Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende vaststelling van de in luchtvaartuigen aanwezige navigatie- en telecommunicatie-installaties en de voor die installaties geldende eisen en gebruiksregels (Regeling navigatie- en telecommunicatie-installaties)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie;

Gelet op de artikelen 40, 44a, eerste lid, en 49, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement;

Besluit:

Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Communicatie- en navigatieapparatuur

Artikel 2
1.

Voor het uitvoeren van een vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig voor zover het betreft:

2.

Het eerste lid is voor een in dat lid bedoeld luchtvaartuig niet van toepassing indien de Eurocontrol-organisatie met betrekking tot dat luchtvaartuig een daartoe strekkende verklaring heeft afgegeven. De verklaring wordt meegevoerd tijdens de vlucht.

Artikel 3
1.

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met:

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 9, eerste tot en met het elfde lid, van de Verordening (EU) nr. 1079/2012, van toepassing op staatsluchtvaartuigen.

3.

Het eerste lid, onderdelen c, d en e, zijn niet van toepassing op staatsluchtvaartuigen, indien deze beschikken over een systeem met een gelijkwaardig veiligheidsniveau als de in die onderdelen genoemde systemen.

4.

Voor het volgen van een luchtverkeersroute op vliegniveau 100 en hoger is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig uitgerust met een installatie die het mogelijk maakt om met RNAV luchtverkeersroutes te vliegen met een afwijking van ten hoogste 5 zeemijlen tijdens ten minste 95% van de vliegtijd en die is toegelaten op basis van JAA Advisory Circular Joint 20X4 ‘Airworthiness Approval and Operational Criteria for the use of Navigation Systems in European Airspace Designated for Basic RNAV Operations’.

5.

Voor het naderen en vertrekken van de luchthaven Schiphol of de luchthaven Lelystad is een luchtvaartuig, niet zijnde een helikopter of een staatsluchtvaartuig, dat navigeert op basis van instrumenten uitgerust met een installatie die het mogelijk maakt om met RNAV naderings- en vertrekroutes in het naderingsgebied van Schiphol, en de naderingsgebieden van Lelystad te vliegen met een afwijking van ten hoogste één zeemijl tijdens ten minste 95 procent van de vliegtijd en die is toegelaten op basis van de eisen ten aanzien van RNAV 1, zoals opgenomen in Certification Specification CS-ACNS Issue 2 van EASA’ van de Joint Aviation Authorities of vergelijkbaar en gecertificeerd is door de nationale bevoegde autoriteit.

Artikel 4

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht, een gecontroleerde VFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam of een VFR-vlucht in de NSA Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met telecommunicatie-installaties die ten minste voldoen aan de eisen, gesteld in bijlage 10 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

Artikel 5

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met navigatie-installaties die ten minste voldoen aan de eisen, gesteld in bijlage 10 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

Artikel 6

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het RVSM-luchtruim in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig uitgerust met navigatie-apparatuur die voldoet aan de eisen gesteld in JAA temporary guidance leaflet no 6, revision 1, blijkende uit een goedkeuring van het luchtvaartuig voor het gebruik er van in het RVSM luchtruim.

Artikel 7
1.

Voor het uitvoeren van een VFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam, behalve in gebieden met de classificatie G beneden 1200 voet AMSL buiten de NSA Amsterdam, is een luchtvaartuig uitgerust met een SSR-transponder met mode S/ELS, die voldoet aan de eisen bedoeld in bijlage 10, Boek IV (Surveillance Radar and Collision Avoidance Systems) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een zweefvliegtuig, zeilvliegtuig, schermvliegtuig, ballon of paramotortrike tenzij een zweefvliegtuig, zeilvliegtuig, schermvliegtuig, ballon of paramotortrike zich bevindt in de door de Minister in overeenstemming met de Minister van Defensie voor transpondergebruik aangewezen luchtverkeersgebieden en tijdelijke gebieden met beperkingen als bedoeld in artikel 9 van het Besluit luchtverkeer 2014.

