingen die informatie of documenten hebben achtergehouden of vernietigd welke informatie of documenten een negatieve invloed op de beslissing op de aanvraag zouden hebben gehad.
De grensprocedure en lastminuteaanvragen kennen afwijkende regels, die beschreven worden in de paragrafen C1/2.5 en C1/2.9 Vc.
De IND biedt een alleenstaande minderjarige vreemdeling uitsluitend een leeftijdsonderzoek als bedoeld in artikel 3.109d, tweede lid Vb aan als:
Bij het leeftijdsonderzoek worden röntgenopnamen gemaakt van de groeischijven in het hand/polsgebied en van de sleutelbeenderen. Vervolgens wordt door een arts bepaald of de mate van uitrijping van deze groeischijven past bij de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. De uitslag van het leeftijdsonderzoek levert een bewijsmiddel op waarmee de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid kan aantonen.
Het leeftijdsonderzoek kan tijdens of na de rust- en voorbereidingstermijn worden aangeboden en uitgevoerd.
VluchtelingenWerk Nederland verzorgt:
De rechtsbijstandverlener van de vreemdeling zorgt voor de voorbereiding op de asielprocedure als bedoeld in artikel 3.109, vierde lid, Vb. Deze voorbereiding vindt plaats in het kantoor van de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener en de vreemdeling kunnen hierover andere afspraken maken.
Het COA verstrekt aan de vreemdelingen vervoersbewijzen en een routebeschrijving naar het kantoor van de rechtsbijstandverlener.
Wanneer de rust- en voorbereidingstermijn wordt onthouden, vindt de voorbereiding door een rechtsbijstandverlener plaats op een passend moment voorafgaand aan het nader gehoor.
De vreemdeling ontvangt tijdens de rust- en voorbereidingstermijn op grond van artikel 3.109 vijfde lid, Vb een uitnodiging voor een medisch advies. Wanneer daartoe naar het oordeel van de IND aanleiding bestaat, kan de IND ook een medisch advies aanbieden in die gevallen waarin de rust- en voorbereidingstermijn wordt onthouden op grond van artikel 3.109, zesde lid, Vb. Dit kan bijvoorbeeld wanneer uit het aanmeldgehoor of uit andere relevante informatie blijkt dat sprake is van dusdanige (medische) problematiek dat een medisch advies noodzakelijk wordt geacht voordat het nader gehoor wordt afgenomen. Deelname aan het medisch advies is vrijwillig. De vreemdeling verleent schriftelijk toestemming voor deelname aan het medisch advies.
Het medisch advies maakt onderdeel uit van de beoordeling door de IND van de vraag of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft als bedoeld in artikel 24 van de Procedurerichtlijn (zie artikel 3.108b Vb).
De IND bepaalt op welke wijze passende steun als bedoeld in artikel 3.108b Vb wordt geboden en op welke wijze rekening gehouden wordt met de conclusies uit het medisch advies. Op grond van de inhoud van het medisch advies zijn in ieder geval de volgende situaties mogelijk:
Het medisch advies kan aanleiding geven te besluiten de parallelle procedure toe te passen (zie paragraaf A3/7.3 Vc).
De behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling start zonder medisch advies als de vreemdeling geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor het medisch advies. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het medisch advies.
De IND mag op een later moment dan tijdens de algemene asielprocedure een medisch advies aanvragen als tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog relevante medische problematiek bij de vreemdeling naar voren komt. De vreemdeling moet schriftelijk toestemming geven voor dit medisch advies.
Naast de situaties zoals hiervoor beschreven onder ‘Uitzonderingen op de rust- en voorbereidings- termijn’, eindigt de rust- en voorbereidingstermijn van rechtswege met de start van de algemene asielprocedure.
De IND beslist na overleg met de Raad voor Rechtsbijstand en het COA op welke datum de algemene asielprocedure van de vreemdeling start. De IND deelt de vreemdeling schriftelijk mede op welke datum de algemene asielprocedure van de vreemdeling start.
Het verloop van de algemene asielprocedure is geregeld in de artikelen 42 Vw en 3.110 tot en met 3.116 Vb.
Het verloop van de algemene asielprocedure is geregeld in de artikelen 42 Vw en 3.110 tot en met 3.116 Vb.
De IND behandelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure als geen tijdrovend onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag.
Tijdrovend onderzoek is onderzoek waarbij de resultaten van het onderzoek niet tijdens de algemene asielprocedure verwacht worden.
De IND beoordeelt of de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure of verlengde asielprocedure plaatsvindt, nadat in de algemene asielprocedure een nader gehoor van de vreemdeling is afgenomen en de IND de vreemdeling de dag erna in de gelegenheid heeft gesteld correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen.
Op deze regel zijn enkele uitzonderingen van toepassing, die zijn beschreven in paragraaf C1/2.4 Vc.
Als de vreemdeling zonder voorafgaande kennisgeving niet op zijn afspraak is verschenen en/of zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen uit het model M117-C, dan neemt de IND hierover contact op met de vreemdeling of diens gemachtigde om navraag te doen naar de redenen hiervoor. Indien de vreemdeling niet bereikbaar is en/of diens verblijfsplaats niet bekend is, dan brengt de IND een voornemen tot buiten behandeling stelling uit (zie paragraaf C2/8 Vc) onder gelijktijdige verlenging van de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc onder ‘verlenging van de asielprocedure’ en ‘verdwenen of zonder toestemming vertrokken’). De IND trekt het voornemen tot buiten behandeling stelling in indien de vreemdeling zich binnen de in het voornemen gestelde termijn opnieuw meldt bij het aanmeldcentrum en zich beschikbaar stelt voor een voortzetting van de behandeling van de aanvraag in de algemene asielprocedure.
Het Vreemdelingenbesluit bevat diverse procedurele bepalingen waarin is vastgelegd welke handelingen de IND dan wel de vreemdeling op een dag verrichten. Onder een dag wordt verstaan een kalenderdag die loopt van 0.00 uur tot 24.00 uur.
De termijnen als bedoeld in artikel 3.110 Vb, 3.113 tot en met 3.115 Vb en 3.118b zesde, zevende en achtste lid, Vb, zijn bindend voor de IND en de vreemdeling.
De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure, als de IND de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden.
De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure, als de vreemdeling de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden.
In de in artikel 3.115, eerste lid, Vb beschreven situaties kan de IND de termijn van de algemene asielprocedure op voorhand met drie dagen verlengen. Het gaat hierbij om aanvragen waarvan, naar het oordeel van de IND, de behandeling vermoedelijk meer tijd zal vergen.
De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, eerste lid aanhef en onder a of b, Vb, als:
Bij de beslissing over het op voorhand verlengen van de algemene asielprocedure kan zowel informatie uit de aanmeldfase (bijvoorbeeld de verklaringen tijdens het aanmeldgehoor) als de rust- en voorbereidingstermijn (bijvoorbeeld het medisch advies) worden betrokken. De vreemdeling wordt geïnformeerd over de reden van de verlenging en het einde van de termijn van de algemene asielprocedure.
De IND maakt terughoudend gebruik van de mogelijkheid in artikel 3.115, tweede lid Vb, om de termijnen van de algemene asielprocedure te verlengen.
De IND houdt bij verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure de gebruikelijke volgorde van processtappen binnen de algemene asielprocedure aan.
2.4. De verlengde asielprocedure
De IND mag de termijnen in de algemene asielprocedure meerdere keren verlengen, zolang de IND het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd volgens artikel 3.115, negende lid, Vb uiterlijk op de achttiende, twintigste of zesentwintigste dag van de algemene asielprocedure uitreikt aan de vreemdeling.
Wanneer ook sprake is van verlenging van de algemene asielprocedure voorafgaand aan de start van het onderzoek, dan wordt de beschikking uiterlijk de eenentwintigste, drieëntwintigste of negenentwintigste dag bekendgemaakt.
De IND past deze beleidsregels bij verlenging van de termijnen op grond van artikel 3.118b, zevende lid, Vb overeenkomstig toe, met dien verstande dat de IND de beschikking uiterlijk op de twaalfde, de veertiende of de twintigste dag van de algemene asielprocedure uitreikt.
De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, tweede, lid aanhef en onder a of b, Vb, als:
De vreemdeling dient het verzoek om verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure schriftelijk bij de IND in, onder vermelding van de redenen van het verzoek.
Als de IND besluit het verzoek van de vreemdeling om verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure niet te honoreren, krijgt de vreemdeling mondeling bericht van de IND.
De IND motiveert in het voornemen of in het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarom geen aanleiding bestaat om de verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure toe te staan.
De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, tweede lid, aanhef en onder c, Vb, als:
De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure verlengen op grond van artikel 3.115, tweede lid, aanhef en onder d, Vb, als de IND door de gewijzigde verklaringen van de vreemdeling:
De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, tweede lid, aanhef en onder f, Vb, als het medisch onderzoek als bedoeld in artikel 3.109e Vb naar verwachting binnen die verlengde termijnen kan worden afgerond.
De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, tweede lid, aanhef en onder g, Vb, als de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen in model M117-C en/of zonder voorafgaande kennisgeving niet op zijn afspraak in het aanmeldcentrum is verschenen (zie ook paragraaf C1/2.1 Vc onder ‘Beschikbaarheid tijdens de asielprocedure’ en paragraaf C1/2.3 Vc onder ‘Het niet nakomen van de aanwijzingen’).
Indien de vreemdeling strafrechtelijk wordt vervolgd wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf, verwijst de IND de vreemdeling naar de verlengde asielprocedure. De verlenging van de beslistermijnen staan beschreven in paragraaf C1/2.13 Vc. De IND verlengt de termijnen van de asielprocedure op grond van artikel 42, vijfde lid, Vw juncto artikel 42, vierde lid, Vw nogmaals met maximaal drie maanden als het strafrechtelijk vonnis nog niet is gewezen.
De IND beoordeelt op basis van het medisch advies (zie paragraaf C1/2.2 Vc) of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.113, zesde lid, aanhef en onder a, Vb.
De IND beoordeelt op basis van het medisch advies (zie paragraaf C1/2.2 Vc) of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.113, zesde lid, aanhef en onder a, Vb.
De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een alleenstaande minderjarige vreemdeling jonger dan twaalf jaar op grond van artikel 3.113, zesde lid, aanhef en onder b, Vb in de verlengde asielprocedure, nadat in het aanmeldcentrum eventueel een kort aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden.
Verstrekking van het W-document
De IND verstrekt een nieuw W-document, indien de IND aan de vreemdeling een nieuwe geboortedatum heeft toegekend. De vreemdeling moet het oude W-document bij de IND inleveren.
Het verloop van de grensprocedure is geregeld in artikel 3, derde tot en met zevende lid, Vw en artikel 3.109b Vb. In de grensprocedure worden de artikelen 3.109 en 3.113 tot en met 3.115 Vb overeenkomstig toegepast, tenzij anders is bepaald.
Het verloop van de grensprocedure is geregeld in artikel 3, derde tot en met zevende lid, Vw en artikel 3.109b Vb. In de grensprocedure worden de artikelen 3.109 en 3.113 tot en met 3.115 Vb overeenkomstig toegepast, tenzij anders is bepaald.
2.5. Eerste- en nader gehoor
In artikel 3.108d Vb (inzake de aanmeldfase) is bepaald dat dit artikel niet van toepassing is in de grensprocedure. Wel vult de vreemdeling een aanmeldformulier in en vindt voorafgaand aan het nader gehoor een aanmeldgehoor plaats. De artikelen 3.108, vierde en vijfde lid, Vb zijn van overeenkomstige toepassing.
In artikel 3.109 Vb is de rust- en voorbereidingstermijn beschreven. Conform artikel 3.109b, tweede lid, Vb kan in de grensprocedure een kortere rust- en voorbereidingstermijn dan zes dagen gelden. De vreemdeling neemt het initiatief hiertoe, waarna in samenspraak met de IND de duur van de rust- en voorbereidingstermijn wordt bepaald. De IND heeft een inspanningsverplichting om volgens het verzoek van de vreemdeling te handelen.
De rust- en voorbereidingstermijn is niet van toepassing in de in artikel 3.109, zesde lid, Vb genoemde gevallen (zie paragraaf C1/2.2 Vc).
De IND toetst tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voortdurend of de aanvraag conform artikel 3, derde lid, Vw binnen de grensprocedure kan worden behandeld. Het uitgangspunt is dat de IND uiterlijk na het nader gehoor, op basis van volledige informatie, aan de vreemdeling kenbaar maakt indien zijn aanvraag niet in de grensprocedure verder kan worden behandeld. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium de relevante informatie voorhanden is.
In ieder geval in de volgende situaties zal reeds na het aanmeldgehoor geconcludeerd worden dat zijn aanvraag niet binnen de grensprocedure (verder) zal worden behandeld.
Indien na het aanmeldgehoor de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling met voldoende zekerheid is vastgesteld:
Indien de IND concludeert dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet binnen de grensprocedure verder kan worden behandeld, dan wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw, opgeheven. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing. De behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal in dit geval worden opgeschort en verder worden behandeld in de algemene asielprocedure of de verlengde asielprocedure. De IND bepaalt in overleg met de gemachtigde van de vreemdeling, wanneer de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal worden voortgezet. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de opschorting een week duurt.
De in paragraaf C1/2.3 Vc opgenomen beleidsregels zijn van overeenkomstige toepassing in de grensprocedure. In aanvulling daarop geldt dat de aanvraag binnen de in artikel 3, zesde lid, Vw genoemde termijn moet worden afgedaan.
De IND bepaalt tijdens de grensprocedure of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verder wordt behandeld binnen de grensprocedure onder voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6 Vw.
Als de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet afgerond kan worden binnen de termijnen van de algemene asielprocedure, kan de IND de behandeling voortzetten indien het vermoeden bestaat dat de aanvraag zal worden afgedaan met toepassing van artikel 30, 30a en 30b, Vw en de behandeling naar verwachting binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Vw kan worden afgerond. In artikel 3.118, tweede lid, Vb is bepaald dat de termijn voor het indienen van een zienswijze in dit geval een week bedraagt.
Dit doet zich onder andere voor indien er nader onderzoek noodzakelijk is naar:
Dit kan onder andere door middel van:
De IND moet de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de grensprocedure voortvarend behandelen.
Indien duidelijk is dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid, Vw kan worden afgedaan, wordt de vreemdeling toegang verleend tot Nederland en wordt de vrijheidsontnemende maatregel ex. artikel 6, derde lid, Vw opgeheven.
In de grensprocedure kan tevens de procedure als bedoeld in artikel 3.109ca Vb worden toegepast. Dit betekent dat de vreemdeling geen rust- en voorbereidingstermijn krijgt en dus evenmin een medisch onderzoek wordt aangeboden. In uitzonderlijke gevallen kan de IND ervoor kiezen toch een medisch onderzoek aan te bieden. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als blijkt dat sprake is van dusdanige (medische) problematiek dat de IND een medisch advies noodzakelijk acht voordat het gehoor als bedoeld in artikel 3.109ca, vierde lid, Vb wordt afgenomen.
Indien de vreemdeling de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking zo spoedig mogelijk een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 juncto artikel 6 SGC (model M17). Na het nemen van dit besluit, legt de bevoegde ambtenaar middels beschikking model M19 of M19A een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid Vw dan wel artikel 6a Vw. Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en het opleggen van deze nieuwe maatregel dient plaats te vinden binnen twee dagen na intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw onder a tot en met e genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking zo spoedig mogelijk een besluit omtrent weigering van de toegang. Daarnaast legt de bevoegde ambtenaar middels model M19 of M19A een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw dan wel artikel 6a, eerste lid, Vw.
Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en opleggen van de nieuwe maatregel dient plaats te vinden binnen twee dagen nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw onder a tot en met e genoemde situaties niet langer aan de orde zijn. De IND motiveert in de beschikking model M19 of M19A:
2.8.1. De procedure bij voorzienbare inwilliging
In deze paragraaf wordt gesproken over ‘verzoek om internationale bescherming’, omdat Verordening (EU) nr. 604/2013 deze terminologie gebruikt (zie artikel 2, onder b, Verordening (EU) nr. 604/2013).
Artikel 30, tweede lid, Vw en artikel 3.109c Vb regelen het verloop van de Dublinprocedure. Deze paragraaf bevat een verdere uitwerking van deze artikelen.
In deze paragraaf wordt gesproken over ‘verzoek om internationale bescherming’, omdat Verordening (EU) nr. 604/2013 deze terminologie gebruikt (zie artikel 2, onder b, Verordening (EU) nr. 604/2013).
Als er concrete aanwijzingen zijn (zie paragraaf C1/2.1 Vc onder Onderzoek naar de toepasbaarheid van Verordening (EU) 604/2013 (Dublin) dat een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan wordt de aanvraag behandeld in de Dublinprocedure tenzij dit om proceseconomische redenen niet opportuun is (zie paragraaf C2/5 Vc).
Dit geldt eveneens als de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd of als de vreemdeling in bewaring is gesteld.
Zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, verstrekt de IND aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘Deel B: De Dublinprocedure-informatie voor personen die om internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure bevinden, conform artikel 4 van Verordening (EU) Nr. 604/2013’. Als de folder tijdens het gehoor wordt uitgereikt, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld de brochure te lezen.
De IND neemt tijdens de Dublinprocedure een zogenaamd Dublin gehoor af als bedoeld in artikel 3.109c, vierde lid, Vb. Tijdens het Dublin gehoor biedt de IND de vreemdeling de mogelijkheid om de volgens artikel 4 Verordening (EU) 604/2013 aan hem verstrekte informatie juist te begrijpen; stelt de IND in ieder geval vragen in het kader van Verordening (EU) 604/2013; en informeert de IND de vreemdeling over de resultaten van het onderzoek naar de vingerafdrukken van de vreemdeling. De IND stelt aan de vreemdeling vragen over de resultaten van het onderzoek in Eurodac en EU VIS als hiertoe aanleiding is. Wanneer de vreemdeling de toegang is geweigerd of in bewaring is gesteld, kan de AVIM of de ambtenaar belast met de grensbewaking het gehoor afnemen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, Verordening (EU) 604/2013.
De IND vraagt de vreemdeling tijdens het Dublin gehoor of hij, als een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, bereid is zelfstandig te vertrekken, met behulp van DT&V wenst te vertrekken of dat hij niet wenst mee te werken aan zijn vertrek naar die lidstaat. De IND informeert de vreemdeling over de gevolgen hiervan.
Het rapport van gehoor wordt uiterlijk tegelijkertijd met het voornemen bekend gemaakt aan de vreemdeling.
Als deze concrete aanwijzingen dat een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming pas tijdens de aanmeldfase, de rust- en voorbereidingstermijn of na de start van de algemene asielprocedure of op enig ander moment naar voren komen, dan zet de IND de behandeling van de aanvraag voort in de Dublinprocedure. Een reeds gestart aanmeldgehoor kan worden voortgezet als een Dublin gehoor. Ook verstrekt de IND aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘Deel B: De Dublinprocedure-informatie voor personen die om internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure bevinden, conform artikel 4 van Verordening (EU) Nr. 604/2013’.
Als het aanmeldgehoor niet is voortgezet als Dublin gehoor of als pas na de aanmeldfase blijkt van concrete aanknopingspunten dat een ander land verantwoordelijk is voor de aanvraag, nodigt de IND de vreemdeling uit voor een Dublingehoor.
Als een Dublin gehoor heeft plaatsgevonden maar daarna nieuwe feiten en omstandigheden naar voren komen die onderzoek of een aanvullend Dublin gehoor behoeven, neemt de IND waar nodig (schriftelijk) contact op met de vreemdeling en/of nodigt de IND de vreemdeling waar nodig uit voor een aanvullend Dublin gehoor.
Als de vreemdeling, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden, niet verschijnt voor het Dublin gehoor wordt aangenomen dat hij geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
Mocht de vreemdeling desondanks bezwaren hebben tegen de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat, kan hij deze bezwaren in de zienswijze naar voren brengen.
Als er na de aanmeldfase een Dublingehoor plaatsvindt, dan maakt de IND het rapport van Dublingehoor uiterlijk tegelijkertijd met het voornemen bekend aan de vreemdeling.
De vreemdeling kan eventuele correcties en aanvullingen op het rapport van Dublin gehoor gelijk met zijn zienswijze op het voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen indienen (zie ook 3.109c, achtste lid Vb). Paragraaf C1/2.12 Vc onder Uitstel voor het indienen van de zienswijze is van overeenkomstige toepassing.
De IND verleent geen uitstel indien aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, of indien de vreemdeling in bewaring is gesteld.
Als tijdens de Dublinprocedure wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan wordt een rust- en voorbereidingstermijn gegeven, waarna de behandeling van de aanvraag wordt voortgezet in de algemene asielprocedure. Indien nodig kan voorafgaand aan de rust- en voorbereidingstermijn een aanmeldgehoor worden gehouden. Wanneer de vreemdeling (nog) geen (volledige) rust- en voorbereidingstermijn heeft doorlopen, dan moet hij eerst de rust- en voorbereidingstermijn doorlopen. Wanneer de vreemdeling na behandeling in de algemene asielprocedure, is behandeld in de Dublin procedure waarin wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan wordt de behandeling van de aanvraag voortgezet in de verlengde asielprocedure. De IND geeft hierbij ook aan op welk moment de beslistermijn in de zin van artikel 42, zesde lid, Vw is aangevangen.
2.8.2. Bijzondere vervolgprocedure
Als het verzoek om internationale bescherming niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, Vw, neemt de IND in ieder geval in de meeromvattende beschikking op:
Paragraaf C1/2.13 Vc onder ‘Wijze van bekendmaken’ en ‘De beschikking in de verlengde asielprocedure’ is van overeenkomstige toepassing.
Als de vreemdeling tijdens het Dublingehoor heeft aangegeven op eigen initiatief zelfstandig te zullen vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, biedt de IND hem een termijn van ten hoogste tien werkdagen na het bekendmaken van de beschikking om zijn vertrek te realiseren. Indien deze termijn is verstreken zonder dat de vreemdeling is vertrokken is er sprake van een zware grond voor inbewaringstelling als bedoeld in artikel 5.1b, derde lid onder l, Vb.
Als de vreemdeling aangeeft mee te zullen werken aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, zal de DT&V de overdracht ter hand nemen.
Als de vreemdeling aangeeft niet te zullen meewerken aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, is er sprake van een zware grond voor inbewaringstelling als bedoeld in artikel 5.1b, derde lid onder k, Vb. De DT&V zal de gedwongen overdracht ter hand nemen.
Als een overdracht onmiddellijk of op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, kan de IND het stellen van een termijn voor zelfstandig vertrek achterwege laten. De IND verleent evenmin een termijn om het vertrek zelfstandig te realiseren, indien aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd of indien de vreemdeling in bewaring is gesteld (zie ook paragraaf A3/6.9 Vc).
Artikel 29 , tweede lid, Verordening (EU) 604/2013 geeft de IND de mogelijkheid om de overdrachtsdatum tot maximaal 18 maanden te verlengen als de vreemdeling zich aan de overdracht aan de andere lidstaat onttrekt en daarmee onderduikt. Van belang is dat de vreemdeling in kennis wordt gesteld van zijn verplichting om medewerking te verlenen aan de overdracht en de gevolgen van het niet verlenen van medewerking aan de overdracht aan de andere lidstaat. Als de vreemdeling hiervan in kennis is gesteld, neemt de IND in ieder geval aan dat de vreemdeling zich opzettelijk aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken als hij niet verschijnt bij de voor hem geplande overdracht aan de andere lidstaat. Hetzelfde geldt wanneer de vreemdeling slechts tijdelijk uit beeld is en de geplande overdracht om die reden geen doorgang kon vinden. De IND stelt de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming hier tijdig van op de hoogte. De IND verlengt de uiterste overdrachtsdatum niet als er sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden waardoor de geplande overdracht geen doorgang heeft kunnen vinden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten.
Deze paragraaf bevat een verdere uitwerking van deze procedure.
Artikel 3.109ca Vb regelt het verloop van de procedure wanneer de vreemdeling vermoedelijk:
Deze paragraaf bevat een verdere uitwerking van deze procedure.
Wanneer er aanwijzingen zijn dat de vreemdeling behoort tot één van de hierboven genoemde categorieën en de algemene asielprocedure is op dat moment nog niet is aangevangen, dan wordt de aanvraag behandeld in de procedure zoals beschreven in artikel 3.109ca Vb. De IND verstrekt aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘De vereenvoudigde asielprocedure: U komt uit een veilig land of u hebt al internationale bescherming’.
2.10. Voornemenprocedure
Paragraaf C1/2.12 Vc onder Uitstel voor het indienen van de zienswijze is van toepassing.
Paragraaf C1/2.13 Vc onder Het geven van de beschikking is van overeenkomstige toepassing.
Indien Onze Minister vanwege een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen heeft besloten dat artikel 3.123a Vb van toepassing is, gelden er bijzondere procedurele bepalingen welke het mogelijk maken in een vereenvoudigde procedure als omschreven in artikel 3.123b Vb een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De Minister zal in dat verband bepalen op welke nationaliteit(en) of groepen vreemdelingen deze procedure zoals beschreven in artikel 3.123b Vb toeziet.
De asielaanvraag kan slechts volgens deze procedure worden behandeld indien de vreemdeling (echte en onvervalste) identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd en de IND ook overigens geen reden heeft te twijfelen aan diens identiteit en/of nationaliteit.
Indien Onze Minister vanwege een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen heeft besloten dat artikel 3.123a Vb van toepassing is, gelden er bijzondere procedurele bepalingen welke het mogelijk maken in een vereenvoudigde procedure als omschreven in artikel 3.123b Vb een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De Minister zal in dat verband bepalen op welke nationaliteit(en) of groepen vreemdelingen deze procedure zoals beschreven in artikel 3.123b Vb toeziet.
De asielaanvraag kan slechts volgens deze procedure worden behandeld indien de vreemdeling (echte en onvervalste) identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd en de IND ook overigens geen reden heeft te twijfelen aan diens identiteit en/of nationaliteit.
Wanneer er aanwijzingen zijn dat de vreemdeling tot deze doelgroep (artikel 3.123b Vb) behoort, en de algemene asielprocedure op dat moment nog niet met een nader gehoor is aangevangen, wordt de aanvraag in de procedure zoals beschreven in artikel 3.123b Vb behandeld. De IND verstrekt aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘De vereenvoudigde asielprocedure: voorzienbare inwilliging’.
Indien de IND op enig moment gedurende de procedure toch twijfelt aan de gestelde identiteit, nationaliteit en/of herkomst, dan wordt de aanvraag verder behandeld in de bijzondere vervolgprocedure (zie paragraaf C1/2.8.2 Vc).
Paragraaf C1/2.13 Vc onder Het geven van de beschikking is van overeenkomstige toepassing.
Wanneer de aanvraag is ingewilligd in de procedure als beschreven in artikel 3.123b Vb en de vreemdeling in die procedure niet is bijgestaan door een rechtshulpverlener, zullen eventuele fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het rapport van gehoor die daardoor in eerste instantie onopgemerkt waren gebleven, niet in een vervolgprocedure worden tegengeworpen. Bij vervolgprocedures wordt met name gedacht aan procedures inzake nareis en intrekking van de verleende vergunning.
De vreemdeling moet onderbouwen dat discrepanties tussen zijn verklaringen in de vervolgprocedure en het eerdere rapport van gehoor het gevolg zijn van fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het rapport van gehoor en dat daarvoor verschoonbare redenen zijn. De IND neemt minder snel aan dat sprake is van geloofwaardige verschoonbare redenen, als het aspecten betreft waarover de vreemdeling tijdens de eerdere asielprocedure uitgebreid en consistent heeft verklaard.
Nader onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en/of het behoren tot een bepaalde groep is noodzakelijk indien:
Indien de vreemdeling valt onder de doelgroep van artikel 3.123a Vb en de in artikel 3.123b Vb beschreven procedure niet gevolgd of vervolgd kan worden omdat nader onderzoek naar de identiteit, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde groep noodzakelijk is, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in artikel 3.123c Vb.
Nader onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en/of het behoren tot een bepaalde groep is noodzakelijk indien:
Wanneer er aanwijzingen zijn dat de vreemdeling tot deze doelgroep behoort (artikel 3.123c Vb), en de algemene asielprocedure op dat moment nog niet met een nader gehoor is aangevangen, wordt de aanvraag in de procedure zoals beschreven in de artikelen 3.123c Vb behandeld. De IND verstrekt aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘De vereenvoudigde asielprocedure: bijzondere vervolgprocedure’.
Paragraaf C1/2.12 Vc onder Uitstel voor het indienen van de zienswijze is van toepassing.
Paragraaf C1/2.13 Vc onder Het geven van de beschikking is van overeenkomstige toepassing.
De vreemdeling, of diens wettelijk vertegenwoordiger, die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen, dient deze aanvraag in persoon in op het aanmeldcentrum Ter Apel. De in artikel 3.50 VV genoemde gevallen zijn hiervan uitgezonderd. Een tweede of volgende aanvraag die niet in persoon is ingediend op het aanmeldcentrum Ter Apel geldt als onvolledige aanvraag waarbij de vreemdeling in verzuim is omdat hij niet voldoet aan het wettelijk voorschrift voor het indienen van de aanvraag. De vreemdeling krijgt dan een termijn van één week om de aanvraag in persoon in te dienen en het verzuim te herstellen, bij gebreke waarvan de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld op grond van artikel 4:5 Awb.
Artikel 3.118b Vb regelt het verloop van de asielprocedure als een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingediend. De procedure als beschreven in artikel 3.118b, tweede en derde lid, Vb wordt aangeduid als de ééndagstoets asiel.
De vreemdeling, of diens wettelijk vertegenwoordiger, die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen, dient deze aanvraag in persoon in op het aanmeldcentrum Ter Apel. De in artikel 3.50 VV genoemde gevallen zijn hiervan uitgezonderd. Een tweede of volgende aanvraag die niet in persoon is ingediend op het aanmeldcentrum Ter Apel geldt als onvolledige aanvraag waarbij de vreemdeling in verzuim is omdat hij niet voldoet aan het wettelijk voorschrift voor het indienen van de aanvraag. De vreemdeling krijgt dan een termijn van één week om de aanvraag in persoon in te dienen en het verzuim te herstellen, bij gebreke waarvan de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld op grond van artikel 4:5 Awb.
De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen, dient daarvoor, behoudens de in artikel 3.50 VV genoemde gevallen, gebruik te maken van het model M35-O. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe feiten en omstandigheden hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij. Indien het model M35-O niet of niet volledig is ingevuld, of als informatie ontbreekt die relevant is voor de beslissing op de aanvraag, handelt de IND overeenkomstig de in paragraaf C2/8 Vc beschreven werkwijze.
Als de IND de bijlage met bewijsmiddelen heeft ontvangen, verstrekt de IND aan de vreemdeling een bewijs van ontvangst, waarin staat beschreven welke bewijsmiddelen de IND heeft ontvangen. Voor wat betreft de teruggave van bewijsmiddelen door de IND zijn de beleidsregels in paragraaf C1/2.2 Vc onder het kopje ‘Onderzoek in de rust- en voorbereidingstermijn’ van overeenkomstige toepassing.
De IND start na ontvangst van het volledig ingevulde en complete model M35-O op basis van de daarmee verstrekte informatie en bewijsmiddelen met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag.
De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag na ontvangst van het model M35-O een onderzoek starten. Paragraaf C1/2.1 Vc onder ‘Onderzoek in de aanmeldfase’ is in dat geval van overeenkomstige toepassing.
De IND beslist na ontvangst van een volledige aanvraag en, indien nodig, na overleg met de Raad voor Rechtsbijstand en het COA op welke datum de ééndagstoets asiel van de vreemdeling start. De ééndagstoets asiel vangt aan met het gehoor als bedoeld in artikel 3.118b, tweede lid, aanhef en onder a, Vb, tenzij de IND de kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen die nodig is voor het kunnen nemen van de beschikking, kan vergaren zonder gehoor. In de gevallen waarin de IND afziet van het houden van een gehoor, vangt de ééndagstoets asiel aan met het voornemen als bedoeld in artikel 3.118b, tweede lid, aanhef en onder c, Vb. De IND kan onder meer besluiten om af te zien van een gehoor in de situatie dat de vreemdeling:
In gevallen waarin zich een van de hiervoor benoemde situaties voordoet maar individuele omstandigheden in de betreffende zaak ertoe leiden dat door het achterwege laten van het gehoor niet zorgvuldig kan worden beslist, wordt gehoord. De IND maakt geen gebruik van de mogelijkheid om af te zien van een gehoor bij de in artikel 40, zesde lid van de Procedurerichtlijn benoemde gevallen waarin weliswaar sprake is van een tweede of volgende aanvraag maar de vreemdeling voor het eerst zelfstandig en op eigen naam een (opvolgende) aanvraag indient.
Indien er aanleiding bestaat om in gevallen waarin is afgezien van een gehoor op grond van nieuwe elementen of bevindingen of een andere beoordeling van reeds bekende elementen of bevindingen alsnog de vreemdeling te horen, vangt de ééndagstoets asiel opnieuw aan. Dit geldt ook als de IND al gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het onderzoek voort te zetten in het aanmeldcentrum als bedoeld in artikel 3.118b, vijfde lid, Vb.
