Vaststelling selectielijst handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein bezitsvorming 1945-1994

Type Archiefselectielijst
Publication 2001-05-11
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 oktober 2000, nr. arc-2000.1592/2);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein bezitsvorming over de periode 1945-1994' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

De `Lijst van de vernietigen archiefbescheiden van het Directoraat Generaal voor algemene beleidsaangelegenheden van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nr. MMA/Ar 1326 en nr. CA/KAZ 86/149 d.d. 2 juli 1986, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nr. RAD/B&T/98.18/CZ d.d. 2 juni 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 44 d.d. 4 maart 1999)) wordt ingetrokken voorzover deze lijst betrekking heeft op het beleidsterrein bezitsvorming.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Basisselectiedocument Bezitsvorming 1945-1994

Februari 2001

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Rijksarchiefdienst/PIVOT

1. Inleiding

Het PIVOT-rapport Die wat spaart, die wat heeft. Een institutioneel onderzoek op het terrein van de bezitsvorming over de periode 1945-1994, vormt de grondslag: voor dit basisselectiedocument. Het rapport beschrijft alle handelingen van de rijksoverheid op het beleidsterrein bezitsvorming en geeft een overzicht van de actoren die zich op dit beleidsterrein bewegen.

Met het rapport institutioneel onderzoek (RIO) implementeren de Algemene Rijksarchivaris, voor deze de projectleider PIVOT, en de vertegenwoordigers van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de afspraken die bij convenant van 21 januari 1992 tussen de Algemene Rijksarchivaris en de secretaris-generaal van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn gemaakt. De eerste stap van de implementatie is de waardering van de neerslag van de handelingen, op basis waarvan bepaald kan worden welke neerslag voor permanente bewaring in het Algemeen Rijksarchief in aanmerking komt en welke neerslag op termijn vernietigd kan worden (artikel C van het convenant). Deze eerste stap is in het basisselectiedocument (BSD) vastgelegd.

Het BSD is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van archiefbescheiden door de organisatie, alsmede het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie in de rijks- en provinciale archieven. In het BSD is aan iedere handeling een waardering gegeven voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op die handeling. Alvorens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het BSD vaststelt, hoort deze de Raad voor Cultuur. Na vaststelling van het BSD kan de procedure voor enerzijds de overbrenging van de bescheiden naar het Algemeen Rijksarchief en anderzijds de vernietiging van de bescheiden worden uitgevoerd.

Het BSD bestaat uit een korte beschrijving van het beleidsterrein en de actoren, een verantwoording van de doelstelling van de selectie en de gehanteerde selectiecriteria en de lijst van gewaardeerde handelingen, voorafgegaan door een toelichting op de lijst.

2. Het beleidsterrein

2.1. Hoofdlijnen van het handelen op het beleidsterrein bezitsvorming

PIVOT definieert hoofdlijnen van het handelen als: doelstellingen van de overheid binnen de kaders van een beleidsterrein. De taken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid liggen op het terrein van arbeid en inkomen. Een van de beleidsterreinen binnen deze taakgebieden wordt gevormd door het inkomens- en arbeidsvoorwaardenbeleid. Bezitsvorming maakt onderdeel uit van het inkomensbeleid.

Het bezitsvormingsbeleid werd na de Tweede Wereldoorlog in het kader van de wederopbouw ontwikkeld en richtte zich op het bevorderen van de verspreiding van duurzaam persoonlijk bezit onder brede lagen van de bevolking. Bezitsvorming werd voor iedere burger gezien als belangrijk aspect in het verkrijgen van een grotere onafhankelijkheid en ruimere ontplooiingskansen. Personen met een kleine beurs vormden bij dit beleid de doelgroep. Doel was juist hen door middel van stimulerende maatregelen aan te sporen tot spaarzin en bezitsvorming. Politiek alleen gericht op inkomensverruiming en een zo groot mogelijke waardevastheid van het geld werd als onvoldoende gezien. De verwachting leefde dan ook dat zonder extra stimulans de verruiming van inkomens bij brede lagen van de bevolking niet zou worden bestemd voor de vorming van duurzaam persoonlijk bezit. De regering besloot dan ook dat specifieke maatregelen hieromtrent nodig waren.

