Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

Type Circulaire
Publication 2026-08-07
Laatst bijgewerkt 2026-08-11
State In force
Source BWB
artikelen 10
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder b, Vw, dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.

2.2.2.3. Inleveren geprivilegieerdendocument

Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.

3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie

De verblijfsstatus van de geprivilegieerde (hoofdpersoon) is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Zolang de hoofdpersoon de uitgezonden status behoudt, behouden ook de afhankelijke gezinsleden deze status. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden.

Het afhankelijke gezinslid kan in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw), indien het gezinslid:

Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet.

Het afhankelijke gezinslid kan dan in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) onder de beperking verband houdend met gezinshereniging bij de hoofdpersoon, indien het gezinslid:

In beide gevallen geldt dat moet worden voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 16 Vw (zie B1/4), in samenhang met artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van deze afhankelijke gezinsleden kan in behandeling worden genomen met vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het gestelde in artikel 3.71, tweede lid, onder c, Vb, dan wel met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb (zie in dit verband B1/4.1.1).

3.1.2. Positie na verlies van de bijzondere verblijfsstatus

Na beëindiging van het dienstverband met een internationale organisatie of wanneer de betreffende vreemdeling na de periode van tien jaar op zijn verzoek (aanvraag) duurzaam een verblijfsstatus onder de Vw toegewezen heeft gekregen, komt de uitgezonden (geprivilegieerde) status op basis van de Zetelovereenkomst van de betreffende vreemdeling te vervallen. De bepalingen van de Vw worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.

3.1.3. Verblijfsvoorwaarden (ex-)geprivilegieerden

Als duurzaam verblijvend personeel wordt aangemerkt:

2.2.1. Lokaal geworven personeel

Lokaal geworven personeel bestaat uit een tweetal categorieën:

3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden

Ad b. Lokaal geworven personeel is op een missie werkzaam personeel dat op de lokale (Nederlandse) arbeidsmarkt is geworven en dat werkzaamheden ten behoeve van de missie verricht. Het gaat hier veelal om administratief, technisch en bedienend personeel dat niet door een zendstaat is uitgezonden. De missies kunnen vanaf 1 januari 2000 slechts personen werven op de lokale arbeidsmarkt aan wie het verrichten van arbeid in Nederland vrij is toegestaan en die rechtmatig in Nederland verblijf hebben op grond van artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw.

2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden lokaal geworven personeel

De bepalingen van de Vw zijn en blijven onverkort van toepassing op de twee bovengenoemde categorieën.

Het eerdere verblijfsrecht op grond van de bijzondere geprivilegieerde status telt niet mee bij de bepaling van de totale verblijfsduur zoals genoemd in artikel 3.86 Vb. Dit betekent dat alleen eventueel eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw meetelt bij de bepaling van de totale verblijfsduur.

De bepalingen als genoemd in artikel 14, 16 en 17 Vw in samenhang met artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb zijn onverkort van toepassing op de toelating van gezinsleden van de twee bovengenoemde categorieën vreemdelingen.

2.2.2. Personeel dat uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest

3.2.1. Verblijfsvoorwaarden

Ad a. Het betreft door de zendstaat na 1 augustus 1987 uitgezonden administratief, technisch en bedienend personeel, dat niet zoals gebruikelijk na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat ononderbroken voortzet. Dit geldt mede voor lokaal geworven personen die niet onder de eerdere definitie van ‘duurzaam verblijf houdend’ vielen en daarom als ‘uitgezonden personeel’ zijn aangemerkt.

3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden

Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan op aanvraag (net als de (ex-)geprivilegieerde) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw, de artikelen 3.93 en 3.96a Vb). Dit is ook mogelijk indien de geprivilegieerde hoofdpersoon in dienst blijft van een internationale organisatie of uit Nederland vertrekt. Dit is in tegenstelling tot de afhankelijke gezinsleden van personeelsleden van ambassades en consulaten, hun verblijfsrecht is afhankelijk van dat van de geprivilegieerde hoofdpersoon (zie B12/2.1.2.2). Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, indien het gezinslid:

3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften

Voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan geldt een uitzondering. Middelen van bestaan worden in ieder geval als zelfstandige middelen geaccepteerd, indien daarover door de werkgever premies sociale verzekeringen en belastingen worden afgedragen. Voor personeel dat in dienst is van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid vindt er géén inhouding plaats van de premies sociale verzekeringen en belastingen, omdat ambassades en consulaten ingevolge artikel 6, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964 niet inhoudingsplichtig zijn.

3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden

Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.

Het bepaalde in B12/2.1.2.2 is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) of voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw).

3.2.3. Geldigheidsduur

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform artikel 3.57 Vb voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.

3.2.4. Gezinsleden

3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie

Ten aanzien van deze vreemdelingen geldt op grond van artikel 3 Wav dat voor hun werkzaamheden geen TWV is vereist. In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen over hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een internationale organisatie en hun gezinsleden – tenzij anders in de Zetelovereenkomst bepaald – de uitgezonden status toe.

4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

Op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb wordt de hier bedoelde verblijfsvergunning aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.

3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag

Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

3.2.3. Geldigheidsduur

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform artikel 3.57 Vb voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.

3.2.4. Gezinsleden

Bij de berekening van de periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden mede in aanmerking genomen de perioden waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw heeft gehad. Wel dient de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status te hebben gehad.

3.3.4. Verblijfsvoorwaarden

Het verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status dient te worden aangetoond aan de hand van een originele verklaring van BuZa waaruit het verblijfsrecht als geprivilegieerde vreemdeling blijkt.

