Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

Type Circulaire
Publication 2026-08-07
Laatst bijgewerkt 2026-08-11
State In force
Source BWB
artikelen 10
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

3.2.4. Het bescheid rechtmatig verblijf

In het geval het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding brengt de politie daarin de sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen aan (bijlage 7g VV). Op de sticker wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.

3.2.5. Meldplicht

Gedurende de bedenktijdfase dient het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij/zij administratief is ondergebracht.

3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel

De politie meldt het feit dat een vermoedelijk slachtoffer is aangetroffen en gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel.

4.2.3. Medisch onderzoek

Ook de gevallen, waarbij het Coördinatiecentrum Mensenhandel niet betrokken is bij de opvang en huisvesting dienen voor registratie bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel te worden aangemeld.

4.2.4. Rechtshulp

Het COA beëindigt de verstrekking van de uitkering krachtens de Rvb, indien:

4.3. Wens tot vertrek na aangifte

De Korpschef wijst aanspreekpersonen aan binnen zijn korps die de contacten met de zorgcoördinator onderhouden en centraal aanspreekbaar zijn binnen het opsporingsonderzoek.

4.2.2. Opvang

Voor het organiseren van eerste opvang buiten kantooruren kan de politie een beroep doen op de regionale Meldpunten Vrouwenopvang. Wordt het vermoedelijke slachtoffer buiten kantooruren door de politie geplaatst, dan meldt hij dit, met spoed, eveneens aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgens kan het Coördinatiecentrum Mensenhandel dan beoordelen of de opvangfaciliteit geschikt is voor een langere tijd.

3.2.8. Kosten van levensonderhoud

13. Slachtoffers van mensenhandel die geen medewerking verlenen aan opsporing en vervolging

Gedurende de bedenktijd is het verrichten van arbeid niet toegestaan. De verklaring op de tweede bladzijde van het aanvraagformulier wordt voor de verzending ingevuld door de politie. Het aanvraagformulier wordt door de politie voorzien van een stempel. De vreemdeling die gebruik wenst te maken van de regeling stuurt het formulier na ontvangst zo spoedig mogelijk toe aan het COA.

3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven

Het aanvraagformulier wordt eenmalig verstrekt en is geldig gedurende de drie maanden bedenktijd.

3.2.9. Medische bijstand en rechtshulp

De zorgcoördinator is eindverantwoordelijk voor de opvang van het vermoedelijke slachtoffer gedurende de bedenktijdfase. De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het vermoedelijke slachtoffer in staat wordt gesteld zich medisch te laten onderzoeken en, zich zonodig, te laten behandelen. Met het oog op de mogelijke latere afgifte van een verblijfsvergunning dient een TBC-onderzoek onderdeel uit te maken van dit medisch onderzoek.

De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. Indien het noodzakelijk blijkt voor het geven van juridisch advies gedurende de bedenktijdfase een rechtshulpverlener in te schakelen, ontvangt deze hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.

De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.

De bedenktijdfase eindigt:

De politie meldt dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de politie heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.

De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling afziet van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De bedenktijd eindigt op de datum dat betrokkene afziet van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een opsporings- of vervolgingsonderzoek. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.

Indien tijdens of na de bedenktijdfase aangifte ter zake van mensenhandel wordt gedaan of medewerking wordt verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte, is het beleid als genoemd in B9/4 direct van toepassing.

De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling aangifte van mensenhandel heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De IND informeert vervolgens het COA inzake de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.

Indien de vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning (anders dan op grond van dit hoofdstuk) indient of heeft ingediend, is het ter zake geldende beleid van toepassing. De procedures beschreven in dit hoofdstuk zijn niet langer van toepassing op deze vreemdeling.

Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag per fax door de politie aan de IND is gezonden te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, alvorens op de aanvraag kan worden beslist (zie B9/6.1).

Geeft het vermoedelijke slachtoffer gedurende of na de bedenktijdfase aan af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte, of loopt de bedenktijdfase af zonder dat er aangifte is gedaan of op andere wijze medewerking is verleend, dan wordt daarmee de opschorting van het vertrek opgeheven. De (vreemdelingen)politie informeert de DT&V hierover. De vreemdeling dient Nederland uit eigen beweging te verlaten (zie artikel 61 en 62 Vw). Daarbij verdient het aandacht dat in de reis- of identiteitspapieren van de vreemdeling die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn nimmer aantekeningen omtrent de verwijdering mogen worden geplaatst.

De DT&V regelt het vertrek en zorgt voor de benodigde papieren (indien noodzakelijk regelt de DT&V een laissez-passer). De DT&V en de zorgcoördinator kunnen bij vertrek ook bemiddeling vragen aan de IOM.

De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.

De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de politie per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.

De aangifte van mensenhandel schort de verwijdering van de getuige-aangever uit Nederland op. De opschorting van de verwijdering geldt totdat het OM heeft beslist of de aangifte aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen.

De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf (bijlage 7g VV) aan het slachtoffer van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.

Gedurende de opschorting van de verwijdering dient de getuige-aangever zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij of zij administratief is ondergebracht. De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie waar de eerste melding is geregistreerd in kennis of aan de meldingsplicht is voldaan.

6.4. Bescheid rechtmatig verblijf

De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf (bijlage 7g VV) aan de getuige-aangever van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.

Indien een slachtoffer heeft gebruikgemaakt van de bedenktijdfase en een Rvb-verstrekking heeft ontvangen, is het onderstaande van belang.

Het COA beëindigt de verstrekking van de uitkering krachtens de Rvb, indien:

Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de RvB vanaf de datum waarop de vertrektermijn van het slachtoffer eindigt.

7.1. Beslissing op de aanvraag

De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de politie per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.

8.1. Slachtoffer

6.4. Bescheid rechtmatig verblijf

Na afgifte van de verblijfsvergunning kan het slachtoffer gedurende het verblijf op grond van de in dit hoofdstuk beschreven procedure gebruik maken van de mogelijkheden voor het volgen van een opleiding en voor vrije tijdsbesteding. De zorgcoördinator beschikt over de informatie van het aanbod in de regio.

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: ‘onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9, arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

De zorgcoördinator ziet toe op het regelen van het medische onderzoek. Indien het slachtoffer nog geen TBC-keuring heeft ondergaan, dient een TBC-keuring onderdeel uit te maken van dit medische onderzoek.

4.2.4. Rechtshulp

De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek. Indien juridisch advies noodzakelijk blijkt, kan een rechtshulpverlener worden ingeschakeld. De rechtshulpverlener ontvangt hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.

Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.