Als de vreemdeling zonder voorafgaande mededeling niet verschijnt voor het gehoor als bedoeld in artikel 3.118b, tweede lid, aanhef en onder a, Vb wordt gehandeld overeenkomstig artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder onder b, Vw en paragraaf C2/8 Vc.
Voor de termijnen in de ééndagstoets asiel zijn de beleidsregels in C1/2.3 Vc onder Termijnen in de algemene asielprocedure van overeenkomstige toepassing.
De IND behandelt de tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de procedure als beschreven in artikel 3.118b, zesde lid, Vb, of in de Dublinprocedure als het voornemen tot afwijzing niet volgens artikel 3.118b, tweede lid, aanhef en onder onder c, Vb, op de eerste dag aan de vreemdeling is toegezonden of uitgereikt.
Een toerekenbare overschrijding van de termijnen als bedoeld in artikel 3.118b, tweede lid, Vb door de vreemdeling is geen reden voor verlenging van de termijnen.
De IND behandelt de tweede of volgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc), als de vreemdeling op grond van artikel 3.118b, tiende lid, Vb, juncto artikel 3.50 VV is uitgezonderd van de ééndagstoets asiel of in de Dublinprocedure in geval artikel 3.50 onder d, VV van toepassing is.
Wanneer het een alleenstaande minderjarige vreemdeling betreft, kan de tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de ééndagstoets asiel alleen niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, Vw of kennelijk ongegrond worden verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder onder b, j of k, Vw. Dit vloeit voort uit artikel 25, zesde lid onder a van de Procedurerichtlijn. In alle overige gevallen neemt de IND eerst een beslissing op de tweede of volgende aanvraag na doorzending naar de Dublinprocedure, de algemene asielprocedure of de verlengde asielprocedure.
Paragraaf C1/2.13 Vc onder ‘Wijze van bekendmaken’ is van overeenkomstige toepassing.
De IND zendt het voornemen en de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. Indien bij de IND geen gemachtigde bekend is en de vreemdeling aanwezig is op het aanmeldcentrum reikt de IND het voornemen en de beschikking in persoon uit aan de vreemdeling. Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is en de vreemdeling is niet aanwezig op het aanmeldcentrum dan is de laatste alinea van paragraaf C1/2.13 Vc onder ‘De beschikking in de algemene asielprocedure’ van overeenkomstige toepassing.
Als de vreemdeling aangeeft een opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willen dienen, pas nadat er concrete handelingen zijn verricht in het kader van het effectueren van zijn vertrek, zoals dat hij door de DT&V is geïnformeerd over de datum van de vlucht ten fine van zijn verwijdering (zie artikel 3.50 VV), merkt de IND deze aanvraag aan als een lastminuteaanvraag.
Zodra de vreemdeling aangeeft een lastminuteaanvraag te willen indienen, beoordeelt de IND of het mogelijk is deze aanvraag vóór de geplande uitzetting of overdracht te behandelen binnen de termijnen van de algemene asielprocedure, de ééndagstoets asiel of de Dublinprocedure. De IND betrekt bij die beoordeling mede de tijd die nodig is om de vreemdeling over te kunnen brengen naar Aanmeldcentrum Schiphol.
Als het niet mogelijk is om de opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te behandelen vóór de geplande uitzetting of overdracht, dan beoordeelt de IND eerst of het indienen van die aanvraag tot gevolg heeft dat de uitzetting of overdracht volgens artikel 3.1 Vb achterwege blijft, of dat de uitzetting of overdracht op grond een van de uitzonderingen als genoemd in artikel 3.1, tweede lid, Vb doorgang kan vinden.
In dat geval bepaalt de IND waar en op welke wijze de vreemdeling (in afwijking van de normale wijze) zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan indienen. Na de indiening van de aanvraag neemt de IND zo spoedig mogelijk een nader gehoor af. De IND neemt dit nader gehoor in de regel af op de locatie waar de vreemdeling zich op dat moment bevindt. Tijdens het nader gehoor stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om nieuwe elementen en bevindingen naar voren te brengen en vraagt de vreemdeling naar de redenen voor de late indiening van de aanvraag. De IND beoordeelt op basis van het nader gehoor en de overige omstandigheden van het geval, waaronder informatie van de DT&V, of de uitzetting of overdracht achterwege blijft of doorgang kan vinden. Als de uitzetting of overdracht niet achterwege blijft, wordt een beslissing hieromtrent kenbaar gemaakt aan de vreemdeling en diens gemachtigde.
Na de uitzetting of overdracht van de vreemdeling behandelt de IND de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure zoals beschreven in paragraaf C1/2.4 Vc. Het voornemen en de beschikking worden uitgereikt door middel van verzending aan gemachtigde.
Als de geplande uitzetting of overdracht van de vreemdeling wordt geannuleerd, vindt de (verdere) behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd plaats in de algemene asielprocedure, de verlengde asielprocedure, de ééndagstoets of de Dublinprocedure. Als aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel of de maatregel tot inbewaringstelling is opgelegd, wordt deze in beginsel voortgezet of opnieuw (op een andere grondslag) opgelegd.
Als een vreemdeling van wie op grond van artikel 59, 59a of 59b Vw een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd aangeeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, dient de vreemdeling deze aanvraag in in het aanmeldcentrum Schiphol of op de locatie waar de vrijheidsontnemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd. De IND kan besluiten deze aanvraag in de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum Schiphol te behandelen. De IND beoordeelt in overleg met de DT&V, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of de vreemdeling voor de behandeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol. Het uitgangspunt bij de beoordeling is dat de vreemdeling wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol voor behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De IND weegt bij deze beoordeling in ieder geval de volgende omstandigheden mee:
Artikel 3.117 Vb regelt het verloop van de asielprocedure vanuit vreemdelingenbewaring. Deze paragraaf bevat een verdere uitwerking van dit artikel.
Als een vreemdeling van wie op grond van artikel 59, 59a of 59b Vw een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd aangeeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, dient de vreemdeling deze aanvraag in in het aanmeldcentrum Schiphol of op de locatie waar de vrijheidsontnemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd. De IND kan besluiten deze aanvraag in de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum Schiphol te behandelen. De IND beoordeelt in overleg met de DT&V, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of de vreemdeling voor de behandeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol. Het uitgangspunt bij de beoordeling is dat de vreemdeling wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol voor behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De IND weegt bij deze beoordeling in ieder geval de volgende omstandigheden mee:
De IND verleent aan de vreemdeling van wie de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd in afwijking van C1/2.12, onder a tot en met e, Vc geen uitstel voor het indienen van de zienswijze.
De aanmeldfase zoals beschreven in artikel 3.108d Vb is niet van toepassing. Wel vindt voorafgaand aan het nader gehoor een aanmeldgehoor plaats en zijn de artikelen 3.108d, vierde en vijfde lid, Vb van overeenkomstige toepassing.
4.3. Documenten
2.11. Het (nader) gehoor
Bij een asielaanvraag vanuit vreemdelingenbewaring kan tevens de procedure als bedoeld in artikel 3.109c of 3.109ca, Vb worden toegepast.
2.11. Het (nader) gehoor
In artikel 3.109a, eerste lid, Vb is beschreven dat de vreemdeling gebruik kan maken van de diensten van een tolk tijdens de gehoren en op andere momenten waarop dat noodzakelijk is om zijn zaak voor te leggen, indien een goede communicatie zonder die diensten niet kan worden gewaarborgd. In artikel 38 Vw staat beschreven dat de vreemdeling wordt gehoord in een taal waaraan de vreemdeling de voorkeur geeft, tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren. De IND hanteert hierbij het uitgangspunt dat de vreemdeling wordt gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan. Dit geldt ook voor het aanmeldgehoor.
De IND beschouwt als talen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan in ieder geval:
Als een vreemdeling stelt tot een minderheid in het land van herkomst te behoren, veronderstelt de IND dat hij naast ten minste één taal die valt onder de hierboven genoemde soorten talen, ook de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat.
Een vreemdeling kan de IND verzoeken door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND en met behulp van een vrouwelijke of mannelijke tolk gehoord te worden. De IND heeft een inspanningsverplichting met betrekking tot een dergelijk verzoek.
De gemachtigde van de vreemdeling mag als waarnemer bij het nader gehoor aanwezig zijn. De gemachtigde mag de aanvang en het verloop van het gehoor niet ophouden.
De IND verstrekt een rapport van nader gehoor niet aan de gemachtigde van de vreemdeling als de vreemdeling heeft aangegeven hier bezwaar tegen te hebben. Dit geldt ook voor het rapport van het aanmeldgehoor, het rapport van het Dublin gehoor dan wel, indien van toepassing, voor het rapport van aanvullend gehoor in zin van artikel 30, tweede lid, Vw.
Tijdens het nader gehoor stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om de gronden van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te dragen.
2.13. Het geven van de beschikking
2.13. Het geven van de beschikking
Een minderjarig kind vanaf vijftien jaar dat begeleid wordt door een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger, dient een eigen aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in en krijgt een eigen nader gehoor. Een minderjarig kind tussen twaalf en vijftien jaar namens wie een ouder of wettelijke vertegenwoordiger een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient, krijgt in principe geen nader gehoor. De IND maakt hierop een uitzondering als de vreemdeling of een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger hierom verzoekt of als er naar het oordeel van de IND een goede reden is om de vreemdeling te horen. Als de vreemdeling aangeeft los van zijn ouders zelfstandige asielmotieven te hebben, kan dit voor de IND reden zijn om het kind tussen twaalf en vijftien jaar hierover te horen.
De IND houdt bij het horen van minderjarigen rekening met de leeftijd, het ontwikkelingsniveau en de belasting van de minderjarige.
De IND geeft de vreemdeling een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van nader gehoor te reageren, als het nader gehoor is afgenomen in de verlengde asielprocedure.
Paragraaf C1/2.10 Vc is van toepassing op een verzoek van de vreemdeling aan de IND om uitstel voor het indienen van een reactie op het rapport van nader gehoor.
Als de vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit, hanteert de IND een afwijkende werkwijze.
2.12. Voornemenprocedure
In artikel 3.113, vijfde en zesde lid, Vb is opgenomen dat de vreemdeling wordt verzocht uiterlijk op de vierde dag schriftelijk te bevestigen dat de inhoud van het verslag een correcte afspiegeling is van het nader gehoor. Deze termijn wordt in het verslag van het nader gehoor vermeld. Aan de vreemdeling wordt een formulier verzonden, waarin wordt gevraagd of hij kan bevestigen dat de inhoud van het verslag een correcte afspiegeling is van het nader gehoor. Indien de vreemdeling weigert te bevestigen dat de inhoud van het verslag een correcte afspiegeling van het nader gehoor vormt, kan hij redenen aangeven waarom hij dit weigert. De redenen voor deze weigering worden in zijn dossier opgenomen, samen met de correcties en aanvullingen op het nader gehoor. Die weigering belet de IND niet om een beslissing op de aanvraag te nemen. De IND gaat in het besluit in op de door de vreemdeling aangevoerde redenen voor zijn weigering.
De IND verstrekt bij het voornemen informatie over de mogelijkheid die de vreemdeling heeft om een zienswijze naar voren te brengen.
De IND maakt in het voornemen kenbaar:
De IND verstrekt bij het voornemen informatie over de mogelijkheid die de vreemdeling heeft om een zienswijze naar voren te brengen.
De termijnen voor het indienen van de zienswijze worden geregeld in artikel 3.116, tweede lid, Vb.
De IND zendt het voornemen aan de gemachtigde van de vreemdeling.
In de volgende situaties reikt de IND het voornemen aan de vreemdeling uit:
De IND zendt het voornemen aan de gemachtigde van de vreemdeling. Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, stuurt de IND het voornemen aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling.
Als de IND er niet in slaagt het voornemen aan de vreemdeling bekend te maken, geeft de IND in een rapport van bevindingen aan welke handelingen zijn verricht om het voornemen aan de vreemdeling kenbaar te maken.
Voor het indienen van de zienswijze verleent de IND:
Ad a.
De indiener van het verzoek om uitstel moet schriftelijk aantonen dat binnen drie dagen na ontvangst van het voornemen een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is.
De vreemdeling moet een schriftelijke verklaring van de intermediair die tolken levert overleggen waarin staat:
De IND verleent geen uitstel als de besproken tolk een afspraak met de vreemdeling of zijn gemachtigde afzegt, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk.
Voor eenmanskantoren bepaalt de IND op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn.
De IND verleent geen uitstel vanwege wijziging van gemachtigde door de vreemdeling.
Het hierboven genoemde beleid voor het verlenen van uitstel voor het indienen van de zienswijze is van toepassing op verzoeken om uitstel voor het indienen van een reactie op onderzoeksresultaten.
Feiten en omstandigheden zoals bedoeld in artikel 3.119 Vb zijn in ieder geval:
Als het eerder uitgebrachte voornemen op grond van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3.119 Vb niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel bevat, brengt de IND een nieuw of aanvullend voornemen uit.
De IND neemt binnen 6 maanden na indiening van de aanvraag voor verlening of verlenging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een beslissing op de aanvraag. Deze termijn kan op grond van artikel 42 Vw worden verlengd.
De IND neemt binnen 6 maanden na indiening van de aanvraag voor verlening of verlenging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een beslissing op de aanvraag. Deze termijn kan op grond van artikel 42 Vw worden verlengd.
Met de inwerkingtreding van WBV 2020/12 maakt de IND gebruik van de in artikel 42, vierde lid, onder b, Vw neergelegde bevoegdheid om in individuele zaken de termijn met 6 maanden te verlengen. Dat betekent dat van alle aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waarvan de wettelijke beslistermijn nog niet is verstreken op datum inwerkingtreding van WBV 2020/12 de wettelijke beslistermijn met 6 maanden wordt verlengd. Blijkens de op 16 april 2020 gepubliceerde Richtsnoeren Asiel en Migratie van de Europese Commissie is een dergelijke verlenging gerechtvaardigd.
Daarnaast blijft de IND gebruikmaken van de mogelijkheid om, in de gevallen waarin dat nodig is, de beslistermijnen te verlengen op grond van artikel 42, vierde lid, onder a of c, Vw.
Er is sprake van een nog niet verstreken wettelijke beslistermijn bij:
De verlenging van de termijn vindt plaats op grond van de algemene kennisgeving in onderhavige paragraaf en de publicatie daarvan in de Staatscourant. De IND stuurt geen individuele kennisgevingen om de beslistermijn op grond van artikel 42, vierde lid, onder b, Vw te verlengen.
Onder complexe feitelijke en juridische kwesties zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder a, Vw kan in ieder geval worden verstaan dat onderzoek moet worden gedaan door of advies moet worden gevraagd aan:
Er is ook sprake van een complexe feitelijke en juridische kwestie zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder a, Vw als er 1F-indicaties zijn.
De IND neemt in de verlengde asielprocedure in ieder geval aan dat de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven als bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder c, Vw, wanneer:
In de beschikking vermeldt de IND naast de wettelijk vereiste gegevens, de termijn waarin de vreemdeling Nederland moet verlaten (indien van toepassing).
Als de IND de beschikking aan de vreemdeling bekend maakt vermeldt de IND in de verzendopdracht in INDIGO of op het bij de beschikking gevoegde aanbiedingsformulier:
De IND zendt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling.
In de volgende situaties reikt de IND de beschikking aan de vreemdeling uit:
Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, en het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken, wordt op de daarvoor bestemde plek in het aanmeldcentrum een melding van terinzagelegging opgehangen. De IND stelt een rapport van bevindingen op waarin wordt vastgelegd welke handelingen zijn verricht om de beschikking bekend te maken.
De IND stuurt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. Als er bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, stuurt de IND de beschikking aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling.
Als de IND er niet in slaagt de beschikking aan de vreemdeling kenbaar te maken, geeft de IND in een rapport van bevindingen aan welke handelingen zijn verricht om de beschikking aan de vreemdeling kenbaar te maken.
Als de IND de aanvraag inwilligt op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, motiveert de IND waarom niet is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw. Als de IND de aanvraag inwilligt op grond van artikel 29, tweede lid, Vw, motiveert de IND waarom niet is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, Vw. De IND beperkt deze motivering tot het benoemen van de (on)geloofwaardige relevante elementen en, indien van toepassing, de redenen waarom deze niet kwalificeren voor vluchtelingenstatus en/of de subsidiaire beschermingsstatus. De IND brengt in deze situatie geen voornemen uit, maar motiveert dit in de inwilligende beschikking.
Als de vreemdeling uitsluitend een adres in het buitenland heeft, stuurt de IND de beschikking door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in dat land naar het buitenlandse adres van de vreemdeling.
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 29, 30, 30a, 30b, 30c, 36, 37 Vw en van de artikelen 3.107b tot en met 3.121 Vb.
Als de IND ook voornemens is om de vreemdeling een inreisverbod op te leggen, dan maakt de IND dit eveneens kenbaar in het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd.
Indien de IND het in het kader van een onderzoek naar de toepasbaarheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag noodzakelijk acht om de vreemdeling hierover voorafgaand aan het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd te horen, wordt dit gehoor uitgevoerd door een ambtenaar van de IND, die gespecialiseerd is in de materie van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
Met uitzondering van het onderdeel ‘voornemen in de algemene asielprocedure’ en ‘uitstel voor het indienen van de zienswijze’ is paragraaf C1/2.12 Vc van overeenkomstige toepassing op de voornemenprocedure bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Paragraaf C1/2.11 Vc onder ‘Algemeen’ is van overeenkomstige toepassing bij het intrekkingsgehoor.
De vreemdeling krijgt op grond van artikel 41 Vw in samenhang met artikel 39 Vw en artikel 3.116, tweede lid, onder b, Vb de gelegenheid om binnen een termijn van zes weken schriftelijk zijn zienswijze in te dienen.
De IND stelt de vreemdeling tijdens het intrekkingsgehoor in de gelegenheid om zijn zienswijze op het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd mondeling toe te lichten.
De vreemdeling, of diens gemachtigde, kan een verzoek voor uitstel van de zienswijze aanvragen.
De IND verleent in beginsel een termijn van twee weken uitstel als er toereikende redenen zijn om uitstel te verlenen.
Indien de vreemdeling niet verschijnt bij het intrekkingsgehoor, neemt de IND contact op met de vreemdeling of diens gemachtigde om navraag te doen naar de redenen hiervoor. De intrekkingsprocedure kan zonder intrekkingsgehoor worden voortgezet indien ten minste één van de onderstaande situaties van toepassing is:
Het gehoor als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Vw wordt aangeduid als het intrekkingsgehoor. Paragraaf C1/2.11 Vc onder ‘Algemeen’ is van overeenkomstige toepassing op het intrekkingsgehoor. Dit geldt ook voor andere gehoren die binnen de intrekkingsprocedure kunnen plaatsvinden.
De IND stelt de vreemdeling tijdens het intrekkingsgehoor in de gelegenheid om zijn zienswijze op het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd mondeling toe te lichten.
Bij het intrekkingsgehoor stelt de IND de vreemdeling ook in de gelegenheid om (zelfstandige) asielgronden naar voren te brengen.
Als de vreemdeling niet in de gelegenheid is om te verschijnen op het geplande intrekkingsgehoor, dan moet hij zo snel mogelijk contact met de IND opnemen om een nieuwe afspraak te maken voor het gehoor. Hierbij moet de vreemdeling of zijn gemachtigde aangeven en onderbouwen, waarom het gehoor niet op het geplande moment kan plaatsvinden.
De IND kan de intrekkingsprocedure zonder intrekkingsgehoor voortzetten, als ten minste één van de onderstaande situaties van toepassing is:
Als de vreemdeling niet verschijnt bij het intrekkingsgehoor, neemt de IND, contact op met de vreemdeling of met zijn gemachtigde om navraag te doen naar de redenen hiervoor.
4.1. Volgorde van toetsing
De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de volgende toetsingsvolgorde:
De IND geeft de vreemdeling een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van het intrekkingsgehoor te reageren. Paragraaf C1/2.12 Vc onder ‘Uitstel voor het indienen van de zienswijze’ is van overeenkomstige toepassing.
Deze toetsingsvolgorde is ook van toepassing op vreemdelingen die behoren tot een door de IND in het landgebonden asielbeleid aangewezen risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep.
Paragraaf C1/2.13 Vc onder ‘wijze van bekendmaken’ en ‘de beschikking in de verlengde asielprocedure’ is van overeenkomstige toepassing.
De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd mede de omstandigheid dat de vreemdeling bij zijn aanvraag onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten heeft verstrekt dan wel de juiste gegevens heeft achtergehouden. Er is in ieder geval sprake van dergelijke omstandigheden als:
Als de vreemdeling door middel van een ondertekende verklaring aangeeft afstand te willen doen van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan verzorgt de IND een verkorte intrekkingsprocedure. De IND verzendt aan hem een briefbeschikking, waarin staat aangegeven dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingetrokken op verzoek van betrokkene. Er vindt dan geen inhoudelijke beoordeling plaats als bedoeld in paragraaf C2/10.1.1 tot en met C2/10.1.4 Vc.
De IND acht al deze documenten in beginsel relevant voor het beoordelen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
Als er slechts een buitenlands adres – van buiten de Europese Unie – bekend is, dan stuurt de IND een ongemotiveerd voornemen dan wel besluit naar dit buitenlandse adres. In verband met de privacy verstuurt de IND geen inhoudelijke voornemens en besluiten naar een buitenlands adres. Voor de zienswijze geldt de termijn zoals neergelegd in paragraaf C1/3.1.2 Vc. Wanneer de vreemdeling zich bij de IND meldt met het verzoek om een gemotiveerd voornemen of besluit te ontvangen, dan stuurt de IND deze alsnog aan de vreemdeling, bij voorkeur naar het adres van een gemachtigde in Nederland. Na verzending van het gemotiveerde voornemen of besluit gaat de zienswijzetermijn respectievelijk beroepstermijn opnieuw lopen.
Een identiteitsdocument kan alleen de identiteit onderbouwen als het door de overheid van het land van herkomst officieel is uitgegeven.
Daarnaast is van belang dat het een officieel identiteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de identiteit aan te tonen.
Als de vreemdeling de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te vroeg indient, dan stuurt de IND de vreemdeling een brief dat de aanvraag te vroeg is ingediend. De IND doet de zaak dan niet inhoudelijk af, en de vreemdeling moet een nieuwe aanvraag doen, op zijn vroegst drie maanden voordat de geldigheidsduur zal verlopen.
Als de IND in een intrekkingsprocedure heeft geconcludeerd dat de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel op een andere grondslag in aanmerking komt, dan nodigt de IND de vreemdeling zo snel mogelijk uit om een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur in te dienen, zodat de IND de aanvraag op de juiste grondslag kan afdoen.
Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval:
In afwijking van artikel 44, vijfde lid, Vw verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van de dag waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verloopt, als de volgende situaties van toepassing zijn:
Onder documenten die het asielrelaas onderbouwen verstaat de IND documenten ter staving van hetgeen de vreemdeling stelt te hebben meegemaakt in het land van herkomst.
Als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verlopen en de vreemdeling geen aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft ingediend, dan beoordeelt de IND of aanleiding bestaat om de internationale beschermingsstatus te beëindigen. Voor deze procedure wordt verwezen naar paragrafen C2/10.1 Vc, C2/10.4 Vc en paragraaf C5/2.1 Vc.
De vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe rekenen als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat de documenten onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.
De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de volgende toetsingsvolgorde:
Deze toetsingsvolgorde is ook van toepassing op vreemdelingen die behoren tot een door de IND in het landgebonden asielbeleid aangewezen risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep.
Bij het ontbreken van documenten die zien op de reisroute van de vreemdeling verstaat de IND onder ‘hetgeen overigens bekend is’ alle informatie die betrekking heeft op reizen naar Nederland.
De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd mede de omstandigheid dat de vreemdeling bij zijn aanvraag onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten heeft verstrekt dan wel de juiste gegevens heeft achtergehouden. Er is in ieder geval sprake van dergelijke omstandigheden als:
Het is in beginsel niet geloofwaardig dat een vreemdeling geen enkel bewijs van zijn reis over kan leggen.
Bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd betrekt de IND alle documenten die zien op de volgende elementen:
De IND acht al deze documenten in beginsel relevant voor het beoordelen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
Een document met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moet in ieder geval de volgende elementen bevatten:
Een identiteitsdocument kan alleen de identiteit onderbouwen als het door de overheid van het land van herkomst officieel is uitgegeven.
Daarnaast is van belang dat het een officieel identiteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de identiteit aan te tonen.
Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:
Daarnaast is van belang dat het een officieel nationaliteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de nationaliteit aan te tonen.
Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval:
Dit zijn alle documenten die gelden als bewijsmiddelen of indirecte bewijzen in de zin van Verordening (EU) nr. 604/2013 en Verordening (EG) nr.1560/2003/EG.
Onder documenten die het asielrelaas onderbouwen verstaat de IND documenten ter staving van hetgeen de vreemdeling stelt te hebben meegemaakt in het land van herkomst.
Wanneer relevante documenten ontbreken, beoordeelt de IND of dit toerekenbaar is aan de vreemdeling. De IND betrekt bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling of het ontbreken van documenten de vreemdeling is toe te rekenen.
De vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe rekenen als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat de documenten onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.
Onder ‘hetgeen overigens bekend is’ verstaat de IND bij het ontbreken van documenten met betrekking tot de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in ieder geval:
Bij het ontbreken van documenten die zien op het asielrelaas van de vreemdeling verstaat de IND onder ‘hetgeen overigens bekend is’ openbare informatie uit objectieve bronnen over de situatie in het land van herkomst.
Bij het ontbreken van documenten die zien op de reisroute van de vreemdeling verstaat de IND onder ‘hetgeen overigens bekend is’ alle informatie die betrekking heeft op reizen naar Nederland.
Het is in beginsel niet geloofwaardig dat een vreemdeling geen enkel bewijs van zijn reis over kan leggen.
Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.
De IND beoordeelt de geloofwaardigheid van de relevante elementen. Relevante elementen zijn feiten en omstandigheden die in de volgende twee categorieën worden onderscheiden:
Gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling zijn in ieder geval:
4.4.3. De zwaarwegendheid
4.4.1. De beoordeling van de geloofwaardigheid
Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde relevante elementen betrekt de IND:
Documenten zijn alle gegevensdragers die een vreemdeling ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft ingediend.
De verklaringen van de vreemdeling zijn ook verklaringen afgelegd tijdens de aanmeldfase. Zie ook paragraaf C1/2.1 Vc onder ‘Opgave van de asielmotieven tijdens de aanmeldfase’.
Als de IND een relevant element niet als geloofwaardig beoordeelt, kan de vreemdeling op basis van dit element geen aanspraak maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29, eerste lid, Vw.
Bij het bepalen of een forensisch medisch onderzoek relevant is, betrekt de IND de volgende omstandigheden:
Er vindt een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaats. Hierbij worden alle relevante omstandigheden van het geval betrokken en in onderlinge samenhang gewogen.
Omstandigheden die bij de geloofwaardigheidsbeoordeling kunnen worden betrokken, wanneer zij raken aan de geloofwaardigheid van één of meerdere relevante elementen, zijn in ieder geval:
Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst.
Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is een deskundigenbericht.
De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst.
De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend.
De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.
De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten.
Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.
De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht:
Het leeftijdsonderzoek kan een van de volgende resultaten opleveren:
De IND beoordeelt of de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren als hij terugkeert naar zijn land van herkomst, aannemelijk zijn.
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer zal overkomen, betrekt de IND de volgende aspecten:
Als de IND oordeelt dat deze vermoedens aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of de gebeurtenissen die de vreemdeling verwacht, voldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29 Vw.
De IND betrekt BMA niet bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van de verklaringen van de vreemdeling.
Het Protocol Identificatie en Labeling (PIL) is van toepassing.
Als de IND het voor de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel relevant vindt, wordt aan de vreemdeling een forensisch medisch onderzoek aangeboden naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Indien de IND het onderzoek niet relevant vindt, kan de vreemdeling op eigen initiatief en kosten een forensisch medisch onderzoek regelen.
Bij het bepalen of een forensisch medisch onderzoek relevant is, betrekt de IND de volgende omstandigheden:
Indicaties over de aanwezigheid van littekens, fysieke klachten en/of psychische klachten kunnen onder andere naar voren komen uit:
De IND kan niet zelf een medische diagnose stellen. De IND kan tijdens de gehoren vragen stellen over de aanwezigheid van littekens, fysieke klachten en/of psychische klachten bij de vreemdeling. De IND vraagt niet aan de vreemdeling of hij littekens en/of fysieke klachten wil laten zien. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij psychische klachten heeft is onvoldoende als indicatie voor het opstarten van forensisch medisch onderzoek. In beginsel moeten psychische klachten onderbouwd worden met medische stukken.
Het forensisch medisch onderzoek kan alleen uitgevoerd worden met toestemming van de vreemdeling. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af enkel op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het forensisch medisch onderzoek.
Het forensisch medisch onderzoek is primair op waarheidsvinding gericht. Dit betekent dat het forensisch medisch onderzoek als instrument kan worden ingezet om een bijdrage te leveren aan de geloofwaardigheidsbeoordeling bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Het forensisch medisch onderzoek kan bestaan uit drie onderdelen:
De centrale vraag die gesteld wordt wanneer een forensisch medisch onderzoek wordt opgestart, is: In welke mate is er sprake van causaliteit tussen fysieke en/of psychische sporen enerzijds en de wijze van het ontstaan daarvan anderzijds. Hierbij kan gedacht worden aan fysieke sporen als gevolg van marteling, verkrachting en andere ernstige vormen van geweld of ernstige psychische schade in relatie tot het asielrelaas. Waar mogelijk bestaat het forensisch medisch onderzoek ook uit onderzoek naar letseldatering. Onder letseldatering wordt verstaan het moment waarop het letsel is opgelopen. Het doel van het forensisch medisch onderzoek is niet om de asielmotieven naar voren te brengen of te toetsen. Dit sluit niet uit dat de vreemdeling aan de onderzoekende arts (privacy-/schuld-/schaamtegevoelige) informatie verstrekt die tijdens het gehoor niet of anders benoemd is.
Uitgangspunt is dat het forensisch medisch onderzoek waar mogelijk binnen de Algemene Asielprocedure wordt uitgevoerd. Zie voor de procedurele termijnen C1/2.3 Vc.
De IND weegt het forensisch medisch onderzoek mee in de geloofwaardigheidsbeoordeling en de uiteindelijke beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
De IND start geen forensisch medisch onderzoek op in het kader van de beoordeling van de mogelijkheid tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd.
Als de vreemdeling in het kader van een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor het eerst door de IND gehoord wordt, concludeert de IND in geen geval dat de vreemdeling de door hem ingebrachte elementen of bevindingen eerder had moeten inbrengen.
Het leeftijdsonderzoek kan een van de volgende resultaten opleveren:
3.2. Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap
3.2. Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap
De IND stelt het toe te kennen geboortejaar vast op het jaar waarin het leeftijdsonderzoek is uitgevoerd minus 20 jaar. Als het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden tussen 1 januari en 1 juli stelt de IND de geboortedatum op 1 januari van het afgeleide geboortejaar. Als het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden tussen 1 juli en 1 januari, stelt de IND de geboortedatum op 1 juli van het afgeleide geboortejaar.
Het Protocol Identificatie en Labeling (PIL) is van toepassing.
De IND beschouwt een verzoek om heroverweging als een onvolledige aanvraag van een verblijfsvergunning asiel. Indien de vreemdeling weigert een asielaanvraag in te dienen past de IND artikel 30c Vw toe.
De IND beschouwt een verzoek om heroverweging als een onvolledige aanvraag van een verblijfsvergunning asiel. Indien de vreemdeling weigert een asielaanvraag in te dienen past de IND artikel 30c Vw toe.
Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid, Vb. Bij een tweede of opvolgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toetst de IND niet ambtshalve aan artikel 3.6a Vb. De IND beoordeelt bij een tweede of opvolgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd evenmin ambtshalve of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in artikel 3.6b moet worden verleend.
De IND behandelt een tweede of opvolgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als een eerste aanvraag in de zin van artikel 3.6a Vb, indien de vorige aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 Vw en die afwijzingsgrond niet (meer) van toepassing is. Dit geldt ook als een nieuwe aanvraag wordt ingediend nadat een vorige aanvraag buiten behandeling is gesteld, tenzij de vreemdeling eerder een aanvraag heeft gedaan die is afgewezen (zie artikel 30c, tweede lid, Vw).
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a, Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe.
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b, Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje Ambtshalve verlening in de asielprocedure toe.
Voor zover daar op grond van artikel 3.6ba Vb en paragraaf B11/2.5 Vc aanleiding toe bestaat, beoordeelt de IND bij een eerste asielaanvraag of er op grond van artikel 3.6ba Vb aanleiding bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen.
De IND beoordeelt bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als (kennelijk) ongegrond op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, tenzij de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid onder g, j of k Vw. Paragraaf A3/7 Vc is van overeenkomstige toepassing.
De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb en 6.1e Vb achterwege, wanneer aan de vreemdeling reeds eerder een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, Vw) of een ongewenstverklaring is opgelegd of wanneer met de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring wordt opgelegd.