2. Amv’s

Voor ‘zelfstandig’: zie artikel 3.73 Vb en B1/4.3.1. Voor ‘voldoende’: zie artikel 3.74 Vb en B1/4.3.3. Ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen geldt ingevolge artikel 3.93, tweede lid, Vb een afwijkende bepaling. De middelen van bestaan zijn duurzaam indien zij op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of waarop de beschikking wordt gegeven, of enig tussenliggend moment nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.

3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus

Het eerdere verblijfsrecht op grond van de bijzondere geprivilegieerde status telt niet mee bij de bepaling van de totale verblijfsduur zoals genoemd in artikel 3.86 Vb. Dit betekent dat alleen eventueel eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw meetelt bij de bepaling van de totale verblijfsduur.

3.3.5. Verblijfsdocument

3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag

Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden 1 tot en met 5 zoals hierboven vermeld, dan wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw) afgewezen. De vreemdeling zal dan, indien hij in aanmerking wil komen voor toelating tot Nederland, een aanvraag om eerste toelating op grond van de Vw moeten indienen. Hierbij gelden de artikelen 14, 16 en 17 Vw onverkort.

Zie B1/7.1.11.

De commandant van Joint Force Command- headquarters te Brunssum en zijn plaatsvervanger zijn in het bezit van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa (zie bijlage 3, onder A, VV).

Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan op aanvraag (net als de (ex-)geprivilegieerde) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw, de artikelen 3.93 en 3.96a Vb). Dit is ook mogelijk indien de geprivilegieerde hoofdpersoon in dienst blijft van een internationale organisatie of uit Nederland vertrekt. Dit is in tegenstelling tot de afhankelijke gezinsleden van personeelsleden van ambassades en consulaten, hun verblijfsrecht is afhankelijk van dat van de geprivilegieerde hoofdpersoon (zie B12/2.1.2.2). Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, indien het gezinslid:

2.2.2. Alleenstaand

Het bepaalde in B12/2.1.2.2 met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) is van overeenkomstige toepassing.

De gezinsleden als hier bedoeld komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien aan de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).

2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land

Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in artikel 3.40 Vb bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.

Op grond van de Zetelovereenkomst tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland en de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties behorend bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon, komen journalisten, medewerkers van NGO’s en vertegenwoordigers van juridische verenigingen die betrokken zijn bij het werk van het Internationaal Strafhof en/of het Speciale Tribunaal voor Libanon in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Aan deze personen komt niet de uitgezonden status toe als bedoeld in B12/3.1.

Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan een document als bedoeld in bijlage 7a VV worden verleend, indien geen van beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.

De vreemdeling die betrokken is bij het werk van het Internationaal Strafhof dan wel bij het werk van het Speciale Tribunaal voor Libanon moet een bewijs van het ministerie van Buitenlandse Zaken overleggen waaruit blijkt dat de vreemdeling onder de werking valt van de Zetelovereenkomst tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland dan wel onder de werking valt van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties behorend bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon.

Daarnaast dient te worden voldaan aan de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4).

Ten aanzien van deze vreemdelingen geldt op grond van artikel 3 Wav dat voor hun werkzaamheden geen TWV is vereist. In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) verleend op grond van artikel 3.13, tweede lid Vb met de beperking ‘verblijf bij echtgenot (o)t(e) ….' met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

3.4.2. Registratie

3.3.8. Geldigheidsduur verblijfsvergunning

De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst ‘een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’.

Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

Vreemdelingen behorend tot één van de categorieën genoemd in artikel 3.40 Vb komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw), indien aan de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).

3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning

Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in artikel 3.40 Vb bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.

De bepalingen als genoemd in de artikelen 14, 16 en 17 Vw in samenhang met artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb zijn onverkort van toepassing op de toelating van gezinsleden van de bovengenoemde categorieën vreemdelingen.

De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid niet toegestaan’.

Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan niettegenstaande het voorgaande een document als bedoeld in bijlage 7a VV worden verleend, namelijk indien geen van de beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.

3.4.2. Registratie

De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de vreemdelingen bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onder b, Vb en hun gezinsleden, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onder c, Vb. De bedoelde vreemdelingen zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verplicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.

Op grond van het Verdrag van Ottawa zijn twee categorieën vreemdelingen geprivilegieerd:

Het betreft hier het personeel van het NATO AEW&C Programme Management Agency, gevestigd in Brunssum en het NATO C3 Agentschap in Den Haag.

Dit personeel dat in Nederland geen militaire status heeft, is in het bezit van een geprivilegieerdendocument afgegeven door de Minister van BuZa (zie model M81 en bijlage 3, onder A, VV).

Aan de kinderen en meerderjarige gezinsleden (zie artikel 3.40, tweede lid, onder b en c, Vb) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) verleend met de beperking ‘verblijf bij …’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’

Op grond van het NAVO-statusverdrag en het daarbij behorende Hoofdkwartieren Protocol dan wel op grond van het Partnership for Peace-statusverdrag en het daarbij behorende Tweede Aanvullende Protocol, zijn militairen van een krijgsmacht van een lidstaat geprivilegieerd, indien zij verbonden zijn aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (Joint Force Command- headquarters) of een daarmee gelijkgestelde organisatie dan wel behoren tot een hier te lande gelegerd of op doortocht zijnd onderdeel van zodanige krijgsmacht.

Deze militairen zijn in het bezit van een persoonlijk militair identiteitsbewijs, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst, en, voorzover niet hier te lande gestationeerd, van een collectieve of individuele reiswijzer, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst of door het hoofdkwartier dan wel de organisatie waarbij zij zijn te werk gesteld. Deze documenten gelden tevens als document voor grensoverschrijding (zie bijlage 3, onder E, VV).