Doet het vermoedelijke slachtoffer aangifte of verleent hij op andere wijze medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, maar geeft hij of zij te kennen uit Nederland te willen vertrekken, dan meldt de politie dit aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. Indien het vermoedelijke slachtoffer bereid is te getuigen in het proces tegen de verdachte, neemt de contactpersoon mensenhandel van de IND contact op met het OM. Acht het OM het voor de procesgang tegen de verdachte noodzakelijk dat betrokkene als getuige (ter zitting) kan worden gehoord, dan worden daar in overleg met de aangever nadere afspraken over gemaakt. Het verdient aanbeveling om, indien mogelijk, voorafgaande aan het vertrek contact op te nemen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel, zodat er afspraken kunnen worden gemaakt met NGO’s in de landen van herkomst. NGO’s kunnen in dit geval een dubbele functie vervullen. Zij kunnen het vermoedelijke slachtoffer bijstaan bij het reïntegreren na terugkeer en het zorgen voor het in stand houden van de contacten tussen het vermoedelijke slachtoffer en de betreffende Nederlandse instanties.

De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, indien:

Ad a Getuige-aangevers kunnen vreemdelingen zijn die zelf werkzaam zijn in dezelfde sector als het slachtoffer. Tevens kunnen het personen zijn, die werkzaam zijn buiten deze sector en die kennis dragen van mensenhandel. Alleen de getuige-aangevers die geen geldige verblijfstitel hebben in Nederland kunnen rechten ontlenen aan de in dit hoofdstuk omschreven procedure. Op hen is de bedenktijd als omschreven in B9/3.2 niet van toepassing omdat de bedenktijd naar zijn aard bedoeld is om een slachtoffer uit de strafbare situatie te halen en de gelegenheid te bieden om op adem te komen en een weloverwogen beslissing tot aangifte te kunnen laten nemen.

2.2. Mvv-vereiste

8.2. Getuige-aangever

De getuige-aangever van mensenhandel is geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag op grond van artikel 3.48 Vb (zie artikel 3.34b, eerste lid, onder a, VV).

Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.

Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.

De aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze is doorgestuurd naar de IND.

9.1. Slachtoffer

7.3. Afgifte van het verblijfsdocument

Bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag dient de IND bij het OM na te gaan of er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek dan wel of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte heeft plaatsgevonden.

De aangifte van mensenhandel schort de verwijdering van de getuige-aangever uit Nederland op. De opschorting van de verwijdering geldt totdat het OM heeft beslist of de aangifte aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen.

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland noodzakelijk acht. Indien het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.

Gedurende de opschorting van de verwijdering dient de getuige-aangever zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij of zij administratief is ondergebracht. De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie waar de eerste melding is geregistreerd in kennis of aan de meldingsplicht is voldaan.

6.4. Bescheid rechtmatig verblijf

De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf (bijlage 7g VV) aan de getuige-aangever van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.

De aanvraag wordt niet afgewezen:

Zolang er nog geen beslissing is op het verzoek om de verblijfsvergunning kan een getuige-aangever aanspraak maken op de Rvb. Een getuige-aangever die in verband met de aangifte gevaar loopt, kan daarbij aanspraak maken op opvang. De politie neemt contact op met het Coördinatiecentrum Mensenhandel indien om een veilige locatie wordt verzocht.

7. De beslissing

Op grond van artikel 3.34e, onder c, VV is het slachtoffer of de getuige-aangever die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, Vb, geen leges verschuldigd.

10. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex artikel 3.52 Vb

Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag per fax door de politie aan de IND is gezonden te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, alvorens op de aanvraag kan worden beslist (zie B9/6.1).

9. Verlenging

Indien een slachtoffer of een getuige-aangever – aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan – van oordeel is dat het verblijf dient te worden voortgezet om onaanvaardbare gevolgen bij terugzending te voorkomen, kan hij een beroep doen op artikel 3.52 Vb. In B16 is nader uitgewerkt op welke gronden en in welke situaties een vreemdeling voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van 3.52 Vb in aanmerking komt.

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: ‘onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9, arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

7.3. Afgifte van het verblijfsdocument

Het verblijfsdocument wordt afgegeven door de politie onder wiens administratieve verantwoordelijkheid het slachtoffer of de getuige-aangever valt (zie B9/3.2.2).

Indien het noodzakelijk is, kan de politie het slachtoffer of de getuige-aangever begeleiden bij het ophalen van het verblijfsdocument.

De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer of de getuige-aangever is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in artikel 3.50 Vb, aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie artikel 3.5, tweede lid, onder a en o, Vb en B16).

De verblijfsvergunning is tijdelijk van aard. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan niet worden verlengd. Na een jaar kan het slachtoffer een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (B16/4.9). De vreemdeling kan er ook voor kiezen om tussentijds of na een jaar alsnog aangifte te doen dan wel anderszins medewerking te verlenen aan de opsporing en vervolging van de mensenhandelaar en op die grond een tijdelijke verblijfsvergunning te verkrijgen.

10. EU-recht

Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan en hiertegen geen beroep in cassatie is ingesteld, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan het slachtoffer van mensenhandel.

De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.

1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag

Op grond van artikel 3.34b, onder k en m, VV zijn het slachtoffer van mensenhandel en de minderjarige kinderen van het slachtoffer van mensenhandel geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag.

1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag

Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.

1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen

In artikel 1, aanhef en onder e, Vw wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:

9.1. Slachtoffer

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. De geldigheid van de verblijfsvergunning wordt niet verlengd indien er geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.

1.1. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten

De bijzondere bepalingen die gelden voor onderdanen van staten waarmee de EU een associatie- of samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, zijn vermeld in B11.

1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag

9.3. Plaats van indienen van de aanvraag

De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van hetzij de slachtoffer-aangever, hetzij de getuige-aangever kan rechtstreeks bij de IND worden ingediend (zie artikel 3.33b VV).

In dit hoofdstuk zullen de termen ‘Burger van de Unie’, ‘onderdaan van de EER’ en ‘onderdaan van een derde land’ worden gebruikt. ‘Burger van de Unie’ is de term die wordt gebruikt voor iedere onderdaan van een lidstaat van de EU. ‘Onderdaan van de EER’ wordt gebruikt voor iedere onderdaan van de EU en van IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Het gezinslid, dat zelf geen onderdaan is van de EU of EER, valt niet onder deze termen. Voor zover een regel ook betrekking heeft op het gezinslid van een burger van de Unie, onderdaan van de EER of onderdaan van Zwitserland, en zelf niet de nationaliteit heeft van één van deze lidstaten, wordt dit expliciet vermeld. ‘Onderdaan van een derde land’ is iedereen die geen burger van de Unie is of onderdaan van een EER- lidstaat of van Zwitserland.

De aanvraag wordt niet afgewezen:

Indien het slachtoffer of de getuige-aangever van mensenhandel niet over een paspoort beschikt, dient hij een paspoort aan te vragen bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Het bepaalde in B1/4.2 is vervolgens van toepassing.

Deze Overeenkomst is gesloten tussen Zwitserland en de onder B10/1.2 genoemde partijen.

Op grond van artikel 3.34e, onder c, VV is het slachtoffer of de getuige-aangever die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, Vb, geen leges verschuldigd.