In het kader van de eerste voorwaarde beoordeelt de IND op individuele basis of:
Als een vreemdeling een opvolgende aanvraag indient, onderzoekt de IND of de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 30a, eerste lid onder d, Vw. Dit onderzoek bestaat uit twee fasen.
In de eerste fase onderzoekt de IND of er sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Dat is het geval als de vreemdeling aan de opvolgende aanvraag elementen of bevindingen ten grondslag legt die niet zijn onderzocht en beoordeeld tijdens de eerdere asielprocedure(s). Is er geen sprake van nieuwe elementen en bevindingen, dan is de aanvraag daarmee niet-ontvankelijk.
5. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (imperatief)
De IND beoordeelt de aanvraag inhoudelijk op inwilligbaarheid als sprake is van nieuwe elementen en bevindingen die de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken.
6. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (facultatief)
6.1. Er is geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
In weerwil van het gestelde onder a tot en met d, wordt de aanvraag als niet-ontvankelijk afgewezen, indien op voorhand vaststaat dat hetgeen de vreemdeling aanvoert niet kan afdoen aan het in de voorgaande procedure genomen besluit.
De IND wijst een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af als niet-ontvankelijk als sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende elementen en bevindingen.
Hiervan is in ieder geval sprake indien hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en/of overgelegd tot het oordeel leidt dat met de uitzetting van de vreemdeling artikel 3 EVRM wordt geschonden.
De IND beschouwt een verzoek om heroverweging als een onvolledige aanvraag van een verblijfsvergunning asiel. Indien de vreemdeling weigert een asielaanvraag in te dienen past de IND artikel 30c Vw toe.
Artikel 3.36 VV beschrijft wat wordt verstaan onder daden van vervolging.
De beoordeling of een te hervestigen vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vindt plaats voor zijn komst naar Nederland. De hoofdstukken C1 en C2 van de Vc zijn voor deze beoordeling niet van toepassing.
Bij de toetsing of een vreemdeling voor hervestiging in aanmerking komt, maakt de IND een beoordeling op grond van een weging van de volgende factoren:
De IND betrekt bij die beoordeling ook of sprake is van de uitsluitingsgronden en contra-indicaties die van toepassing zijn op de internationale beschermingsgronden.
Als onderdeel van het aankomstproces van hervestiging meldt de vreemdeling zich na aankomst in Nederland bij de IND voor het indienen van de aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, om in aanmerking te komen voor het verblijfsdocument.
De intrekkingsgronden, zoals opgenomen in paragraaf C2/10 Vc zijn ook van toepassing op een vreemdeling die in het kader van hervestiging een verblijfsvergunning asiel voor Nederland heeft ontvangen. In uitzondering op bovengenoemde regels trekt de IND de verblijfsvergunning niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur niet af van een hervestigde vreemdeling, als de verleningsgrond is komen te vervallen vanwege een wijziging in de algemene situatie in het land van herkomst (zie paragraaf C2/10.4 Vc in combinatie met artikel 32, eerste lid, sub c, Vw).
Als de hervestigde vreemdeling vrijwillig is teruggekeerd naar het land van herkomst, beoordeelt de IND de gevolgen voor de verblijfsvergunning asiel van een hervestigde vreemdeling vanwege zijn vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst aan de hand van paragraaf C2/10.4.5 Vc.
Artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag geeft aan welke vreemdeling ‘vluchteling’ is. Het aanmerken als vluchteling is niet afhankelijk van een beoordeling door een individuele staat. Het Vluchtelingenverdrag kent geen verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen is wel geregeld in [artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) in combinatie met [artikel 3.105c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.105c).
De IND houdt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een alleenstaande minderjarige vreemdeling rekening met de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR.
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in:
De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, Vw indien hij onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt. Artikel 1D van het Vluchtelingverdrag heeft betrekking op het genieten van bescherming door of bijstand van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR.
Artikel 29, eerste en tweede lid, Vw bevat de gronden, waarop de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan verlenen. De IND toetst de toepasselijkheid van deze gronden in de volgorde waarin deze gronden in de Vreemdelingenwet voorkomen.
De beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is beschreven in de paragraaf C1/4 Vc.
De IND stelt eerst het land van herkomst van de vreemdeling vast, vóórdat de IND beoordeelt of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst. De IND verstaat onder ‘land van herkomst’ het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft.
Als geen enkel land de vreemdeling als onderdaan erkent, merkt de IND de vreemdeling aan als staatloze vreemdeling.
De IND merkt het land waar de staatloze vreemdeling voor zijn komst naar Nederland zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘country of former habitual residence’) had, aan als land van herkomst van de staatloze vreemdeling. De IND bepaalt de gebruikelijke verblijfplaats van de staatloze vreemdeling, in ieder geval op basis van:
De IND beoordeelt per vreemdeling op individuele basis en op basis van de situatie van de vreemdeling zelf of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit wordt het individualiseringsvereiste genoemd.
De IND kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op verschillende gronden afwijzen. Deze gronden worden behandeld in de paragrafen C2/5, C2/6, C2/7 en C2/8 van de Vc.
In het kader van de eerste voorwaarde beoordeelt de IND op individuele basis of:
Indien de uitsluitingsgrond artikel 1D niet (langer) van toepassing is en de vreemdeling zich niet schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag van toepassing. De IND verleent in dat geval een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan de staatloze Palestijnse vreemdeling.
De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met in achtneming van artikel 31, Vw.
Artikel 3.36 VV beschrijft wat wordt verstaan onder daden van vervolging.
Artikel 3.37a VV beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van vervolging.
Artikel 3.37c VV beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van bescherming. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw indien actoren van bescherming aan de vreemdeling bescherming kunnen of willen bieden.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, als artikel 3.37d, VV van toepassing is. Paragraaf C2/3.4 Vc is van toepassing.
3.2. Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap
6. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (facultatief)
De IND houdt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een alleenstaande minderjarige vreemdeling rekening met de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR.
6.2.2. Niet onverwijld gemeld
De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, Vw indien hij onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt. Artikel 1D van het Vluchtelingverdrag heeft betrekking op het genieten van bescherming door of bijstand van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR.
6.2.3. Toerekenbaar geen of onvoldoende documenten overgelegd
Dit artikel beperkt zich niet tot de situatie van staatloze Palestijnse vreemdelingen. Er zijn andere vergelijkbare situaties denkbaar.
De IND verleent de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw:
De IND oordeelt dat er geen sprake is van ophouden van bescherming of bijstand:
De IND past dan de uitsluitingsgrond artikel 1D toe.
De bescherming of bijstand door de UNRWA van de staatloze Palestijnse vreemdeling is beëindigd indien sprake is van een of meerdere van de volgende situaties:
De IND gaat na of de staatloze Palestijnse vreemdeling gedwongen werd het betreffende gebied te verlaten. Hiervan is sprake als wordt voldaan aan één van beide hieronder genoemde voorwaarden:
In het kader van de eerste voorwaarde beoordeelt de IND op individuele basis of:
Indien de uitsluitingsgrond artikel 1D niet (langer) van toepassing is en de vreemdeling zich niet schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag van toepassing. De IND verleent in dat geval een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan de staatloze Palestijnse vreemdeling.
De IND past artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag niet toe als uitsluitingsgrond.
De bepalingen van het Vluchtelingenverdrag zijn op grond van artikel 1F van dat verdrag niet van toepassing op een vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. De IND verleent in dat geval de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie paragraaf C2/7.10.2 Vc).
Er is sprake van groepsvervolging, als in een land van herkomst een groep vreemdelingen systematisch wordt blootgesteld aan vervolging wegens een van de gronden van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.
Situaties waarin sprake is van groepsvervolging worden opgenomen in het landgebonden beleid. Ook voor de vreemdeling die zich beroept op groepsvervolging geldt het individualiseringsvereiste. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij behoort tot de groep vreemdelingen voor wie groepsvervolging wordt aangenomen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid kan een bevolkingsgroep als risicogroep aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging van een bevolkingsgroep. Ook als de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een bevolkingsgroep aanwijzen als risicogroep.
De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is aangewezen als een risicogroep, kan indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing op de vreemdeling, die behoort tot een risicogroep.
De IND merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
Discriminatie van de vreemdeling in het land van herkomst kan leiden tot uitsluiting van medische zorg. De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw, op grond van uitsluiting van medische zorg, aan de vreemdeling die voldoet aan alle volgende voorwaarden:
De IND beoordeelt de vraag of sprake is van ernstige medische consequenties aan de hand van de criteria in hoofdstuk B8 Vc. De IND betrekt bij de vraag of sprake is van uitsluiting van medische zorg op basis van één van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag niet:
6.2.4. Veilig land van herkomst en veilig derde land
De IND beoordeelt op basis van algemeen beschikbare informatie, afgelegde verklaringen en eventueel ondersteunend bewijs of de vreemdeling problemen staan te wachten bij terugkeer en of die problemen zo ernstig zijn dat deze moeten worden beschouwd als daden van vervolging als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de kwalificatierichtlijn. Wat betreft de vraag of van de vreemdeling terughoudendheid mag worden verwacht, wordt verwezen naar hetgeen hieronder gesteld is ten aanzien van godsdienst, seksuele gerichtheid en politieke overtuiging.
Ook indien de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, niet volgen op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór zijn vertrek kan de IND een vreemdeling aanmerken als ‘refugié sur place’. Hiervan kan sprake zijn indien de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:
De IND beoordeelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met inachtneming van artikel 3.37 VV. Artikel 3.37 VV noemt onder meer de volgende gronden:
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.36 VV.
De omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.
Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de IND, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen indien hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde – voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke – handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging.
Ook indien de vreemdeling verklaart dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloof terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die betrokkene anders loopt kan sprake zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
De IND merkt vrouwen niet enkel op basis van de sekse aan als sociale groep, zoals bedoeld in artikel 3.37 eerste lid, aanhef en onder d, VV, omdat vrouwen als sociale groep te divers van samenstelling zijn.
Sociale groep – seksuele gerichtheid
De IND merkt een vreemdeling aan als lid van een sociale groep als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk (toegedichte) seksuele gerichtheid heeft. Onder de seksuele gerichtheid verstaat de IND:
In verband met de gendergerelateerde aspecten worden ook transgenders tot deze sociale groep gerekend. Een vreemdeling die behoort tot deze sociale groep wordt hierna LHBT genoemd.
De omstandigheid dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de seksuele gerichtheid vormt een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag.
Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, moet de IND onderzoeken of de vreemdeling in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
Bij het beoordelen van de geloofwaardigheid betrekt de IND de verklaringen van de vreemdeling zelf, en eventueel aanvullend bewijsmateriaal, zoals bijvoorbeeld verklaringen van partners en niet-seksueel getint (beeld)materiaal.
Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn gerichtheid verborgen heeft gehouden.
De IND verlangt van de vreemdeling geen terughoudendheid bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid en hanteert om die reden, bij de beoordeling van het risico op vervolging, steeds een zekere ‘ondergrens’. De ondergrens houdt in het feitelijk uiten van de eigen geaardheid en relaties aangaan op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst is geaccepteerd. De IND verwacht in die uiting geen terughoudendheid. De IND beoordeelt vervolgens of de uiting conform de ondergrens tot vervolging zou leiden.
Als de vreemdeling aangeeft zijn seksuele gerichtheid te willen uiten op een wijze die verder gaat dan deze ‘ondergrens’ toetst de IND de geloofwaardigheid van deze uiting en toetst de IND de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in zijn land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten. In de situatie dat de seksuele gerichtheid wel geloofwaardig geacht wordt maar de verdergaande wijze waarop de vreemdeling deze wil uiten niet, gaat de IND na of het invulling geven aan de seksuele gerichtheid conform de ‘ondergrens’ tot vervolging zou leiden. In die situatie kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een asielvergunning, ook als een deel van de verklaring (het uiten van de gerichtheid op een wijze die verder gaat dan de ‘ondergrens’) als niet aannemelijk wordt beschouwd. Voorts gaat de IND er bij de beoordeling van het risico op vervolging vanuit dat de directe omgeving van de vreemdeling op de hoogte is of zou kunnen geraken van de seksuele gerichtheid.
De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de seksuele gerichtheid, de aldaar voor zowel hetero- als homoseksuelen geldende normen en zeden. Indien in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van seksuele gerichtheid of seksuele handelingen beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.
Bij deze beoordeling betrekt de IND in ieder geval:
Als de seksuele gerichtheid of seksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst hoeft de vreemdeling geen bescherming conform artikel 3.37c VV in te roepen.
De IND betrekt bij de beoordeling of de vreemdeling vanwege zijn (toegedichte) seksuele gerichtheid vervolgd wordt bij het bekend zijn of worden van de seksuele gerichtheid in de directe (leef)omgeving van de vreemdeling, in ieder geval:
De omstandigheid dat de vreemdeling in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze uiting kan geven aan zijn politieke overtuiging als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en a, Vw.
De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval mee:
De IND verlangt in het geval van fundamentele politieke overtuiging geen terughoudendheid indien de (voorgenomen) activiteiten samenhangen met deze fundamentele politieke overtuiging. Is geen sprake van een fundamentele politieke overtuiging, dan verlangt de IND wel terughoudendheid.
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
De IND beoordeelt, ook indien geen sprake is van een fundamentele politieke overtuiging, of de door de vreemdeling in zijn land van herkomst, Nederland of elders verrichte politieke activiteiten of uitingen bij de autoriteiten bekend zijn geraakt of zullen geraken en daarmee vanwege een toegedichte politieke overtuiging voldoende aanleiding vormen om gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer aan te nemen.
De IND merkt in ieder geval de volgende situaties aan als politieke overtuiging, als de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend een vrouw is en de vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag in het land van herkomst plaatsvindt:
De beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vrouw die zich beroept op het risico van het ondergaan van genitale verminking, wordt beschreven in paragraaf C2/3.3 Vc.
Het enkele feit dat een vreemdeling, die weigert zijn militaire dienst te vervullen, bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger is op zich onvoldoende om dit als vervolging aan te merken.
Artikel 3.36 lid 2, onder b en c, VV is alleen van toepassing indien is vastgesteld dat artikel 3.36 lid 2, onder e niet van toepassing is. Dat wil zeggen dat de IND, indien de vreemdeling een beroep doet op het feit dat hij dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te hebben moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven, eerst toetst of de vreemdeling op deze grond vluchteling is. Als gebleken is dat daarvan geen sprake is, wordt pas getoetst aan onevenredige of discriminatoire bestraffing dan wel gewetensbezwaren).
De IND verleent, onder toepassing van artikel 3.36 VV en overeenkomstig vorenstaande een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:
De IND toetst alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd individueel en op basis van het toepasselijke asielbeleid, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR op individuele gronden is erkend als Verdragsvluchteling.
De IND geeft de vreemdeling gelegenheid om informatie inzake de UNHCR erkenning gedurende de procedure in te brengen en betrekt deze informatie kenbaar bij de besluitvorming.
De IND neemt geen aanvraag in behandeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vreemdeling, die zich voor bescherming meldt bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of een derde land. De vreemdeling wordt door de medewerker van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorverwezen naar de autoriteiten van het land, waar de vreemdeling zich bevindt of naar de UNHCR of UNDP.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, indien alle volgende voorwaarden van toepassing zijn:
Een commuun delict is een delict dat niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, en zonder dat daarbij sprake is van een onevenredige of discriminatoire maatregel vanwege een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.
Het individualiseringsvereiste is in alle overige gevallen van toepassing. De vreemdeling moet specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features) naar voren brengen, waaruit het reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw valt af te leiden.
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw als bij de verwijdering van de vreemdeling uit Nederland sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, en artikel 3.37b VV.
Het reëel risico op ernstige schade kan aanwezig zijn op het moment van het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst, maar kan ook ontstaan na vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, als artikel 3.105e, aanhef en onder e, Vb van toepassing is.
Bij de beoordeling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw wordt ook de algemene gewelds- en mensenrechtensituatie in een land van herkomst betrokken. Hoe ernstiger de situatie van (willekeurig) geweld of de mensenrechtensituatie in en land van herkomst is, hoe eerder de IND kan concluderen dat de vreemdeling, gelet op zijn individuele feiten en omstandigheden bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade.
De IND beoordeelt of sprake is van een situatie als beschreven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de hand van alle volgende elementen:
De IND toetst of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef onder b, Vw, aan de hand van vorenstaande volgorde.
Er is sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3EVRM (en artikel 15c van de richtlijn 2011/95/EU) indien de algehele gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land zo uitzonderlijk slecht is dat voor elke vreemdeling, ongeacht de individuele omstandigheden bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade (in de woorden van het EHRM: most extreme cases of general violence). De Minister is bevoegd een situatie in een land van herkomst aan te merken als uitzonderlijke situatie.
6.2.6. Verblijfsalternatief
Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie.
In het landgebonden beleid is opgenomen of er in een bepaald land sprake is van een uitzonderlijke situatie.
Het individualiseringsvereiste beperkt zich tot het aannemelijk maken van het behoren tot de bevolkingsgroep of sociale groep, die systematisch een reëel risico loopt op ernstige schade daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
In het landgebonden beleid is opgenomen of er in een bepaald land ten aanzien van een bevolkingsgroep of sociale groep sprake is van systematische blootstelling aan ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
De Minister is bevoegd om een bevolkingsgroep in een land van herkomst aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep.
Bij de vraag of een bevolkingsgroep wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:
In het landgebonden beleid is opgenomen, of een bevolkingsgroep wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid. Een kwetsbare minderheidsgroep wordt onderscheiden van een risicogroep (zie paragraaf C2/3.2 Vc).
De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid is aangewezen als een kwetsbare minderheidsgroep, kan indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met beperkte indicaties aannemelijk maken dat hij vreest voor ernstige schade daden als hier bedoeld.
Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen niet tot wat de vreemdeling persoonlijk heeft ondervonden. De IND weegt op basis van de verklaringen van de vreemdeling mee wat personen, die behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep, in de naaste omgeving van de vreemdeling aan mensenrechtenschendingen hebben ondervonden. De vreemdeling hoeft in dit geval niet aannemelijk te maken dat de mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep. Deze mensenrechtenschendingen kunnen ook hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst, nadat de vreemdeling al uit het land was vertrokken.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de vreemdeling die behoort tot een kwetsbare minderheid, als in ieder geval:
Het individualiseringsvereiste is in alle overige gevallen van toepassing. De vreemdeling moet specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features) naar voren brengen, waaruit het reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw valt af te leiden.
Indien de vreemdeling in het land van herkomst is blootgesteld aan ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid onder b, Vw wordt allereerst verwezen naar artikel 31, vijfde lid, Vw.
In aanvulling op deze bepaling wordt een vreemdeling, die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, door de IND onder de hieronder gestelde voorwaarden in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Dit is een gunstigere norm in de zin van artikel 3 van richtlijn 2011/95/EU.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd enkel op grond van de omstandigheid dat een vreemdeling een medische verklaring over zijn trauma heeft overgelegd.
De vreemdeling moet aan alle volgende voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
Het betreft uitsluitend daden die zijn veroorzaakt door:
Uitsluitend de volgende daden kunnen voor de IND aanleiding geven een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw te verlenen:
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, aan de vreemdeling die verder voldoet aan alle volgende voorwaarden:
De IND onderzoekt bij de toets aan de beleidsregel met voornoemde voorwaarden of plegers van de wandaden in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst. Voor de beoordeling van dit criterium wordt verwezen naar artikel 3.37c VV.
De vreemdeling moet zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis en dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst. De bewijslast hiervoor berust bij de vreemdeling.
Het causale verband tussen traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek wordt aangenomen, als de vreemdeling binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten.
Uitzondering hierop is de situatie dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een verband is tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling buiten zijn schuld niet in staat is geweest om het land van herkomst binnen de termijn van zes maanden te verlaten.
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw in dit kader ook indien er vóór het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst een regimewisseling in het land van herkomst van de vreemdeling heeft plaatsgevonden.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw, als sprake is van een vestigingsalternatief voor de vreemdeling (zie paragraaf C2/3 Vc). Artikel 3.37c VV is van overeenkomstige toepassing.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw indien sprake is van:
De IND verleent een vrouw, die zich beroept op een vrees voor genitale verminking, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
De IND beoordeelt op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw vanwege een reëel risico op genitale verminking bij vrouwen.
De IND weegt daarbij mee de algemene informatie over genitale verminking bij vrouwen in het land van herkomst. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.
De IND verleent bij een gegronde vrees voor genitale verminking de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw uitsluitend aan:
In afwijking van het voorgaande verleent de IND bij een beroep op vrees voor genitale verminking in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, aan:
Uitzetting kan in verband met de medische situatie onder bijzondere omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 EVRM. De IND toetst de vraag of sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen in het kader van de ambtshalve toets of uitstel van vertrek verleend moet worden op grond van artikel 64 Vw. Er zal in deze situatie geen asielvergunning verleend worden, behoudens de situaties zoals omschreven in het in A3/7.6 neergelegde overgangsrecht. Voor de geldende beleidsregels en het overgangsrecht, zie paragraaf A3/7 Vc. Indien er geen ambtshalve toets plaatsvind, maar het meeromvattend asielbesluit ook als terugkeerbesluit moet worden aangemerkt, toetst de IND – in het kader van dat terugkeerbesluit – eveneens of er sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen.
Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.
5. Niet in behandeling nemen
De IND gaat ervan uit dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst zoals bedoeld in artikel 3.37c, eerste lid, onder a VV niet mogelijk is, als de dreiging voor de vreemdeling afkomstig is van de autoriteiten in het land van herkomst. Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel:
7. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND beschouwt de volgende organisaties als internationale organisaties in de zin van artikel 3.37c, eerste lid, onder b, VV:
De IND beschouwt de bescherming van de vreemdeling als bedoeld in artikel 3.37c, tweede lid, VV in ieder geval van niet-tijdelijke aard, als er geen concrete aanwijzingen zijn dat de doeltreffende bescherming van de vreemdeling door de internationale organisatie binnen de voorzienbare toekomst zal eindigen.
Uit artikel 3.37 c, tweede lid, VV volgt niet dat de bescherming van de vreemdeling een volledige garantie moet bieden tegen de dreiging.
De IND onderzoekt eerst of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is. De IND maakt hierbij gebruik van algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst.
Indien de IND heeft vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de autoriteiten in het land van herkomst in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk moet worden geacht. Indien de vreemdeling dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
4.1.1. Algemeen
6. Niet-ontvankelijk
Als de vreemdeling stelt dat het inroepen van bescherming gevaarlijk zou zijn, terwijl dit niet uit openbare, objectieve bron blijkt, moet de vreemdeling dit voor zijn individuele situatie aannemelijk maken.
Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland nodig heeft tegen dreigende vervolging of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, beoordeelt de IND of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken.
De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht- of vestigingsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden.
4.1.2. Bewijsmiddelen
De IND gebruikt de term vestigingsalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw.
De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
6. Niet-ontvankelijk
Als de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU in een bepaald gebied en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverminderd van toepassing.
Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.
De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.
De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.
Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen.
De IND beoordeelt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een vlucht- of vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.
In het landgebonden asielbeleid kan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het bestaan van een vlucht- of vestigingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten voor:
De IND verleent geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw als er concrete aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling na indiening van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar zijn land van herkomst terug is geweest.
Uitzondering op deze regel is in ieder geval de situatie als een ouder de minderjarige zelf naar het grondgebied van een lidstaat heeft gebracht en hem daar vervolgens zonder begeleiding heeft achtergelaten.
De term ‘minderjarige’ in bovengenoemde definitie moet als volgt worden uitgelegd. Als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft, merkt de IND deze vreemdeling tot 3 maanden na inwilliging van die asielaanvraag aan als minderjarige, ook al heeft de vreemdeling op dat moment de leeftijd van 18 jaar bereikt. Het verzoek om nareis ten behoeve van de ouder(s) van deze vreemdeling moet binnen deze 3 maanden zijn ingediend.
Voor het vaststellen van de feitelijke gezinsband wordt verwezen naar paragraaf C2/4.1.1 Vc onder ‘biologische minderjarige kinderen’ dan wel ‘meerderjarige kinderen’. Mede gelet op artikel 32, eerste lid, aanhef onder e Vw, geldt bij de beoordeling van feiten en omstandigheden die zich na meerderjarigheid hebben voorgedaan het beleid voor meerderjarige kinderen. De IND werpt feiten en omstandigheden die noodgedwongen door de vlucht zijn ingegeven, niet tegen.
Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning voor nareizende gezinsleden staat beschreven in artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, en vierde lid Vw.
De houder van een verblijfsvergunning asiel, die verzoekt om overkomst van zijn gezinsleden, wordt aangemerkt als ‘de referent’.
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
De termijn van drie maanden, zoals die in artikel 29 tweede lid, Vw wordt genoemd, is veiliggesteld als:
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. De IND verstaat onder kinderen als bedoeld in artikel 29 tweede lid, Vw, ook niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen van een referent.
De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoorden en dat die feitelijke gezinsband nadien niet is verbroken. In deze paragraaf zijn de beleidsregels die toezien op de feitelijke gezinsband per gezinslid neergelegd.
De referent onderbouwt de feitelijke gezinsband met documenten en verklaringen conform paragraaf C2/4.1.2 Vc. Als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen, moet de referent met aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aantonen dat het gezinslid feitelijk behoort tot zijn gezin. Voor de beoordeling of sprake is van een feitelijke gezinsband betrekt de IND alle feiten en omstandigheden van het geval, onder meer de vraag of er sprake is (geweest) van samenwoning en of de referent de gezinsleden heeft genoemd in de asielprocedure.
Als sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, zie paragraaf B7/3.8.1 Vc, wordt aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin, tenzij het kind zelfstandig woont en in eigen levensonderhoud voorziet.
De IND beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Mede gelet op artikel 32, eerste lid, aanhef onder e Vw, geldt bij de beoordeling van feiten en omstandigheden die zich na meerderjarigheid hebben voorgedaan het beleid voor meerderjarige kinderen. De IND werpt feiten en omstandigheden die noodgedwongen door de vlucht zijn ingegeven, niet tegen.
De IND neemt aan dat sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, zie paragraaf B7/3.8.1 Vc, als het meerderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin.
Indien de vreemdeling en de referent de gestelde gezinssituatie niet aannemelijk maken, neemt de IND geen gezinsleven aan.
Als referent kan ingevolge artikel 29, tweede lid, onder c, Vw de vreemdeling optreden die een amv is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG.
De IND beschouwt in dit kader een minderjarige in ieder geval als alleenstaand als:
Dat de volwassene ook in het land van herkomst of bestendig verblijf al de zorg had voor de amv kan bijvoorbeeld blijken uit de wet of het gewoonterecht van dat land van herkomst of bestendig verblijf. Dit kan bijvoorbeeld blijken, als de minderjarige in het land van herkomst of bestendig verblijf langdurig onder de feitelijke zorg en verantwoordelijkheid van deze volwassene is geweest.
De IND beschouwt een minderjarige in ieder geval niet als alleenstaand in de situaties beschreven in paragraaf B8/6.1 Vc.
Het komt ook voor dat een minderjarige onder de begeleiding van een volwassene inreist in een lidstaat van de EU (inclusief Nederland) en vervolgens zonder begeleiding wordt achtergelaten. In dat geval behandelt de IND de minderjarige als een minderjarige die zonder begeleiding van een volwassene Nederland is ingereisd.
Uitzondering op deze regel is in ieder geval de situatie als een ouder de minderjarige zelf naar het grondgebied van een lidstaat heeft gebracht en hem daar vervolgens zonder begeleiding heeft achtergelaten.
De term ‘minderjarige’ in bovengenoemde definitie moet als volgt worden uitgelegd. Als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft, merkt de IND deze vreemdeling tot 3 maanden na inwilliging van die asielaanvraag aan als minderjarige, ook al heeft de vreemdeling op dat moment de leeftijd van 18 jaar bereikt. Het verzoek om nareis ten behoeve van de ouder(s) van deze vreemdeling moet binnen deze 3 maanden zijn ingediend.
Voor het vaststellen van de feitelijke gezinsband wordt verwezen naar paragraaf C2/4.1.1 Vc onder ‘biologische minderjarige kinderen’ dan wel ‘meerderjarige kinderen’. Mede gelet op artikel 32, eerste lid, aanhef onder e Vw, geldt bij de beoordeling van feiten en omstandigheden die zich na meerderjarigheid hebben voorgedaan het beleid voor meerderjarige kinderen. De IND werpt feiten en omstandigheden die noodgedwongen door de vlucht zijn ingegeven, niet tegen.
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
Anders dan bij biologische kinderen kan bij adoptie- en pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de referent en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst of er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen de referent en het pleegkind. De referent en de vreemdeling moeten dit aannemelijk maken.
Bij de beoordeling of het pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent, wordt onder meer betrokken:
Het pleegkind komt niet in aanmerking voor nareis indien er een positieve verplichting onder artikel 8 EVRM bestaat om de biologische ouder te herenigingen met het pleegkind in Nederland.
De voorwaarden voor het verbreken van de feitelijke gezinsband zijn voor adoptie- en pleegkinderen gelijk aan die van biologische kinderen.
7.1. Aangelegenheden die niet ter zake doen
Daarnaast dient het kind te voldoen aan de overige voorwaarden uit deze paragraaf (C2/4.1.1 Vc).
De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, onder a of b, Vw, als het huwelijk of partnerschap al bestond voordat de referent Nederland is ingereisd. Bij de beoordeling van de leeftijd waarop de IND huwelijkspartners en geregistreerd partners toelaat is paragraaf B7/3.1.2. Vc van toepassing. Voor ongehuwde partners geldt dat zij de leeftijd van 18 jaar moeten hebben bereikt en sprake is van een duurzame, exclusieve relatie.
De IND beschouwt een huwelijk als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk indien een dergelijk huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten, als rechtsgeldig wordt aangemerkt. Indien een huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten niet als rechtsgeldig wordt aangemerkt, dan toetst de IND of aan de voorwaarden voor partnerschap wordt voldaan.
Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie komen slechts een echtgenoot of (geregistreerd) partner en de uit dit huwelijk/deze relatie voortgekomen kinderen voor verblijf in aanmerking. Van een polygame situatie is sprake als de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, tegelijkertijd met een andere persoon (of meerdere andere personen) een huwelijk of een duurzame relatie heeft (inclusief geregistreerd partnerschap).
Als de in Nederland verblijvende referent met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede de eventuele andere gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Ook voor andere casusposities geldt dat zolang sprake is van een polygame situatie, bepaalde gezinsleden niet in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning.
De IND beoordeelt of sprake is van minderjarigheid of meerderjarigheid naar Nederlands recht (zie artikel 1.233 Burgerlijk Wetboek).
Voor onderzoek naar de feitelijke gezinsband tussen ouder(s) en biologische kinderen wordt verwezen naar paragraaf C2/4.1.2 Vc.
Voor de beoordeling van aanvragen van gezinsleden in relatie tot artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt verwezen naar paragraaf C2/7.10.2.7 Vc (‘gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag’).
Voor de beoordeling van niet uit artikel 29 tweede lid Vw voortvloeiende aspecten (waaronder een gevaar voor de openbare orde) geldt dat het toepasselijke wettelijke kader afhankelijk is van de gekozen procedure (mvv-procedure of asielprocedure).
In geval van het niet verlenen of het intrekken van een mvv, geldt het reguliere kader van artikel 16 Vw en de daaruit voortvloeiende regelgeving (zoals genoemd in hoofdstuk B1 Vc). In geval van het niet verlenen of intrekken van een asielvergunning geldt het asielkader van artikel 30b Vw en het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk C1 Vc.
Hoewel voor mvv- dan wel asielprocedures een ander wettelijk kader geldt, gelden wel dezelfde (materiële) beleidsregels, zoals opgenomen in de paragrafen C2/7.10 en C2/10.3 Vc.
Voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag mvv nareis dient van elk na te reizen gezinslid bij het aanvraagformulier een recente, goed lijkende pasfoto of een andere recente (kleuren) foto van het gezicht van het gezinslid, te worden overgelegd.
7. Gegrond, ongegrond en kennelijk ongegrond
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw ambtshalve (conform artikel 28, eerste lid onder d en derde lid Vw) als de vreemdeling met een daartoe afgegeven (geldige) mvv is ingereisd en zich vervolgens binnen drie dagen heeft aangemeld (op de manier zoals gecommuniceerd door de IND). De ingangsdatum is de datum als bedoeld in artikel 3.105a eerste lid, Vb, tenzij de vreemdeling bij de afgifte van de mvv heeft aangegeven de datum als bedoeld in artikel 3.105a tweede lid, Vb als ingangsdatum te prefereren.
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw op aanvraag aan het gezinslid van een referent indien:
4.1.2. Bewijsmiddelen
De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw, moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie in beginsel aantonen door het overleggen van de volgende officiële documenten:
Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw een of meerdere van de hierboven genoemde officiële documenten niet kan overleggen, moet hij of de referent de reden(en) hiervan kenbaar maken. Paragraaf C1/4.3 Vc is van toepassing.