De commandant van Joint Force Command- headquarters te Brunssum en zijn plaatsvervanger zijn in het bezit van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa (zie bijlage 3, onder A, VV).

3.3.3. Gezinsleden

De gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters te Brunssum, komen op grond van artikel 14 Vw juncto artikel 3.13, tweede lid Vb in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor verblijf als gezinslid van een militair die behoort tot een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier en die geprivilegieerd is. Voor wat betreft de invulling van het begrip gezinsleden wordt aangesloten naar artikel 3.40, tweede lid, Vb.

EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder e, Vw in Nederland.

De gezinsleden als hier bedoeld komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien aan de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).

13. Familiebezoek

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘voor familiebezoek bij ....... (naam familielid) van ten hoogste zes maanden’, met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid niet toegestaan.’

Voor zover zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, wordt aan de gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters voor hun verblijf een document uitgereikt als bedoeld in bijlage 7a VV.

3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

3.3.6. Registratie

De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters. Zij zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verpicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.

Artikel 3.56 Vb houdt in dat onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan een Amv. Dit artikel geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing, tenzij anders is aangegeven.

1. Inleiding

Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

3.3.8. Geldigheidsduur verblijfsvergunning

De algemene bepalingen inzake de geldigheidsduur zijn van toepassing (zie B1/3). De totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de stationering van het hoofd van het gezin niet overschrijden (zie B1/3.2).

3.4. Verblijfsvoorwaarden

Vreemdelingen behorend tot één van de categorieën genoemd in artikel 3.40 Vb komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw), indien aan de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).

2. Amv’s

Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in artikel 3.40 Vb bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.

Amv’s van wie de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, moeten terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven en dat daar evenmin adequate opvang aanwezig is. Voor die gevallen is in artikel 3.56 Vb in een regeling voorzien, inhoudende dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. Ook na verlening van de verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de Amv in beginsel moet terugkeren.

2. Amv’s

Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan niettegenstaande het voorgaande een document als bedoeld in bijlage 7a VV worden verleend, namelijk indien geen van de beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.

Voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv gelden de volgende bijzondere cumulatieve voorwaarden (zie artikel 3.56 Vb):

De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de vreemdelingen bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onder b, Vb en hun gezinsleden, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onder c, Vb. De bedoelde vreemdelingen zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verplicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.

De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek wordt een persoon als minderjarig beschouwd, indien:

Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 3.40 Vb wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) verleend met de beperking ‘verblijf als NAVO-vreemdeling’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’

Aan de echtgeno(o)t(e) (zie artikel 3.40 tweede lid, onder a, Vb) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) verleend met de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)….’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’

Aan de kinderen en meerderjarige gezinsleden (zie artikel 3.40, tweede lid, onder b en c, Vb) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) verleend met de beperking ‘verblijf bij …’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’

Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 3.40, Vb die onderdaan zijn van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) verleend onder de beperking: ‘verblijf als NAVO-vreemdeling.’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’

3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

Een minderjarige vreemdeling wordt in het kader van dit beleid wél als alleenstaand beschouwd, indien zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn.

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) te verlenen aan deze vreemdelingen bedraagt maximaal drie jaar. Echter, de totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de tewerkstelling (indien het burgerpersoneel betreft) of de duur van de tewerkstelling dan wel stationering van het hoofd van het gezin (indien het gezins- en familieleden betreft) niet overschrijden (zie artikel 3.63 Vb).

Bij de vaststelling of de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, worden de volgende omstandigheden in overweging genomen:

EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder e, Vw in Nederland.

De verblijfsregeling, zoals genoemd in B12/3.4.2, geldt niet voor die vreemdelingen die als EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder e, Vw in Nederland hebben (zie B10).

Het moet voorts gaan om werkzaamheden waarvan in redelijkheid mag worden verwacht dat een minderjarige die weer oppakt. Van minderjarigen die werkzaam waren in de prostitutie, als soldaat of strijder, of ten aanzien van wie sprake was van kinderarbeid, wordt niet verwacht dat zij deze werkzaamheden weer oppakken.

Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.

Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.

3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

Onder adequate opvang wordt verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten.

14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier

Hiervan is onder meer sprake als de meerderjarige de minderjarige al eerder begeleidde of verzorgde op meer dan incidentele basis.

14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier

Artikel 3.56 Vb houdt in dat onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan een Amv. Dit artikel geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing, tenzij anders is aangegeven.

Een andere categorie vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend, betreft die vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.

Ook kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier worden verleend aan de vreemdeling op wiens asielaanvraag na drie jaren nog niet onherroepelijk is beslist. Dit driejarenbeleid is weliswaar per 1 januari 2003 afgeschaft, maar kan op grond van het overgangsrecht nog van toepassing zijn op vreemdelingen die hun asielaanvraag voor 1 januari 2000 hebben ingediend.

Verder kan een verblijfsvergunning regulier verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in hoofdstuk B9 ambtshalve worden verleend in de asielprocedure, als blijkt dat de asielzoeker (tevens) slachtoffer is van mensenhandel en voorafgaand aan of tijdens de asielprocedure terzake aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek gedurende de asielprocedure. De voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend worden in dit hoofdstuk uiteengezet.

De mogelijkheid om (ambtshalve) een verblijfsvergunning regulier te verlenen aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling ‘afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’ is met ingang van 1 januari 2009 vervallen.

2. Amv’s

2.1. Algemeen

Amv’s van wie de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, moeten terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven en dat daar evenmin adequate opvang aanwezig is. Voor die gevallen is in artikel 3.56 Vb in een regeling voorzien, inhoudende dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. Ook na verlening van de verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de Amv in beginsel moet terugkeren.