In artikel 1, aanhef en onder e, Vw wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:

4.2.2. Voldoende middelen van bestaan

Dat is anders indien betrokkene tijdig een aanvraag doet om wijziging van de verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de in dat kader gestelde voorwaarden is voldaan. Betrokkene dient dan een wijziging van de vergunning aan te vragen. Het gaat hier om een aanvraag die niet gerelateerd is aan de B9-procedure.

Indien een slachtoffer of een getuige-aangever – aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan – van oordeel is dat het verblijf dient te worden voortgezet om onaanvaardbare gevolgen bij terugzending te voorkomen, kan hij een beroep doen op artikel 3.52 Vb. In B16 is nader uitgewerkt op welke gronden en in welke situaties een vreemdeling voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van 3.52 Vb in aanmerking komt.

Burgers van de Unie, onderdanen van de EER, Zwitserse onderdanen, alsmede hun gezinsleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, worden allen aangeduid als ‘gemeenschapsonderdanen’. Gemeenschapsonderdanen zijn echter niet in alle gevallen ook burgers van de Unie. Zo zijn de gezinsleden van de burger van de Unie, onderdaan van de EER of Zwitserland die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van deze staten bezitten, wel gemeenschapsonderdaan doch niet burger van de Unie.

Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:

Op deze aanvraag zijn de algemene toelatingsvoorwaarden als verwoord in artikel 16 Vw en de algemene bepalingen van B2 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen in zake het middelenvereiste.

Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van het slachtoffer of de getuige-aangever, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van het slachtoffer of de getuige-aangever.

2. Algemeen

De kring van familieleden die aan de richtlijn het (accessoire) recht op vrij verkeer ontlenen, omvat de volgende personen:

2.3. Meldplicht bij de Korpschef

Het bovenstaande moet worden aangetoond door:

In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in artikel 16 Vw wordt de aanvraag niet afgewezen:

2.3. Meldplicht bij de Korpschef

Op grond van artikel 3.34b, onder k en m, VV zijn het slachtoffer van mensenhandel en de minderjarige kinderen van het slachtoffer van mensenhandel geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag.

2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat

2. Algemeen

De verblijfsvergunning is tijdelijk van aard. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan niet worden verlengd. Na een jaar kan het slachtoffer een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (B16/4.9). De vreemdeling kan er ook voor kiezen om tussentijds of na een jaar alsnog aangifte te doen dan wel anderszins medewerking te verlenen aan de opsporing en vervolging van de mensenhandelaar en op die grond een tijdelijke verblijfsvergunning te verkrijgen.

Voor de regels met betrekking tot toegang van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en hun familieleden of gezinsleden wordt verwezen naar A2/6.2.2.2.

De vreemdeling, die reeds in Nederland verblijft en stelt rechten te ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, maar geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, heeft overgelegd noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om dit over te leggen. Hiervoor dient een redelijke termijn te worden gegeven van twee weken.

4.2.2. Voldoende middelen van bestaan

Familieleden of gezinsleden van hier te lande verblijvende onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, die niet zelf onderdaan van genoemde landen zijn maar afkomstig zijn uit een visumplichtig derde land (niet afkomstig uit een land genoemd in bijlage 2 VV) en die niet beschikken over een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, kunnen Nederland zonder mvv inreizen indien zij het familielid begeleiden of indien zij zich alhier bij hemzullen voegen. De familieleden of gezinsleden dienen dan wel in het bezit te zijn van een visum kort verblijf. Dit visum zal versneld en kosteloos worden verstrekt. Dus ook indien een visumplichtig familielid of gezinslid voor een verblijf bij de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland van langer dan drie maanden naar Nederland komt, hoeft hij niet in het bezit te zijn van een mvv. Hij hoeft in dat geval slechts in het bezit te zijn van een visum kort verblijf om te kunnen inreizen. Voor de te volgen visumprocedure wordt verwezen naar A2/6.2.2.2.

2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden

Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van EU- of EER- lidstaat of onderdaan van Zwitserland. Deze nemen een andere positie in dan de burgers van de Unie en artikel 18 EG-Verdrag is op hen niet van toepassing (zie verder B10/5).

Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Noord- Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. Voor het toepasselijke overgangsrecht (zie B10/8).

2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat

Om met succes beroep te kunnen doen op het gestelde in artikel 8.7 Vb en verder, dienen EU/EER onderdanen of Zwitserse onderdanen een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen dan wel op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) hun identiteit en nationaliteit aan te tonen. De identiteitskaart of het paspoort dient overeenkomstig de wetgeving in de Lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, te zijn verstrekt. Hierop dient de nationaliteit van de onderdaan van de Lidstaat te zijn vermeld. Het enkele verlopen van de identiteitskaart of paspoort gedurende het rechtmatig verblijf in Nederland leidt niet tot verblijfsbeëindiging.

2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden

Indien de vreemdeling hieraan geen gevolg geeft, is niet vastgesteld dat hij de nationaliteit heeft van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland. Hij verblijft daarmee niet rechtmatig in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw in Nederland. Op grond van artikel 61, eerste lid, Vw dient de vreemdeling met inachtneming van artikel 62 Vw Nederland uit eigen beweging te verlaten. Wanneer hij dat niet doet, kan hij ingevolge artikel 63 Vw worden uitgezet door of namens de Minister (zie B10/7.1).

Deze Overeenkomst is gesloten tussen Zwitserland en de onder B10/1.2 genoemde partijen.

1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen

In artikel 1, aanhef en onder e, Vw wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:

Een Nederlander is in beginsel niet aan te merken als gemeenschapsonderdaan, tenzij wordt vastgesteld dat betrokkene (ook) verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht. Hierbij kan worden gedacht aan een in Nederland gevestigde Nederlander die vanuit Nederland diensten verricht ten behoeve van dienstenontvangers in een andere lidstaat. Gemeenschapsonderdaan is ook de Nederlander die in een andere lidstaat gevestigd is geweest met het oog op het verrichten van economische activiteiten en zich nadien weer in Nederland heeft gevestigd en zijn economische activiteiten hier te lande voortzet (zie B10/3.4, B10/5.3.1, B10/5.3.2 en B10/5.4.2).

1.6. Terminologie

2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf

Burgers van de Unie, onderdanen van de EER, Zwitserse onderdanen, alsmede hun gezinsleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, worden allen aangeduid als ‘gemeenschapsonderdanen’. Gemeenschapsonderdanen zijn echter niet in alle gevallen ook burgers van de Unie. Zo zijn de gezinsleden van de burger van de Unie, onderdaan van de EER of Zwitserland die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van deze staten bezitten, wel gemeenschapsonderdaan doch niet burger van de Unie.