Tevens stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om zoveel mogelijk andere bewijsmiddelen ten aanzien van zijn identiteit en/of familierechtelijke relatie te overleggen. Dit kunnen andere, niet- officiële, indicatieve bewijsmiddelen zijn.
Indien de vreemdeling afdoende verklaart waarom het ontbreken van officiële documenten hem niet toe te rekenen is, of substantiële indicatieve documenten overlegt, biedt de IND in beginsel nader onderzoek aan. De IND stelt de vreemdeling daarmee alsnog in de gelegenheid zijn identiteit en/of familierechtelijke relatie aannemelijk te maken. Dit onderzoek kan bestaan uit een gehoor en/of DNA onderzoek.
7.2. Veilig land van herkomst
De IND biedt in beginsel geen nader onderzoek aan als er sprake is van een contra-indicatie. Van een contra-indicatie kan onder meer sprake zijn als:
Ook als zich een contra-indicatie voordoet, worden overige verklaringen of bewijsmiddelen betrokken bij de beoordeling of nader onderzoek wordt aangeboden.
In alle gevallen geldt dat zolang de identiteit niet vast staat of niet aannemelijk is gemaakt, niet wordt toegekomen aan de vraag naar de familierechtelijke relatie of de feitelijke gezinsband met referent.
In het gehoor biedt de IND de vreemdeling de gelegenheid om met aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen de identiteit of familierechtelijke relatie aan te tonen.
De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw.
De IND biedt nader onderzoek aan als
7.3. Misleiden omtrent identiteit of nationaliteit en/of informatie achterhouden
5. Niet in behandeling nemen
De IND neemt, conform artikel 30, Vw, de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling indien een andere lidstaat verantwoordelijk is voor behandeling van het verzoek om internationale bescherming op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
Verordening (EU) nr. 604/2013 maakt een onderscheid tussen een verzoek om internationale bescherming en de (formele) indiening daarvan. Een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van de Vw, kan alleen schriftelijk met een vastgesteld model worden ingediend.
Bij het gehoor aanmeldfase vraagt de IND aan de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen of er gezinsleden, broers of zussen of familieleden op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn (zie artikel 6, derde en vierde lid, Verordening (EU) nr. 604/2013). In dit gehoor wijst de IND de minderjarige vreemdeling op de mogelijkheid om herenigd te worden met zijn gezins- of familielid dat zich wettig ophoudt in een andere lidstaat. Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 8, Verordening (EU) nr.604/2013 verstaat de IND: rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning of op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat.
Aan de hand van de door de minderjarige vreemdeling verstrekte informatie neemt de IND contact op met de bevoegde instantie in de andere lidstaat met als doel de minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familielid te herenigen. De IND start het onderzoek naar gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling op het moment dat er concrete aanknopingspunten zijn waaruit het verblijf van het gezins- of familielid in een lidstaat blijkt. De IND wijst de minderjarige op de hulp die hij kan inroepen bij internationale organisaties bij het traceren van zijn gezins- of familieleden.
De IND start het onderzoek naar gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling op het moment dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
6.3. Veilig derde land
6.4. Opvolgende aanvraag zonder nieuwe elementen of bevindingen
De IND behandelt het verzoek om internationale bescherming indien een andere lidstaat hierom verzoekt en voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden van artikel 8, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013. De Raad voor de Kinderbescherming voert het individueel onderzoek uit waarin wordt vastgesteld dat het gezins- of familielid voor de minderjarige vreemdeling kan zorgen, waarbij ook wordt bezien of dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is.
De IND maakt terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, Verordening (EU) nr.604/2013, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht.
7.5. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen
De IND kan op grond van artikel 17, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013, altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De vreemdelingen moeten hiermee schriftelijk instemmen. De IND behandelt een verzoek van een andere lidstaat om een vreemdeling over te nemen op grond van artikel 17, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013 terughoudend. De IND willigt een dergelijk verzoek alleen in, indien er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat het niet herenigen van de vreemdeling getuigt van een onevenredige hardheid.
De IND stelt op grond van overgelegde medische stukken, verklaringen van medici en van de vreemdeling vast dat de vreemdeling zorg nodig heeft en daarin afhankelijk is van de hulp van zijn kind, broer of zus of ouder die wettig in Nederland verblijft. De IND beoordeelt op grond van de overgelegde informatie of een in Nederland verblijvend kind, broer, zus of ouder voor de in een andere lidstaat verblijvende vreemdeling kan zorgen. Voorwaarde is dat zij schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.
Onder ‘wettig verblijven’ in de zin van artikel 16, lid 1, Verordening (EU) nr.604/2013 verstaat de IND: de vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning van de andere lidstaat, of heeft de nationaliteit van de andere lidstaat.
In de volgende gevallen past de IND artikel 16, eerste lid, Verordening (EU) nr. 604/2013 toe:
De IND wijkt alleen in uitzonderlijke situaties af van de verplichting om afhankelijke gezins- of familieleden samen te brengen.
Een aanvraag wordt als een opvolgende aanvraag beschouwd, wanneer er geen beroep in eerste aanleg meer open staat tegen de afwijzing van de vorige aanvraag, hetzij omdat de termijn voor het instellen van beroep is verstreken, hetzij omdat er een uitspraak in beroep is gedaan.
De omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat een aanvraag niet-ontvankelijk is, zijn beschreven in artikel 30a, Vw en worden behandeld in deze paragraaf.
Een aanvraag wordt als een opvolgende aanvraag beschouwd, wanneer er geen beroep in eerste aanleg meer open staat tegen de afwijzing van de vorige aanvraag, hetzij omdat de termijn voor het instellen van beroep is verstreken, hetzij omdat er een uitspraak in beroep is gedaan.
Die bescherming van de vreemdeling kan in ieder geval blijken uit:
Wanneer het verblijfsdocument van de vreemdeling verlopen is, wil dat niet zeggen dat de vreemdeling geen bescherming meer geniet in de betreffende EU-lidstaat. In dat geval moet worden nagegaan of de bescherming nog steeds van toepassing is.
Wanneer een vreemdeling bescherming geniet in een andere EU-lidstaat, is toegang tot en terugkeer naar de andere lidstaat gegarandeerd.
De IND verklaart een aanvraag voor een asielvergunning door een vreemdeling die al een asielvergunning bezit, niet-ontvankelijk.
Het gaat in ieder geval om de volgende situaties:
7.10. Openbare orde of nationale veiligheid
De IND gaat uit van wedertoelating in deze situaties, tenzij de vreemdeling aannemelijk maakt dat wedertoelating niet het geval is.
Enkel het bezit van een geldig visum voor een derde land is in dit kader onvoldoende om te spreken van ‘bescherming’ in de zin van artikel 30a, eerste lid, onder b, Vw.
Bij de vraag of een veilig land van herkomst voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND weegt mee of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. De IND kan de presumptie van veilig land van herkomst niet handhaven wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende land van herkomst in zijn specifieke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. In dat geval beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen die een uitwerking zijn van de volgende artikelen:
7.10.2. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag
De IND en de vreemdeling hebben een gedeelde bewijslast op de vraag of een derde land als veilig kan worden aangemerkt, namelijk:
De IND onderzoekt of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land dat het van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij naar dat land gaat.
De IND neemt in de volgende gevallen in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land:
7.10.2.2. Artikel 1F aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
7.3. Misleiden omtrent identiteit of nationaliteit en/of informatie achterhouden
Onder misleiden wordt verstaan: de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, teneinde in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning.
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
Een aanvraag wordt als een opvolgende aanvraag beschouwd, wanneer er geen beroep in eerste aanleg meer open staat tegen de afwijzing van de vorige aanvraag, hetzij omdat de termijn voor het instellen van beroep is verstreken, hetzij omdat er een uitspraak in beroep is gedaan.
Wanneer de aanvraag kan worden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, maakt de IND hiervan gebruik en wijst de IND niet af op grond van artikel 4:6 Awb.
Indien wordt beslist op een opvolgende aanvraag terwijl het beroep in de eerdere procedure nog niet op zitting is behandeld, zendt de IND het besluit op de opvolgende aanvraag aan de behandelend rechtbank toe met het verzoek dit, indien de vreemdeling ook hiertegen beroep instelt, gezamenlijk te behandelen.
De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn.
De IND verklaart een aanvraag voor een asielvergunning door een vreemdeling die al een asielvergunning bezit, niet-ontvankelijk.
‘Te kwader trouw’ betekent dat de vreemdeling bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen. ‘Waarschijnlijk’ betekent dat de IND dit bedrog niet hoeft aan te tonen of bewijzen, maar dat er sprake moet zijn van een zekere ‘aannemelijkheid’ dat de vreemdeling te kwader trouw heeft gehandeld. Die aannemelijkheid kan zien op twee onderdelen:
De beoordeling of een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel gegrond of ongegrond is, vindt plaats aan de hand van artikel 31 Vw. De omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat een aanvraag kennelijk ongegrond is, zijn beschreven in artikel 30b Vw en worden behandeld in paragraaf C2/7.1 t/m C2/7.11 van de Vc. Eerst nadat de IND heeft beoordeeld of een aanvraag ongegrond is, beoordeelt de IND of de aanvraag tevens als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen.
7.1. Aangelegenheden die niet ter zake doen
7.5. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen
De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn.
In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen die een uitwerking zijn van de volgende artikelen:
Bij de vraag of een veilig land van herkomst voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND weegt mee of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. De IND kan de presumptie van veilig land van herkomst niet handhaven wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende land van herkomst in zijn specifieke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. In dat geval beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
In dat geval verklaart de IND een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, Vw.
7.6. Uitzetting of overdracht uitstellen of verijdelen
Bij de beantwoording van de vraag of het land van herkomst van de vreemdeling ten aanzien van hem als veilig kan worden aangemerkt, geldt een tussen de IND en de vreemdeling gedeelde bewijslast, namelijk:
7.10. Openbare orde of nationale veiligheid
7.3. Misleiden omtrent identiteit of nationaliteit en/of informatie achterhouden
Onder misleiden wordt verstaan: de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, teneinde in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning.
7.8. Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld
Bij ‘identiteitsdocumenten’ moet het gaan om documenten die specifiek te herleiden zijn tot de betreffende vreemdeling, hetzij door middel van een pasfoto, hetzij door middel van biometrische gegevens.
7.9. Weigeren vingerafdrukken
7.10.2.6. Duurzaamheid en proportionaliteit
De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn.
7.4. Waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument vernietigd of zich daarvan ontdaan
‘Te kwader trouw’ betekent dat de vreemdeling bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen. ‘Waarschijnlijk’ betekent dat de IND dit bedrog niet hoeft aan te tonen of bewijzen, maar dat er sprake moet zijn van een zekere ‘aannemelijkheid’ dat de vreemdeling te kwader trouw heeft gehandeld. Die aannemelijkheid kan zien op twee onderdelen:
7.10.1. Openbare orde als afwijzingsgrond
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
In de volgende gevallen is wel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten, maar staat niet zonder meer vast dat dit (waarschijnlijk) te kwader trouw gebeurde:
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
De IND beoordeelt de vraag of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf aan de hand van de vraag of de optelsom van de opgelegde straffen in totaal ten minste de toepasselijke norm bedraagt. Hierbij wegen de individuele omstandigheden zwaar mee, waaronder de vraag hoe groot het aandeel is van de delicten die een gevaar voor de gemeenschap vormen. In ieder geval één van de veroordelingen zal betrekking moeten hebben op een misdrijf dat een gevaar voor de gemeenschap oplevert.
7.11. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde
Het gaat om duidelijke vormen van ongeloofwaardigheid, waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat hierover geen twijfel bestaat en waardoor de verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen.
De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid ook opgelegde taakstraffen. De IND berekent de toepasselijke norm met de volgende uitgangspunten:
Bij de beoordeling of sprake is van het uitstellen of verijdelen van de uitzetting of overdracht betrekt de IND het moment waarop de vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt. Situaties waarbij dit van toepassing kan zijn, zijn bijvoorbeeld:
Verder wordt aangesloten bij artikel 3.1, vierde lid, Vb.
De IND verklaart de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid onder j Vw, als sprake is van een ernstig misdrijf, dat een zelfstandige afwijzing van de aanvraag rechtvaardigt.
Hieronder valt in ieder geval een opvolgende aanvraag waarbij nieuwe elementen en bevindingen zijn ingebracht die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, maar waar dit niet leidt tot een inwilliging van de aanvraag.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling, die aan alle volgende voorwaarden voldoet:
Het gaat in artikel 30b, eerste lid, onder h, Vw om de situatie dat:
7.10.2.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij onrechtmatig binnen is gekomen als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen.
7.9. Weigeren vingerafdrukken
7.10.2. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag
De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen een gevaar voor de gemeenschap aannemen:
De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap of nationale veiligheid als bedoeld in artikel 3.105, aanhef en onder c, Vb:
10. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND beoordeelt of sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf op individuele basis en aan de hand van alle relevante feitelijke en juridische gegevens. De IND betrekt daarbij in ieder geval de door de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden, die zien op de aard en de ernst van het delict en het tijdsverloop dat is verstreken sinds het delict.
7.10.2.7. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND beoordeelt de vraag of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf aan de hand van de vraag of de optelsom van de opgelegde straffen in totaal ten minste de toepasselijke norm bedraagt. Hierbij wegen de individuele omstandigheden zwaar mee, waaronder de vraag hoe groot het aandeel is van de delicten die een gevaar voor de gemeenschap vormen. In ieder geval één van de veroordelingen zal betrekking moeten hebben op een misdrijf dat een gevaar voor de gemeenschap oplevert.
De IND betrekt in ieder geval het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen in de vraag of de optelsom van de opgelegde straffen de toepasselijke norm bedraagt.
7.10.2.1. Artikel 1F aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag
De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid ook opgelegde taakstraffen. De IND berekent de toepasselijke norm met de volgende uitgangspunten:
7.10.2.1. Artikel 1F aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag
7.10.2.2. Artikel 1F aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
De IND verklaart de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid onder j Vw, als sprake is van een ernstig misdrijf, dat een zelfstandige afwijzing van de aanvraag rechtvaardigt.
7.10.2.2. Artikel 1F aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
10.2. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid
Er is sprake van een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
7.10.2.3. Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag
De IND beoordeelt het gevaar voor de gemeenschap op individuele basis en aan de hand van alle relevante feitelijke en juridische gegevens.
7.10.2.3. Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen een gevaar voor de gemeenschap aannemen:
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND beoordeelt of de door de vreemdeling aangevoerde feiten of omstandigheden aannemelijk maken dat in zijn geval geen sprake is van een gevaar voor de gemeenschap.
10. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
7.10.2.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
De IND kan een ernstig misdrijf ook aan een vreemdeling tegenwerpen indien de veroordeling voor dit misdrijf nog niet onherroepelijk is geworden.
10. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 29, tweede lid, Vw door de IND op grond van de openbare orde of nationale veiligheid worden geweigerd overeenkomstig het in C2/4.1 opgenomen wettelijke kader. De IND beoordeelt de aanvraag in dat geval aan de hand van de artikelen 3.77, eerste tot en met vierde lid, artikel 3.78 Vb, alsmede paragraaf B1/4.4 Vc.
7.10.2. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag
Ad 5
10.2. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid
7.10.2.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
Als is vastgesteld dat sprake is van een ernstig, niet-politiek misdrijf, dan is een verdere evenredigheidstoetsing of toetsing aan proportionaliteit, die impliceert dat de ernst van de gestelde daden nogmaals wordt beoordeelt, niet verplicht (zie ook C2/7.10.2.5. Vc).
7.10.2.3. Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag
De volgende misdrijven kunnen in ieder geval een politiek karakter hebben:
7.10.2.6. Duurzaamheid en proportionaliteit
De beoordeling of een misdrijf ‘ernstig’ is in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag, betreft een individuele beoordeling aan de hand van de individuele omstandigheden. De volgende elementen kunnen daarbij van belang zijn:
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
Ad 1
10.3. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid
Ad 2
3. Vertrekmoratorium
7.10.2.7. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Bij het wegen van de strafmaat is van belang de maximumstraf die volgens het Nederlandse Wetboek van Strafrecht op het misdrijf is gesteld dan wel – als de vreemdeling al is veroordeeld – de hoogte van de opgelegde straf (na strafmaatvergelijking). Uitsluiting op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag gebeurt echter niet slechts op basis van de strafmaat, maar alleen na onderzoek en beoordeling van alle relevante feiten.
10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken
De internationale standaard en consensus of een bepaald misdrijf als ‘ernstig’ is aan te merken in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag kan worden afgeleid uit bronnen als:
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd
7.11. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde
Ad 5
8. Buiten behandeling stellen
Bij ‘absolute politieke misdrijven’ kan artikel 1F, onder b van het Vluchtelingenverdrag niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn misdrijven met een politiek karakter, waarbij uit de omschrijving van het misdrijf blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven:
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen
7.10.2.3. Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag
Onder de doelstellingen van de VN wordt verstaan: de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. Onder de beginselen van de VN wordt verstaan: artikel 2 van het Handvest van de VN van 1945.
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen
Om de vreemdeling verantwoordelijk te kunnen houden voor misdrijven die vallen onder artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag beoordeelt de IND:
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Indien de IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen.
11. Rechtsmiddelen
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
In het geval van situatie a. of b. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft of had moeten hebben van het plegen van de misdrijven. De IND spreekt dan van een ‘significante uitzondering’.
2. Besluitmoratorium
Indien de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaar oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de misdrijven.
10. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties:
10. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND toetst of er sprake is van een ‘significante uitzondering’ zoals beschreven in de subparagraaf ‘bewijslast en verantwoordelijkheid’ (‘knowing participation’).
7.10.2.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
De IND toetst aan artikel 33 van het Statuut van Rome, inzake het Internationaal Strafhof voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de vreemdeling, indien de vreemdeling heeft gehandeld op bevel van een regering of meerdere.
Indien de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd
7.10.2.6. Duurzaamheid en proportionaliteit
Indien aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:
10.2. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid
De IND neemt disproportionaliteit aan indien de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.
10.2. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid
7.10.2.7. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan gezinsleden van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Dit geldt niet wanneer deze gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw.
10.3. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid
De contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
10. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
7.11. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde
De IND verstaat hieronder de vreemdeling die, anders dan onder artikel 30b, eerste lid, onder j, Vw, op een eerder moment op grond van de openbare orde of nationale veiligheid de toegang tot Nederland (en daarmee het Schengengebied) is geweigerd en derhalve, zonder dat het gepleegde feit heeft geleid tot een inreisverbod of ongewenstverklaring zoals bedoeld in artikel 66a Vw of artikel 67 Vw, is uitgezet naar het land van herkomst.
8. Buiten behandeling stellen
De IND kan een aanvraag op alle momenten na de indiening daarvan buiten behandeling stellen, indien:
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen
Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het niet reageren op nadere (schriftelijke) vragen.
C4. Tijdelijke bescherming
Wanneer de vreemdeling, na daartoe ten minste tweemaal uitgenodigd te zijn, niet op het aanmeldgehoor verschijnt en toerekenbaar heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag (zie artikel 3.45b, eerste lid, Voorschrift Vreemdelingen) kan de IND gebruik maken van de bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen op grond van artikel 30c, eerste lid onder a, Vw. De IND brengt een daartoe strekkend voornemen uit en maakt daarin kenbaar dat is geconstateerd dat de vreemdeling toerekenbaar heeft nagelaten om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag.
Zoals volgt uit paragraaf C1/2.9 Vc dient een vreemdeling een tweede of volgende aanvraag in door middel van het model M35-0. Het model M35-0 betreft tevens het eerste verzoek om informatie als bedoeld in artikel 3.45b, eerste lid, VV. Indien de vreemdeling het model M35-0 incompleet indient, waardoor informatie ontbreekt om op de aanvraag te kunnen beslissen, maakt de IND gebruik van de bevoegdheid de aanvraag buiten behandeling te stellen en brengt een daartoe strekkend voornemen uit. De IND maakt met het voornemen kenbaar dat is geconstateerd dat de aanvraag niet volledig is en dat informatie ontbreekt. Bij dit voornemen biedt de IND tevens een termijn van in beginsel één week voor het completeren van de aanvraag. De IND geeft een kortere termijn voor het completeren van de aanvraag als:
10.2. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid
C4. Tijdelijke bescherming
Indien één van bovengenoemde situaties leidt tot de conclusie dat de vreemdeling onvoldoende informatie heeft verstrekt, dan wel dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, wordt de aanvraag in ieder geval buiten behandeling gesteld.
Paragraaf C2/10.1 Vc onder het kopje ambtshalve toets is van overeenkomstige toepassing.
De IND vermeldt op de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de arbeidsmarktbeperking: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
Voor de bepalingen over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verwezen naar artikel 3.105, eerste lid, Vb.
C3. Moratoria
De IND reikt op grond van artikel 9 Vw het verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf blijkt uit aan het IND loket dat zich het dichtst bij de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling bevindt.
C3. Moratoria
In aanvulling op artikel 3.105f, tweede lid, aanhef en onder b, Vb wordt verwezen naar C2/7.10.1 Vc om te beoordelen of er sprake is van een ernstig misdrijf. Artikel 3.86, eerste tot en met elfde lid, Vb zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover de daarin opgenomen strafmaat de norm van C2/7.10.1 overstijgt.
Als in dit hoofdstuk wordt gesproken over het herbeoordelen van een verblijfsvergunning asiel, dan wordt gedoeld op zowel het intrekken van een verblijfsvergunning asiel als op de behandeling van de aanvraag voor de verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daar waar er verschillen zijn, wordt specifiek over intrekkingen of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gesproken.
10.1. Algemeen
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen in aanvulling op artikel 32 Vw en de artikelen 3.105d, 3.105f en 3.106 Vb.
10.1.1. Evenredigheid van de intrekking
In artikel 32 Vw is beleidsruimte gelaten door op te nemen dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken of de verlengingsaanvraag kan worden afgewezen als aan één van de genoemde intrekkingsgronden is voldaan. Deze beleidsruimte is deels ingevuld in de in paragraaf C2/10.1 Vc genoemde artikelen uit het Vreemdelingenbesluit, maar nog altijd is hier beleidsruimte om van intrekking van het verblijfsrecht af te zien of van afwijzing van de verlengingsaanvraag.
C3. Moratoria
C3. Moratoria
Als uit de toets komt dat een intrekking onevenredig is, zal de verblijfsvergunning asiel in stand worden gelaten.
2. Besluitmoratorium
Uitzondering hierop is de verblijfsvergunning asiel die verleend is op grond van de Kwalificatierichtlijn, of waar sprake is van internationale bescherming.
2. Besluitmoratorium
C4. Tijdelijke bescherming
Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw, wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan het moment dat de grond voor verlening is komen te vervallen.
C4. Tijdelijke bescherming
Als er meerdere intrekkingsgronden van toepassing zijn, trekt de IND de verblijfsvergunning in per datum van de intrekkingsgrond, die chronologisch het verst teruggrijpt in het verblijfsrecht. Uitzondering hierop is dat als het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid één van de intrekkingsgronden is, dan vermeldt de IND die intrekkingsgrond subsidiair in het besluit (zie ook paragraaf C2/10.3 Vc).
10.1.3. De ex tunc toets
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd
Bij de ex tunc toets wordt enkel de informatie die ten tijde van het verlenen van de verblijfsvergunning asiel bekend was getoetst aan het op dat moment geldende beleid. Nieuwe informatie wordt niet getoetst binnen de ex tunc toets. Voor de gevallen waarin de IND geen ex tunc toets verricht, wordt verwezen naar de paragrafen C2/10.2 tot en met C2/10.7 Vc.
2. Tijdelijke bescherming
Als de IND besluit dat de grond voor verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gewijzigd moet worden, dan verzoekt de IND de vreemdeling om een verlengingsaanvraag te doen, zodat de grondslag per datum verlengingsaanvraag gewijzigd kan worden in het informatiesysteem van de IND.
10.1.4. De ex nunc toets
De IND beoordeelt of de vreemdeling op het moment van herbeoordeling in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, Vw. Het uitvoeren van de ex nunc toetst hoeft niet vooraf gegaan te worden door een ex tunc toets.
C4. Tijdelijke bescherming
10.1.5. Ambtshalve toets
Als de IND de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan afwijst, beoordeelt de IND op grond van artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de in dit artikel genoemde beperkingen of voor uitstel van vertrek (zie verder paragraaf C1/4.5 Vc onder ‘ambtshalve toets’). Als er een zwaar inreisverbod is opgelegd, laat de IND – overeenkomstig paragraaf C1/4.5 Vc – de ambtshalve toets op grond van artikel 3.6a Vb achterwege, behoudens de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM (artikel 3.6a, eerste lid onder a, Vb).
10.1.6. Terugkeerbesluit
In beginsel omvat een besluit tot intrekking of van niet-verlenging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook een terugkeerbesluit.
C5. De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
Paragraaf C2/3.3 Vc is van toepassing.
10.1.7. Inreisverbod en ongewenstverklaring
De bepalingen van paragraaf A4 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.
10.2. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid (artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a Vw).
Voor de invulling van de term ‘hoofdverblijf’ zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder d, Vw wordt verwezen naar paragraaf B1/6.2.1 Vc.
2. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
10.2.1.1. Ex tunc toets
In paragraaf C2/10.1.2 Vc is uitgelegd wat onder de ex tunc toetst verstaan wordt. Als de IND een intrekkingsprocedure start naar aanleiding van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, verricht de IND slechts een ex tunc toets, als:
10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, tweede lid, Vw in op grond van artikel 32, eerste lid, onder e Vw juncto artikel 3.106 Vb als de huwelijks- of gezinsband is verbroken.
3. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
2. Besluitmoratorium
De IND beschouwt de gezinsband tussen ouders en kinderen niet als verbroken als de nareizende gezinsleden wegens een tekort aan passende woonruimte noodgedwongen op een ander adres dan de referent worden gehuisvest.
3. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
Indien de afgeleide verblijfsvergunning voor 1 januari 2014 is verleend en de feitelijke gezinsband is verbroken, wordt ingevolge artikel 3.106, vierde lid, Vb een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet om die reden afgewezen.
10.3.1. Algemeen
C3. Moratoria
Voordat de IND bij een intrekking op grond van de openbare orde aan de ex nunc toets toekomt, beoordeelt de IND eerst of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf en of aan de glijdende schaal is voldaan (zie hieromtrent paragraaf C2/10.3.3 en C2/10.3.4 Vc).
10.3.1.1. Ex tunc toets
De IND verricht geen ex tunc toets als de IND een intrekkingsprocedure start naar aanleiding van door de vreemdeling gepleegde misdrijven die aangemerkt kunnen worden als een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
10.3.1.2. Ex nunc toets
In paragraaf C2/10.1.3 Vc is uitgelegd hoe de ex nunc toetst plaatsvindt. Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt, verricht de IND een ex nunc toets. De IND beoordeelt ex nunc of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij internationaal te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade (artikel 3 EVRM). Bij deze toetst beoordeelt de IND ook of het door de vreemdeling gepleegde misdrijf gezien moet worden als een (bijzonder) ernstig misdrijf, wat maakt dat de openbare orde of nationale veiligheid zich verzet tegen het bezit van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De IND kan in dat geval toch de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekken, omdat de vreemdeling een gevaar is voor de openbare orde of nationale veiligheid, zie hieromtrent paragraaf C2/10.3.2 Vc.
10.3.2. Terugkeerbeletsel
1. Inleiding
Als sprake is van één van bovengenoemde situaties neemt de IND in het terugkeerbesluit op, dat de vreemdeling Nederland, het grondgebied van de EU (met uitzondering van Ierland), EER en Zwitserland binnen een gestelde vertrektermijn moet verlaten, maar niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst. Als de IND oordeelt dat er een ander land is, waarnaar de vreemdeling kan terugkeren, dan benoemt de IND dit land in het terugkeerbesluit.
10.3.3. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw
In aanvulling op artikel 3.105d, tweede lid, aanhef en onder b, Vb wordt verwezen naar paragraaf C2/7.10.1 Vc om te beoordelen of er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. Artikel 3.86, eerste tot en met elfde lid, Vb zijn van overeenkomstige toepassing voor zover de strafmaat uit artikel 3.86 Vb de minimumnorm van bijzonder ernstig misdrijf uit paragraaf C2/7.10.1 Vc overstijgt.
2. Tijdelijke bescherming
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de Terugkeerrichtlijn ontvangt de rechtsbijstandverlener van de vreemdeling van de IND bericht dat het opgelegde terugkeerbesluit gedurende het verzoek van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties voorlopig niet zal worden uitgevoerd en dat de vreemdeling dus gedurende het verzoek niet zal worden uitgezet.
In aanvulling op artikel 3.105f, tweede lid, aanhef en onder b, Vb wordt verwezen naar C2/7.10.1 Vc om te beoordelen of er sprake is van een ernstig misdrijf. Artikel 3.86, eerste tot en met elfde lid, Vb zijn van overeenkomstige toepassing voor zover de strafmaat uit artikel 3.86 Vb de minimumnorm van bijzonder ernstig misdrijf uit paragraaf C2/7.10.1 Vc overstijgt.
2.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan in ieder geval blijken uit de volgende situaties:
1. Inleiding
Artikel 3.86, eerste tot en met twaalfde en zeventiende lid, Vb alsmede artikel 3.87 Vb en paragraaf B1/6.2.2 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Inleiding
10.3.6. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c of d, Vw
De IND beoordeelt of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde aan de hand van de voorwaarden van artikel 3.86, eerste tot en met het elfde lid, Vb, als de IND de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c of d, Vw zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening.
1. Inleiding
Voor vreemdelingen die onder een geldend besluitmoratorium vallen, worden in beginsel geen inhoudelijke besluiten genomen.
C5. De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen (artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw)
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen, die gelden:
1. Inleiding
De IND verstrekt een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ aan de vreemdeling.
1. Landgebonden asielbeleid algemeen
10.4.1.2. Ex nunc toets
Als de grond voor verlening is komen te vervallen, verricht de IND altijd een ex nunc toets. In paragraaf C2/10.1.3 Vc is uitgelegd wat onder de ex nunc toetst verstaan wordt. De IND beoordeelt daarbij onder meer of de vreemdeling dwingende redenen als bedoeld in artikel 3.37g VV kan aanvoeren om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit of zijn gewone verblijfplaats bezat.
C7. Landgebonden beleid
De IND beschouwt de volgende daden als wandaden:
1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf, die gelden bij de toepassing van richtlijn 2001/55 (tijdelijke bescherming). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 1, onder n, Vw, artikel 1, onder o, Vw, artikel 45, lid 6, Vw en artikel 3.1a, Vb.
2. Tijdelijke bescherming
10.4.3. Vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst
Als de IND vaststelt dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw uit vrije wil is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, nodigt de IND de vreemdeling uit om tijdens een gehoor uitleg te geven over de reden, bestemming, duur en verloop van zijn reis. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij ondanks zijn terugkeer naar het land van herkomst nog steeds in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
2.1. Besluitmoratorium
De vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, meldt zich bij een AC met het verzoek om onder de werking van het vertrekmoratorium te worden gebracht. De IND stelt vast of de vreemdeling onder de regeling van tijdelijk bescherming valt. De vreemdeling heeft het recht op opvang zolang de tijdelijke bescherming van kracht is. Voor de beleidsregels met betrekking tot tijdelijke bescherming wordt verwezen naar hoofdstuk C3 Vc.
C5. De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, niet in, als de vreemdeling met bewijsmiddelen onderbouwt dat artikel 1C Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is.
10.4.4. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw is verlopen en er is geen aanvraag om verlenging of aanvraag verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend
De IND beoordeelt of de internationale beschermingsstatus van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, kan worden beëindigd omdat de grond voor verlening, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, is komen te vervallen. Deze situatie doet zich voor als:
2. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
2.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND verwijst de vreemdeling naar het aanmeldcentrum voor het indienen van een nieuwe (opvolgende) asielaanvraag (zie paragraaf C1/4.6 Vc omtrent een verzoek tot heroverweging), als de vreemdeling:
2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Als de vreemdeling de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indient tussen de zes maanden en vier weken voor afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dan bepaalt de IND de aanvraagdatum op vier weken voor afloop van deze verblijfsvergunning.
C6. Verdrag inzake de verantwoordelijkheid voor vluchtelingen
4. Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
De IND stelt de vreemdeling in beginsel eerst in de gelegenheid informatie te verstrekken over zijn verblijfplaats en of hij nog bescherming nodig heeft. De IND stuurt hiertoe een brief naar het laatst bekende adres en stelt de vreemdeling daarbij in de gelegenheid te reageren binnen een termijn van tenminste twee weken. Als er sprake is van een buitenlands adres geldt hetgeen neergelegd in paragraaf C1/3.1.7 Vc.
2. Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen
De IND beziet of er aanleiding bestaat om het al uitgebrachte intrekkingsbesluit te heroverwegen, als de vreemdeling zich bij de IND meldt, voordat het besluit tot intrekking in rechte is komen vast te staan.
2.4.4. Individuele kenmerken
2.4.5. Alleenstaande vrouwen
De IND reikt op grond van artikel 9 Vw het verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf blijkt uit aan het IND loket dat zich het dichtst bij de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling bevindt.