De uitgangspunten van het in B14/2 neergelegde beleid zijn alleen van toepassing op Amv’s die een asielaanvraag hebben ingediend. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid wordt alleen ambtshalve verleend, dus niet op aanvraag (zie B14/2.4.1).

2.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning

Voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv gelden de volgende bijzondere cumulatieve voorwaarden (zie artikel 3.56 Vb):

2.2.1. Minderjarigheid

De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek wordt een persoon als minderjarig beschouwd, indien:

2.4.2. Toetsing ex nunc

Ongehuwd samenwonen (ook als er een samenlevingscontract is) leidt op zichzelf niet tot meerderjarigheid.

2.2.2. Alleenstaand

Het in B14/2 neergelegde beleid is niet van toepassing op de minderjarige asielzoeker of vreemdeling

2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek

Het belang van het herhaald leeftijdsonderzoek is erin gelegen dat zoveel mogelijk dient te worden tegengegaan dat vreemdelingen ten onrechte in het bezit zijn of worden gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv, of anderszins ten onrechte een behandeling als minderjarige krijgen, terwijl zij feitelijk meerderjarig zijn. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat bij een volledig uitgerijpt sleutelbeen een minimumleeftijd van twintig jaar wordt gehanteerd. Als deze conclusie bij een herhaald onderzoek wordt getrokken, zal dat vaak betekenen dat de vreemdeling al bij de eerste verlening van de vergunning voor verblijf als Amv meerderjarig was en de vergunning dus ten onrechte heeft verkregen. Het herhaald leeftijdsonderzoek is in dit kader dus een belangrijke aanvulling op het eerste leeftijdsonderzoek.

2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek

Bij de vaststelling of de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, worden de volgende omstandigheden in overweging genomen:

Zelfstandigheid wordt niet tegengeworpen indien de Amv ten tijde van de beslissing jonger is dan zestien jaar.

Indien de vreemdeling ten tijde van de beslissing zestien jaar of ouder is, is van belang of uit overige omstandigheden, die in de persoon zelf zijn gelegen, aannemelijk is dat hij zich zelfstandig kan handhaven in het buitenland, gerelateerd aan de ter plaatse geldende normen. Hiervan is sprake indien de betrokkene voor zijn komst naar Nederland voor zichzelf heeft gezorgd. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat de betrokkene in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan werk had en/of op zichzelf woonde en niet aannemelijk is dat dit serieuze problemen heeft opgeleverd, noch dat serieuze problemen te verwachten waren.

Het moet voorts gaan om werkzaamheden waarvan in redelijkheid mag worden verwacht dat een minderjarige die weer oppakt. Van minderjarigen die werkzaam waren in de prostitutie, als soldaat of strijder, of ten aanzien van wie sprake was van kinderarbeid, wordt niet verwacht dat zij deze werkzaamheden weer oppakken.

Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.

Indien de informatie niet voldoende geloofwaardig is, gezien de leeftijd of de ontwikkeling van de minderjarige, kan onderzoek wel geïndiceerd zijn ter aanvulling of verificatie van de overgelegde gegevens.

2.4.5. Aard van het verblijfsrecht

Onder adequate opvang wordt verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten.

Het bestaan van adequate opvang wordt in ieder geval aangenomen indien:

Hiervan is onder meer sprake als de meerderjarige de minderjarige al eerder begeleidde of verzorgde op meer dan incidentele basis.

Indien in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn, mag ervan worden uitgegaan dat er adequate opvang is. Daadwerkelijke plaatsing behoeft ten tijde van de beschikking niet te zijn geregeld.

2.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning

2.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning

Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.

2.3.1. De bepalingen van artikel 16 Vw

De afwijzingsgronden van artikel 16, eerste lid, onder d en e, Vw, zijn van toepassing (zie artikel 3.56, tweede lid, Vb, artikel 3.79 Vb, en B1/4.4 en B1/4.5).

De verblijfsvergunning wordt verleend voor een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.

Amv’s, die tijdens de procedure een mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land (zie B14/2.4.4) frustreren, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.

2.6.1. Gronden voor verlenging

Ook indien de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw en het relaas mede op grond daarvan als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan dit leiden tot de conclusie dat de betrokkene het onderzoek frustreert. Het bovenstaande kan ook worden tegengeworpen als de betrokkene jonger is dan vijftien jaar.

In iedere individuele zaak dient beoordeeld te worden of een herhaald onderzoek in het buitenland naar adequate opvang aangewezen is. Dit is ten eerste afhankelijk van de onderzoeksmogelijkheden in het betreffende land. Een herhaald onderzoek is voorts eerder aangewezen naarmate de vreemdeling jonger is. Een herhaald onderzoek wordt niet aangevraagd indien de vreemdeling bij ontvangst van het onderzoeksresultaat naar verwachting zeventien en een half jaar of ouder is.

2.4.1. Ambtshalve toets

2.6.2. Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding

De verlengingsaanvraag wordt conform B1/5.3.4 in beginsel niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.

2.6.3. Gronden voor afwijzing van de aanvraag tot verlenging

De aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv kan worden afgewezen, indien:

Indien getwijfeld wordt aan de leeftijd van de betrokken asielzoeker en deze zijn gestelde leeftijd niet met documenten heeft kunnen aantonen, kan de asielzoeker een leeftijdsonderzoek aanvragen. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek worden nader uitgewerkt in C11/3.4 en C14/6.1.