Onderdanen van EU/EER-lidstaten en van Zwitserland hebben onder bepaalde voorwaarden het recht om voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland te verblijven als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student (zie artikel 8.12 Vb). Dat recht hebben zij uiteraard ook direct na inreis indien zij op dat moment aan de voorwaarden voldoen. Zij worden in geen geval verwijderd indien de burger van de Unie arbeid als zelfstandige of in loondienst verricht of naar Nederland is gekomen om werk te vinden, nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om dat te vinden. Onder bepaalde voorwaarden gaat het verblijfsrecht niet verloren door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, overlijden of vertrek van de persoon bij wie het familielid verbleef, of echtscheiding of beëindiging van het geregistreerde partnerschap.

2.7. Wav

Ingevolge artikel 17, eerste lid, EG-Verdrag is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie. Artikel 17, tweede lid, EG-Verdrag bepaalt voorts dat de burgers van de Unie de rechten genieten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld. Zij hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld (zie artikel 18 EG-Verdrag). Burgers van de Unie en hun gezinsleden ontlenen hun aanspraak op verblijf rechtstreeks aan het EG-Verdrag en de daaruit voortvloeiende Richtlijnen en Verordeningen. Het verblijfsrecht van burgers van de Unie ontstaat en vervalt van rechtswege. Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben aan de burger van de Unie gelijkwaardige rechten. Het verblijfsrecht van burgers van de Unie, onderdanen van de EER en van Zwitserland wordt op voorhand aangenomen, dus zonder tussenkomst van de Nederlandse overheid en zonder dat daadwerkelijk een besluit behoeft te worden genomen. Als regel geldt dat zij hier te lande wel verblijfsrecht hebben, maar niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument.

2.5. Rechtmatig verblijf

De kring van familieleden die aan de richtlijn het (accessoire) recht op vrij verkeer ontlenen, omvat de volgende personen:

De richtlijn bepaalt voorts dat binnenkomst en verblijf worden vergemakkelijkt voor de volgende categorieën van personen:

In alle gevallen dient het om een (nog immer) bestaande relatie te gaan.

3. Economisch actieven

De vreemdeling die onderdaan is van de EU, EER of Zwitserland, die in het bezit is van een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart van een lidstaat toont daarmee aan burger te zijn van de Unie. Deze vreemdeling wordt daarom geacht verblijfsrecht te ontlenen aan het gemeenschapsrecht en daarmee als gemeenschapsonderdaan rechtmatig hier te lande te verblijven in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw, zolang en indien onderzoek niet heeft uitgewezen dat zulks niet het geval is. Dergelijk onderzoek is uitsluitend toegestaan indien er redelijke twijfel bestaat of aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in de situatie waarin een economisch niet-actieve die het bewijs heeft geleverd dat hij aan de voorwaarden van artikel 7, eerste lid, onder b, van de richtlijn voldoet, of een van zijn familieleden, enige tijd na inschrijving niettemin een aanvraag indient voor bijstand. Of de situatie waarin een student die heeft verklaard over voldoende middelen van bestaan te beschikken na inschrijving toch een beroep doet op de bijstand of studiefinanciering voor het levensonderhoud. Ook kan gedacht worden aan een werknemer die door middel van een werkgeversverklaring heeft aangetoond over voltijds werk voor tenminste een jaar te beschikken, maar die binnen dat jaar een beroep doet op volledige bijstand of die zijn werk tijdens of kort na de wettelijke proeftijd, en derhalve ruim binnen het jaar, opgeeft en vervolgens een beroep doet op studiefinanciering voor het levensonderhoud voor een studie die geen verband houdt met zijn voorafgaande beroepsactiviteit. Ook valt te denken aan situaties waarin een familielid, dat niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezit, na vertrek van degene van wie zijn verblijfsrecht afhankelijk was of na diens overlijden, beroep doet op de bijstand. In al deze gevallen kan het verblijf, in geval is vastgesteld dat niet langer aan de relevante voorwaarden voor verblijf is voldaan, per beschikking worden beëindigd. Van een automatische beëindiging van het verblijf kan daarbij echter geen sprake zijn.

Vanzelfsprekend geldt bij het vorenstaande dat bedoeld onderzoek door de Minister zich richt op de door de betrokken burger daartoe verschafte gegevens en bescheiden, ter onderbouwing van diens stelling dat hij een verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, en voor zover die bescheiden ingevolge de ter zake geldende regels van gemeenschapsrecht mogen worden verlangd (zie B10/5.2).

3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden

Slechts het duurzame verblijfsrecht van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, blijkt uit een op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’.

2.1. Toegang tot Nederland

3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid

Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.

Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland zijn vrijgesteld van de plicht te beschikken over een geldige mvv. De vrijstelling van het mvv-vereiste geldt eveneens indien een familielid van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’ toont.

Familieleden of gezinsleden van hier te lande verblijvende onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, die niet zelf onderdaan van genoemde landen zijn maar afkomstig zijn uit een visumplichtig derde land (niet afkomstig uit een land genoemd in bijlage 2 VV) en die niet beschikken over een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, kunnen Nederland zonder mvv inreizen indien zij het familielid begeleiden of indien zij zich alhier bij hemzullen voegen. De familieleden of gezinsleden dienen dan wel in het bezit te zijn van een visum kort verblijf. Dit visum zal versneld en kosteloos worden verstrekt. Dus ook indien een visumplichtig familielid of gezinslid voor een verblijf bij de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland van langer dan drie maanden naar Nederland komt, hoeft hij niet in het bezit te zijn van een mvv. Hij hoeft in dat geval slechts in het bezit te zijn van een visum kort verblijf om te kunnen inreizen. Voor de te volgen visumprocedure wordt verwezen naar A2/6.2.2.2.

3. Economisch actieven

Richtlijn 2004/38 voorziet, ter voorkoming van misbruik, in de mogelijkheid voor lidstaten van de burgers van de Unie te verlangen het bewijs te leveren dat zij voldoen aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden. In Nederland is voor EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland voorzien in een verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie, waarbij de in het VV omschreven bewijzen moeten worden overgelegd. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven. Aan de inschrijving in de vreemdelingenadministratie en afgifte van een verklaring van inschrijving zijn geen leges verbonden. Ingevolge artikel 8.12, vierde lid, Vb is deze aanmelding tot inschrijving verplicht. Het niet voldoen aan deze verplichting is in artikel 108 Vw strafbaar gesteld.

Onderdanen van de EU, EER, en van Zwitserland zijn niet verplicht hun aanwezigheid te melden bij de autoriteiten belast met toezicht. Indien zij verblijf beogen van langer dan drie maanden zijn zij wel verplicht zich aan te melden ter inschrijving bij de IND (zie artikel 8.12, vierde lid, Vb).