De IND concludeert niet dat de grond voor verlening is komen te vervallen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, alleen vanwege het feit dat de daders van de als traumatiserend aangemerkte gebeurtenis die aan de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening ten grondslag lag, zijn bestraft.
C6. Verdrag inzake de verantwoordelijkheid voor vluchtelingen
De IND stelt deze vreemdeling in de gelegenheid een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling eindigt.
C7. Landgebonden beleid
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet af op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw, als de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was vervallen, maar zich op het moment van behandeling van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd opnieuw voordoet.
2.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd (artikel 32, eerste lid, aanhef en onder d, Vw)
Indien de afgeleide verblijfsvergunning voor 1 januari 2014 is verleend en de feitelijke gezinsband is verbroken, wordt een aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet om die reden afgewezen.
4. Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
Voor de invulling van de term ‘hoofdverblijf’ zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder d, Vw wordt verwezen naar paragraaf B1/6.2.1 Vc.
C7. Landgebonden beleid
De IND neemt in ieder geval aan dat op een vergunning voor onbepaalde tijd de Kwalificatierichtlijn van toepassing is als:
Als de IND een intrekkingsprocedure start naar aanleiding van het verplaatsen van het hoofdverblijf buiten Nederland volgt er geen ex tunc toets.
10.5.1.2. Ex nunc toets
De IND verricht wel een ex nunc toets. In paragraaf C2/10.1.3 Vc is uitgelegd wat onder de ex nunc toetst verstaan wordt. De IND toets in hoeverre de vreemdeling de internationale bescherming van de Nederlandse staat (nog) nodig heeft.
10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken (artikel 32, eerste lid, aanhef en onder e, Vw)
Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid in de hoofdstukken C1 tot en met C6 Vc en betreft geen uitzonderingsregeling.
1. Inleiding
2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan
De IND neemt aan dat de huwelijks- of gezinsband is verbroken in de situaties als opgesomd in paragrafen B7/3.1 Vc en B7/3.2.1 Vc.
2.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND beschouwt de gezinsband tussen ouders en kinderen niet als verbroken als de nareizende gezinsleden wegens een tekort aan passende woonruimte noodgedwongen op een ander adres dan de referent worden gehuisvest.
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
10.6.2. Ex tunc toets
In paragraaf C2/10.1.2 Vc is uitgelegd wat onder de ex tunc toetst verstaan wordt. Als de IND een intrekkingsprocedure start vanwege de verbreking van de huwelijks- of gezinsband, dan verricht de IND een ex tunc toets.
10.6.3. Ex nunc toets
In paragraaf C2/10.1.3 Vc is uitgelegd wat onder de ex nunc toetst verstaan wordt. Als er sprake is van deze intrekkingsgrond, beoordeelt de IND of de vreemdeling op grond van alle beschikbare en geloofwaardige gegevens op grond van artikel 29, eerste lid, Vw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
10.6.4. Overgangsrecht
1. Landgebonden asielbeleid algemeen
Het landgebonden asielbeleid bevat beleidsregels ten aanzien van het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend.
Artikel 82 Vw regelt wanneer de vreemdeling het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd al dan niet mag afwachten. Artikel 7.3 Vb regelt wanneer de vreemdeling de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wel of niet mag afwachten.
De IND staat de vreemdeling op grond van artikel 7.3, tweede lid, Vb, in ieder geval niet toe zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten in de volgende situaties:
2.5. Bescherming
en zich nadien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.
2.1. Besluitmoratorium
Bij de volgende internationale instanties kan de vreemdeling een individuele klacht indienen als hij van mening is dat zijn rechten onder de betreffende verdragen zijn geschonden:
2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
2.4.5. Alleenstaande vrouwen
Als een vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit, vindt naar aanleiding van de door het EHRM getroffen voorlopige maatregel een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Uitspraken van het EHRM zijn juridisch bindend en worden (op)gevolgd.
Een verzoek om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties zijn, evenals de uiteindelijke zienswijze, niet juridisch bindend. Aan een dergelijk verzoek wordt in beginsel voldaan, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om niet te voldoen aan een dergelijk verzoek, bijvoorbeeld vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verzoeken om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties die door de Nederlandse staat worden gehonoreerd, doen geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder h, Vw ontstaan.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de Terugkeerrichtlijn ontvangt de rechtsbijstandverlener van de vreemdeling van de IND bericht dat het opgelegde terugkeerbesluit gedurende het verzoek van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties voorlopig niet zal worden uitgevoerd en dat de vreemdeling dus gedurende het verzoek niet zal worden uitgezet.
2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Als het mensenrechtenverdragsorgaan van de Verenigde Naties als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning aan de vreemdeling:
C3. Moratoria
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
4.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
2.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt uitsluitend de volgende categorieën aan als kwetsbare minderheidsgroep:
2.4.4. Individuele kenmerken
De IND verlengt de beslistermijn voor de vreemdeling met de in het besluit vermelde termijn tot maximaal eenentwintig maanden. De IND geeft aan de vreemdeling aan op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt. In de gevallen waarin het besluitmoratorium in algemene zin voor een kortere periode dan een jaar is vastgesteld, blijft het mogelijk om de individuele beslistermijn voor de vreemdeling tot maximaal eenentwintig maanden te verlengen.
2.4.5. Alleenstaande vrouwen
3.1. Besluitmoratorium
Als de individuele beslistermijn eindigt, moet de IND een besluit nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar de stand van zaken op het moment van het nemen van de beslissing, ook als het algemeen afgekondigde besluitmoratorium op dat moment nog van kracht is.
3. Vertrekmoratorium
De vreemdeling die onder de werking van het vertrekmoratorium valt, maar geen opvang of voorzieningen meer heeft, kan deze verkrijgen door zich in persoon te melden bij AC Ter Apel. De vreemdeling hoeft geen aanvraag in te dienen voor opvang of voorzieningen. Evenmin hoeft de vreemdeling een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.5.1. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
3.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De vreemdeling valt niet onder de werking van het vertrekmoratorium als de vreemdeling aantoonbaar uit Nederland is vertrokken na de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Wanneer het vertrekmoratorium eindigt, eindigt het recht op opvang en voorzieningen van rechtswege.
C4. Tijdelijke bescherming
Geen bijzonderheden.
4.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In Armenië is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
De Raad van de EU kan op grond van richtlijn 2001/55 besluiten een nader omschreven groep vreemdelingen voor een bepaalde periode tijdelijke bescherming te verlenen. De IND biedt een vreemdeling die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, in Nederland de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. De vreemdeling van wie de opvang op grond van de meeromvattende beschikking is beëindigd hoeft geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen, als de vreemdeling zich op het moment waarop tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55 wordt ingesteld nog in Nederland bevindt.
3. Het asielbeleid ten aanzien van Angola
De IND is bevoegd een beslissing te nemen op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voordat de termijn voor de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, meldt zich bij een AC met het verzoek om onder de werking van het vertrekmoratorium te worden gebracht. De IND stelt vast of de vreemdeling onder de regeling van tijdelijk bescherming valt. De vreemdeling heeft het recht op opvang zolang de tijdelijke bescherming van kracht is. Voor de beleidsregels met betrekking tot tijdelijke bescherming wordt verwezen naar hoofdstuk C3 Vc.
Geen bijzonderheden.
1. Inleiding
3.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 33, 34, 35, 40, 41, 42, eerste lid, 44, vierde en vijfde lid, en 45 Vw, de artikelen 3.107a Vb, 3.108 Vb, 3.116, en 3.118 Vb, en de artikelen 3.41 en 3.47 VV.
2. De procedure bij verlening van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
In Angola is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
3.7. Vertrekmoratorium
Als de vreemdeling de aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te vroeg indient, dan stuurt de IND de vreemdeling een brief dat de aanvraag te vroeg is ingediend. De IND doet de zaak dan niet inhoudelijk af, en de vreemdeling moet een nieuwe aanvraag doen.
3.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Op grond van artikel 40 Vw kan de vreemdeling de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet eerder indienen dan vier weken voor de afloop van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
3.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ingediend voor afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd geldt conform artikel 44, vierde lid, Vw als ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd de dag, dat de vreemdeling aan alle voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd voldoet. Verlening vindt echter niet eerder plaats dan met de dag waarop de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is aangevraagd.
4.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
2.3. Overgangsrecht
Als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verlopen vóór 1 oktober 2018 en:
4.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Voor de beleidsregels met betrekking tot het inburgeringsvereiste, waaronder de vrijstellings- en ontheffingsgronden, als bedoeld in artikel 3.107a Vb is paragraaf B9/8.1.2 Vc van overeenkomstige toepassing. Voor de bewijsmiddelen met betrekking tot het inburgeringsvereiste is paragraaf B9/20.1 Vc van overeenkomstige toepassing.
4.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
2.4. Arbeidsmarktaantekening
De IND vermeldt op de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
2.5. Verblijfsdocument
De IND reikt op grond van artikel 9 Vw het verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf blijkt uit aan het IND loket dat zich het dichtst bij de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling bevindt.
2.6. Vervangen/vernieuwen verblijfsdocument
5.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/4.3 Vc
Voor Azerbeidzjan geldt in ieder geval dat:
4.1. Besluitmoratorium
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet af op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw, als de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was vervallen, maar zich op het moment van behandeling van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd opnieuw voordoet.
4.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Overgangsrecht
4.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
4. Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
Als in hoofdstuk C5/4 gesproken wordt over het herbeoordelen van een verblijfsvergunning asiel wordt hieronder zowel de herbeoordeling in kader van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als de afwijzing van de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verstaan. Daar waar de beoordeling anders verloopt, wordt specifiek over intrekkingen of afwijzing aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd gesproken.
4.1. Algemeen
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die van toepassing zijn in aanvulling op artikel 35 Vw over de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.
4.1.1. Evenredigheid van de intrekking
In artikel 35 Vw is beleidsruimte gelaten door op te nemen dat een verblijfsvergunning asiel kan worden ingetrokken of dat de verlengingsaanvraag kan worden afgewezen indien aan één van de genoemde intrekkings- en afwijzingsgronden is voldaan. Voor de inhoud van de toets wordt verwezen naar paragraaf C2/10.1.1 de inhoud daarvan is van overeenkomstige toepassing.
Wel wordt opgemerkt dat op grond van de kwalificatierichtlijn de intrekking op grond van onjuiste gegevens, paragraaf C5/5.4 Vc, imperatief is. Derhalve is hier geen discretionaire bevoegdheid om af te wijken van het beleid. Voor verblijfsvergunningen die zijn verleend op grond van artikel 29, tweede lid, Vw dan wel oudere verblijfsvergunningen waar geen sprake is van internationale bescherming als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn zal de evenredigheidstoets onverkort gelden.
4.1.2. Herbeoordeling verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
De IND maakt een herbeoordeling van de verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als er signalen zijn dat zich mogelijk een intrekkingsgrond voordoet. De intrekkingsprocedure kan de volgende onderdelen bevatten:
4.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
4.5. Bescherming
4.1.4. De ex nunc toets
Paragraaf C2/10.1.4 Vc is van overeenkomstige toepassing.
4.1.5. Ambtshalve toets
Paragraaf C2/10.1.5 Vc is van overeenkomstige toepassing. Alleen beoordeelt de IND bij een intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet ambtshalve of de vreemdeling op grond van artikel 3.6a Vb in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de in dit artikel genoemde beperkingen.
4.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
4.1.6. Intrekking verblijfsvergunning op aanvraag
Paragraaf C1/3.1.6 Vc is van overeenkomstige toepassing. Er vindt bij deze intrekkingsprocedure een inhoudelijke toets plaats, als bedoeld in paragraaf C5/4.1.1 tot en met 4.1.5 Vc plaats.
Geen bijzonderheden.
4.2.1. Algemeen
Paragraaf C2/10.2 Vc is met uitzondering van paragraaf C2/10.2.1.1 Vc van overeenkomstige toepassing. De IND trekt een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
4.3. De vreemdeling is bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd (artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, Vw)
4.3.1. Algemeen
De IND trekt een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in met terugwerkende kracht tot aan de pleegdatum van het misdrijf, dat aanleiding geeft tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Paragraaf C2/10.3 Vc is van overeenkomstige toepassing.
4.3.2. Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd waarop de internationale beschermingsstatus van toepassing is
De IND neemt in ieder geval aan dat op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd de internationale beschermingsstatus van toepassing is als:
4.3.3. Oorspronkelijke verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c of d, Vw of een oorspronkelijke verblijfsvergunning verleend voor invoering van de Vw 2000
De IND beoordeelt of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde aan de hand van de voorwaarden van artikel 3.86, eerste tot en met het elfde lid, Vb, als de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend naar aanleiding van een oorspronkelijke verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c of d, Vw zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening. Wanneer de oorspronkelijke vergunning een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw was verleend, wordt dit gezien als nationale vergunning, en is er geen sprake van internationale bescherminsstatus zoals bedoeld in de Kwalificatierichtlijn.
Wanneer de oorspronkelijke vergunning een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, of er sprake is van een vergunning verleend voor invoering van de Vreemdelingenwet 2000, wordt per geval bepaald of deze aan te merken is als een vergunning die valt onder de Kwalificatierichtlijn.
5.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
4.3.4. Oorspronkelijke verblijfsverblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend is afgegeven op grond van artikel 29, tweede lid, Vw
Paragraaf C2/10.3.5 Vc is van overeenkomstige toepassing.
Geen bijzonderheden.
4.4.1. Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd waarop de internationale beschermingsstatus van toepassing is
De IND neemt in ieder geval aan dat op een vergunning voor onbepaalde tijd de Kwalificatierichtlijn van toepassing is als:
5.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND beoordeelt of er sprake is van verplaatsing hoofdverblijf overeenkomstig paragraaf C2/10.5 Vc.
De IND trekt de verblijfsvergunning alleen in op grond van verplaatsing hoofdverblijf:
4.4.2. Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd waarop de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing is
Paragraaf C2/10.5 Vc is van overeenkomstige toepassing.
4.5. De vreemdeling vormt een gevaar voor de nationale veiligheid (artikel 35, eerste lid, aanhef en onder d, Vw)
Paragraaf B1/4.4 Vc onder ‘nationale veiligheid’ is van overeenkomstige toepassing.
C6. Verdrag inzake de verantwoordelijkheid voor vluchtelingen
1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf, die gelden bij de toepassing van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb 1982, 24). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van deze overeenkomst.
2. Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen
Een staat die partij is bij de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb 1982, 24) kan Nederland informeren dat die staat de verantwoordelijkheid van de vluchtelingenstatus heeft overgenomen en de vreemdeling zich in die staat kan vestigen.
5.7. Vertrekmoratorium
7.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De Nederlandse ambassade:
7.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Als de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bezit, stelt de IND in het dossier zowel elektronisch als fysiek een aantekening dat de vreemdeling Verdragsvluchteling is.
6.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Het landgebonden asielbeleid bevat beleidsregels ten aanzien van het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend.
6.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
6.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De opbouw van de paragrafen van dit hoofdstuk wijkt af van de opbouw van de hoofdstukken C1 tot en met C6 Vc en is conform de volgorde van toetsing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zie ook paragraaf C1/4.1 Vc.
2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan
Geen bijzonderheden.
6.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
6.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
2.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
6.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
6.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
6.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/4.3 Vc
Geen bijzonderheden.
6.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
6.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
2.4.4. Individuele kenmerken
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Afghaanse vreemdeling, die aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor eerwraak of bloedwraak, als uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat een niet-gewelddadige oplossing onmogelijk is.
2.4.5. Alleenstaande vrouwen
Aan een alleenstaande vrouw uit Afghanistan verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
7.1. Besluitmoratorium
7. Het asielbeleid ten aanzien van Burundi
Voor Burundi geldt in ieder geval dat:
2.5.1. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt ten aanzien van Afghanistan een binnenlands beschermingsalternatief aan in Kaboel, Herat en Mazar-i-Sharif. De IND beoordeelt individueel of dit binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen.
7.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
2.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
8.1. Besluitmoratorium
Tot deze groep rekent de IND journalisten die actief zijn of na 2014 actief zijn geweest voor regeringskritische media.
7.7. Vertrekmoratorium
Tot deze groep rekent de IND journalisten die actief zijn of na 2014 actief zijn geweest voor regeringskritische media.
7.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
3. Het asielbeleid ten aanzien van Angola
Geen bijzonderheden.
7.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
7.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND beoordeelt ook anderszins of er aanleiding bestaat een journalist of blogger als politiek activist of dissident te beschouwen.
7.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval aan dat niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen voor de volgende groepen:
7.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval aan dat niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen voor de volgende groepen:
3.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
8.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Voor Burundi geldt in ieder geval dat:
7.7. Vertrekmoratorium
Voor Burundi geldt in ieder geval dat:
7.7. Vertrekmoratorium
3.5. Bescherming
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk maakt dat hij tot een of meerdere van deze groepen behoort.
8.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
8.1. Besluitmoratorium
3.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In Angola is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
3.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
3.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
4. Het asielbeleid ten aanzien van Armenië
4.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
4.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
4.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Tibetanen kunnen te maken hebben met repressie in China, als zij:
Geen bijzonderheden.
4.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
4.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
9.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
4.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
4.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
4.5. Bescherming
4.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
4.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
4.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
9.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
9.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND neemt voor Congo DRC een vestigingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:
10.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND neemt voor Congo DRC een vestigingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:
5.1. Besluitmoratorium
8.9. Hongkong
De IND houdt er bij de behandeling van individuele asielaanvragen van inwoners van Hongkong rekening mee dat verblijf in Hongkong geen belemmering vormt voor vervolging door de Chinese autoriteiten in Peking.
9. Het asielbeleid ten aanzien van Colombia
De IND neemt voor Congo DRC een vestigingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:
5.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
5.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Azerbeidzjan uitsluitend de volgende categorie vreemdelingen aan als risicogroep:
5.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
9.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
5.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
5.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
5.4.4. Bijzonderheden
10.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
In Congo DRC is uitsluitend sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in de provincies Noord- en Zuid-Kivu.
5.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/4.3 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
5.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
11.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanwege hun dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan.
10.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Voor Azerbeidzjan geldt in zijn algemeenheid dat:
9.7. Vertrekmoratorium
Voor Colombia geldt in ieder geval dat:
9.7. Vertrekmoratorium
5.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
6. Het asielbeleid ten aanzien van Bosnië en Herzegovina
Geen bijzonderheden.
10.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
6.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
10.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
10.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
6.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
In Congo DRC is uitsluitend sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in de provincies Noord- en Zuid-Kivu.
10.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
In Congo DRC is uitsluitend sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri.
10.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
6.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
6.5. Bescherming
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:
10.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
6.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
6.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In Bosnië en Herzegovina is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
6.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
6.8. Bijzonderheden
11.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:
7.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
11. Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Eritrese vreemdeling die:
Geen bijzonderheden.
11.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
11.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Tot deze groep rekent de IND journalisten die actief zijn of na 2014 actief zijn geweest voor regeringskritische media.
11.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
11.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
7.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
7.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
11.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
11.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
7.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
11.5. Bescherming
Ad b Er is onder andere sprake van een legale uitreis als iemand Eritrea met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum heeft verlaten. De enkele omstandigheid dat een legaal uitgereisde vreemdeling buiten Eritrea heeft verbleven is onvoldoende aanwijzing dat hij bij terugkeer wordt blootgesteld aan ernstige schade.
11.5. Bescherming
Ad b Er is onder andere sprake van een legale uitreis als iemand Eritrea met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum heeft verlaten. De enkele omstandigheid dat een legaal uitgereisde vreemdeling buiten Eritrea heeft verbleven is onvoldoende aanwijzing dat hij bij terugkeer wordt blootgesteld aan ernstige schade.
11.5. Bescherming
Voor Burundi geldt in ieder geval dat:
7.7. Vertrekmoratorium
11.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief in Eritrea aanwezig is voor:
Geen bijzonderheden.
8. Het asielbeleid ten aanzien van China
Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die legaal, met toestemming van de Eritrese autoriteiten, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Bij deze groep neemt de IND niet op voorhand aan dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van ernstige schade.
12. Het asielbeleid ten aanzien van Ethiopië
Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die legaal, met toestemming van de Eritrese autoriteiten, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Bij deze groep neemt de IND niet op voorhand aan dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van ernstige schade.
Ten aanzien van Oeigoeren geldt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan toepasbaarheid van artikel 1F. De IND gaat na of de vreemdeling een veiligheidsrisico vormt in verband met radicalisering of betrokkenheid bij een extremistische of terroristische organisatie.
8.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Ten aanzien van vreemdelingen die voorafgaand aan het vertrek hun normale woon- of verblijfplaats in Tigray hadden en vreemdelingen die behoren tot de groep etnisch Tigreeërs afkomstig uit overige gebieden in Ethiopië geldt niet langer een besluit in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw.
12.1. Besluitmoratorium
Ten aanzien van vreemdelingen die voorafgaand aan het vertrek hun normale woon- of verblijfplaats in Tigray hadden en vreemdelingen die behoren tot de groep etnisch Tigreeërs afkomstig uit overige gebieden in Ethiopië geldt niet langer een besluit in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw.
12.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
12.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De beoordeling of iemand als politiek activist dan wel dissident kan worden beschouwd, vindt plaats overeenkomstig de relevante algemene landeninformatie inzake China. Tot de groep rekent de IND ook journalisten en bloggers indien zij zich in hun publicaties als politiek activist of dissident uiten, bijvoorbeeld door het leveren van significante kritiek op de overheid en/of de Communistische Partij.
12.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
12.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
12.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
13. Het asielbeleid ten aanzien van Guinee
De IND merkt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet aan als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben.
8.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
12.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
12.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt voor Ethiopië uitsluitend de volgende groep aan als kwetsbare minderheidsgroep:
12.5. Bescherming
Deze afweging kan ertoe leiden dat de IND een beperkte indicatie aanneemt.
13.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
8.5. Bescherming
De IND neemt in het algemeen aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is voor vreemdelingen die behoren tot de groep etnisch Tigreeërs.
12.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Voor Ethiopië geldt in zijn algemeenheid dat:
13.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In Guinee is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
In China is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
8.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
8.8. Bijzonderheden
De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van met name Oeigoeren, de vraag of Turkije of een ander land als eerste land van asiel of veilig derde land kan worden aangemerkt zoals beschreven in C2/6.
8.9. Hongkong
13.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
9.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
9.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
13.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
9.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
9.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
13.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
9.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
9.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
9.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
13.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor de volgende categorieën aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:
9.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
In Guinee is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
De IND neemt aan dat in Colombia geen vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is.
Geen bijzonderheden.
13.8. Bijzonderheden
Voor Colombia geldt in ieder geval dat:
9.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
9.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
10. Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC (Democratische Republiek Congo)
10.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
10.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
10.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
10.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
10.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
10.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
10.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
In Congo DRC is uitsluitend sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri.
De IND merkt uitsluitend de volgende groepen uit Irak (met uitzondering van de Koerdistan Autonome Regio (KAR)) aan als kwetsbare minderheidsgroep:
Geen bijzonderheden.
10.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.
Aan een alleenstaande vrouw uit Irak verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
14.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.
De IND neemt voor Congo DRC geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.
14.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat het voor de vreemdeling afkomstig uit Irak (m.u.v. de KAR) in beginsel niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties in Irak (m.u.v. de KAR).
15.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Voor Congo DRC geldt in zijn algemeenheid dat:
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
De IND neemt aan dat, in beginsel, in ieder geval voor de volgende categorieën Iraakse asielzoekers die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen te hebben voor vervolging dan wel ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief in andere delen van Irak:
Geen bijzonderheden.
De IND werpt aan jezidi’s uit Irak de KAR niet als binnenlands beschermingsalternatief tegen, ook niet als de bovengenoemde aanknopingspunten aanwezig zijn.
Geen bijzonderheden.
11. Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea
11.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
15.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
De IND merkt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet aan als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben.
Geen bijzonderheden.
11.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
11.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
11.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
11.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
15.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
15.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
15.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
15.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
11.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:
11.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief
16.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Voor Iran geldt dat sprake is van opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.
16.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
17.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Voor Iran geldt dat sprake is van opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.
16.1. Besluitmoratorium
Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die legaal, met toestemming van de Eritrese autoriteiten, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Bij deze groep neemt de IND niet op voorhand aan dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van ernstige schade.
Geen bijzonderheden.
12.1. Besluitmoratorium
16.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
16.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
12.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
16.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
16.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
16.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
12.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
12.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt voor Ethiopië uitsluitend de volgende groep aan als kwetsbare minderheidsgroep:
12.5. Bescherming
12.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
12.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in het algemeen aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is voor vreemdelingen die behoren tot de groep etnisch Tigreeërs.
12.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
16.7. Vertrekmoratorium
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Ten aanzien van vreemdelingen die voorafgaand aan het vertrek hun normale woon-of verblijfplaats in Tigray hadden en vreemdelingen die behoren tot de groep etnisch Tigreeërs afkomstig uit overige gebieden in Ethiopië geldt niet langer een besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
13. Het asielbeleid ten aanzien van Guinee
Geen bijzonderheden.
17. Het asielbeleid ten aanzien van Jemen
Geen bijzonderheden.
17.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
13.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
17.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
In Jemen is sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw en paragraaf C2/3.3 Vc.
17.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
In Jemen is sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw en paragraaf C2/3.3 Vc.
Geen bijzonderheden.
17.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
17.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor asielzoekers afkomstig uit Jemen aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.
17.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
13.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
17.5. Bescherming
Voor Jemen geldt in ieder geval dat:
17.7. Vertrekmoratorium
17.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor asielzoekers uit Jemen, gezien de uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in het hele land, geen vlucht- en vestigingsalternatief aan.
17.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
18.1. Bescherming
13.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
14. Het asielbeleid ten aanzien van Irak
Geen bijzonderheden.
18. Het asielbeleid ten aanzien van Libanon: de situatie van Palestijnen
Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling zich elders in Libanon kan vestigen.
18.1.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
14.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
18.1.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:
19. Het asielbeleid ten aanzien van Libië
Politiek activisten, mensenrechtenactivisten en personen die actief zijn in de journalistiek en die daarbij significante kritiek leveren op de autoriteiten of op de aan de autoriteiten gelieerde milities.
14.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND verleent aan de volgende categorieën een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd:
Geen bijzonderheden.
14.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
14.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt uitsluitend de volgende groepen uit Irak (met uitzondering van de Koerdistan Autonome Regio (KAR)) aan als kwetsbare minderheidsgroep:
19.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
19.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt bij de beoordeling van de asielaanvraag de KAR niet aan als de gebruikelijke woon- of verblijfplaats voor jezidi’s als deze:
14.4.4. Alleenstaande vrouwen
Aan een alleenstaande vrouw uit Irak verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
19.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
19.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
14.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat het voor de vreemdeling afkomstig uit Irak (m.u.v. de KAR) in beginsel niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties in Irak (m.u.v. de KAR).
19.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.
De IND beoordeelt of sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich buiten het gebied van herkomst, bijvoorbeeld in de stad Bagdad of andere steden, kan vestigen.
19.5. Bescherming
19.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND werpt aan jezidi’s uit Irak de KAR niet als binnenlands beschermingsalternatief tegen, ook niet als de bovengenoemde aanknopingspunten aanwezig zijn.
14.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
19.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
14.7. Vertrekmoratorium
20.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
20.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
15.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
15.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
15.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
20.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
15.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Iran de volgende groepen aan als risicogroepen:
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
20.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
15.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Iran geldt dat sprake is van opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.
In een voorkomend geval kan – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Geen bijzonderheden.
16.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
16.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
16.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
16.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
16.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
21.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
22. Het asielbeleid ten aanzien van de Russische Federatie
Voor Nepal geldt in ieder geval dat:
21.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
22.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
22.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
22.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Voor Nigeria geldt in zijn algemeenheid dat:
22.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
17.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
17.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
22.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
17.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
23.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
17.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
17.5. Bescherming
Ook neemt de IND aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Nigeria kan vestigen:
De IND neemt voor asielzoekers afkomstig uit Jemen aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.
17.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor asielzoekers uit Jemen, gezien de uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in het hele land, geen vlucht- en vestigingsalternatief aan.
Ook neemt de IND aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Nigeria kan vestigen:
22.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Voor Jemen geldt in ieder geval dat:
Voor Nigeria geldt in zijn algemeenheid dat:
Geen bijzonderheden.
17.8. Bijzonderheden
23.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
18.1.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
23.3.1. Groepsvervolging in de zin van C2/3.2
Geen bijzonderheden.
23.3.2. Risicogroepen in de zin van C2/3.2
Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling zich elders in Libanon kan vestigen.
18.2. Terugkeer naar Libanon
De IND neemt voor niet-Libanese Palestijnen, die voorafgaand aan hun komst naar Nederland Libanon als land van gebruikelijke verblijfplaats hadden, aan dat zij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico op uitzetting lopen en beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden of een dergelijke uitzetting leidt tot (indirect) refoulement.
23.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Aanvraag
Geen bijzonderheden.
7.10. Openbare orde of nationale veiligheid
Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De IND beoordeelt of er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf als de vreemdeling een verdragsvluchteling is. De IND beoordeelt of er sprake is van een ernstig misdrijf indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt een reëel risico te lopen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. De IND beoordeelt ten aanzien van de aanspraken op artikel 29, tweede lid, Vw niet of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf.
7.10.2.2. Artikel 1F aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
De IND hanteert bij de beoordeling van het tijdsverloop de verjaringstermijnen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc. Na afloop van die termijnen wordt een eenmalig gepleegd delict niet meer tegengeworpen.
7.10.2.7. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND betrekt het voorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen bij de beoordeling als, en voor zover er (mede) sprake is van:
7.10.2. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag
De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Hierbij beoordeelt de IND, op basis van door het Openbaar Ministerie verstrekte informatie, welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft.
8. Buiten behandeling stellen
De IND past voorgaande beleidsregels ook toe bij de minderjarige vreemdeling waarbij het volwassenenstrafrecht is toegepast. Hierbij wegen de individuele omstandigheden zwaar mee.
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling).
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
Er kan sprake zijn van een ernstig misdrijf indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
10. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De ernst van een misdrijf wordt bepaald door:
7.10.2.2. Artikel 1F aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
Ad 3
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd
Het gegeven dat een bepaalde praktijk in het land van herkomst of in het land waar de handeling is gepleegd als zodanig niet strafbaar is, sluit niet uit dat deze handeling volgens internationale standaarden wel gekwalificeerd dient te worden als een ernstig, niet-politiek misdrijf.
7.10.2.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het niet reageren op nadere (schriftelijke) vragen.
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen
Er is in ieder geval sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:
11. Rechtsmiddelen
10.3. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid
Wanneer de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:
Het voornemen geldt als een tweede verzoek om informatie als bedoeld in artikel 3.45b, eerste lid, VV. De IND behandelt de aanvraag conform de in artikel 3.118b Vb beschreven procedure, indien de vreemdeling in de zienswijze zijn aanvraag alsnog van de gevraagde informatie voorziet. De aanvraag is compleet indien aan de aanwijzingen in het model M35-0 is voldaan.
1. Inleiding
Voor de bepalingen over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verwezen naar artikel 3.105, eerste lid, Vb.
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd
Tevens beoordeelt de IND of er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving.
10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken
11. Rechtsmiddelen
Het voornemen geldt als een tweede verzoek om informatie als bedoeld in artikel 3.45b, eerste lid, VV. De IND behandelt de aanvraag conform de in artikel 3.118b Vb beschreven procedure, indien de vreemdeling in de zienswijze zijn aanvraag alsnog van de gevraagde informatie voorziet. De aanvraag is compleet indien aan de aanwijzingen in het model M35-0 is voldaan.
Bij het beoordelen van de toerekenbaarheid betrekt de IND of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het niet verschijnen of zonder toestemming (tijdelijk) vertrekken.
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met vijf jaar, tenzij zich één van de gronden van artikel 32 Vw voordoet, van de vreemdeling die vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad op basis van artikel 8, onder c, Vw, maar niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning asiel voor bepaalde tijd met vijf jaar geldt tevens als de aanvraag van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd buiten behandeling wordt gesteld vanwege het niet voldoen van het legesbedrag.
2. Besluitmoratorium
De vreemdeling van wie de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, is ingetrokken of geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet is verlengd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, wordt Nederland niet uitgezet, indien de vreemdeling in zijn land nog steeds een risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid aanhef en onder b Vw.
Ook de belangen van het kind worden, als van toepassing, meegewogen. Als individuele belangen worden aangevoerd, die niet onder bovengenoemde punten vallen, worden deze ook meegewogen.
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd
In deze gevallen is er geen discretionaire bevoegdheid om af te wijken van het beleid. De belangen van de vreemdeling worden in het kader van 8 EVRM getoetst bij de ambtshalve toets, en kunnen ertoe leiden dat hoewel de asielvergunning wordt ingetrokken, er een 8 EVRM vergunning zal worden verleend. Voor vergunningen die zijn verleend op grond van artikel 29, tweede lid, Vw danwel oudere vergunningen verleend op grond van artikel 29, eerste lid, die niet te herleiden zijn tot de Kwalificatierichtlijn, zal de evenredigheidstoets onverkort gelden.