Het bezitsvormingsbeleid in Nederland kreeg na 1947 vorm. De minister van Financiën stelde in 1947 de Nationale Spaarraad in. Deze raad zou burgers die moeilijk tot sparen kwamen, aan moeten sporen om tot sparen over te gaan. Daarnaast werd bij de Algemene Beschouwingen in 1947 erop aangedrongen een commissie in het leven te roepen die grondig zou moeten onderzoeken of, en zo ja in hoeverre het wenselijk was wettelijke maatregelen te ontwikkelen om spreiding van bezit over brede lagen van de bevolking te bevorderen. Deze commissie zou zich ook moeten buigen over vraagstukken inzake het bevorderen van spaarzin en winstdeling door arbeiders bij ondernemingen. De Commissie Bezitsspreiding werd op 15 juni 1948 ingesteld. De commissie bestond uit hoogleraren, vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en ambtenaren. Het bezitsvormingsbeleid zoals dat in de jaren vijftig/zestig werd ontwikkeld, was in belangrijke mate gebaseerd op het werk van de Commissie Bezitsspreiding en mondde uit in een veelvoud aan wet- en regelgeving zoals de Jeugdspaarwet 1958 (Stb. 453), de Premiespaarregeling Rijksambtenaren (1960, Stb. 48), de Wet houdende voorzieningen met betrekking tot premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen voor werknemers (1961, Stb. 459), de Algemene Premiespaarwet (1965, Stb. 448), de Wet Bezitsvormingsfonds (1971, Stb. 418) en de Wet houdende begeleiding van het spaarloon op het terrein van de belasting- en premieheffing (1972, Stb. 697). Daarnaast is het vraagstuk van de Vermogensaanwasdeling veelvuldig ter tafel gekomen, maar nooit tot wet verheven.

In maart 1987 publiceerde de Stichting van de Arbeid een interim rapportage over bedrijfsspaarregelingen. In dat rapport werd melding gemaakt van het afnemende belang van het stimuleren van sparen als object van overheidsbeleid. Ook in de Rijksbegroting voor 1990 werd opgemerkt dat het stimuleren van besparingen aan beleidsrelevantie had ingeboet en dat ten aanzien van het geheel van gefacilieerde spaarregelingen bezinning gewenst was. Het bezitsvormingsbeleid werd gezien als restant van de naoorlogse opbouw filosofie en verloor zijn betekenis als zelfstandig object van specifiek overheidsbeleid. Dit leidde in 1990 tot opheffing van het Bezitsvormingsfonds.

Daarnaast was de overheid tot de conclusie gekomen dat er geen doorslaggevende argumenten meer waren om het subsidiëren van sparen door de jeugd nog langer te continueren. De premiering door de overheid van Jeugdspaarovereenkomsten op grond van de Jeugdspaarwet werd dan ook beëindigd. Na de buitenwerkingstelling van de Jeugdspaarwet en de Wet Bezitsvormingsfonds kwam bezitsvorming als specifiek beleidsterrein binnen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te vervallen.

2.2. Actoren

Het bezitsvormingsbeleid heeft tussen 1945 en 1994 onder verschillende ministers geressorteerd: de minister van Sociale Zaken (1945-1952), de minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (1952-1956), de minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (1956-1959), de minister van Algemene Zaken (1959-1963) waarna het uiteindelijk de verantwoordelijkheid bleef van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid (lees: de minister van Sociale Zaken 1971-1981 en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1981-1994).