Iedere EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland die reële en daadwerkelijke arbeid al dan niet in loondienst verricht, heeft rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw en wordt aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het begrip reële en daadwerkelijke arbeid moet volgens vaste jurisprudentie ruim uitgelegd worden. De omvang van de arbeid mag niet zo gering zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG, 23 maart 1982, Levin; 3 juni 1986, Kempf) blijkt echter, dat dit niet inhoudt dat het om een voltijds baan moet gaan, noch dat de inkomsten ten minste ter hoogte zijn van het minimumloon. Een gemeenschapsonderdaan, die werkzaamheden verricht die zijn aan te merken als reële en daadwerkelijke arbeid, kan bovendien naar de mening van het Hof een aanvullend beroep doen op de publieke middelen. Het criterium ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ wordt zowel op arbeid in loondienst als op arbeid als zelfstandige toegepast.

Om met succes beroep te kunnen doen op het gestelde in artikel 8.7 Vb en verder, dienen EU/EER onderdanen of Zwitserse onderdanen een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen dan wel op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) hun identiteit en nationaliteit aan te tonen. De identiteitskaart of het paspoort dient overeenkomstig de wetgeving in de Lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, te zijn verstrekt. Hierop dient de nationaliteit van de onderdaan van de Lidstaat te zijn vermeld. Het enkele verlopen van de identiteitskaart of paspoort gedurende het rechtmatig verblijf in Nederland leidt niet tot verblijfsbeëindiging.

De vreemdeling, die reeds in Nederland verblijft en stelt rechten te ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, maar geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, heeft overgelegd noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om dit over te leggen. Hiervoor dient een redelijke termijn te worden gegeven van twee weken.

Indien de vreemdeling hieraan geen gevolg geeft, is niet vastgesteld dat hij de nationaliteit heeft van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland. Hij verblijft daarmee niet rechtmatig in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw in Nederland. Op grond van artikel 61, eerste lid, Vw dient de vreemdeling met inachtneming van artikel 62 Vw Nederland uit eigen beweging te verlaten. Wanneer hij dat niet doet, kan hij ingevolge artikel 63 Vw worden uitgezet door of namens de Minister (zie B10/7.1).

Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.

Burgers van de Unie, onderdanen van de EER en onderdanen van Zwitserland, alsmede hun gezinsleden ongeacht hun nationaliteit, genieten rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw, tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland. Voor andere EU/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden zijn de overige bepalingen van artikel 8 Vw voor de vaststelling van het rechtmatig verblijf van toepassing. Burgers van de Unie hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben daaraan gelijkwaardige rechten. Het vrije verkeer van personen brengt echter geen absoluut verblijfsrecht mee in de zin dat iedere burger van de Unie te allen tijde in Nederland verblijfsgerechtigd is. Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag hebben zij, onder voorbehoud van de beperkingen en de voorwaarden van het EG-Verdrag en de bepalingen die ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld, het recht vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Het stelsel van Richtlijn 2004/38 kent hierbij verschillende fasen van het verblijf van de burger van de Unie en diens familieleden:

Deze voorwaarden gelden ook voor werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentale plat, met dien verstande dat in plaats van een in Nederland geregistreerd vervoermiddel sprake moet zijn van een installatie op het Nederlands deel van het continentale plat.

De eerste periode van verblijf van de burger van de Unie bedraagt drie maanden. In deze periode worden geen andere voorwaarden gesteld dan het bezit van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart. De burger van de Unie die door middel van een identiteitskaart zijn identiteit en nationaliteit aantoont, bezit recht op verblijf. Het niet beschikken over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort doet echter niet af aan de rechtmatigheid van het verblijf, indien het bewijs van identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd (zie artikel 8.11 Vb). Ten aanzien van burgers van de Unie wordt niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de zogeheten vrije termijn (artikel 8, onder i, Vw) en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (artikel 8, onder e, Vw). Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag hebben burgers van de Unie het recht om in Nederland te verblijven, met dien verstande dat daaraan voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld. Het uit artikel 18 EG-Verdrag voortvloeiende verblijfsrecht wordt aangenomen, zolang en indien het onderzoek niet heeft uitgewezen dat niet wordt voldaan aan die voorwaarden en beperkingen, zodat de burger van de Unie moet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan (in de zin van artikel 1, onderdeel e, onder 1, Vw) met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, Vw.

Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van EU- of EER- lidstaat of onderdaan van Zwitserland. Deze nemen een andere positie in dan de burgers van de Unie en artikel 18 EG-Verdrag is op hen niet van toepassing (zie verder B10/5).

Het rechtmatige verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, dat gelet op het bovenstaande vanaf zijn inreis rechtmatig is, kan slechts met een beschikking worden beëindigd. In dat geval wordt in de vreemdelingenadministratie aangetekend dat het rechtmatige verblijf is beëindigd.

Minderjarigen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, dienen een verklaring van de ouders of verzorgers te overleggen. Uit deze verklaring moet blijken dat zij instemmen met de tewerkstelling van de minderjarige in Nederland. Het verrichten van arbeid is eerst toegestaan vanaf het dertiende levensjaar in overeenstemming met de Arbowetgeving.

3.3.2. Zelfstandigen

Richtlijn 2004/38 voorziet, ter voorkoming van misbruik, in de mogelijkheid voor lidstaten van de burgers van de Unie te verlangen het bewijs te leveren dat zij voldoen aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden. In Nederland is voor EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland voorzien in een verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie, waarbij de in het VV omschreven bewijzen moeten worden overgelegd. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven. Aan de inschrijving in de vreemdelingenadministratie en afgifte van een verklaring van inschrijving zijn geen leges verbonden. Ingevolge artikel 8.12, vierde lid, Vb is deze aanmelding tot inschrijving verplicht. Het niet voldoen aan deze verplichting is in artikel 108 Vw strafbaar gesteld.

5. Familie- en gezinsleden van gemeenschapsonderdanen

Voor de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student wordt verwezen naar B10/3 en B10/4.

2.5.3. Duurzaam verblijfsrecht

Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland heeft verbleven, heeft duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Dit geldt ook voor familieleden van burgers van de Unie die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland bij de burger van de Unie hebben gewoond (artikel 8.17, eerste lid, Vb). Het duurzame verblijfsrecht van de EU- en EER-onderdanen en van onderdanen van Zwitserland en hun familieleden die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten, blijkt uit het op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot afgifte van een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’ dient leges te worden betaald.

Het ononderbroken karakter van de periode van vijf jaar legaal verblijf wordt niet onderbroken door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere lidstaat of derde land. Het is aan de vreemdeling om zulks met documenten te staven (zie artikel 8.17, tweede lid, Vb).

Het duurzame verblijfsrecht komt onder omstandigheden ook toe aan burgers van de Unie en hun familieleden ongeacht hun nationaliteit, die nog geen ononderbroken periode van vijf jaar in Nederland hebben verbleven (zie artikel 8.17, derde lid, Vb en B10/3.6).

2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf

Op grond van Richtlijn 2004/38 wordt aan EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland geen document of schriftelijke verklaring (sticker voor verblijfsaantekeningen), waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, afgegeven.