10.1.2. Intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND laat de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dan wel de intrekking daarvan achterwege als de IND oordeelt dat er op het moment van verlening van de oorspronkelijke verblijfsvergunning asiel sprake was van:
2. Tijdelijke bescherming
De IND beoordeelt of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, kan worden ingetrokken als de vreemdeling uit Nederland is vertrokken. De IND gaat daarbij uit van het vervallen van de verleningsgrond:
1. Inleiding
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, als de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de intrekking of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in zijn land een risico loopt op vervolging of ernstige schade.
C3. Moratoria
De IND beoordeelt bij een intrekking of niet-verlenging op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, Vw op het moment van de herbeoordeling, of de vreemdeling op grond van alle beschikbare en geloofwaardige elementen en bevindingen op grond van artikel 29, eerste lid, Vw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
10.2.2. 1F
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel met terugwerkende kracht in tot aan de pleegdatum van het misdrijf, dat aanleiding geeft tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1. Inleiding
Er kan sprake zijn van een terugkeerbeletsel, als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan afwijst wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De IND beoordeelt altijd of sprake is van een situatie waarbij de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst:
3. Vertrekmoratorium
2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Ook beoordeelt de IND of er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving.
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf, die gelden bij de toepassing van richtlijn 2001/55 (tijdelijke bescherming). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 1, onder n, Vw, artikel 1, onder o, Vw, artikel 45, lid 6, Vw en artikel 3.1a, Vb.
2. Tijdelijke bescherming
Als de individuele beslistermijn eindigt, moet de IND een besluit nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar de stand van zaken op het moment van het nemen van de beslissing, ook als het algemeen afgekondigde besluitmoratorium op dat moment nog van kracht is.
10.4.1. Algemeen
De vreemdeling valt niet onder de werking van het vertrekmoratorium als de vreemdeling aantoonbaar uit Nederland is vertrokken na de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
C7. Landgebonden beleid
De Raad van de EU kan op grond van richtlijn 2001/55 besluiten een nader omschreven groep vreemdelingen voor een bepaalde periode tijdelijke bescherming te verlenen. De IND biedt een vreemdeling die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, in Nederland de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. De vreemdeling van wie de opvang op grond van de meeromvattende beschikking is beëindigd hoeft geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen, als de vreemdeling zich op het moment waarop tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55 wordt ingesteld nog in Nederland bevindt.
2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan
Als de vreemdeling zich bij de IND meldt, voordat het besluit tot beëindiging in rechte is komen vast te staan, beziet de IND of er aanleiding bestaat om het al uitgebrachte besluit te heroverwegen.
2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling uit Nederland is vertrokken. als:
2.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND laat in dat geval niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw achterwege.
10.4.6. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening
1. Inleiding
Als de IND constateert dat in het land van herkomst een doeltreffend systeem voor opsporing, vervolging en bestraffing van daders van als traumatiserend aangemerkte gebeurtenissen aanwezig is, kan dit aanleiding geven voor de conclusie dat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening is komen te vervallen.
Overgangsrecht
10.5.1. Algemeen
C7. Landgebonden beleid
De IND beoordeelt of er sprake is van verplaatsing hoofdverblijf overeenkomstig paragraaf C2/10.5 Vc.
De IND trekt de afgeleide verblijfsvergunning in beginsel in met terugwerkende kracht tot aan de vastgestelde datum, waarop de huwelijks- of gezinsband is verbroken.
2. Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen
De Nederlandse ambassade:
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Als de afgeleide verblijfsvergunning voor 1 januari 2014 is verleend en de huwelijks- of gezinsband is verbroken, dan wijst de IND op grond van artikel 3.106, vierde lid, Vb een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel om die reden niet af.
11. Rechtsmiddelen
3.5. Bescherming
De IND staat de vreemdeling toe een verzoek om een voorlopige voorziening, dat connex is aan een rechtsmiddel dat is gericht tegen een overdrachtsbesluit in de zin van Verordening (EU) nr. 604/2013, in Nederland af te wachten, tenzij:
2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan
Indien hiervan sprake is, geldt één van de volgende aanvullende voorwaarden:
2.4.4. Individuele kenmerken
In het navolgende zullen de laatste vier organen worden aangeduid als ‘de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties’.
2.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De vreemdeling kan (gedwongen) worden uitgezet als het EHRM geen voorlopige maatregel treft.
2.5.1. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
7.7. Opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard
7.8. Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld
Hieronder valt ook de vreemdeling die zich pas meldt na het verlopen van een visum. ‘Gezien de omstandigheden bij binnenkomst’ zoals volgt in artikel 30b, eerste lid, onder h, Vw, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan.
De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:
7.10.2. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag
Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, zie paragraaf B1/4.4 Vc.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling, die aan alle volgende voorwaarden voldoet:
De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling. Hierbij beoordeelt de IND, op basis van door het Openbaar Ministerie verstrekte informatie, welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft.
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap of nationale veiligheid als bedoeld in artikel 3.105, aanhef en onder c, Vb:
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
Paragraaf B1/4.4 Vc ten aanzien van verjaring van misdrijven is hier van overeenkomstige toepassing.
10. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Het door de vreemdeling gepleegde misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken
Ad 4
7.11. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde
Een aantal aspecten van de strafprocedure (of de uitkomst ervan) kunnen een rol kan spelen bij het toepassen van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag:
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De volgende handelingen zijn in ieder geval in strijd met de doelstellingen en beginselen van de VN:
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen
De IND neemt geen ‘knowing participation’ aan voor misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, indien de vreemdeling tijdens het plegen van de misdrijven nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt.
7.11. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde
De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De IND werpt de contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet tegen aan een gezinslid, indien de feitelijke gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk verbroken is. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan indien blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen op enige wijze gebruik blijft maken van de voorzieningen van het gezinslid.
10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken
Als de IND de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan afwijst, beoordeelt de IND op grond van artikel 3.6a Vb ambtshalve, of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de in dit artikel genoemde beperkingen (zie verder paragraaf C1/4.5 Vc onder het kopje ambtshalve toets). Als er een zwaar inreisverbod is opgelegd, laat de IND – overeenkomstig paragraaf C1/4.5 Vc – de ambtshalve toets op grond van artikel 3.6a Vb achterwege, behoudens de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM (artikel 3.6a, eerste lid onder a, Vb).
3. Vertrekmoratorium
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen
1. Inleiding
De vreemdeling kan een aanvraag indienen tot het vervangen of vernieuwen van het verblijfsdocument waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt om redenen als genoemd in artikel 4.22 Vb. De vreemdeling dient de aanvraag in bij een door de IND opgegeven postadres dat de IND via zijn website of het aanvraagformulier kenbaar maakt. De IND maakt op zijn website of op het aanvraagformulier eveneens kenbaar op welke wijze de vreemdeling de leges moet betalen. De vreemdeling dient de aanvraag in met het vereiste aanvraagformulier, dat bij de IND verkrijgbaar is.
C3. Moratoria
Artikel 3.86 , eerste tot en met twaalfde en zeventiende lid, Vb alsmede [artikel 3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87) en [B1/6.2.2 Vc](onbekend) zijn van overeenkomstige toepassing.
Als er enkel belangen zijn aangedragen die aan 8 EVRM raken, kan de asielvergunning wel ingetrokken worden, maar zal gelijktijdig een 8 EVRM vergunning worden verleend, conform de ambtshalve toets uit par. C2/10.1.5 Vc.
10.4. De grond voor verlening is komen te vervallen
De IND herbeoordeelt de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als er signalen zijn dat zich mogelijk een intrekkingsgrond (zie paragrafen C2/10.2 e.v.) Vc voordoet. De intrekkingsprocedure kan de volgende onderdelen bevatten:
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd
Als de IND de afwijzing van de verlenging dan wel de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van de ex tunc toets achterwege laat, betekent dat het einde van de herbeoordeling. De IND informeert de vreemdeling dan per brief dat:
10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken
Voor zover er door het vertrek uit Nederland niet op voorhand duidelijk is dat een intrekkingsgrond zich voordoet, stelt de IND de vreemdeling eerst in de gelegenheid informatie te verstrekken over zijn verblijfplaats en of hij nog bescherming behoeft. De IND stuurt hiertoe een brief naar het laatst bekende adres en stelt de vreemdeling daarbij in de gelegenheid te reageren binnen een uiterste termijn van tenminste twee weken.
11. Rechtsmiddelen
In alle overige gevallen verricht de IND geen ex tunc toets. Dit geldt voor verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd die zijn verleend op grond van artikel 29, eerste en tweede lid, Vw.
10.2.1.2. Ex nunc toets
Als artikel 1F Vluchtelingenverdrag na verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog van toepassing blijkt te zijn, dan geldt het gestelde in paragraaf C2/7.10.2 Vc in samenhang met hetgeen hierboven in C2/10.2 Vc is neergelegd.
10.3. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid (artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw)
De IND staat de vreemdeling toe een verzoek om een voorlopige voorziening, dat connex is aan een rechtsmiddel dat is gericht tegen een overdrachtsbesluit in de zin van Verordening (EU) nr. 604/2013, in Nederland af te wachten, tenzij:
4. Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
De vreemdeling kan (gedwongen) worden uitgezet als het EHRM geen voorlopige maatregel treft.
3. Vertrekmoratorium
10.3.5. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, Vw (afgeleide verblijfsvergunning voor nareizende gezinsleden)
De IND kan de afgeleide verblijfsvergunning voor nareizende gezinsleden intrekken of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur afwijzen als er sprake is van een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Daarbij is niet van belang of de verblijfsvergunning:
Voor de invulling van de ex nunc toets wordt verwezen naar paragraaf C2/10.3.1.2 Vc.
10.3.7. Gevaar voor de nationale veiligheid
De IND trekt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in met terugwerkende kracht tot aan het moment dat de grond voor verlening is komen te vervallen.
10.4.1.1. Ex tunc toets
De IND verstaat onder ‘dwingende redenen’ als bedoeld in artikel 3.37g VV twee hieronder genoemde voorwaarden:
C4. Tijdelijke bescherming
Voor personen in het bezit van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, tweede lid, Vw, zal terugkeer naar het land van herkomst geen gevolgen hebben voor de verleende verblijfsvergunning.
10.4.3.1. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw
De IND laat in dat geval niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw achterwege.
10.4.5. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a of b, Vw, als de vreemdeling uit Nederland is vertrokken
Als de IND op basis van de verstrekte informatie oordeelt, dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken kan worden, dan brengt de IND een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning uit, conform paragraaf C1/2.12 Vc. De IND trekt de verblijfsvergunning in op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, als:
2.4.4. Individuele kenmerken
10.4.7. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening
Als de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die verleend is op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw, dan trekt de IND de verblijfsvergunning in met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van het wijzigingsbesluit waarmee het categoriaal beschermingsbeleid is beëindigd.
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in met terugwerkende kracht tot aan de datum waarop de verplaatsing van het hoofdverblijf uit Nederland kan worden vastgesteld. Deze intrekkingsgrond past de IND niet toe als de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet te herleiden is tot de internationale beschermingsstatus en dus niet te herleiden is tot de Kwalificatierichtlijn.
2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan
2.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Paragraaf C2/10.5 Vc is van overeenkomstige toepassing.
Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen wordt verwezen naar paragraaf C2/4.1 Vc.
2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Als de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bezit, stelt de IND in het dossier zowel elektronisch als fysiek een aantekening dat de vreemdeling Verdragsvluchteling is.
2.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
2.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
2.5.1. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Als het verzoek om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling wordt gehonoreerd door de Nederlandse Staat, vindt ten aanzien van de eventuele vreemdelingenbewaring een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:
Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 43, artikel 45, vierde en vijfde lid, artikel 71, artikel 79, tweede lid en artikel 82, tweede lid, Vw.
2. Besluitmoratorium
De IND kan ondanks het besluitmoratorium in ieder geval een beslissing nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de volgende situaties:
3.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De vreemdeling heeft in ieder geval geen recht op opvang en andere voorzieningen als artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, Vw, of artikel 30b, eerste lid, onder j, Vw, van toepassing is.
4.5. Bescherming
4.7. Vertrekmoratorium
De IND moet beoordelen of de vreemdeling onder Richtlijn 2001/55 valt en moet de voor die beoordeling noodzakelijke gegevens registreren. De IND verlengt de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de duur van de tijdelijke bescherming.
3.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen, die gelden:
3.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
3.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldt als ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd de dag dat de vreemdeling aan alle voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd voldoet. De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als:
Geen bijzonderheden.
3.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
4.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De vreemdeling kan een aanvraag indienen tot het vervangen of vernieuwen van het verblijfsdocument waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt om redenen als genoemd in artikel 4.22 Vb. De vreemdeling dient de aanvraag in bij een door de IND opgegeven postadres dat de IND via zijn website of het aanvraagformulier kenbaar maakt. De IND maakt op zijn website of op het aanvraagformulier eveneens kenbaar op welke wijze de vreemdeling de leges moet betalen. De vreemdeling dient de aanvraag in met het vereiste aanvraagformulier, dat bij de IND verkrijgbaar is.
3. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
Geen bijzonderheden.
4.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
5.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
5.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
In Armenië is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
4.7. Vertrekmoratorium
4.2. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid (artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, Vw)
Geen bijzonderheden.
Voor Azerbeidzjan geldt in ieder geval dat:
5.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/4.3 Vc
6.1. Besluitmoratorium
Voor de verdere toetsing is paragraaf C2/10.3.6 Vc van overeenkomstige toepassing.
De IND merkt voor Azerbeidzjan uitsluitend de volgende categorie vreemdelingen aan als risicogroep:
5.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
4.4. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd (artikel 35, eerste lid, aanhef en onder c, Vw)
Geen bijzonderheden.
5.4.4. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval aan dat een vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is in het hoofdgebied van Azerbeidzjan:
5.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND zendt de beschikking in drievoud naar de Nederlandse ambassade in de Staat die de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling overneemt.
5.7. Vertrekmoratorium
1. Landgebonden asielbeleid algemeen
Een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land wordt betrokken bij het asielbeleid ten aanzien van dat land.
Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid in de hoofdstukken C1 tot en met C6 Vc en betreft geen uitzonderingsregeling.
6.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
2.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
In Bosnië en Herzegovina is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
6.7. Vertrekmoratorium
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.
2.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
7.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Tot deze groep rekent de IND vertegenwoordigers van NGO’s of andere organisaties die vanwege de significante rol die deze personen spelen in het maatschappelijk middenveld door de autoriteiten worden gezien als tegenstanders van de regering.
3.1. Besluitmoratorium
3.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
3.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
3.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
8.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND merkt voor China de volgende groepen aan als risicogroep:
8.5. Bescherming
8.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In China is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
Geen bijzonderheden.
9.1. Besluitmoratorium
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk heeft gemaakt dat hij illegaal China is uitgereisd.
8.5. Bescherming
In Armenië is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
4.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
5.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
9.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
5.5. Bescherming
De IND neemt in ieder geval aan dat een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is in het hoofdgebied van Azerbeidzjan:
5.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Geen bijzonderheden.
9.8. Bijzonderheden
10.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
6.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
10.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:
10.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
7. Het asielbeleid ten aanzien van Burundi
7.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
7.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
Tot deze groep rekent de IND vertegenwoordigers van NGO’s of andere organisaties die vanwege de significante rol die deze personen spelen in het maatschappelijk middenveld door de autoriteiten worden gezien als tegenstanders van de regering.
7.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
7.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND neemt in ieder geval aan dat niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen voor de volgende groepen:
7.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
7.8. Bijzonderheden
11.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In Eritrea is een adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
12. Het asielbeleid ten aanzien van Ethiopië
Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die legaal, met toestemming van de Eritrese autoriteiten, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Bij deze groep neemt de IND niet op voorhand aan dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van ernstige schade.
Ad b en c.
12.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk maakt dat hij tot een of meerdere van deze groepen behoort.
8.3.4. Oeigoeren afkomstig uit China
Geen bijzonderheden.
8.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
8.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
13.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
De IND houdt er bij de behandeling van individuele asielaanvragen van inwoners van Hongkong rekening mee dat verblijf in Hongkong geen belemmering vormt voor vervolging door de Chinese autoriteiten in Peking.
9. Het asielbeleid ten aanzien van Colombia
Geen bijzonderheden.
9.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
9.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
9.5. Bescherming
9.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
De IND merkt Iraakse LHBT’s aan als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.
14.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Politiek activisten, mensenrechtenactivisten en personen die actief zijn in de journalistiek en die daarbij significante kritiek leveren op de autoriteiten of op de aan de autoriteiten gelieerde milities.
14.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
14.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
10.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Deze afweging kan ertoe leiden dat de IND een beperkte indicatie aanneemt.
10.5. Bescherming
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:
14.5. Bescherming
De IND neemt voor Congo DRC een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:
15.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Irak geldt in zijn algemeenheid dat:
15.1. Besluitmoratorium
11.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
11.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
11.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
11.4.4. Dienstplichtigen en deserteurs
Ad b Er is onder andere sprake van een legale uitreis als iemand Eritrea met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum heeft verlaten. De enkele omstandigheid dat een legaal uitgereisde vreemdeling buiten Eritrea heeft verbleven is onvoldoende aanwijzing dat hij bij terugkeer wordt blootgesteld aan ernstige schade.
11.5. Bescherming
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief in Eritrea aanwezig is voor:
11.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
12. Het asielbeleid ten aanzien van Ethiopië
Geen bijzonderheden.
Ten aanzien van vreemdelingen die voorafgaand aan het vertrek hun normale woon- of verblijfplaats in Tigray hadden en vreemdelingen die behoren tot de groep etnisch Tigreeërs afkomstig uit overige gebieden in Ethiopië geldt niet langer een besluit in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw.
12.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
12.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Ethiopië uitsluitend de volgende groepen aan als risicogroep:
In Jemen is sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw en paragraaf C2/3.3 Vc.
16.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
16.5. Bescherming
Voor Ethiopië geldt in zijn algemeenheid dat:
16.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
12.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
13.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
13.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND neemt voor asielzoekers afkomstig uit Jemen aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.
13.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Het vorenstaande geldt niet als bij de beoordeling van de asielaanvraag door de IND blijkt dat op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Guinee kan vestigen.
13.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Geen bijzonderheden.
18.1. Bescherming
De IND merkt Iraakse LHBT’s aan als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.
14.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
19. Het asielbeleid ten aanzien van Libië
Geen bijzonderheden.
Deze afweging kan ertoe leiden dat de IND een beperkte indicatie aanneemt.
19.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.
14.5. Bescherming
19.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat, in beginsel, in ieder geval voor de volgende categorieën Iraakse asielzoekers die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen te hebben voor vervolging dan wel ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief in andere delen van Irak:
De IND neemt aan dat een vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt te vrezen te hebben voor vervolging dan wel ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw geen binnenlands beschermingsalternatief heeft in de KAR, tenzij er sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich in de KAR kan vestigen. De IND neemt in ieder geval aan dat de volgende aanknopingspunten de toepassing van een binnenlands beschermingsalternatief in de KAR kunnen rechtvaardigen:
19.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
14.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
20.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
15.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
15.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
20.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
16.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
16.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
16.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
16.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
21.8. Bijzonderheden
Voor Ivoorkust geldt in ieder geval dat:
17.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
22.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
22.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
22.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.
22.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
17.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
17.7. Vertrekmoratorium
De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
Geen bijzonderheden.
18. Het asielbeleid ten aanzien van Libanon: de situatie van Palestijnen
18.1. Bescherming
Geen bijzonderheden.
19.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Aanvraag
Geen bijzonderheden.
Als de vreemdeling een verschoonbare reden heeft, dan nodigt de IND de vreemdeling opnieuw uit voor een intrekkingsgehoor. De IND merkt de volgende omstandigheden in beginsel niet aan als verschoonbare redenen voor het niet verschijnen:
4.3. Documenten
Onder gestelde gebeurtenissen worden ook de ‘veronderstellingen’ van de vreemdeling verstaan. Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer zal overkomen, betrekt de IND de volgende aspecten:
4.4.2. Bewijslast voor de geloofwaardigheid
2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Als meerderjarigheid niet kan worden aangetoond, houdt de IND de door de vreemdeling opgegeven geboortedatum aan. De IND kan tussen 12 en 24 maanden na de datum waarop het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden opnieuw een leeftijdsonderzoek laten verrichten. In het kader van een herhaald leeftijdsonderzoek laat de IND onderzoeken of aangetoond kan worden dat de vreemdeling op de datum van indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meerder- of minderjarig was.
Als uit het leeftijdsonderzoek blijkt dat de vreemdeling minstens 20 jaar oud is, kent de IND de vreemdeling op basis van het onderzoeksresultaat een geboortedatum toe als:
4.7. Hervestigingscriteria
5.1. Een ander land is verantwoordelijk (artikel 30, eerste lid sub a Vw)
Als wel sprake is van nieuwe elementen en bevindingen, onderzoekt de IND in de tweede fase of deze nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Maken de nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming niet aanzienlijk groter, dan kan de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard.
Gegevensdragers die elementen of bevindingen onderbouwen die de vreemdeling in het kader van een eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingebracht, kunnen nieuwe elementen of bevindingen die de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken vormen. Bij de toets of de nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken, betrekt de IND de redenen voor de afwijzing van de vorige aanvra(a)g(en) en beoordeelt deze redenen in onderlinge samenhang met de nieuwe elementen en bevindingen. Deze gezamenlijke afweging leidt dan tot een conclusie of deze nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken.
De IND wijst een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval niet af als niet-ontvankelijk in de volgende situaties:
3.1. Algemeen
4.7. Hervestigingscriteria
6.1. Er is geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is aangewezen als een risicogroep, kan indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing op de vreemdeling, die behoort tot een risicogroep.
Artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag geeft aan welke vreemdeling ‘vluchteling’ is. Het aanmerken als vluchteling is niet afhankelijk van een beoordeling door een individuele staat. Het Vluchtelingenverdrag kent geen verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen is wel geregeld in [artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) in combinatie met [artikel 3.105c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.105c).
Het Vluchtelingenverdrag is niet van toepassing op personen, zoals beschreven in de artikelen 1D tot en met 1F van het Vluchtelingenverdrag, verder de ‘uitsluitingsgronden’. De IND verleent aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als één van deze uitsluitingsgronden zich voordoet.
Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de staatloze Palestijnse vreemdeling die onder het mandaat valt van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA).
6.2. De specifieke afwijzingsgronden
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
De IND verleent de vreemdeling die voldoet aan artikel 3.37b VV, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze vreemdeling wordt aangeduid als ‘refugié sur place’.
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval mee dat:
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
De IND verleent met inachtneming van artikel 3.36 VV een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn seksuele gerichtheid, in ieder geval als sprake is van ten minste één van de volgende situaties:
6.2.5. Land van eerder verblijf
De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen bij terugkeer naar zijn land van herkomst vanwege deze uitingen of handelingen die een voortvloeisel zijn van een fundamentele politieke overtuiging voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging.
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
Bij de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:
4. Nationale bescherming
De IND beoordeelt de bescherming van de vreemdeling in de zin van artikel 3.37c,VV en artikel 3.37d, VV nadat is vastgesteld dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw. De IND beoordeelt de vraag of deze bescherming van de vreemdeling mogelijk is, op het moment waarop het besluit op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt genomen.
In beide uitzonderingssituaties constateert de IND dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst mogelijk is.
4. Nationale bescherming
De IND betrekt bij de beoordeling of de autoriteiten in het land van herkomst in staat of bereid zijn effectieve bescherming te bieden in ieder geval:
De IND gebruikt de term vluchtalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
4.1.2. Bewijsmiddelen
6. Niet-ontvankelijk
Naast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied.
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
5. Niet in behandeling nemen
De wettelijke termijn van drie maanden, die in artikel 29, tweede lid, Vw wordt genoemd, gaat in op de dag na die waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de referent bekend is gemaakt.
6.4. Opvolgende aanvraag zonder nieuwe elementen of bevindingen
De IND wijst een verzoek van een minderjarige om nareis van zijn ouders af, als de minderjarige zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd. In dat geval heeft de IND in een eerdere procedure vastgesteld dat deze minderjarige feitelijk tot een ander gezin behoort. Daarmee valt deze ook niet onder de zorg en verantwoordelijkheid van degenen, voor wie de minderjarige om nareis verzoekt.
De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw als:
6.3. Veilig derde land
6.4. Opvolgende aanvraag zonder nieuwe elementen of bevindingen
Bij het indienen van de aanvraag dient elke nareiziger van 12 jaar en ouder een ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring over te leggen.
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw ambtshalve of op aanvraag.
De IND start het onderzoek naar gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling op het moment dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
6. Niet-ontvankelijk
7.1. Aangelegenheden die niet ter zake doen
Indien het ontbreken van officiële documenten niet aan de vreemdeling toe te rekenen is en de vreemdeling substantiële indicatieve documenten overlegt die voor de IND dusdanig overtuigend zijn dat de identiteit en/of familierechtelijke relatie op basis hiervan alsnog aangenomen kan worden, zal nader onderzoek in beginsel niet nodig zijn.
7.3. Misleiden omtrent identiteit of nationaliteit en/of informatie achterhouden
6. Niet-ontvankelijk
Van schrijnende omstandigheden is in ieder geval geen sprake als het minderjarige kind duurzaam wordt opgevangen in een ander gezin of bij familie.
Wanneer het verblijfsdocument van de vreemdeling verlopen is, wil dat niet zeggen dat de vreemdeling geen bescherming meer geniet in de betreffende EU-lidstaat. In dat geval moet worden nagegaan of de bescherming nog steeds van toepassing is.
In deze paragraaf wordt gesproken over ‘verzoek om internationale bescherming’, omdat Verordening (EU) nr. 604/2013 deze terminologie gebruikt (zie artikel 2, onder b, Verordening (EU) nr. 604/2013).
7.4. Waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument vernietigd of zich daarvan ontdaan
7.4. Waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument vernietigd of zich daarvan ontdaan
Waar mogelijk zet de IND DNA-onderzoek in om de gezins- of familieband vast te stellen. De IND stelt de gezins- of familieband vast met behulp van identificerende vragen, indien DNA-onderzoek niet kan plaatsvinden omdat er geen afstammingsrelatie is.
De IND gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval in de volgende situaties:
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
7.6. Uitzetting of overdracht uitstellen of verijdelen
6. Niet-ontvankelijk
De IND neemt aan dat de vreemdeling opnieuw wordt toegelaten tot het bedoelde derde land in ieder geval in de volgende situaties:
Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND weegt mee of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. De IND kan de presumptie van veilig derde land niet handhaven wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende derde land in zijn specifieke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. In dat geval beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
7.10.2. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag
De IND neemt in ieder geval aan dat een derde land niet als veilig kan worden aangemerkt wanneer voor dat land een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw van toepassing is.
De IND verklaart een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw indien er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land.
6.4. Opvolgende aanvraag zonder nieuwe elementen of bevindingen
Met ‘nieuwe elementen of bevindingen’ wordt hetzelfde bedoeld als ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’ zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb.
7.4. Waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument vernietigd of zich daarvan ontdaan
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
7. Gegrond, ongegrond en kennelijk ongegrond
De IND verklaart niet zondermeer een aanvraag kennelijk ongegrond wanneer identiteits- of reisdocumenten (toerekenbaar) ontbreken. Er moet sprake zijn van een zekere ‘opzettelijkheid’.
Onder aangelegenheden die niet ter zake doen verstaat de IND alle aangelegenheden die geen betrekking hebben op voor de beoordeling van het asielverzoek relevante informatie. Deze aangelegenheden raken niet aan Vluchtelingschap of artikel 3 EVRM.
7.7. Opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard
De IND neemt in ieder geval aan dat een land van herkomst niet als veilig kan worden aangemerkt wanneer op dat land een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw van toepassing is.
De IND kan ‘misdrijven tegen de vrede’ in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land.
Van misleiden is in ieder geval sprake indien:
7.10.2.2. Artikel 1F aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
De IND verklaart niet zonder meer een aanvraag kennelijk ongegrond wanneer identiteits- of nationaliteitsdocumenten (toerekenbaar) ontbreken. Er moet sprake zijn van een zekere ‘opzettelijkheid’.
7.9. Weigeren vingerafdrukken
Een vreemdeling werkt in de volgende gevallen onvoldoende mee aan het onderzoek in het kader van de beoordeling van zijn asielaanvraag:
7.10. Openbare orde of nationale veiligheid
Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van dwang, dan is er geen sprake van te kwader trouw handelen.
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn.
7.5. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen
De IND verstaat de bepaling in artikel 30b, eerste lid, onder e, Vw als volgt:
7.11. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde
7.6. Uitzetting of overdracht uitstellen of verijdelen
7.10.2.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Een vreemdeling werkt in de volgende gevallen onvoldoende mee aan het onderzoek in het kader van de beoordeling van zijn asielaanvraag:
7.10.2.1. Artikel 1F aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag
De IND kan ‘misdrijven tegen de vrede’ in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land.
De volgende misdrijven moeten op grond van het bovenstaande in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F, onder b van het Vluchtelingenverdrag:
10.2. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid
Het is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke elementen – al dan niet in samenhang – relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling.
7.11. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde
Bij geweldsmisdrijven kijkt de IND naar de mate van geweld dat toegepast is (of het geweld en/of schade, die het gevolg was van de gedraging), de geweldsmethoden die zijn gebruikt en het gebruik van dodelijke wapens. Misdrijven zonder geweldscomponent, zoals economische misdrijven of handel in drugs, kunnen eveneens onder de reikwijdte van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag vallen. Het is niet relevant of het misdrijf is gepleegd in het herkomstland of een land buiten het land van toevlucht.
7.10.2.7. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Misdrijven die op grond van vorenstaande doorgaans als ‘ernstig’ kunnen worden aangemerkt zijn (niet-limitatief) moord, verkrachting, brandstichting, het plegen van een gewapende overval, en andere vergrijpen die vergezeld gaan van dodelijke wapens en/of ernstige verwonding van personen.
7.10.2.7. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).
Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was en als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen:
8. Buiten behandeling stellen
De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, indien zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
10.1. Inleiding
Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het niet reageren op nadere (schriftelijke) vragen.
10.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd
11. Rechtsmiddelen
In artikel 3.108d Vb en paragraaf C1/2.1 is de aanmeldfase beschreven. Onderdeel van de aanmeldfase is het aanmeldgehoor, waarin onder meer gevraagd kan worden naar de identiteit, nationaliteit, etniciteit, religie, herkomst, reisroute, documenten, eventueel verblijf in lidstaten van de Europese Unie of derde landen, en de personalia en verblijfplaats van familieleden. Dit betreffen elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
11. Rechtsmiddelen
1. Inleiding
Van belang is dat er beoordeeld wordt of de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. Hierbij wordt bekeken wat het belang van de Staat is om te handhaven en om de verblijfsvergunning in te trekken, dan wel niet te verlengen tegenover het belang van de vreemdeling om hier rechtmatig verblijf te behouden, dan wel voort te zetten. Omdat het intrekken van het verblijfsrecht vergaande gevolgen heeft voor de vreemdeling moet de evenredigheid van dit besluit op voorhand getoetst te worden. In deze toets wordt, onder meer, meegewogen:
In dat geval is sprake van een imperatieve intrekkingsgrond, als intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid Vw, plaatsvindt op grond van:
10.6. De huwelijks- of gezinsband is verbroken
Als de vreemdeling op het moment van herbeoordeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, dan kan de IND een intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan achterwege laten.
De IND legt echter geen terugkeerbesluit op, op het moment dat de IND uitstel van vertrek verleent op grond van de medische situatie. In dat geval legt de IND pas een terugkeerbesluit op, op het moment dat:
11. Rechtsmiddelen
Als de IND constateert dat in het land van herkomst een doeltreffend systeem voor opsporing, vervolging en bestraffing van daders van als traumatiserend aangemerkte gebeurtenissen aanwezig is, kan dit aanleiding geven voor de conclusie dat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening is komen te vervallen.
C5. De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
De IND staat de vreemdeling toe een verzoek om een voorlopige voorziening, dat connex is aan een rechtsmiddel dat is gericht tegen een overdrachtsbesluit in de zin van Verordening (EU) nr. 604/2013, in Nederland af te wachten, tenzij:
10.2.1. Algemeen
In paragraaf C2/10.1.3 Vc is uitgelegd wat onder de ex nunc toetst verstaan wordt.
3. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
In het navolgende zullen de laatste vier organen worden aangeduid als ‘de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties’.
Ook beoordeelt de IND of er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving.
10.3.4. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw
C4. Tijdelijke bescherming
Zie voor de verdere invulling van de ex nunc toets paragraaf C2/10.3.1.2 Vc.
Paragraaf B1/4.4 Vc onder ‘nationale veiligheid’ is van overeenkomstige toepassing.
10.4.2. Wijziging in de algemene situatie in het land van herkomst
De IND geeft in het landgebonden asielbeleid van hoofdstuk C7 Vc aan of een wijziging in de algemene situatie in (een deel van) een bepaald land een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft zoals bedoeld in artikel 3.37g VV.
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, in onder toepassing van artikel 1C Vluchtelingenverdrag, als een vreemdeling een paspoort van zijn land van herkomst aanvraagt en verkrijgt.