Het kan hier gaan om de volgende gevallen:

2.6.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

Het belang van het herhaald leeftijdsonderzoek is erin gelegen dat zoveel mogelijk dient te worden tegengegaan dat vreemdelingen ten onrechte in het bezit zijn of worden gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv, of anderszins ten onrechte een behandeling als minderjarige krijgen, terwijl zij feitelijk meerderjarig zijn. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat bij een volledig uitgerijpt sleutelbeen een minimumleeftijd van twintig jaar wordt gehanteerd. Als deze conclusie bij een herhaald onderzoek wordt getrokken, zal dat vaak betekenen dat de vreemdeling al bij de eerste verlening van de vergunning voor verblijf als Amv meerderjarig was en de vergunning dus ten onrechte heeft verkregen. Het herhaald leeftijdsonderzoek is in dit kader dus een belangrijke aanvulling op het eerste leeftijdsonderzoek.

Indien uit het resultaat van het herhaald leeftijdsonderzoek volgt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt teneinde op oneigenlijke gronden in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning, bijvoorbeeld als blijkt dat hij tijdens de oorspronkelijke aanvraagprocedure al meerderjarig moet zijn geweest, kan de vreemdeling op grond van artikel 59 Vw in bewaring worden gesteld.

Zolang in de periode tussen de beide leeftijdsonderzoeken geen uitsluitsel bestaat over de juiste leeftijd, krijgt de vreemdeling op dit punt het voordeel van de twijfel in de verdere procedure en wordt de oorspronkelijk opgegeven geboortedatum aangehouden. Dit is echter niet van toepassing indien de vreemdeling op belangrijke punten vage, summiere, tegenstrijdige of ongeloofwaardige verklaringen aflegt.

Indien de vreemdeling niet vooraf toestemming heeft gegeven voor een herhaald leeftijdsonderzoek (door middel van een toestemmingsverklaring in het verzoek om een leeftijdsonderzoek of anderszins), kan hij in het kader van een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning voor verblijf als amv, dan wel om verlening van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, opnieuw in de gelegenheid worden gesteld om een verzoek in te dienen voor een leeftijdsonderzoek.

Op grond van artikel 19 Vw kan de vergunning worden ingetrokken om redenen genoemd in B14/2.6.3 (gronden voor afwijzing van de verlenging).

2.8. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf

2.9. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Indien de vreemdeling op het moment van het indienen van de aanvraag óf het moment van beslissen op de aanvraag in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, zijnde een verblijfsrecht van tijdelijke aard, dan komt hij ingevolge het bepaalde in artikel 21, eerste lid, onder f, Vw, niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zijn uitgewerkt in B1/6.

De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in artikel 3.5 Vb.

In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend vóór 4 januari 2001, is het beleid van toepassing zoals dat gold vóór 4 januari 2001. Dit beleid is beschreven in B7/13 van de Vc (oud) en de Tussentijdse berichten vreemdelingencirculaire 1996/1, 2000/6 en 2000/7.

Op 4 januari 2001 heeft een wijziging plaatsgehad van het beleid inzake Amv’s.

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.

De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Het CWI zal alleen een TWV afgeven indien de arbeidsperiode binnen een tijdbestek van 52 weken niet meer dan in totaal 24 weken bedraagt.

In de gevallen waarin op of na 1 april 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend, is het beleid van toepassing zoals beschreven in de Vc.

De ingangsdatum is de dag waarop de vreemdeling voor het eerst aan de voorwaarden voldoet, maar valt niet voor de datum waarop de asielaanvraag is ingediend en ondertekend.

2.10.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen

In artikel 9.4 Vb is een overgangsregeling getroffen voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend onder het oude beleid inzake Amv’s en die inmiddels achttien jaar oud zijn. Deze vreemdelingen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16/3.3.3).

De verblijfsvergunning wordt verleend voor een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.

Op 20 juli 2004 is in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat het beleid inzake begeleide minderjarige vreemdelingen is gewijzigd. Amv’s, die worden begeleid of verzorgd door een meerderjarige anders dan hun ouder(s) of in het buitenland aangewezen voogd, worden niet langer als ‘begeleid’ aangemerkt.

In iedere individuele zaak dient beoordeeld te worden of een herhaald onderzoek in het buitenland naar adequate opvang aangewezen is. Dit is ten eerste afhankelijk van de onderzoeksmogelijkheden in het betreffende land. Een herhaald onderzoek is voorts eerder aangewezen naarmate de vreemdeling jonger is. Een herhaald onderzoek wordt niet aangevraagd indien de vreemdeling bij ontvangst van het onderzoeksresultaat naar verwachting zeventien en een half jaar of ouder is.

Daarnaast is herhaald onderzoek eerder aangewezen bij landen waarvoor weinig aannemelijk is (gegeven de sociale structuur van de samenleving) dat een minderjarige geen opvang heeft bij familie of instellingen. Herhaald onderzoek is in elk geval aangewezen indien:

Op grond van het Vb moet in de afhandeling onderscheid worden gemaakt naar vreemdelingen die nog minderjarig zijn en vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden. In de volgende subparagrafen wordt de toetsing beschreven.

Het hier beschreven bijzonder overgangsbeleid voor begeleide minderjarigen is alleen van toepassing op nog openstaande procedures waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 1 september 2005.

2.10.3.2. Uitgeprocedeerde minderjarigen

Indien een nog minderjarige vreemdeling, aan wie eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd omdat hij niet alleenstaand was, een nieuwe asielaanvraag indient, geldt het nieuwe beleid als novum voor wat betreft de ambtshalve toets. In dat geval wordt getoetst aan het huidige geldende beleid.