Voor familieleden van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland, die niet de nationaliteit bezitten van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland, blijkt het rechtmatig verblijf uit een document of verklaring dat een aanvraag is ingediend (sticker voor verblijfsaantekeningen). Op grond van artikel 9 Vw wordt zo’n document of verklaring dat een aanvraag is ingediend afgegeven door de Minister. Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, VV is de IND, bevoegd dit document of deze verklaring af te geven.

Slechts het duurzame verblijfsrecht van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, blijkt uit een op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’.

Het rechtmatig verblijf eindigt niet indien betrokkene een beroepsopleiding gaat volgen, die verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit. Dit verband met de eerdere beroepsactiviteit hoeft er niet te zijn bij onvrijwillige werkloosheid (zie artikel 8.12, tweede lid, onder d, Vb).

Indien het familielid van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, die zelf niet de nationaliteit bezit van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland niet voldoet aan de legesverplichting, wordt de aanvraag om het verkrijgen van het bewijs van rechtmatig verblijf niet behandeld. Dit heeft geen gevolgen voor het rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw, omdat dit van rechtswege is ontstaan en vervalt. Het vorenstaande geldt ook indien de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, of zijn familielid, ongeacht diens nationaliteit, niet voldoet aan de legesverplichting verbonden aan de aanvraag tot afgifte van een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Indien opnieuw een aanvraag om afgifte van een document wordt ingediend, zullen alsdan opnieuw leges worden geheven.

2.7. Wav

EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland mogen op grond van het EG-Verdrag vrij in Nederland werken. Daarom mag voor het laten werken van een EU- of EER- onderdaan of Zwitserse onderdaan geen TWV worden verlangd. De bepalingen in de Wav zijn evenmin van toepassing op gemeenschapsonderdanen, die zelf geen EU- of EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn (zie B10/8 inzake het overgangsrecht).

Op het af te geven bewijs van rechtmatig verblijf aan gemeenschapsonderdanen, die geen EU- of EER- onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn, dient de aantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ te worden geplaatst, zodat een werkgever zich daarvan gemakkelijk kan vergewissen.

Indien een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan voor zijn 65e levensjaar stopt met het verrichten van arbeid, kan hij in aanmerking komen voor verblijf als economisch niet-actieve.

Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:

De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die blijvend arbeidsongeschikt wordt gedurende zijn werkzaamheden in Nederland, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij ten minste twee jaar, onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid, voortdurend in Nederland heeft gewoond en rechtmatig verblijf heeft gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw.

Iedere EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland die reële en daadwerkelijke arbeid al dan niet in loondienst verricht, heeft rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw en wordt aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het begrip reële en daadwerkelijke arbeid moet volgens vaste jurisprudentie ruim uitgelegd worden. De omvang van de arbeid mag niet zo gering zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG, 23 maart 1982, Levin; 3 juni 1986, Kempf) blijkt echter, dat dit niet inhoudt dat het om een voltijds baan moet gaan, noch dat de inkomsten ten minste ter hoogte zijn van het minimumloon. Een gemeenschapsonderdaan, die werkzaamheden verricht die zijn aan te merken als reële en daadwerkelijke arbeid, kan bovendien naar de mening van het Hof een aanvullend beroep doen op de publieke middelen. Het criterium ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ wordt zowel op arbeid in loondienst als op arbeid als zelfstandige toegepast.

3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid

Uitgangspunt is dat zolang het merendeel van de inkomsten – hiermee wordt bedoeld meer dan 50% van de betreffende bijstandsnorm – wordt verkregen uit arbeid, het er niet toe doet of deze inkomsten verder worden aangevuld uit eigen bron of uit de publieke middelen.

3.6.5. Verblijfskaart

Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.

Tot slot zijn zowel de duur als de regelmaat van de werkzaamheden factoren die een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid (HvJEG, 26 februari 1992, Raulin). In dit verband kan worden gedacht aan bijvoorbeeld oproepcontracten.

3.3. Voor verblijf van langer dan drie maanden over te leggen stukken

Om aan te tonen dat de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland voldoet aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden, bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, Vb, dienen de hierna genoemde bewijzen te worden geleverd. In het VV zijn per categorie de vereiste documenten die dit bewijs moeten leveren opgesomd.

3.3.1. Werknemers

De werknemer dient een door de werkgever verstrekte verklaring van indienstneming of tewerkstelling over te leggen. Om vast te kunnen stellen of het reële en daadwerkelijke arbeid betreft, zal uit de verklaring moeten blijken voor hoelang de werknemer te werk zal worden gesteld, wat de hoogte van de inkomsten zullen zijn en voor hoeveel uren per week de werknemer arbeid zal verrichten.

3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.

De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die verblijfsrecht ontleent aan de regelingen omtrent voortzetting van verblijf, beschikt over een termijn van twee jaar om dit recht uit te oefenen. Kortom, hij heeft een bedenktijd van twee jaar, die ingaat op het moment dat het recht op voortzetting van verblijf ontstaat, waarin hij ook het Nederlandse grondgebied kan verlaten. Dit geldt niet voor de grensarbeiders.

Het Gemeenschapsrecht is slechts van toepassing op werkzaamheden die buiten Nederlands grondgebied worden verricht, indien er sprake is van een arbeidsverhouding met een voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied.

7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting

De arbeidsverhouding van een werknemer in het internationale transport wordt verondersteld voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied te hebben, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

Deze voorwaarden gelden ook voor werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentale plat, met dien verstande dat in plaats van een in Nederland geregistreerd vervoermiddel sprake moet zijn van een installatie op het Nederlands deel van het continentale plat.

Na vijf jaren verblijf als gemeenschapsonderdaan kan hij in aanmerking komen voor een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’, na betaling van de ter afdoening van de aanvraag verschuldigde leges.

Uitgangspunt is dat degenen die verblijfsrecht genieten als economisch niet-actieven geen onredelijke belasting mogen vormen voor de publieke middelen van het gastland.

3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

Economisch niet-actieve EU/EER-onderdanen en dito Zwitserse onderdanen komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking, indien en zolang zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen. Tevens geldt dat zij voor zichzelf en – voor zover van toepassing – hun familieleden moeten beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in Nederland dekt (zie artikel 8.12, eerste lid, onder b, Vb).

4.1.1. Voldoende middelen van bestaan

Het rechtmatig verblijf eindigt niet gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat de onderdaan onvrijwillig werkloos is geworden door afloop van een arbeidsovereenkomst van korter dan één jaar, dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij de CWI is ingeschreven (zie artikel 8.12, tweede lid, onder c, Vb).

4.2.1. Beroepsopleiding

Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.

Dit is met name van belang voor echtparen, dan wel een paar van geregistreerde partners, waarvan beide partners onderdaan van de EU/EER zijn dan wel Zwitsers onderdaan, of een combinatie daarvan, waarbij één partner over toereikende middelen beschikt naar de norm als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb en de ander niet.