1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen, die gelden:
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND neemt aan dat door het niet (tijdig) indienen van een dergelijke aanvraag de vreemdeling niet langer internationale bescherming nodig heeft en dat de grondslag voor verlening is komen te vervallen. Als hier sprake van is brengt de IND een voornemen tot beëindiging van de beschermingsstatus uit. De IND stuurt het voornemen naar het laatst bekende adres. Als er sprake is van een buitenlands adres geldt hetgeen neergelegd in paragraaf C1/3.1.7 Vc. Als de vreemdeling niet op het voornemen reageert, beëindigt de IND de beschermingsstatus op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.
De IND beoordeelt of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, kan worden ingetrokken als de vreemdeling uit Nederland is vertrokken. De IND gaat daarbij uit van het vervallen van de verleningsgrond, als:
Als de vreemdeling in het bezit van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw zijn hoofdverblijf verplaatst, beoordeelt de IND in het kader van de intrekkingsgrond ‘vervallen verleningsgrond’, zie paragraaf C2/10.4.5 Vc, of dit leidt tot intrekking van de verleende vergunning.
10.5.1.1. Ex tunc toets
10.6.1. Algemeen
De IND kan de afgeleide verblijfsvergunning die is afgegeven op grond van artikel 29, tweede lid, Vw intrekken of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur afwijzen, als de huwelijks- of gezinsband is verbroken als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder e, Vw in samenhang met artikel 3.106 Vb.
Bij het verbreken van de huwelijks- of gezinsband trekt de IND de verblijfsvergunning in ieder geval niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur in ieder geval niet af als:
2.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die gelden bij toepassing van:
Artikel 43 Vw geeft het wettelijk kader met betrekking tot het instellen van een besluitmoratorium voor bepaalde categorieën vreemdelingen. De Staatssecretaris publiceert het besluit tot instelling van een besluitmoratorium in de Staatscourant.
3.1. Besluitmoratorium
Voor vreemdelingen die onder een geldend besluitmoratorium vallen, worden in beginsel geen inhoudelijke besluiten genomen.
2.5. Bescherming
De IND verstrekt een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ aan de vreemdeling.
3.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat:
1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf, die gelden bij de toepassing van richtlijn 2001/55 (tijdelijke bescherming). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 1, onder n, Vw, artikel 1, onder o, Vw, artikel 45, lid 6, Vw en artikel 3.1a, Vb.
2. Tijdelijke bescherming
3.1. Besluitmoratorium
C5. De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
Geen bijzonderheden.
2.1. Indiening aanvraag
De vreemdeling moet de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indienen voor de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afloopt. Als de vreemdeling na afloop van geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd geen aanvraag heeft ingediend, start de IND een procedure tot intrekking van de beschermingsstatus. Zie hiervoor de paragrafen C1/3, C2/10.1 en C2/10.4 Vc.
Hierop maakt de IND een uitzondering als de vreemdeling op het moment van indienen van de aanvraag vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, Vw.
4.1. Besluitmoratorium
5.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/4.3 Vc
Bovenstaande beleidsregels gelden ook voor kinderen uit gemengde huwelijken of duurzame relaties. Als het kind verblijft in een gescheiden gezin, toetst de IND de situatie van het kind aan de hand van de bevolkingsgroep van de ouder, bij wie het kind verblijft.
4.5. Bescherming
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet af op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw, als de oorspronkelijke verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder c of d, Vw, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening, omdat de wettelijke grondslag van die vergunningen is vervallen.
5. Het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan
Indien de afgeleide verblijfsvergunning voor 1 januari 2014 is verleend en de feitelijke gezinsband is verbroken, wordt een aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet om die reden afgewezen.
In Armenië is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
4.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
4.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
5.1. Besluitmoratorium
Als er meerdere intrekkingsgronden van toepassing zijn, trekt de IND de verblijfsvergunning in per datum van de intrekkingsgrond, die chronologisch het verst teruggrijpt in het verblijfsrecht. Uitzondering hierop is dat als het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid één van de intrekkingsgronden is, dan vermeldt de IND die intrekkingsgrond subsidiair in het besluit (zie ook paragraaf C2/10.3, C5/4.3 Vc en C5/4.5 Vc).
4.1.3. De ex tunc toets
Bij het intrekken van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd toetst de IND niet of er op het moment van verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook een of meerdere andere grond(en) voor verlening als bedoeld in artikel 29, Vw van toepassing waren.
Geen bijzonderheden.
5.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder c, Vb beoordeelt de IND wel ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
5.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
5.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND beoordeelt of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd waarop de internationale beschermingsstatus van toepassing is kan worden ingetrokken op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.
Geen bijzonderheden.
5.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/4.3 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
6.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND:
5.8. Bijzonderheden
De IND stelt deze vreemdeling in de gelegenheid een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling eindigt.
C7. Landgebonden beleid
7. Het asielbeleid ten aanzien van Burundi
In Bosnië en Herzegovina is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
2.1. Besluitmoratorium
Ten aanzien van Afghaanse vreemdelingen is sinds 26 augustus 2021 een besluitmoratorium in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw van toepassing.
De IND neemt in de regel ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/7.10.1 Vc aan:
Groepsvervolging wordt aangenomen voor tolken die hebben gewerkt voor internationale militaire- of politiemissies in Afghanistan.
2.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Afghanistan uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicogroep:
2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
2.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
2.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt uitsluitend de volgende categorieën aan als kwetsbare minderheidsgroep:
Geen bijzonderheden.
6.8. Bijzonderheden
Bij de beoordeling of een vrouw in Afghanistan als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:
7.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND neemt in ieder geval aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in deze steden aanwezig is voor de volgende categorieën:
2.7. Vertrekmoratorium
Ten aanzien van Afghaanse vreemdelingen is sinds 26 augustus 2021 een vertrekmoratorium in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw van toepassing.
2.8. Bijzonderheden
De hoofdregel is dat een enkele in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl niet tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming kan leiden. Aanpassing aan de gebruiken van Afghanistan mag worden verlangd. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk:
Geen bijzonderheden.
3.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
3.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
3.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
3.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Ad b en c.
Geen bijzonderheden.
3.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
3.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
8.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND neemt aan dat in Colombia geen vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is.
9.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Ad b en c.
De beoordeling of iemand als politiek activist dan wel dissident kan worden beschouwd, vindt plaats overeenkomstig de relevante algemene landeninformatie inzake China. Tot de groep rekent de IND ook journalisten en bloggers indien zij zich in hun publicaties als politiek activist of dissident uiten, bijvoorbeeld door het leveren van significante kritiek op de overheid en/of de Communistische Partij.
8.9. Hongkong
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk maakt dat hij tot een of meerdere van deze groepen behoort.
4.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
8.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
4.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
9.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
9.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
4.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
5. Het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan
De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van met name Oeigoeren, de vraag of Turkije of een ander land als eerste land van asiel of veilig derde land kan worden aangemerkt zoals beschreven in C2/6.
Geen bijzonderheden.
5.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
9.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
9.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
10. Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC (Democratische Republiek Congo)
Geen bijzonderheden.
9.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
9.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
5.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
6.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
6.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
6.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
6.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
6.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
6.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/4.3 Vc
Geen bijzonderheden.
11.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Eritrese vreemdeling die:
12.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Voor Congo DRC geldt in zijn algemeenheid dat:
Geen bijzonderheden.
10.8. Bijzonderheden
Tot deze groep rekent de IND vertegenwoordigers van oppositiepartijen en andere personen die een significante rol spelen in een van de oppositiepartijen.
Geen bijzonderheden.
11.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
7.5. Bescherming
Ad b Er is onder andere sprake van een legale uitreis als iemand Eritrea met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum heeft verlaten. De enkele omstandigheid dat een legaal uitgereisde vreemdeling buiten Eritrea heeft verbleven is onvoldoende aanwijzing dat hij bij terugkeer wordt blootgesteld aan ernstige schade.
7.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B8/6 Vc.
11.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:
De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
8.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor China de volgende groepen aan als risicogroep:
De IND beoordeelt ook anderszins of er aanleiding bestaat een journalist of blogger als politiek activist of dissident te beschouwen.
8.3.3. Tibetanen die te maken kunnen hebben met repressie
Tibetanen kunnen te maken hebben met repressie in China, als zij:
8.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
8.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
8.4.4. Vreemdelingen die illegaal China zijn uitgereisd
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk heeft gemaakt dat hij illegaal China is uitgereisd.
Geen bijzonderheden.
8.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
8.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
13.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
13.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
13.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
13.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
13.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
13.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
Het vorenstaande geldt niet als bij de beoordeling van de asielaanvraag door de IND blijkt dat op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Guinee kan vestigen.
13.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
13.7. Vertrekmoratorium
14.1. Besluitmoratorium
Ten aanzien van Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw.
14.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in de regel in ieder geval ten aanzien van de volgende categorieën ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/7.10.1 Vc aan:
De IND merkt Iraakse LHBT’s aan als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.
14.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Irak de volgende categorie vreemdelingen aan als risicogroep:
14.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt uitsluitend de volgende groepen uit Irak (met uitzondering van de Koerdistan Autonome Regio (KAR)) aan als kwetsbare minderheidsgroep:
14.4.4. Alleenstaande vrouwen
14.5. Bescherming
10.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
10.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
10.7. Vertrekmoratorium
14.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
15.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
15.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij:
11.4.5. Illegale en legale uitreis
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Eritrese vreemdeling die:
15.5. Bescherming
Voor Iran geldt dat sprake is van opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.
11.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
11.8. Bijzonderheden
Gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Eritrea zal niet plaatsvinden. De IND neemt aan dat bij gedwongen terugkeer, zowel na legale als na illegale uitreis, een reëel risico op ernstige schade aanwezig is.
15.7. Vertrekmoratorium
12.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
12.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
16.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
16.7. Vertrekmoratorium
Voor Ivoorkust geldt in ieder geval dat:
17.1. Besluitmoratorium
17.1. Besluitmoratorium
13.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
13.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
13.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
13.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
13.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
13.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor de volgende categorieën aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:
13.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
14.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
14.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND neemt in de regel in ieder geval ten aanzien van de volgende categorieën ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/7.10.1 Vc aan:
14.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND merkt voor Irak de volgende categorie vreemdelingen aan als risicogroep:
18.2. Terugkeer naar Libanon
De IND neemt voor niet-Libanese Palestijnen, die voorafgaand aan hun komst naar Nederland Libanon als land van gebruikelijke verblijfplaats hadden, aan dat zij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico op uitzetting lopen en beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden of een dergelijke uitzetting leidt tot (indirect) refoulement.
14.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
19.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
19.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND weegt bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vrees het volgende mee:
Geen bijzonderheden.
20. Het asielbeleid ten aanzien van Mongolië
Bij de beoordeling of een vrouw in Irak als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:
19.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND neemt aan dat het mogelijk is voor vreemdelingen afkomstig uit de Koerdische Autonome Regio (KAR) de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.
14.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Voor Libië geldt in zijn algemeenheid dat:
De IND merkt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet aan als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben.
15. Het asielbeleid ten aanzien van Iran
Geen bijzonderheden.
20. Het asielbeleid ten aanzien van Mongolië
In Mongolië is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
20.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
15.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
15.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
15.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
20.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
21.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
21.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
16.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
17. Het asielbeleid ten aanzien van Jemen
17.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
In Jemen is sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw en paragraaf C2/3.3 Vc.
17.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND neemt aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:
17.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan verkrijgen.
23.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
19.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
19.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND neemt in ieder geval aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten te verkrijgen voor:
23.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat geen vlucht- of vestigingsalternatief in Pakistan aanwezig is voor de volgende categorieën:
Bijlage
Aanvraag
Voor Pakistan geldt in ieder geval dat:
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
5.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
7.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
8.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
14.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
10.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
14.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
10.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
In Eritrea is een adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
Geen bijzonderheden.
12.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
16.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Voor Ivoorkust geldt in ieder geval dat:
In Guinee is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan verkrijgen.
Geen bijzonderheden.
19.8. Bijzonderheden
Voor Irak geldt in zijn algemeenheid dat:
20. Het asielbeleid ten aanzien van Mongolië
20.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
21.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
21.1. Besluitmoratorium
15.8. Bijzonderheden
16.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
16.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND merkt voor Nigeria uitsluitend de volgende groep aan als risicogroep:
17.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
17.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
22.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
24.1. Besluitmoratorium
23.5. Bescherming
18.1.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:
23.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van C2/3.3
Geen bijzonderheden.
23.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
23.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
19.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
19.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Libië uitsluitend de volgende risicogroepen aan:
25.1. Besluitmoratorium
Bijlage
Aanvraag
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
20.8. Bijzonderheden
21. Het asielbeleid ten aanzien van Nepal
15.7. Vertrekmoratorium
21.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND verleent aan de volgende categorieën een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd:
23.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Ten aanzien van Gaddafi-loyalisten geldt dat de IND in ieder geval als stammen, waarvan bekend is dat zij loyaal waren aan het bewind van Gaddafi, beschouwt:
19.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
23.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
23.7. Vertrekmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers met de Oekraïense nationaliteit is een vertrekmoratorium in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw van toepassing.
23.8. Bijzonderheden
De aanwijzing van veilig land van herkomst is opgeschort.
Bijlage
Aanvraag
Geen bijzonderheden.
16. Het asielbeleid ten aanzien van Ivoorkust
16.1. Besluitmoratorium
21.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
22.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
19.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
19.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
19.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.
19.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Libië aanwezig is voor vreemdelingen behorend tot de in dit hoofdstuk genoemde risicogroepen, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.
19.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Libië geldt in zijn algemeenheid dat:
24.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
24.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor de Russische Federatie de volgende groepen aan als risicogroep:
Geen bijzonderheden.
20. Het asielbeleid ten aanzien van Mongolië
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
20.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
De IND werpt ten aanzien van LHBT’s terughoudend een binnenlands beschermingsalternatief tegen. De IND neemt aan dat er voor LHBT’s uitsluitend een binnenlands beschermingsalternatief is indien wordt voldaan aan alle voorwaarden zoals neergelegd in C2/3.4 Vc en uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij langere tijd zonder problemen elders in de Russische Federatie heeft verbleven en daar ook thans een goed sociaal netwerk heeft. Aan LHBT’s die afkomstig zijn uit Tsjetsjenië, zal in beginsel geen binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen.
24.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
20.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND werpt ten aanzien van LHBT’s terughoudend een binnenlands beschermingsalternatief tegen. De IND neemt aan dat er voor LHBT’s uitsluitend een binnenlands beschermingsalternatief is indien wordt voldaan aan alle voorwaarden zoals neergelegd in C2/3.4 Vc en uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij langere tijd zonder problemen elders in de Russische Federatie heeft verbleven en daar ook thans een goed sociaal netwerk heeft. Aan LHBT’s die afkomstig zijn uit Tsjetsjenië, zal in beginsel geen binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen.
20.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
20.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
20.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
20.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
25. Het asielbeleid ten aanzien van Sierra Leone
De IND verwacht niet van een minderjarige vrouwelijke vreemdeling dat zij zich elders in Sierra Leone vestigt, als zij hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij zij zich eerder aan genitale verminking heeft kunnen onttrekken.
Bijlage
Aanvraag
In Mongolië is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
Bijlage
Aanvraag
2.5. Eerste- en nader gehoor
De vreemdeling geeft in persoon bij de ambtenaar belast met de grensbewaking te kennen dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen. De ambtenaar belast met de grensbewaking registreert dit verzoek binnen de termijnen als bedoeld in artikel 3.107b Vb.
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, terwijl de aanvraag niet binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid, Vw kan worden afgedaan, stelt de bevoegde ambtenaar van de IND of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, zijnde de hulpofficier van justitie, de vreemdeling aansluitend in bewaring op grond van artikel 59b, Vw. Hiervan is in ieder geval sprake indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd mogelijk met toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden afgewezen (zie paragraaf A5/6.3 Vc).
2.9. De procedure bij een tweede of volgende aanvraag
De IND maakt de beschikking bekend door uitreiking aan de vreemdeling of door toezending aan gemachtigde (zie artikel 3.109c, twaalfde lid, Vb).
2.7. De procedure voor vreemdelingen afkomstig uit een veilig land van herkomst, EU-onderdanen of vreemdelingen die reeds internationale bescherming genieten
De vreemdeling kan eventuele correcties en aanvullingen op het rapport van gehoor in de zin van artikel 3.109ca, vierde lid Vb de dag na het gehoor dan wel gelijktijdig met zijn zienswijze op het voornemen tot afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen.
In artikel 3.109, zesde lid, Vb is bepaald dat geen rust- en voorbereidingstermijn wordt gegeven indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59b Vw. Dit betekent dat de vreemdeling geen medisch onderzoek wordt aangeboden. De IND kan er voor kiezen om toch een medisch onderzoek aan te bieden, bijvoorbeeld wanneer uit het aanmeldgehoor of andere feiten of omstandigheden blijkt dat sprake is van dusdanige (medische) problematiek dat de IND een medisch advies noodzakelijk acht voordat het nader gehoor wordt afgenomen. Verder geldt dat, zoals ook in paragraaf C1/2.2 Vc is opgenomen, de voorbereiding door een rechtsbijstandverlener plaatsvindt op een passend moment voorafgaand aan het nader gehoor.
De in paragraaf C1/2.3 Vc opgenomen beleidsregels (Verlenging van de algemene asielprocedure voorafgaand aan de start van het onderzoek) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de aanvraag binnen de in artikel 59b, tweede lid, Vw genoemde termijn moet worden afgedaan.
De IND beschouwt als talen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan in ieder geval:
C2. De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
2.13. Het geven van de beschikking
De IND neemt bij een alleenstaande minderjarige vreemdeling vanaf zes jaar een nader gehoor af. Dit gebeurt zo veel mogelijk in aanwezigheid van de voogd.
De IND hoort alleenstaande minderjarige vreemdelingen jonger dan twaalf jaar in een speciale daarvoor ingerichte, kindvriendelijke ruimte. Als uit een pedagogisch of psychologisch onderzoek blijkt dat een vreemdeling jonger dan twaalf jaar problemen heeft die een nader gehoor belemmeren, zoekt de IND naar een wijze waarop het nader gehoor kan worden afgenomen, dan wel naar een andere passende oplossing.
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
4.1. Volgorde van toetsing
Als de vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit en de aanvraag niet in de algemene asielprocedure wordt behandeld, overhandigt de IND het rapport van nader gehoor tegelijkertijd met het voornemen aan de vreemdeling. De reactietermijn op het rapport van nader gehoor is dan gelijk aan de reactietermijn op het voornemen, te weten twee weken. Paragraaf C1/2.10 Vc is van toepassing op een verzoek om uitstel voor het indienen van een reactie op het rapport van nader gehoor.
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
4.4.5. Leeftijdsonderzoek
3.1. Algemeen
3. Internationale bescherming
1. Inleiding
C2. De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
5.2. De vreemdeling is al in procedure (artikel 30, eerste lid sub c Vw)
5. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (imperatief)
3.2. Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap
6.2.1. Zonder geldige reden niet beschikbaar gehouden
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
6.2.1. Zonder geldige reden niet beschikbaar gehouden
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
6.2.5. Land van eerder verblijf
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
Indien de IND heeft vastgesteld dat er in zijn algemeenheid geen bescherming mogelijk is maar uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat de autoriteiten in zijn geval wel bescherming hebben geboden of bereid waren deze te bieden, dan kan dit worden tegengeworpen aan de vreemdeling.
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
6. Niet-ontvankelijk
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
5. Niet in behandeling nemen
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
7.9. Weigeren vingerafdrukken
6.4. Opvolgende aanvraag zonder nieuwe elementen of bevindingen
7.7. Opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard
7.7. Opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
7. Gegrond, ongegrond en kennelijk ongegrond
7.10.1. Openbare orde als afwijzingsgrond
7.10.2.1. Artikel 1F aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag
In de volgende gevallen is wel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten, maar niet zonder meer van ‘misleiden’ door documenten achter te houden:
De IND verklaart niet zondermeer een aanvraag kennelijk ongegrond wanneer identiteits- of reisdocumenten (toerekenbaar) ontbreken. Er moet sprake zijn van een zekere ‘opzettelijkheid’.
7.10.1. Openbare orde als afwijzingsgrond
De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:
Indien de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleent de IND krachtens artikel 3.6b, onder a, Vb ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder e, VV. De verblijfsvergunning wordt in dat geval voor maximaal een jaar verleend en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd (artikel 3.58, eerste lid onder q, Vb).
Indien de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleent de IND krachtens artikel 3.6b, onder a, Vb ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder e, VV. De verblijfsvergunning wordt in dat geval voor maximaal een jaar verleend en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd (artikel 3.58, eerste lid onder q, Vb).
Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken, geldt voor alle gezinsleden de datum van eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van het hier langst verblijvende gezinslid als aanvang van de termijn. De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen telt hiervoor niet mee.
De IND neemt aan dat de vreemdeling die geconfronteerd is met een dergelijke wandaad zich in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst als de daders van de wandaad ongestraft blijven in het land van herkomst. De IND beoordeelt hiertoe naar de huidige situatie of daders van de wandaad in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst.
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, niet in, indien de vreemdeling met bewijsmiddelen onderbouwt dat artikel 1C Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is.
Indien hiervan sprake is, geldt één van de volgende aanvullende voorwaarden:
Als de IND een intrekkingsprocedure start, omdat de grond voor verlening is komen te vervallen volgt er een ex tunc toets. In paragraaf C2/10.1.2 Vc is uitgelegd wat onder de ex tunc toets verstaan wordt. De IND verricht geen ex tunc toets als de grond voor verlening van de verblijfsvergunning asiel is komen te vervallen, omdat de vreemdeling vrijwillig is teruggekeerd naar het land van herkomst.
De IND neemt aan dat de vreemdeling die geconfronteerd is met een dergelijke wandaad, zich in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst als de daders van de wandaad ongestraft blijven in het land van herkomst. De IND beoordeelt naar de huidige situatie of daders van de wandaad in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst.
De IND verwijst de vreemdeling naar het aanmeldcentrum voor het indienen van een nieuwe (opvolgende) asielaanvraag (zie paragraaf C1/4.6 Vc omtrent een verzoek tot heroverweging), als de vreemdeling:
De IND merkt voor Afghanistan uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicogroep:
Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan in ieder geval blijken uit de volgende situaties:
Dan geldt het recht zoals dat gold voor deze datum.
Zie paragraaf C2/10 Vc met betrekking tot de verlenging van de geldigheidsduur, als de vreemdeling niet aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb voldoet.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
5.5. Bescherming
Een vreemdeling die een beroep doet op de Overeenkomst en nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel of regulier, kan een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of regulier voor bepaalde tijd indienen op de wijze als bedoeld in paragrafen C1 en B1/3.3 Vc. De IND stelt de ambassade in Nederland van de staat waar de vreemdeling heeft verbleven op de hoogte van het overnemen van verantwoordelijkheid over de vreemdeling als de IND de vreemdeling in het bezit stelt van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of regulier voor bepaalde tijd.
Geen bijzonderheden.
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Geen bijzonderheden.
14.7. Vertrekmoratorium
15.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
15.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
21.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
16.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Bijlage
Vervallen
5.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat:
Ten aanzien van Oeigoeren geldt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan toepasbaarheid van artikel 1F. De IND gaat na of de vreemdeling een veiligheidsrisico vormt in verband met radicalisering of betrokkenheid bij een extremistische of terroristische organisatie.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
De IND neemt voor Congo DRC geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.
7.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND merkt voor Burundi uitsluitend de volgende groepen als risicogroep aan:
11.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
De IND neemt aan dat geen vlucht- of vestigingsalternatief bestaat voor:
8.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
8.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Ten aanzien van Oeigoeren uit China geldt dat er rekening gehouden dient te worden met verscherpte aandacht van de Chinese autoriteiten voor Oeigoeren, met name indien zij een asielaanvraag in het buitenland hebben ingediend. Het bestaan van een dergelijk risico kan leiden tot de vaststelling dat betrokkene een verdragsvluchteling is, en daarmee tot verlening van de vluchtelingenstatus. In dergelijke gevallen verleent de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw behoudens de onder C7/8.2 en C7/8.8 genoemde contra-indicaties.
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
9.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
15. Het asielbeleid ten aanzien van Iran
12.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
13.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan verkrijgen.
15.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
21.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
21.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
16.7. Vertrekmoratorium
Bijlage
Vervallen
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
1. Inleiding
5.1. Een ander land is verantwoordelijk (artikel 30, eerste lid sub a Vw)
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
6.2.2. Niet onverwijld gemeld
6.2.3. Toerekenbaar geen of onvoldoende documenten overgelegd
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
6.2.8. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
5. Niet in behandeling nemen
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
6.3. Veilig derde land
4.1.2. Bewijsmiddelen
Het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden zal alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden. Bij de vaststelling wat in het belang van de minderjarige vreemdeling is, houdt de IND rekening met de in artikel 6, derde lid, Verordening (EU) nr. 604/2013 genoemde factoren. Indien het samenbrengen van de gezins- of familieleden in de andere lidstaat niet in het belang van de minderjarige vreemdeling is, zal de IND het verzoek om internationale bescherming behandelen.
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
7.10.1. Openbare orde als afwijzingsgrond
7.1. Aangelegenheden die niet ter zake doen
7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
7.6. Uitzetting of overdracht uitstellen of verijdelen
De IND kan een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, Vw, als het land voorkomt op een lijst van landen die als bijlage bij het VV is opgenomen.
9. Nadere bepalingen over de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Het gegeven dat een bepaalde praktijk in het land van herkomst of in het land waar de handeling is gepleegd als zodanig niet strafbaar is, sluit niet uit dat deze handeling volgens internationale standaarden wel gekwalificeerd dient te worden als een ernstig, niet-politiek misdrijf.
Zie paragraaf C1/2.3 Vc onder de kopjes beschikbaarheid tijdens de asielprocedure en het niet nakomen van de aanwijzing.
10. Intrekking en verlenging de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
C3. Moratoria
10.4.8. Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw
De IND concludeert dat de grond voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, Vw is komen te vervallen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, als de verblijfsvergunning asiel van de referent wordt of is ingetrokken. Hierbij past de IND de bepaling van artikel 3.106, eerste lid, Vb overeenkomstig toe.
Als het EHRM een voorlopige maatregel (interim measure) treft op grond van Regel (Rule) 39 van het procesreglement van het EHRM en de Nederlandse Staat verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling op te schorten, mag de vreemdeling gedurende de periode dat de voorlopige maatregel van kracht is niet worden uitgezet. Een voorlopige maatregel van het EHRM wordt gelijk gesteld met een door de nationale rechter toegewezen voorlopige voorziening en levert in beginsel rechtmatig verblijf op als bedoeld in artikel 8 onder h, Vw.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.
Als de vreemdeling de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indient tussen de zes maanden en vier weken voor afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dan bepaalt de IND de aanvraagdatum op vier weken voor afloop van deze verblijfsvergunning.
2.2. Ingangsdatum verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
Als zich op het moment dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verloopt een grond voordoet als bedoeld in artikel 32 Vw, handelt de IND conform paragraaf C2/10 Vc.
5.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
3.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
3.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
11.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
15.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Bijlage
Vervallen
3.2.2. Ingangsdatum verblijfsvergunning asiel bij niet tijdige aanvraag
4.7. Hervestigingscriteria
4.7. Hervestigingscriteria
5.1. Een ander land is verantwoordelijk (artikel 30, eerste lid sub a Vw)
2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
6.2.2. Niet onverwijld gemeld
6.2.3. Toerekenbaar geen of onvoldoende documenten overgelegd
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
6.2.8. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
6. Niet-ontvankelijk
6. Niet-ontvankelijk
6.3. Veilig derde land
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
7.5. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
6.3. Veilig derde land
7.10.2.2. Artikel 1F aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
7.10.2.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
7.10.2.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vreemdeling die heeft aangetoond een risico te lopen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, kan door de IND worden afgewezen, indien de vreemdeling veroordeeld is voor een ‘ernstig misdrijf’.
Bij omvang van de schade wordt onder meer meegewogen of sprake is van:
Als is vastgesteld dat sprake is van een ernstig, niet-politiek misdrijf, dan is een verdere evenredigheidstoetsing of toetsing aan proportionaliteit, die impliceert dat de ernst van de gestelde daden nogmaals wordt beoordeelt, niet verplicht (zie ook C2/7.10.2.5. Vc).
De IND trekt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, Vw met terugwerkende kracht in tot aan de ingangsdatum van de verblijfsvergunning.
Als het mensenrechtenverdragsorgaan van de Verenigde Naties als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning aan de vreemdeling:
5.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/4.3 Vc
Voor Libië geldt in zijn algemeenheid dat:
Bijlage
Vervallen
2.9. De procedure bij een tweede of volgende aanvraag
2.8.1. De procedure bij voorzienbare inwilliging
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
2.8.2. Bijzondere vervolgprocedure
2.11. Eerste- en nader gehoor
2.12. Voornemenprocedure
3.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
4.4. De geloofwaardigheid
2.12. Voornemenprocedure
4. Beoordelen van de asielaanvraag
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
4.3. Documenten
4.4.5. Leeftijdsonderzoek
3.1. Algemeen
4. Nationale bescherming
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
5.2. De vreemdeling is al in procedure (artikel 30, eerste lid sub c Vw)
6. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (facultatief)
6.2. De specifieke afwijzingsgronden
6.2. De specifieke afwijzingsgronden
6.2.2. Niet onverwijld gemeld
6.2.5. Land van eerder verblijf
6.2.6. Verblijfsalternatief
6.2.6. Verblijfsalternatief
6. Niet-ontvankelijk
6. Niet-ontvankelijk
5. Niet in behandeling nemen
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
5. Niet in behandeling nemen
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
7.1. Aangelegenheden die niet ter zake doen
6. Niet-ontvankelijk
6.4. Opvolgende aanvraag zonder nieuwe elementen of bevindingen
7.10.2.1. Artikel 1F aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag
7.3. Misleiden omtrent identiteit of nationaliteit en/of informatie achterhouden
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
C2. De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
4. Nationale bescherming
4. Nationale bescherming
6.2.7. Openbare orde of nationale veiligheid
6. Niet-ontvankelijk
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
5. Niet in behandeling nemen
6.3. Veilig derde land
6.3. Veilig derde land
6. Niet-ontvankelijk
6. Niet-ontvankelijk
6.5. Reeds in bezit van verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw
7.4. Waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument vernietigd of zich daarvan ontdaan
23. Het asielbeleid ten aanzien van Pakistan
Bijlage
Vervallen
2.11. Eerste- en nader gehoor
2.8.2. Bijzondere vervolgprocedure
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
3.5. Leeftijdsonderzoek
3.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
2.11. Het (nader) gehoor
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
2.12. Voornemenprocedure
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
4.4.3. De zwaarwegendheid
4.4.5. Leeftijdsonderzoek
3. Internationale bescherming
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
6.2.2. Niet onverwijld gemeld
6.2.4. Veilig land van herkomst en veilig derde land
6.2.5. Land van eerder verblijf
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
4.1.2. Bewijsmiddelen
6.3. Veilig derde land
6. Niet-ontvankelijk
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
De IND kan besluiten de eerdere processtappen van de algemene asielprocedure opnieuw uit te voeren, als de vreemdeling zijn verklaringen op essentiële onderdelen wijzigt of aanvult.
2.4. De verlengde asielprocedure
2.5. De Grensprocedure
2.8. Bijzondere procedure bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
2.9. De procedure bij een tweede of volgende aanvraag
3. Beoordelen van de asielaanvraag
2.10. Voornemenprocedure
2.8.1. De procedure bij voorzienbare inwilliging
2.11. Eerste- en nader gehoor
2.12. Voornemenprocedure
3.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
4. Beoordelen van de asielaanvraag
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
4.1. Volgorde van toetsing
4.1. Volgorde van toetsing
2.13. Het geven van de beschikking
4.4.1. De beoordeling van de geloofwaardigheid
3. Internationale bescherming
6.1. Er is geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
5. Niet in behandeling nemen
5. Niet in behandeling nemen
6.3. Veilig derde land
6.2.8.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
4. Nationale bescherming
6. Niet-ontvankelijk
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
4.1.2. Bewijsmiddelen
7.4. Waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument vernietigd of zich daarvan ontdaan
7.10.2.3. Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag
7.2. Veilig land van herkomst
Bijlage
Vervallen
23.1. Besluitmoratorium
Bijlage
Vervallen
Bijlage
Vervallen
Bijlage
Vervallen
De IND kan in een individueel geval een van de andere aanmeldcentra of een andere locatie, niet zijnde een aanmeldcentrum, aanwijzen. De vreemdeling dient de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd conform artikel 3.108c Vb zo snel mogelijk in nadat hij op de in artikel 3.108 Vb voorgeschreven wijze kenbaar heeft gemaakt deze aanvraag te willen indienen en de AVIM/KMar de handelingen in het kader van de vaststelling van de identiteit en nationaliteit heeft verricht.
2.2. De rust- en voorbereidingstermijn
De IND kan de vreemdeling een leeftijdsonderzoek aanbieden als uit de leeftijdsschouw niet blijkt dat de vreemdeling evident meerderjarig- of minderjarig is. Zie paragraaf C1/2.2 Vc.