Als in het rapport gesproken wordt over `de Minister', dan betreft het:

Met de vertegenwoordigers van organen die ook een bijdrage leveren op het beleidsterrein maar niet onder de verantwoordelijkheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen, zullen nadere afspraken worden gemaakt over de toepassing van dit BSD, aangezien zij niet vallen onder de werking van het hierboven genoemde convenant.

De minister van Sociale Zaken was, tezamen met de minister van Financiën, nauw betrokken bij het aanwijzen van pensioen- en spaarregelingen. Handelingen van de minister van Financiën en minister van Sociale zaken betreffende premie- en winstdelingsspaarregelingen zijn voor een deel al opgenomen in een PIVOT-rapport dat op het ministerie van Financiën is vervaardigd. Derhalve is er voor gekozen om die handelingen niet nogmaals in het PIVOT-rapport inzake bezitsvorming op te nemen, maar bij deze te verwijzen naar het PIVOT-rapport van P. Lamboo, Van belastingen of de geheiligde schuld van iedere burger6, waarin het de volgende handelingen betreft:

? De handelingen van de minister van Financiën met als grondslag: het Besluit premiespaarregeling en winstdelingsspaarregeling 1961 (art. 30, 31, 34, 36), het Besluit premiespaarregeling en winstdelingsspaarregeling 1965 (art. 30, 31, 34, 37) en het Besluit bedrijfsspaarregelingen (art. 30, 31, 40 en 43) zijn terug te vinden onder de nummers 93, 94, 97, 99, 144, 146, 148 en 150. Met dezelfde grondslag: zijn de handelingen van de minister van Sociale Zaken terug te vinden onder de nrs. 95, 96, 98, 100, 145, 147, 149 en 151.

? De handelingen van de minister van Financiën met als grondslag: de Wet op de loonbelasting 1964 (art. 11 en 34a) zijn terug te vinden onder handeling 108.

? De handelingen van de minister van Financiën met als grondslag: de wet van 13 december 1973 (Stb. 697) houdende begeleiding van spaarloon op het terrein van de belasting- en premieheffing (art. V) zijn terug te vinden onder handeling 123.

? De handelingen van de minister van Financiën met als grondslag: het besluit op de Inkomstenbelasting 1941, art. 26b zijn terug te vinden onder handeling 188.

? De handelingen van de minister van Financiën met als grondslag: het Besluit op de Dividendbelasting 1941 en wijzigingswet van 27 juni 1963 (Stb. 374) zijn terug te vinden onder handeling 326.

3. Selectie

3.1. Doelstellingen van de selectie

De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen van overheidsorganen, die vallen onder de werking van de artikelen 1, 23, 27 en 41 van de Archiefwet 1995 (Stb. 276). Het betreft alle neerslag van de betreffende handelingen, of het nu een machineleesbaar gegevensbestand of papier betreft, en of de gegevens zich nu in een archief, in een bibliotheek, op een afdeling automatisering of bij de beleidsambtenaren of lijn managers zelf bevinden.

De hoofddoelstelling van de selectie is een scheiding aan te brengen tussen:

Zoals de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur bij de behandeling van de nieuwe Archiefwet in de Tweede Kamer (13 april 1994) heeft gemeld, is het basisselectiedocument opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst/

PIVOT, die luidt: het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen'. Door het Convent van rijksarchivarissen is deze doelstelling vertaald alshet selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring'.

In dit BSD wordt deze selectie doelstelling geoperationaliseerd binnen het beleidsterrein bezitsvorming. De handelingen van de verschillende organen worden gewaardeerd en geselecteerd op basis van hun bijdrage aan de realisering van de hierboven geformuleerde doelstelling. Bij de selectie is derhalve aan de orde welke bescheiden, behorende bij welke handeling, berustende bij welke actor dienen te worden overgebracht ten einde het handelen van de (rijks)overheid met betrekking tot inkomens- en arbeidsvoorwaarden op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.