4.2.3. Recht op studiefinanciering

De pensioengerechtigde leeftijd ligt op grond van de AOW op 65 jaar. De EU/EER-onderdaan en Zwitserse onderdaan, die op 65-jarige leeftijd zijn werkzaamheden staakt, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij:

Indien een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan voor zijn 65e levensjaar stopt met het verrichten van arbeid, kan hij in aanmerking komen voor verblijf als economisch niet-actieve.

Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:

De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die blijvend arbeidsongeschikt wordt gedurende zijn werkzaamheden in Nederland, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij ten minste twee jaar, onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid, voortdurend in Nederland heeft gewoond en rechtmatig verblijf heeft gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw.

Arbeidsongeval of beroepsziekte (artikel 8.17, derde lid, onder d, Vb)

Indien hij blijvend arbeidsongeschikt wordt door een arbeidsongeval of door een beroepsziekte, op grond waarvan hij in aanmerking komt voor een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de WAO/ WIA, is bovengenoemde termijn van twee jaar niet van belang

Verplaatsen werkzaamheden, met hoofdverblijf in Nederland (artikel 8.17, derde lid, onder e, Vb)

De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die zijn werkzaamheden buiten Nederland verplaatst, maar zijn hoofdverblijf in Nederland behoudt, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij:

Het is aan de betrokken burger van de Unie, als daartoe meest gerede partij en gegeven zijn beroep op een uitkering ten behoeve van het levensonderhoud, om relevante gegevens en bescheiden ter zake te verstrekken.

De bovengenoemde termijnen van wonen en tewerkstelling gelden niet, indien de echtgeno(o)t(e) of partner met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan:

3.6.2. Bij voortduring in Nederland wonen

Het bij voortduring in Nederland wonen kan worden aangetoond aan de hand van een historisch overzicht uit de GBA (zie artikel 8.17, tweede lid, Vb).

Perioden van afwezigheid, die in totaal zes maanden per jaar niet overschrijden zijn niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen. Afwezigheid van langere tijd, is niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen in de volgende gevallen:

3.6.3. Voortdurend in Nederland werken (artikel 8.17, vierde lid Vb)

4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden

In voorkomende gevallen wordt beoordeeld of de betrokkene een onredelijke last vormt voor de publieke middelen van Nederland. De in dit verband toe te passen verblijfsbeëindiging moet voorts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gaat daarbij om evenredigheid tussen het beroep dat op de publieke middelen wordt gedaan, en de middelen die het gastland inzet (verblijfsbeëindiging). Er is, met andere woorden, een belangenafweging vereist.

De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die verblijfsrecht ontleent aan de regelingen omtrent voortzetting van verblijf, beschikt over een termijn van twee jaar om dit recht uit te oefenen. Kortom, hij heeft een bedenktijd van twee jaar, die ingaat op het moment dat het recht op voortzetting van verblijf ontstaat, waarin hij ook het Nederlandse grondgebied kan verlaten. Dit geldt niet voor de grensarbeiders.

3.6.5. Verblijfskaart

Aan EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen, die aan deze regelingen recht op duurzaam verblijf ontlenen, wordt een document ‘Duurzaam verblijf burger van de Unie’ verstrekt (zie bijlage VV).

Het verschil met de (andere) economisch niet-actieven, die als regel langere tijd of permanent in Nederland beogen te verblijven, is dat verblijf voor studiedoeleinden van deze categorie studenten per definitie tijdelijk van aard is, omdat het beperkt is tot de duur van de opleiding (zaak C-424/98).

5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid

Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.

Uitgangspunt is dat degenen die verblijfsrecht genieten als economisch niet-actieven geen onredelijke belasting mogen vormen voor de publieke middelen van het gastland.

Ook voor het verblijfsrecht voor langer dan drie maanden geldt voor deze familieleden, die EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, de verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie als opgenomen in artikel 8.12, vierde lid, Vb. Zie verder B10/2.5.2, welke van overeenkomstige toepassing is. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven.

Economisch niet-actieve EU/EER-onderdanen en dito Zwitserse onderdanen komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking, indien en zolang zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen. Tevens geldt dat zij voor zichzelf en – voor zover van toepassing – hun familieleden moeten beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in Nederland dekt (zie artikel 8.12, eerste lid, onder b, Vb).

Het algemene uitgangspunt is dat het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid een afhankelijk recht is. Door dit afhankelijk karakter eindigt het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid in beginsel op het moment dat degene van wie dit familielid afhankelijk is, niet langer rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw heeft. Het verblijfsrecht vervalt eveneens indien het familie- of gezinslid verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland dan wel de (voortzetting van) het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of de volksgezondheid. Op grond van artikel 8.25 Vb kan het rechtmatige verblijf bovendien worden beëindigd indien onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden terwijl die gegevens tot weigering van verblijf zouden hebben geleid.

Daarbij worden, voor zover van toepassing, de middelen in aanmerking genomen van een huwelijkspartner of persoon met wie de EU/EER-onderdaan dan wel Zwitserse onderdaan een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan.

7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting

Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.

Dit is met name van belang voor echtparen, dan wel een paar van geregistreerde partners, waarvan beide partners onderdaan van de EU/EER zijn dan wel Zwitsers onderdaan, of een combinatie daarvan, waarbij één partner over toereikende middelen beschikt naar de norm als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb en de ander niet.

4.2.2. Voldoende middelen van bestaan

In deze gevallen ligt verblijf op grond van de regels voor economisch niet-actieven in de rede.

4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf

De betrokken EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient aan te tonen over voldoende middelen te kunnen beschikken. De betrokkene is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen. Er kan in geval van een partner bijvoorbeeld genoegen worden genomen met een recent bankafschrift van een gezamenlijke bankrekening. Indien de toezegging van een partner of derde blijkens de tekst ervan onder zodanige voorwaarden is gesteld dat onzeker is of de betrokkene over bedoelde middelen kan beschikken, wordt aangenomen dat de betrokkene niet de vrije beschikking over de middelen heeft.

5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen

Het familielid, dat niet zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, wordt bij een verblijf van langer dan drie maanden na aanvraag in bezit gesteld van een document EU/EER, met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’. De geldigheidsduur van dit document bedraagt vijf jaar vanaf de datum van afgifte, of is gelijk aan de (voorgenomen) periode van verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland van wie het rechtmatig verblijf afhankelijk is, indien dat voorgenomen verblijf korter dan vijf jaren bedraagt. In overige gevallen wordt de geldigheidsduur van het verblijfsdocument bepaald op vijf jaren.

EU/EER-studenten of Zwitserse studenten komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking voor de duur van hun opleiding, indien en zolang zij zijn ingeschreven bij een particuliere dan wel openbare erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstituut om hier te lande als hoofdbezigheid een studie, waarbij inbegrepen een beroepsopleiding, te volgen (zie artikel 8.12, eerste lid onder c, Vb).