2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen

De ingangsdatum van deze vergunning kan op grond van artikel 44, tweede lid, Vw niet liggen vóór datum van de (nieuwe) aanvraag. Dit kan leiden tot ongewenste gevolgen. Zo kan het voorkomen dat de vreemdeling, indien hij in de eerste procedure in het bezit zou zijn gesteld van deze verblijfsvergunning, in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, terwijl die mogelijkheid er naar aanleiding van de tweede aanvraag niet meer is, omdat betrokkene op zijn achttiende verjaardag nog geen drie jaar in het bezit zal zijn van bedoelde vergunning. Teneinde het vorengenoemde ongewenste effect te voorkomen is een voorziening getroffen voor die vreemdelingen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook zij in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16).

De aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv kan worden afgewezen, indien:

Het kan hier gaan om de volgende gevallen:

Om dit te ondervangen is op grond van artikel 3.6, tweede lid, Vb een nieuw artikel 3.17a gevoegd in het VV. Hierdoor is het mogelijk geworden om ambtshalve, in het kader van een asielaanvraag, een verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.

2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen

Hierbij gelden de volgende (cumulatieve) voorwaarden:

Amv’s die in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv worden in het bezit gesteld van het verblijfsdocument conform bijlage 7f2 VV (W2-document), voor zover zij niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.

Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding

2.10. Overgangsrecht

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.

De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de artikelen 3.51 en 3.52 Vb, zijn uitgewerkt in B16/3.3.

De ingangsdatum is de dag waarop de asielaanvraag in de lopende procedure is ingediend.

Indien de vreemdeling op het moment van het indienen van de aanvraag óf het moment van beslissen op de aanvraag in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, zijnde een verblijfsrecht van tijdelijke aard, dan komt hij ingevolge het bepaalde in artikel 21, eerste lid, onder f, Vw, niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zijn uitgewerkt in B1/6.

De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van artikel 3.52 Vb. De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).

2.10.1. Toepasselijkheid van het beleid

Op 4 januari 2001 heeft een wijziging plaatsgehad van het beleid inzake Amv’s.

3.1. Algemeen

In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend in de periode van 4 januari 2001 tot en met 31 maart 2001, is het beleid van toepassing zoals beschreven in Tussentijds bericht vreemdelingencirculaire 2000/30.

3.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning

Het begrip ‘buiten hun schuld’ dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.

In artikel 9.4 Vb is een overgangsregeling getroffen voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend onder het oude beleid inzake Amv’s en die inmiddels achttien jaar oud zijn. Deze vreemdelingen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16/3.3.3).

Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Er zijn drie categorieën vreemdelingen die in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Deze categorieën worden hierna uitgewerkt.

Op 20 juli 2004 is in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat het beleid inzake begeleide minderjarige vreemdelingen is gewijzigd. Amv’s, die worden begeleid of verzorgd door een meerderjarige anders dan hun ouder(s) of in het buitenland aangewezen voogd, worden niet langer als ‘begeleid’ aangemerkt.

Vreemdelingen aan wie eerder een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv is geweigerd omdat zij begeleid werden, kunnen conform bovengenoemde brief een nieuwe asielaanvraag indienen. C10/2.5 is hierbij van toepassing. Deze aanvraag geeft recht op opvang gedurende de asielprocedure.

Voor wat betreft de ambtshalve toets geldt het nieuwe beleid als novum.

Op grond van het Vb moet in de afhandeling onderscheid worden gemaakt naar vreemdelingen die nog minderjarig zijn en vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden. In de volgende subparagrafen wordt de toetsing beschreven.

Het hier beschreven bijzonder overgangsbeleid voor begeleide minderjarigen is alleen van toepassing op nog openstaande procedures waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 1 september 2005.

Voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken komen tevens in aanmerking vreemdelingen op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, maar bij wie door het BMA is vastgesteld dat zij vanwege hun gezondheidstoestand blijvend niet kunnen reizen. Hieronder vallen tevens vreemdelingen bij wie door het BMA voorgeschreven fysieke overdracht aan een medische instelling dan wel behandelaar in het land van herkomst in aansluiting op de reis blijvend niet kan plaatsvinden, zodat zij vanwege hun gezondheidstoestand niet kunnen reizen.

Indien een nog minderjarige vreemdeling, aan wie eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd omdat hij niet alleenstaand was, een nieuwe asielaanvraag indient, geldt het nieuwe beleid als novum voor wat betreft de ambtshalve toets. In dat geval wordt getoetst aan het huidige geldende beleid.

3.2.3. Vrijstelling mvv

De ingangsdatum van deze vergunning kan op grond van artikel 44, tweede lid, Vw niet liggen vóór datum van de (nieuwe) aanvraag. Dit kan leiden tot ongewenste gevolgen. Zo kan het voorkomen dat de vreemdeling, indien hij in de eerste procedure in het bezit zou zijn gesteld van deze verblijfsvergunning, in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, terwijl die mogelijkheid er naar aanleiding van de tweede aanvraag niet meer is, omdat betrokkene op zijn achttiende verjaardag nog geen drie jaar in het bezit zal zijn van bedoelde vergunning. Teneinde het vorengenoemde ongewenste effect te voorkomen is een voorziening getroffen voor die vreemdelingen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook zij in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16).

2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen

De overgangsregeling van B16 kan niet van toepassing zijn op personen die op het moment van aanvraag inmiddels meerderjarig zijn geworden. Het is immers niet mogelijk een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake Amv’s te verlenen aan een meerderjarige en het is niet mogelijk een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ te verlenen aan een vreemdeling die niet reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning.

Om dit te ondervangen is op grond van artikel 3.6, tweede lid, Vb een nieuw artikel 3.17a gevoegd in het VV. Hierdoor is het mogelijk geworden om ambtshalve, in het kader van een asielaanvraag, een verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.