3.2. Selectiecriteria

Bij de selectie van handelingen kan een aantal criteria worden onderscheiden dat op elk beleidsterrein of onderdeel van zo'n terrein van toepassing is. Daarnaast zijn er per beleidsterrein een aantal specifieke criteria aan te wijzen.

Teneinde de selectie doelstelling te operationaliseren zijn de in het rapport institutioneel onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde (positief geformuleerde) selectiecriteria. Positief geformuleerd wil zeggen dat de criteria aangeven van welke handelingen de neerslag dient te worden overgebracht naar het rijksarchief nadat de wettelijke vastgestelde overbrengingstermijn van 20 jaar is verstreken. Hiermee wordt het BSD geen bewaarlijst maar blijft een selectielijst (in de zin van art.5, Archiefwet 1995). In het BSD wordt namelijk aangegeven van welke handelingen de neerslag niet behoeft te worden overgebracht en van welke handelingen dat wel moet. De beslissing hierover wordt echter bepaald door positieve criteria. Hetgeen voldoet aan de selectiecriteria dient te worden overgebracht en is gewaardeerd met een (B)ewaren; de neerslag van handelingen die niet aan de hieronder weergegeven selectiecriteria voldoen, wordt gewaardeerd met een (V)ernietigen. Vernietigen' betekent: niet overbrengen van de neerslag van het handelen naar de Rijksarchiefdienst. De documentaire neerslag die uit deze handelingen voortvloeit is niet noodzakelijk voor de reconstructie van het overheidsbeleid op hoofdlijnen. Ingeval vanvernietigen' is het orgaan dat verantwoordelijk is voor het gegevensbeheer verantwoordelijk voor de bestemming van de zorg voor de betreffende documentaire neerslag.

Algemene selectiecriteria

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen. Hieronder wordt verstaan agenda vorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen. Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren. Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen. Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt. Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten. Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

4. De selectielijst

4.1. Algemeen

De selectielijst is geordend per actor. Hierdoor staan er in het BSD meer handelingen dan in het RIO.

In het RIO werden veelvuldig meerdere actoren aan één handeling gekoppeld aangezien het bezitsvormingsbeleid tussen 1945 en 1994 onder verschillende ministers heeft geressorteerd. In het onderhavige BSD worden deze handelingen per actor uitgesplitst.

De handelingen in het BSD houden hetzelfde nummer als in het RIO.

Achter de als te bewaren (B) aangeduide handelingen is aangegeven welk selectiecriterium is toegepast. De aanduiding V' staat voorvernietigen', waarbij tevens is vermeld na afloop van welke termijn de bescheiden die uit de betreffende handeling voortvloeien, kunnen worden vernietigd. De invulling van de termijnen gedurende welke bescheiden worden bewaard is een verantwoordelijkheid van de zorgdrager, in dit geval de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. PIVOT ziet toe op de daadwerkelijke invulling ervan.

4.2. Vaststelling BSD

Op 25 februari 2000 is het ontwerp-BSD door de plv. Secretaris-Generaal van het Ministerie van SZW aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 15 maart 2000 lag het ontwerp-BSD gedurende acht weken ter publieke inzage bij de informatiebalie in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van SZW, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant van 14 maart 2000 (nr. 52).

Tijdens het driehoeksoverleg was, op voordracht van de Archiefcommissie van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap, ook een deskundige op het beleidsterrein aanwezig. Van andere (historische) organisaties of individuele burgers is geen commentaar ontvangen.

In de vergadering van de Bijzondere Commissie Archieven van de RvC van 27 juni 2000 is het ontwerp-BSD behandeld, waarbij ook het verslag van het driehoeksoverleg bij de voorbereiding van het advies is meegenomen.

Op 24 oktober 2000 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2000. 1592/2). Naar aanleiding van het advies is het beginjaar van de lijst gesteld op 1945 (was 1940).

5. Lijst van handelingen 1945-1994

Met de actor `de Minister' wordt bedoeld:

5.1. Actor: de Minister

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.