2.3. De algemene asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.5. De Grensprocedure
2.7. De procedure bij een tweede of volgende aanvraag
2.8.2. Bijzondere vervolgprocedure
2.8. Bijzondere procedure bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
2.11. Het geven van de beschikking
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
2.13. Het geven van de beschikking
2.13. Het geven van de beschikking
4.4.3. De zwaarwegendheid
2.13. Het geven van de beschikking
4.2. Verstrekken onjuiste gegevens/fraude
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
4.4. De geloofwaardigheid
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.4.3. De zwaarwegendheid
4.4.3. De zwaarwegendheid
3.2.3. Verlopen verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd
4.3. Documenten
4.4. De geloofwaardigheid
4.4.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
4. Nationale bescherming
6. Niet-ontvankelijk
6.3. Veilig derde land
5. Niet in behandeling nemen
7.3. Misleiden omtrent identiteit of nationaliteit en/of informatie achterhouden
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
24.1. Besluitmoratorium
24.3.1. Groepsvervolging in de zin van C2/3.2
Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
19.8. Bijzonderheden
24.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
24.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
20.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
24.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
25.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
20.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
20.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
25.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
25.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
25.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor de Russische Federatie de volgende groepen aan als risicogroep:
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
21.1. Besluitmoratorium
25.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
25.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
21.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
21.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
25.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND werpt ten aanzien van LHBT’s terughoudend een binnenlands beschermingsalternatief tegen. De IND neemt aan dat er voor LHBT’s uitsluitend een binnenlands beschermingsalternatief is indien wordt voldaan aan alle voorwaarden zoals neergelegd in C2/3.4 Vc en uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij langere tijd zonder problemen elders in de Russische Federatie heeft verbleven en daar ook thans een goed sociaal netwerk heeft. Aan LHBT’s die afkomstig zijn uit Tsjetsjenië, zal in beginsel geen binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen.
21.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
21.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Er is in beginsel sprake van een vlucht- dan wel vestigingsalternatief bij vrees voor een geheim genootschap. De IND beoordeelt per individueel geval of de aanwezigheid van een vlucht- en vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. De IND verwacht niet dat een minderjarige vreemdeling zich elders in Sierra Leone vestigt, als de vreemdeling hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij de vreemdeling zich eerder aan het lidmaatschap van een geheim genootschap heeft kunnen onttrekken.
25.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In Sierra Leone is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
21.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
Bijlage
Vervallen
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
4.1.2. Bewijsmiddelen
6.1. Bescherming in andere EU-lidstaat
7.10.2. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag
19. Het asielbeleid ten aanzien van Libië
19.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
24.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
24.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van C2/3.3
Geen bijzonderheden.
20.1. Besluitmoratorium
20.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
20.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
25. Het asielbeleid ten aanzien van Sierra Leone
Geen bijzonderheden.
20.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Geen bijzonderheden.
20.8. Bijzonderheden
25.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
21.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
21.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
21.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Er is in beginsel sprake van een vlucht- dan wel vestigingsalternatief bij vrees voor een geheim genootschap. De IND beoordeelt per individueel geval of de aanwezigheid van een vlucht- en vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. De IND verwacht niet dat een minderjarige vreemdeling zich elders in Sierra Leone vestigt, als de vreemdeling hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij de vreemdeling zich eerder aan het lidmaatschap van een geheim genootschap heeft kunnen onttrekken.
21.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
Geen bijzonderheden.
19.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
24.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Voor de Russische Federatie geldt in zijn algemeenheid dat:
25.5. Bescherming
25.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
21.5. Bescherming
21.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc
Geen bijzonderheden.
21.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Nepal geldt in ieder geval dat:
Geen bijzonderheden.
26.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
21.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
22. Het asielbeleid ten aanzien van Nigeria
Geen bijzonderheden
26.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Zuid- en Centraal- Somalië uitsluitend aan als risicogroepen:
26.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
22.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
26.5. Bescherming
In Somalië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
26.4.3. Alleenstaande vrouwen
De IND wijst om diezelfde reden een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van een vreemdeling die op grond van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af.
De IND neemt in ieder geval aan dat in Sierra Leone een vlucht- en vestigingsalternatief aanwezig is voor de volgende categorieën:
26.4.3. Alleenstaande vrouwen
De IND verwacht niet van een minderjarige vrouwelijke vreemdeling dat zij zich elders in Sierra Leone vestigt, als zij hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij zij zich eerder aan genitale verminking heeft kunnen onttrekken.
26.7. Vertrekmoratorium
De IND wijst om diezelfde reden een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van een vreemdeling die op grond van het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af.
Bijlage
Vervallen
19.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
21. Het asielbeleid ten aanzien van Nepal
Geen bijzonderheden.
25.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
26.4.3. Alleenstaande vrouwen
21.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
22.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
22.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
22.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Nigeria uitsluitend de volgende groep aan als risicogroep:
22.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Bijlage
Vervallen
4. Nationale bescherming
6.3. Veilig derde land
4.1.2. Bewijsmiddelen
2.4. De verlengde asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.5. De Grensprocedure
2.6. De Dublinprocedure
2.8. Bijzondere procedure bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
2.8.1. De procedure bij voorzienbare inwilliging
2.9. De procedure bij een tweede of volgende aanvraag
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
4.1. Volgorde van toetsing
4.3. Documenten
3.1.1. Voornemen in de intrekkingsprocedure
3.1.3. Het intrekkingsgehoor
3.1.4. Reactietermijn intrekkingsgehoor
3.2.1. Indiening aanvraag om verlenging
4.4.4. Forensisch medisch onderzoek
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.4.2. Bewijslast voor de geloofwaardigheid
4. Nationale bescherming
6.2. Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land
6. Niet-ontvankelijk
De IND wijst om diezelfde reden een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van een vreemdeling die op grond van het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af.
26.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Bijlage
Vervallen
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
7.3. Misleiden omtrent identiteit of nationaliteit en/of informatie achterhouden
7.5. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen
20.7. Vertrekmoratorium
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
25.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
26. Het asielbeleid ten aanzien van Sierra Leone
26.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
26.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
ad. g. Een vreemdeling die afkomstig is uit een gebied dat niet onder controle staat van Al-Shabaab (inclusief Mogadishu) en die zich erop beroept dat hij door Al-Shabaab van wordt verdacht te spioneren voor de overheid moet aannemelijk maken dat juist hij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.
22.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
22.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
22.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
Geen bijzonderheden.
Voor de Russische Federatie geldt in zijn algemeenheid dat:
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
Voor een vreemdeling die afkomstig is uit gebied waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert geldt dat hij aannemelijk moet maken dat hij door Al-Shabaab verdacht wordt van spioneren voor de overheid. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.
22.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
26.4.3. Alleenstaande vrouwen
Aan een alleenstaande vrouw uit Somalië verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
22.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.
Bijlage
Vervallen
2.3. De algemene asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.5. De Grensprocedure
5. Niet in behandeling nemen
Bijlage
Vervallen
2.5. De Grensprocedure
2.6. De Dublinprocedure
2.6. De Dublinprocedure
2.8. Bijzondere procedure bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
2.12. Voornemenprocedure
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.4.5. Leeftijdsonderzoek
4.4.2. Bewijslast voor de geloofwaardigheid
4.4.1. De beoordeling van de geloofwaardigheid
4.4.1. De beoordeling van de geloofwaardigheid
4.4.3. De zwaarwegendheid
4.1. Volgorde van toetsing
4.4.2. Bewijslast voor de geloofwaardigheid
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
4. Nationale bescherming
22.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
26.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.12. Voornemenprocedure
2.13. Het geven van de beschikking
4.2. Verstrekken onjuiste gegevens/fraude
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.3. Documenten
3.1. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
4.4.1. De beoordeling van de geloofwaardigheid
3.2. De procedure bij aanvraag verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
4.4.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
4.6. Beoordeling van opvolgende aanvragen tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
Bijlage
Vervallen
2.2. De rust- en voorbereidingstermijn
2.3. De algemene asielprocedure
2.5. De Grensprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
2.8. Bijzondere procedure bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
2.8. Bijzondere procedure bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
2.12. Voornemenprocedure
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.4. De geloofwaardigheid
3.1.7. Buitenlands adres
4.4.4. Forensisch medisch onderzoek
4.4.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
4.5. Ambtshalve toets
4.4.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
1. Inleiding
4.6. Beoordeling van opvolgende aanvragen tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3.1. Algemeen
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
6.4. Opvolgende aanvraag zonder nieuwe elementen of bevindingen
De IND neemt aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:
26.4.5. Individuele kenmerken
22.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
27.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
22.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
22.8. Bijzonderheden
27.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Zuid- en Centraal- Somalië uitsluitend aan als risicogroepen:
23.1. Besluitmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers met de Oekraïense nationaliteit is een besluitmoratorium in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw van toepassing.
23.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
In Somalië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
23.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
23.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
7.5. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen
7. Gegrond, ongegrond en kennelijk ongegrond
27. Het asielbeleid ten aanzien van Somalië
Geen bijzonderheden.
26.5. Bescherming
Voor Nigeria geldt in zijn algemeenheid dat:
26.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Tevens neemt de IND in zijn algemeenheid een binnenlands beschermingsalternatief aan, als de vreemdeling onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden minstens zes maanden voorafgaand aan zijn vertrek heeft verbleven in:
27.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
23. Het asielbeleid ten aanzien van Oekraïne
ad. g. Een vreemdeling die afkomstig is uit een gebied dat niet onder controle staat van Al-Shabaab (inclusief Mogadishu) en die zich erop beroept dat hij door Al-Shabaab van wordt verdacht te spioneren voor de overheid moet aannemelijk maken dat juist hij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.
26.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
23.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND herbeoordeelt vooralsnog niet de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd die aan Somaliërs verleend zijn op grond van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, onderdeel 3, Vw die heeft gegolden ten aanzien van personen afkomstig uit Mogadishu. De IND zal pas overgaan tot intrekking als is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie artikel 3.37e VV).
26.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
2.11. Eerste- en nader gehoor
4.2. Verstrekken onjuiste gegevens/fraude
4.1. Volgorde van toetsing
3.1.5. Beschikking in de intrekkingsprocedure
4.7. Hervestigingscriteria
4.4.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
4.4.4. Forensisch medisch onderzoek
4.4.4. Forensisch medisch onderzoek
4. Nationale bescherming
4.1.1. Algemeen
5. Niet in behandeling nemen
22.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
23.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND herbeoordeelt vooralsnog niet de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd die aan Somaliërs verleend zijn op grond van het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar. De IND zal pas overgaan tot intrekking, als is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie artikel 3.37e VV).
27.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
2.6. De Dublinprocedure
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
2.8. Bijzondere procedure bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
2.13. Het geven van de beschikking
4.1. Volgorde van toetsing
4.1. Volgorde van toetsing
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.5. Ambtshalve toets
4.4. De geloofwaardigheid
4.5. Ambtshalve toets
4.6. Beoordeling van opvolgende aanvragen tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
4.7. Hervestigingscriteria
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
5. Niet in behandeling nemen
27.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
27. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka
Onder voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is (zie paragraaf 24.5.2).
23.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
27.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Bij de beoordeling of een vrouw in Somalië als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:
27.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
27.4.5. Individuele kenmerken
Geen bijzonderheden.
27.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
Ook neemt de IND aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Nigeria kan vestigen:
Geen bijzonderheden.
23.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
23.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
27.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De door het Europese Hof van de Rechten van de Mens benoemde risicofactoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka, zijn:
Bijlage
Vervallen
2.3. De algemene asielprocedure
2.5. De Grensprocedure
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
2.6. De Dublinprocedure
2.8.2. Bijzondere vervolgprocedure
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
2.11. Eerste- en nader gehoor
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.2. Verstrekken onjuiste gegevens/fraude
4.4. De geloofwaardigheid
4.2. Verstrekken onjuiste gegevens/fraude
4.4.5. Leeftijdsonderzoek
4.4.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
4.4.3. De zwaarwegendheid
4.7. Hervestigingscriteria
4.4.3. De zwaarwegendheid
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
4. Nationale bescherming
23.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
23.7. Vertrekmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers met de Oekraïense nationaliteit is een vertrekmoratorium in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw van toepassing.
23.8. Bijzonderheden
De aanwijzing van veilig land van herkomst is opgeschort.
Bijlage
Vervallen
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.3. Documenten
3. De procedure bij intrekking en verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
1. Inleiding
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
5. Niet in behandeling nemen
6.4. Opvolgende aanvraag zonder nieuwe elementen of bevindingen
Geen bijzonderheden.
23.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
23.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
23.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND neemt een binnenlands beschermingsalternatief aan als er sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan in individuele gevallen geconcludeerd kan worden dat de persoon zich buiten het gebied van herkomst kan vestigen. Bij de beoordeling van de geldende voorwaarden voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief uit artikel 3.37d VV dienen in de individuele zaak van de vreemdeling de volgende aanknopingspunten te worden betrokken:
27.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Tevens neemt de IND in zijn algemeenheid een binnenlands beschermingsalternatief aan, als de vreemdeling onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden minstens zes maanden voorafgaand aan zijn vertrek heeft verbleven in:
24.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
Geen bijzonderheden
27.5. Bescherming
Bijlage
Vervallen
Bijlage
Vervallen
2.4. De verlengde asielprocedure
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
3. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd
C2. De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3.1. Algemeen
Bijlage
Vervallen
24. Het asielbeleid ten aanzien van Pakistan
De IND neemt aan dat de vreemdeling zich in het desbetreffende gebied kan handhaven.
27.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Bijlage
Vervallen
7.3. Misleiden omtrent identiteit of nationaliteit en/of informatie achterhouden
7.5. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen
2.3. De algemene asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.5. De Grensprocedure
2.6. De Dublinprocedure
2.8.1. De procedure bij voorzienbare inwilliging
2.11. Eerste- en nader gehoor
4.4. De geloofwaardigheid
4.4.5. Leeftijdsonderzoek
4.5. Ambtshalve toets
4.4.5. Leeftijdsonderzoek
4.4.4. Forensisch medisch onderzoek
24.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
24.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
27.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
27.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
24.3.1. Groepsvervolging in de zin van C2/3.2
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.2. De rust- en voorbereidingstermijn
2.3. De algemene asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.6. De Dublinprocedure
2.7. De procedure voor vreemdelingen afkomstig uit een veilig land van herkomst, EU-onderdanen of vreemdelingen die reeds internationale bescherming genieten
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
2.13. Het geven van de beschikking
3.1.2. Zienswijze
C2. De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3. Internationale bescherming
3. Internationale bescherming
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
6.3. Veilig derde land
24.3.2. Risicogroepen in de zin van C2/3.2
De IND merkt voor Pakistan uitsluitend de volgende categorieën als risicogroepen aan:
24.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
28.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
28.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
24.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3
Geen bijzonderheden.
24.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
28.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
De IND neemt aan dat geen vlucht- of vestigingsalternatief in Pakistan aanwezig is voor de volgende categorieën:
24.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
28.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.12. Voornemenprocedure
4.4. De geloofwaardigheid
4.6. Beoordeling van opvolgende aanvragen tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
7.5. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen
24.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van C2/3.3
Geen bijzonderheden.
24.4.2. Systematische blootstelling in de zin van C2/3.3
Geen bijzonderheden.
24.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten te verkrijgen voor:
24.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van C2/3.4 Vc
Voor Pakistan geldt in ieder geval dat:
24.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
24.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
28. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka
Geen bijzonderheden.
28.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
28.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Sudan uitsluitend de volgende groep aan als risicogroep:
28.4.4. Tamils
De IND beoordeelt een verzoek om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw van Srilankaanse Tamils ook aan de hand van de door het Europese Hof van de Rechten van de Mens benoemde risicofactoren. De genoemde risicofactoren vormen geen checklist en zijn niet uitputtend bedoeld. Iedere genoemde individuele risicofactor hoeft op zich geen aanleiding te geven om ervan uit te gaan dat er een reëel risico op ernstige schade is bij terugkeer naar Colombo. Een combinatie van twee of meer risicofactoren kan aanleiding zijn om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
Bijlage
Vervallen
Geen bijzonderheden.
25. Het asielbeleid ten aanzien van de Russische Federatie
De IND neemt voor Sudan geen binnenlands beschermingsalternatief aan als is geconcludeerd dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.
Bijlage
Vervallen
2.9. De procedure bij een tweede of volgende aanvraag
3.1.2.1. Uitstel voor het indienen van de zienswijze
Geen bijzonderheden.
28.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
28.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt uitsluitend de volgende groep aan als kwetsbare minderheidsgroep:
25.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
Bijlage
Vervallen
2.3. De algemene asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
2.8.2. Bijzondere vervolgprocedure
2.9. De procedure bij een tweede of volgende aanvraag
4.4.1. De beoordeling van de geloofwaardigheid
4.6. Beoordeling van opvolgende aanvragen tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3.2. Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
3. Internationale bescherming
4.4.5. Leeftijdsonderzoek
4.4.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
4.1. Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning
4. Nationale bescherming
28.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende groepen aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
28.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor Sudan geen binnenlands beschermingsalternatief aan als is geconcludeerd dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
29. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië
Voor Sudan geldt in zijn algemeenheid dat:
29.4.4. Vreemdelingen die vanuit het buitenland terugkeren
De IND neemt aan dat een vreemdeling uit Syrië bij of na terugkeer vanuit het buitenland een reëel risico loopt op ernstige schade indien hij geen actieve aanhanger is van het regime. Op grond hiervan komt een vreemdeling uit Syrië die geen actieve aanhanger is van het regime in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
Bijlage
Vervallen
4.2. Verstrekken onjuiste gegevens/fraude
4.4.4. Forensisch medisch onderzoek
3.2. Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
4. Nationale bescherming
4. Nationale bescherming
25.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
25.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND merkt voor de Russische Federatie de volgende groepen aan als risicogroep:
25.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
29. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
25.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
25.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
25.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Bijlage
Vervallen
25.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
29. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië
De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van Ugandese LHBT’s op basis van de individuele omstandigheden, afgezet tegen de positie van deze groep in Uganda.
29.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
25.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
29.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
29.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
29.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
29.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
25.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
25.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
26. Het asielbeleid ten aanzien van Sierra Leone
26.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
26.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
26.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Voor Sudan geldt in zijn algemeenheid dat:
Geen bijzonderheden.
26.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
26.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.2. De rust- en voorbereidingstermijn
2.3. De algemene asielprocedure
2.4. De verlengde asielprocedure
2.7. De procedure veilig land van herkomst of bescherming in een andere EU-lidstaat
2.8.2. Bijzondere vervolgprocedure
2.10. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring
4.2. Verstrekken onjuiste gegevens/fraude
3.1.6. intrekking verblijfsvergunning op aanvraag
25.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
25.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
25.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND werpt ten aanzien van LHBT’s terughoudend een binnenlands beschermingsalternatief tegen. De IND neemt aan dat er voor LHBT’s uitsluitend een binnenlands beschermingsalternatief is indien wordt voldaan aan alle voorwaarden zoals neergelegd in C2/3.4 Vc en uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij langere tijd zonder problemen elders in de Russische Federatie heeft verbleven en daar ook thans een goed sociaal netwerk heeft. Aan LHBT’s die afkomstig zijn uit Tsjetsjenië, zal in beginsel geen binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen.
25.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
29.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
29.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt uitsluitend de volgende groep aan als kwetsbare minderheidsgroep:
29.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
29.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor Sudan geen binnenlands beschermingsalternatief aan als is geconcludeerd dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.
29.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
26.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
29.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
26.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.8.2. Bijzondere vervolgprocedure
2.11. Eerste- en nader gehoor
4.1.1. Algemeen
6.3. Veilig derde land
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
Voor de Russische Federatie geldt in zijn algemeenheid dat:
De IND neemt in ieder geval voor de volgende groepen aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
29.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
30. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
Bijlage
Vervallen
Bijlage
Vervallen
2.3. De algemene asielprocedure
2.5. De Grensprocedure
2.8. Bijzondere procedurele bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
4.4.1. De beoordeling van de geloofwaardigheid
4.5. Ambtshalve toets
C2. De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
3. Internationale bescherming
3.2. Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap
3.3. Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw
29.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
30. Het asielbeleid ten aanzien van Turkije
26.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
30.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
30.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
30.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND verwacht niet van een minderjarige vrouwelijke vreemdeling dat zij zich elders in Sierra Leone vestigt, als zij hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij zij zich eerder aan genitale verminking heeft kunnen onttrekken.
30.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Turkije uitsluitend de volgende groepen vreemdelingen aan als risicogroep:
30.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
30.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
26.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
27. Het asielbeleid ten aanzien van Somalië
Het onderstaande beleid is van toepassing op geheel Somalië, tenzij anders is vermeld. Voor de verschillende gebiedsaanduidingen wordt verwezen naar het algemeen ambtsbericht Zuid- en Centraal Somalië 2016 van de Minister van Buitenlandse zaken.
27.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
30.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
27.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden
Bijlage
Vervallen
26.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
26.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval aan dat in Sierra Leone een vlucht- en vestigingsalternatief aanwezig is voor de volgende categorieën:
26.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
30.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Bijlage
Vervallen
26.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
26.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
26.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In Sierra Leone is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
De IND kan van dit algemene uitgangspunt afwijken als uit individuele feiten en omstandigheden blijkt dat de vreemdeling bij of na terugkeer naar Syrië geen risico (meer) loopt op ernstige schade.
30.5. Bescherming
Bijlage
Vervallen
Geen bijzonderheden.
De IND beoordeelt, bij vrees voor genitale verminking, per individueel geval, of de aanwezigheid van een vlucht- en vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. Bij een meerderjarige vrouwelijke vreemdeling is hierbij van belang of zij zich aan de controle van haar familie kan onttrekken en hoe zij zich vóór haar vertrek uit Sierra Leone heeft kunnen onttrekken aan de genitale verminking.
30.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Er is in beginsel sprake van een vlucht- dan wel vestigingsalternatief bij vrees voor een geheim genootschap. De IND beoordeelt per individueel geval of de aanwezigheid van een vlucht- en vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. De IND verwacht niet dat een minderjarige vreemdeling zich elders in Sierra Leone vestigt, als de vreemdeling hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij de vreemdeling zich eerder aan het lidmaatschap van een geheim genootschap heeft kunnen onttrekken.
De IND neemt ten aanzien van dienstplichtige Koerden in beginsel niet aan dat zij een gegronde vrees hebben in een conflict te worden ingezet tegen eigen volk of familie.
30.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
27.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
27.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
30.7. Vertrekmoratorium
27.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Zuid- en Centraal- Somalië uitsluitend aan als risicogroepen:
30.8. Bijzonderheden
Voor een vreemdeling die afkomstig is uit gebied waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert geldt dat hij aannemelijk moet maken dat hij door Al-Shabaab verdacht wordt van spioneren voor de overheid. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.
27.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
27.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
In Somalië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
31.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND wijst om diezelfde reden een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van een vreemdeling die op grond van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af.
27.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
31.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Onder voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is (zie paragraaf 24.5.2).
31.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND wijst om diezelfde reden een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van een vreemdeling die op grond van het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af.
27.4.3. Alleenstaande vrouwen
Aan een alleenstaande vrouw uit Somalië verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
31.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
31.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND beoordeelt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot deze groep en dat hij – met in achtneming van het beleid dat volgt uit paragraaf C2/3.2 Vc – bij terugkeer wordt blootgesteld aan vervolging.
31.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
31.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
Gelet op de zeer fragiele positie van LHBT’s in Uganda, ook als gevolg van de ondertekening van de anti-homoseksualiteitswet, betekent dit dat de IND aan Ugandese LHBT’s een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw verleent, tenzij contra-indicaties de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de weg staan.
31.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
31.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt een binnenlands beschermingsalternatief aan als er sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan in individuele gevallen geconcludeerd kan worden dat de persoon zich buiten het gebied van herkomst kan vestigen. Bij de beoordeling van de geldende voorwaarden voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief uit artikel 3.37d VV dienen in de individuele zaak van de vreemdeling de volgende aanknopingspunten te worden betrokken:
Bijlage
Vervallen
In Turkije zijn er opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.
30.8. Bijzonderheden
ad. g. Een vreemdeling die afkomstig is uit een gebied dat niet onder controle staat van Al-Shabaab (inclusief Mogadishu) en die zich erop beroept dat hij door Al-Shabaab van wordt verdacht te spioneren voor de overheid moet aannemelijk maken dat juist hij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.
In een voorkomend geval kan – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
30.7. Vertrekmoratorium
De IND herbeoordeelt vooralsnog niet de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd die aan Somaliërs verleend zijn op grond van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, onderdeel 3, Vw die heeft gegolden ten aanzien van personen afkomstig uit Mogadishu. De IND zal pas overgaan tot intrekking als is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie artikel 3.37e VV).
30.8. Bijzonderheden
In gebieden in Zuid- en Centraal-Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, is de mensenrechtensituatie zodanig dat voor iedere terugkeer een reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Dit risico op ernstige schade wordt ook aangenomen voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is of het gebied controleert, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab wel de macht heeft of het gebied controleert.
31.1. Besluitmoratorium
De IND herbeoordeelt vooralsnog niet de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd die aan Somaliërs verleend zijn op grond van het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar. De IND zal pas overgaan tot intrekking, als is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie artikel 3.37e VV).
31.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.
27.4.4. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
27.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt in ieder geval aan dat het voor de volgende categorieën niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
27.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
31.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Tevens neemt de IND in zijn algemeenheid een binnenlands beschermingsalternatief aan, als de vreemdeling onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden minstens zes maanden voorafgaand aan zijn vertrek heeft verbleven in:
31.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Ten aanzien van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc geldt het volgende.
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
32.7. Vertrekmoratorium
Voor Uganda geldt in ieder geval dat:
31.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
In Turkije zijn er opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.
31.3.3. Vervolging vanwege dienstweigering of desertie
Bij de beoordeling of een vrouw in Somalië als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:
27.4.5. Individuele kenmerken
Geen bijzonderheden.
27.5. Bescherming
31.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Onder dezelfde voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen aan:
31.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND neemt aan dat de vreemdeling zich in het desbetreffende gebied kan handhaven.
27.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Voor Somalië geldt in ieder geval dat:
27.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
27.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
31. Het asielbeleid ten aanzien van Uganda
Geen bijzonderheden.
Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Somalië aanwezig is voor:
31.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4
31.8. Bijzonderheden
Voor Uganda geldt in ieder geval dat:
28.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
28.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
Geen bijzonderheden.
28.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
28.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
4.5. Ambtshalve toets
3. Internationale bescherming
3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief
28. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka
28.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
28.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van Ugandese LHBT’s op basis van de individuele omstandigheden, afgezet tegen de positie van deze groep in Uganda.
Bijlage
Vervallen
32.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
32.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt de volgende groepen aan als risicogroep:
28.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
28.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
28.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
32.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
32.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De door het Europese Hof van de Rechten van de Mens benoemde risicofactoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka, zijn:
28.5. Bescherming
Geen bijzonderheden.
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
28.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
28.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Bijlage
Vervallen
32.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
32.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
32.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Gelet op de zeer fragiele positie van LHBT’s in Uganda, ook als gevolg van de ondertekening van de anti-homoseksualiteitswet, betekent dit dat de IND aan Ugandese LHBT’s een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw verleent, tenzij contra-indicaties de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de weg staan.
32.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
32.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
28.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt ten aanzien van de Ugandese LHBT geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief aan in Uganda.
32.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Voor Sri Lanka geldt in ieder geval dat:
28.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
32.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4
32.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Voor Uganda geldt in ieder geval dat:
28.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
29. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
Geen bijzonderheden.
28.4.4. Tamils
De IND beoordeelt een verzoek om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw van Srilankaanse Tamils ook aan de hand van de door het Europese Hof van de Rechten van de Mens benoemde risicofactoren. De genoemde risicofactoren vormen geen checklist en zijn niet uitputtend bedoeld. Iedere genoemde individuele risicofactor hoeft op zich geen aanleiding te geven om ervan uit te gaan dat er een reëel risico op ernstige schade is bij terugkeer naar Colombo. Een combinatie van twee of meer risicofactoren kan aanleiding zijn om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
De IND neemt aan dat het in ieder geval voor LHBT’s niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.
32.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
32.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
32.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
29.1. Besluitmoratorium
33.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
33.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
29.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
33.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
33.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt de volgende groepen aan als risicogroep:
29.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
33.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
33.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
33.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
29.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
33.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.
33.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is indien de vreemdeling in de negatieve belangstelling staat van de (centrale) autoriteiten, daaraan gelieerde gewapende groepen, colectivos of soortgelijke gewapende groepen, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling zich elders in Venezuela kan vestigen.
33.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Voor Sudan geldt in zijn algemeenheid dat:
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
29.7. Vertrekmoratorium
Ten aanzien van vreemdelingen die politieke activiteiten hebben verricht tegen de Sudanese autoriteiten (ongeacht of deze activiteiten voortkomen uit een fundamentele politieke overtuiging) is een vertrekmoratorium in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw van toepassing.
29.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen
2.2. De rust- en voorbereidingstermijn
2.3. De algemene asielprocedure
2.8. Bijzondere procedurele bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen
3. Internationale bescherming
Ten aanzien van vreemdelingen die politieke activiteiten hebben verricht tegen de Sudanese autoriteiten (ongeacht of deze activiteiten voortkomen uit een fundamentele politieke overtuiging) is een besluitmoratorium in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw van toepassing.
29.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
29.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
29.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Sudan uitsluitend de volgende groep aan als risicogroep:
29.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
Geen bijzonderheden.
29.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
29.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
De IND merkt uitsluitend de volgende groep aan als kwetsbare minderheidsgroep:
29.5. Bescherming
De IND neemt in ieder geval voor de volgende groepen aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:
29.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt voor Sudan geen binnenlands beschermingsalternatief aan als is geconcludeerd dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.
29.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
30. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië
30.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
30.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
30.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
30.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
30.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
30.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
30.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
30.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
30.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
30.4.4. Vreemdelingen die vanuit het buitenland terugkeren
De IND neemt aan dat een vreemdeling uit Syrië bij of na terugkeer vanuit het buitenland een reëel risico loopt op ernstige schade indien hij geen actieve aanhanger is van het regime. Op grond hiervan komt een vreemdeling uit Syrië die geen actieve aanhanger is van het regime in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
De IND kan van dit algemene uitgangspunt afwijken als uit individuele feiten en omstandigheden blijkt dat de vreemdeling bij of na terugkeer naar Syrië geen risico (meer) loopt op ernstige schade.
30.5. Bescherming
30.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
30.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
30.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Syrië geldt in ieder geval dat:
30.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
30.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
31. Het asielbeleid ten aanzien van Turkije
31.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
31.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
31.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
31.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
31.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt voor Turkije uitsluitend de volgende groepen vreemdelingen aan als risicogroep:
Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.
31.3.3. Vervolging vanwege dienstweigering of desertie
Het algemene beleid in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc is van toepassing.
De IND neemt ten aanzien van dienstplichtige Koerden in beginsel niet aan dat zij een gegronde vrees hebben in een conflict te worden ingezet tegen eigen volk of familie.
31.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
31.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
31.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
31.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
31.5. Bescherming
31.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
31.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
Geen bijzonderheden.
31.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Ten aanzien van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc geldt het volgende.
In Turkije zijn er opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.
In een voorkomend geval kan – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
31.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
31.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
32. Het asielbeleid ten aanzien van Uganda
32.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
32.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
32.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
32.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
32.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
32.3.3. LHBT’s
De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van Ugandese LHBT’s op basis van de individuele omstandigheden, afgezet tegen de positie van deze groep in Uganda.
De IND beoordeelt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot deze groep en dat hij – met in achtneming van het beleid dat volgt uit paragraaf C2/3.2 Vc – bij terugkeer wordt blootgesteld aan vervolging.
Gelet op de zeer fragiele positie van LHBT’s in Uganda, ook als gevolg van de ondertekening van de anti-homoseksualiteitswet, betekent dit dat de IND aan Ugandese LHBT’s een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw verleent, tenzij contra-indicaties de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de weg staan.
32.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
32.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
32.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
32.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
32.5. Bescherming
32.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4
De IND neemt aan dat het in ieder geval voor LHBT’s niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.
32.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt ten aanzien van de Ugandese LHBT geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief aan in Uganda.
32.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Uganda geldt in ieder geval dat:
32.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
32.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
33. Het asielbeleid ten aanzien van Venezuela
33.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
33.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
33.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
33.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
33.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc
De IND merkt de volgende groepen aan als risicogroep:
33.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
33.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
33.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
33.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
33.5. Bescherming
33.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.
33.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc
De IND neemt aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is indien de vreemdeling in de negatieve belangstelling staat van de (centrale) autoriteiten, daaraan gelieerde gewapende groepen, colectivos of soortgelijke gewapende groepen, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling zich elders in Venezuela kan vestigen.
33.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Venezuela geldt in ieder geval dat:
33.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
33.8. Bijzonderheden
Geen bijzonderheden.
Bijlage
Vervallen