De verblijfsvergunning onder deze beperking kan worden verleend aan vreemdelingen aan wie in het verleden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd op grond van het feit dat zij niet alleenstaand waren en die inmiddels meerderjarig zijn.

Hierbij gelden de volgende (cumulatieve) voorwaarden:

Deze categorie is vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldige mvv.

Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding

In afwijking van B1/4.2 wordt de aanvraag niet afgewezen op de enkele grond dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.

De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.

De ingangsdatum is de dag waarop de asielaanvraag in de lopende procedure is ingediend.

De verblijfsvergunning wordt verleend voor één jaar.

De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van artikel 3.52 Vb. De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).

Voor de behandeling van de aanvraag is de vreemdeling leges verschuldigd.

Dit lijdt echter uitzondering indien de vreemdeling door middel van een begeleidende brief door de Minister is uitgenodigd een verblijfsvergunning op grond van dit beleid aan te vragen. Dit kan zich voordoen in die gevallen waarin gedurende het terugkeertraject door de DT&V wordt geconstateerd dat, ondanks de bereidwilligheid van de vreemdeling om mee te werken aan de eigen terugkeer, het niet lukt om de benodigde reisdocumenten ten behoeve van de terugkeer te verkrijgen.

3.4.5. Aard van het verblijfsrecht

In deze gevallen kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid.

De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in artikel 3.5 Vb.

Het begrip ‘buiten hun schuld’ dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.

3.2.1. Inleiding

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.

3.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning

De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling voor het eerst heeft voldaan aan de hierboven weergegeven voorwaarden voor verlening, maar niet eerder dan de datum waarop de (asiel)aanvraag is ingediend.

Vereist is dat de vreemdeling om bemiddeling van de DT&V heeft gevraagd. De DT&V zal door middel van een ambtsbericht aangeven aan de IND of al dan niet sprake is van buitenschuld.

De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.

3.6. Gezinshereniging en -vorming

3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken

Voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken komen tevens in aanmerking vreemdelingen op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, maar bij wie door het BMA is vastgesteld dat zij vanwege hun gezondheidstoestand blijvend niet kunnen reizen. Hieronder vallen tevens vreemdelingen bij wie door het BMA voorgeschreven fysieke overdracht aan een medische instelling dan wel behandelaar in het land van herkomst in aansluiting op de reis blijvend niet kan plaatsvinden, zodat zij vanwege hun gezondheidstoestand niet kunnen reizen.

In afwijking van het bepaalde in B1 wordt deze aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning, wordt hij vrijgesteld van het vereiste in het bezit te zijn van een geldige mvv.

De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.

3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken

De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3.1 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake buiten schuld.

De aanvraag kan ingevolge het bepaalde in artikel 16 Vw worden afgewezen indien:

3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning

Verder komt de vreemdeling niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien hij:

3.4. Procedurele bepalingen

De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de artikelen 3.51 en 3.52 Vb, zijn uitgewerkt in B16/3.1.4.1.

4. Driejarenbeleid in de asielprocedure

Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.

4.1. Inleiding

Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.

Indien de vreemdeling is uitgeprocedeerd, bijvoorbeeld omdat hij ten tijde van de asielprocedure niet kon aantonen dat hij in aanmerking kwam voor verblijf op grond van het beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, maar inmiddels meent dat hij aan de voorwaarden voldoet, kan hij de verblijfsvergunning regulier aanvragen bij de IND (zie artikel 3.33a VV en B1).

3.4.4. Leges

Voor de behandeling van de aanvraag is de vreemdeling leges verschuldigd.

Dit lijdt echter uitzondering indien de vreemdeling door middel van een begeleidende brief door de Minister is uitgenodigd een verblijfsvergunning op grond van dit beleid aan te vragen. Dit kan zich voordoen in die gevallen waarin gedurende het terugkeertraject door de DT&V wordt geconstateerd dat, ondanks de bereidwilligheid van de vreemdeling om mee te werken aan de eigen terugkeer, het niet lukt om de benodigde reisdocumenten ten behoeve van de terugkeer te verkrijgen.

3.4.5. Aard van het verblijfsrecht

4.3. Contra-indicaties

Er gelden de volgende contra-indicaties:

Voor de toepassing van deze grond is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie. Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid (zie B1/4.4), aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/4.10). Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal (zie B1/5.3.6).

4.3. Contra-indicaties

Deze contra-indicatie heeft voor het driejarenbeleid geen absoluut karakter in die zin dat altijd een verblijfsvergunning zal worden onthouden. Als de vreemdeling, na confrontatie met de bevindingen van de Minister (bijvoorbeeld op grond van een onderzoek van de Minister van BuZa) toegeeft dat hij op relevante (essentiële) onderdelen van zijn asielrelaas onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan hij vanaf dat moment relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid opbouwen. Dat geldt niet voor zaken waarin de vreemdeling de resultaten van het onderzoek betwist en vervolgens (op dit onderdeel van de procedure) in het ongelijk wordt gesteld. In dat geval blijft de vreemdeling in feite onjuiste gegevens verstrekken en staat dit (nog steeds) in de weg aan het opbouwen van relevant tijdsverloop.