De vorenstaande alinea is in ieder geval niet van toepassing op familieleden van een burger van de Unie die direct voorafgaande aan 1 januari 2011 op grond van het EU-recht in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat verbleven en arbeid verrichtten in Nederland, indien zij deze situatie vanaf 1 januari 2011 hebben gecontinueerd. Deze familieleden mogen tot 1 januari 2012 hun arbeid voortzetten zonder dat hun werkgever hoeft te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Vanaf 1 januari 2012 geldt de tewerkstellingsplicht onverkort.

5.3. Familieleden van Nederlanders

Ditzelfde geldt ook voor familieleden van een economisch actieve burger van de Unie met dien verstande dat bij de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht dient te worden aangetoond dat de burger van de Unie nog steeds reële en daadwerkelijke arbeid verricht.

Daarbij maakt het in beide gevallen niet uit of de burger van de Unie ten tijde van zijn registratie wel of geen familieleden had.

Studenten, die verblijfsrecht hebben op grond van artikel 8.12, eerste lid, onder c, Vb, hebben geen recht op een studiebeurs op grond van de WSF om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van les- en collegegelden ingevolge de WSF.

Voor familieleden die ten laste komen van de burger van de Unie geldt dat bij álle familieleden die stellen ten laste te komen van een burger van de Unie per geval moet worden beoordeeld of zij, gezien hun financiële en sociale toestand, materiële steun nodig hebben om in hun basisbehoeften te kunnen voorzien in het land van herkomst of het land vanwaar zij kwamen op het ogenblik dat zij verzochten om hereniging met de EU-burger (d.w.z. niet in het gastland waar de EU-burger verblijft). Dit geldt dus zowel voor familieleden die vallen onder artikel 8.7, derde lid, Vb als de familieleden die vallen onder artikel 8.7, tweede lid, onder c of d, Vb.

5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland

4.3. Beroep op de publieke middelen

5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland

5.3. Familieleden van Nederlanders

5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen

5.3.2.2. Nederlandse dienstverrichters

5.3.2. Nederlanders die rechten kunnen ontlenen aan gemeenschapsrecht

8.4. Andere verblijfsdoelen dan arbeid in loondienst

De lidstaten zijn niet verplicht om aan studenten die het verblijfsrecht genieten beurzen uit te betalen om in het levensonderhoud te voorzien (studiefinanciering voor het levensonderhoud). Deze regel is bevestigd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (zaak C-184/99 Grzelczyk).

5.4. Recht op voortzetting van verblijf van het familie- of gezinslid

Verblijfsbeëindiging kan in deze gevallen echter niet het automatische gevolg zijn. In deze gevallen vindt een evenredigheidstoets plaats. N.B. Indien sprake is van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf, is het duurzame verblijfsrecht verkregen. Het feit dat de vreemdeling in die periode niet of niet langer aan de voorwaarden voldeed is in dat geval niet langer relevant.

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 7 juli 1992, Surinder Singh en HvJEG, 11 december 2007, Eind) kan worden afgeleid dat verblijf moet worden toegestaan aan een familielid van een Nederlander indien beiden in een andere lidstaat op grond van het EG-Verdrag hebben verbleven en de Nederlander vervolgens met het familielid terugkeert naar zijn land van herkomst. In dat geval is richtlijn 2004/38/EG naar analogie van toepassing op het familielid waardoor deze de hierin vastgelegde rechten van toegang en verblijf geniet. Daarbij is het niet van belang of de Nederlander bij terugkeer in Nederland een beroep doet op het stelsel van sociale bijstand (HvJEG, 11 december 2007, Eind).

Het familie- of gezinslid van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland, dat rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw, wordt eveneens aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het is daarbij voor het verblijfsrecht niet van belang of het familie- of gezinslid zelf onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland is. Het familie- of gezinslid heeft ook rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw.

Het algemene uitgangspunt is dat het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid een afhankelijk recht is. Door dit afhankelijk karakter eindigt het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid in beginsel op het moment dat degene van wie dit familielid afhankelijk is, niet langer rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw heeft. Het verblijfsrecht vervalt eveneens indien het familie- of gezinslid verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland dan wel de (voortzetting van) het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of de volksgezondheid. Op grond van artikel 8.25 Vb kan het rechtmatige verblijf bovendien worden beëindigd indien onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden terwijl die gegevens tot weigering van verblijf zouden hebben geleid.

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 11 juli 2002, Carpenter) kan het volgende worden afgeleid. Indien een Nederlander moet worden aangemerkt als dienstenverrichter in de zin van het EG-Verdrag, moet worden bezien of de weigering om een familielid hier te lande verblijf toe te staan een belemmering vormt van het vrij verkeer van diensten door de Nederlander. In het arrest Carpenter was sprake van een belemmering omdat het familielid een dusdanige bijdrage leverde aan de verzorging van de kinderen van de dienstenverrichter dat daarmee een substantiële bijdrage werd geleverd aan het ongehinderd uitoefenen van het vrij verkeer diensten. Vervolgens moet worden getoetst of deze belemmering gerechtvaardigd is. Daarbij is allereerst de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Is dit het geval, dan wordt aangenomen dat de geconstateerde belemmering een inmenging vormt in de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Deze inmenging kan alleen uit oogpunt van openbare orde en nationale veiligheid worden gerechtvaardigd.

Voor ongehuwde partners van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland geldt dat zij in Nederland met hun partner dienen samen te wonen. Voor hetgeen onder samenwonen wordt verstaan wordt verwezen naar B2/4.9. Het is niet vereist dat de overige familieleden, bedoeld in artikel 8.7 Vb, permanent met de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland, of diens echtgenoot of geregistreerd partner, samenwonen, mits de juridische familieband niet is verbroken en aan de overige vereisten is voldaan.

Het rechtmatig verblijf van het familielid dat zelf onderdaan is van de EU/EER of van Zwitserland eindigt niet door:

5.2.1. Familielid zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan

Het familielid, dat zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, heeft dezelfde verblijfsrechtelijke positie als de burger van de Unie. De eerste periode van verblijf bedraagt drie maanden (zie artikel 8.11 Vb). In deze periode worden geen andere voorwaarden gesteld dan het bezit van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart. De burger van de Unie die door middel van een identiteitskaart zijn identiteit en nationaliteit aantoont, bezit recht op verblijf. Het niet beschikken over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort doet echter niet af aan de rechtmatigheid van het verblijf, indien het bewijs van identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd.

5.4. Recht op voortzetting van verblijf van het familie- of gezinslid

Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland heeft verbleven, heeft een duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Het duurzame verblijfsrecht van de EU- en EER-onderdanen en hun familieleden die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten, blijkt uit het op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Zie verder B10/2.5.3, welke van overeenkomstige toepassing is.

In artikel 8.15, vijfde lid, Vb gelezen in samenhang met artikel 8.15, tweede lid, onder b, en derde lid, Vb, wordt met betrekking tot voortzetting van verblijf en een beroep op de publieke middelen een uitzondering gemaakt voor studerende kinderen en hun verzorgende ouder.

8.7. Seksuele dienstverlening

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)