2. Samenhang Vw en de Wav

Gelet op de systematiek van de Vw is het voeren van een procedure in een ander land in het algemeen een afwijzingsgrond voor de asielaanvraag. Zolang de procedure in het andere land nog niet is afgerond, neemt de relevante periode voor het driejarenbeleid nog geen aanvang. De reden hiervoor is dat de vreemdeling het in eigen hand heeft om een van de procedures te beëindigen. Zaken waarin wordt geprocedeerd over de vaststelling van de verantwoordelijkheid van een ander land voor de asielaanvraag (op grond van artikel 30, eerste lid, onder a of d, Vw) leveren geen relevante periode op voor het driejarenbeleid, omdat dan door het aanwenden van rechtsmiddelen de verantwoordelijkheid automatisch op Nederland zou overgaan, hetgeen niet in overeenstemming is met het karakter van de onderliggende procedure. In het geval de rechter heeft vastgesteld dat Nederland wel de asielaanvraag moet behandelen, en dus af moet zien van een overdracht van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag, telt de gehele aan die uitspraak voorafgaande procedure mee voor de bepaling van de termijn.

4.4.1. Aanvang termijn

3.6. Gezinshereniging en -vorming

4.4.1. Aanvang termijn

De termijn gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de asielaanvraag door middel van het formulier als bedoeld in artikel 3.108 Vb (zie C11/1.1.1).

4.4. Berekening termijn

4.4.1. Aanvang termijn

Gelet op het bepaalde in artikel 3.13 Vb kunnen deze gezinsleden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat van hen in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de periode dat er voor de hoofdpersoon sprake is van een situatie dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘verblijf bij....(naam hoofdpersoon)’ met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon.

De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.

3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning

Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.

3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf

Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.

Indien gedurende de looptijd van in totaal drie jaar nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit blijkt dat de vreemdeling zich redelijkerwijs alsnog kan begeven naar zijn land van herkomst of een ander land, dient tot intrekking of niet-verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te worden overgegaan.

3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf

De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de artikelen 3.51 en 3.52 Vb, zijn uitgewerkt in B16/3.1.4.1.

In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn buiten beschouwing blijft periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de Korpschef dan wel de Visadienst een verklaring heeft gekregen die recht geeft op terugkeer naar Nederland en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. Datzelfde geldt, indien de vreemdeling bijvoorbeeld na afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening uit Nederland vertrekt en daarmee voldoet aan de op hem rustende vertrekplicht, maar de rechtbank zijn beroep vervolgens alsnog gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. Ook dan ligt het niet voor de hand het verblijf buiten Nederland tegen te werpen. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.

4.1. Inleiding

Met ingang van 1 januari 2003 is het driejarenbeleid afgeschaft, onder handhaving van het bestaande beleid als overgangsrecht voor aanvragen die op dat moment drie jaar oud waren. Een aanspraak op het driejarenbeleid ontstaat pas op het moment dat de driejarentermijn is vol gemaakt. Aanvragen, ontvangen op 1 januari 2000 of latere datum, komen dus niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking voor inwilliging.

Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.

4. Driejarenbeleid in de asielprocedure

Toetsing aan het driejarenbeleid komt pas aan de orde als de individuele situatie van de aanvrager geen aanleiding geeft om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. De termijn van drie jaar wordt alleen aan de asielaanvraag gekoppeld. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). Daarbij kan gedacht worden aan het (telkenmale) aandragen van informatie die moet worden onderzocht (zie B14/4.4 over de berekening van de termijn).

Op grond van artikel 3.61 Vb (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) kon de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren. De verblijfsvergunning kon op grond van artikel 3.6 Vb (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) ambtshalve worden verleend. Beide bepaling worden nog toegepast in die gevallen waarin op grond van het overgangsrecht een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid wordt verleend.

4.6. Beperking en arbeidsmarktaantekeningen

Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

In de toelichting op artikel 3.6 Vb werd aangegeven dat in het geval de in dit artikel bedoelde vergunning niet ambtshalve wordt verleend en de vreemdeling zich daar niet mee kan verenigen, deze de eventuele gronden tegen de niet-verlening van de hier bedoelde verblijfsvergunning bij voorkeur in beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag aanvoert. Dit is van belang voor de voortgang van de verblijfsrechtelijke procedure en de samenhang met de asielprocedure.

4.6. Beperking en arbeidsmarktaantekeningen

Voor de toepassing van deze grond is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie. Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid (zie B1/4.4), aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/4.10). Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal (zie B1/5.3.6).

5. Vervolging van mensenhandel

Deze contra-indicatie heeft voor het driejarenbeleid geen absoluut karakter in die zin dat altijd een verblijfsvergunning zal worden onthouden. Als de vreemdeling, na confrontatie met de bevindingen van de Minister (bijvoorbeeld op grond van een onderzoek van de Minister van BuZa) toegeeft dat hij op relevante (essentiële) onderdelen van zijn asielrelaas onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan hij vanaf dat moment relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid opbouwen. Dat geldt niet voor zaken waarin de vreemdeling de resultaten van het onderzoek betwist en vervolgens (op dit onderdeel van de procedure) in het ongelijk wordt gesteld. In dat geval blijft de vreemdeling in feite onjuiste gegevens verstrekken en staat dit (nog steeds) in de weg aan het opbouwen van relevant tijdsverloop.

Uit het gedrag van de vreemdeling moet blijken dat hij kennelijk geen belang meer hecht aan de beslissing op zijn oorspronkelijke aanvraag door (bijvoorbeeld) zijn adres met onbekende bestemming te verlaten of geen contact meer te houden met de bevoegde autoriteiten. Overigens geldt als voorwaarde voor toepassing van deze afwijzingsgrond niet dat de vreemdeling een meldplicht had. De tijd die verstreken is voordat de vreemdeling met onbekende bestemming vertrok, telt niet mee voor het berekenen van de relevante termijn. Pas op het moment dat de vreemdeling zich weer bij de bevoegde autoriteiten meldt, gaat er een nieuwe termijn lopen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)