Gebruik van transponders

Artikel 8

In afwijking van deel 13 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 923/2012 geldt de verplichting tot het inschakelen van de SSR-transponder gedurende de gehele vlucht, indien het luchtvaartuig is voorzien van een bruikbare SSR-transponder, ongeacht of het luchtvaartuig zich binnen luchtruim bevindt waar de SSR-transponder is voorgeschreven, niet voor gezagvoerders van militaire luchtvaartuigen behorende tot de Nederlandse en bondgenootschappelijke krijgsmachten, mits:

Artikel 9

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam wordt, tenzij door de betreffende verlener van luchtverkeersdiensten een andere opdracht is verstrekt of afwijkende voorschriften van toepassing zijn door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht, een SSR-transponder als volgt gebruikt:

Artikel 10
1.

Voor het uitvoeren van een VFR vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam zijn de volgende voorschriften voor het gebruik van een SSR-transponder van toepassing:

2.

De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing wanneer door de betreffende verlener van luchtverkeersdiensten een andere opdracht is verstrekt of afwijkende voorschriften van toepassing zijn door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht.

Artikel 11
1.

Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer en die zijn toegelaten voor het vervoer van meer dan 19 passagiers, zijn uitgerust met ten minste één automatische ELT of twee ELT’s van om het even welk type.

2.

Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer en die zijn toegelaten voor het vervoer van meer dan 19 passagiers, voor welk het bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven na 1 juli 2008, zijn uitgerust met ten minste twee ELT’s waarvan er één ELT automatisch geactiveerd wordt.

3.

Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer en die zijn toegelaten voor het vervoer van 19 passagiers of minder, zijn uitgerust met ten minste één ELT van om het even welk type.

4.

Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer en die zijn toegelaten voor het vervoer van 19 passagiers of minder, voor welk het bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven na 1 juli 2008, zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt.

5.

Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als General Aviation, zijn uitgerust met ten minste één ELT van om het even welk type.

6.

Alle vliegtuigen die vluchten uitvoeren als General Aviation, voor welk het bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven na 1 juli 2008, zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt.

7.

Prestatie klasse 1 en 2 helikopters die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt, en ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt en één ELT(S) in een reddingsvlot of reddingsvest indien de vlucht boven water wordt uitgevoerd.

8.

Prestatie klasse 3 helikopters die vluchten uitvoeren als commercieel luchtvervoer zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt, en ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt en één ELT(S) in een reddingsvlot of reddingsvest indien de vlucht boven water wordt uitgevoerd met normale kruissnelheid op een afstand van meer dan 10 minuten vliegen vanaf land.

9.

Prestatie klasse 1 en 2 helikopters die vluchten uitvoeren als General Aviation zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt, en ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt en één ELT(S) in een reddingsvlot of reddingsvest indien de vlucht boven water wordt uitgevoerd.

10.

Prestatie klasse 3 helikopters die vluchten als uitvoeren als General Aviation zijn uitgerust met ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt, en ten minste één ELT die automatisch geactiveerd wordt en één ETL(S) in een reddingsvlot of reddingsvest indien de vlucht boven water wordt uitgevoerd met normale kruissnelheid op een afstand van meer dan 10 minuten vliegen vanaf land.

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13
1.

De Minister kent aan elk luchtvaartuig op aanvraag een 24-bit luchtvaartuigadres toe dat geregistreerd wordt in een gegevensbestand, aangehouden door de Inspectie Leefomgeving en Transport.

2.

Het digitale signaal van de ELT bevat, behoudens in uitzonderlijke gevallen, het 24-bit luchtvaartuigadres van het bijbehorende luchtvaartuig, ten behoeve van de identificatie.

3.

Gebruikers van luchtvaartuigen die ELT’s vervangen, plaatsen ELT’s die zijn gecodeerd met het 24-bit luchtvaartuigadres volgens het ‘serialized user protocol’ of het ‘standard location protocol’.

4.

De toekenning van het 24-bit luchtvaartuigadres, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door tussenkomst van de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Bij de aanvraag wordt het registratiekenmerk, het type en het serienummer van het luchtvaartuig vermeld.

5.

De codering volgens het ‘serialized user protocol’ of het ‘standard location protocol’ resulteert in een 15-digit hexadecimale code.

6.

De 15-digit hexadecimale codes, alsmede de wijzigingen daarin en de bijbehorende gegevens van het vliegtuig, de gegevens van de contactpersonen, worden door de inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat opgenomen in het gegevensbestand van de opsporings- en reddingsdienst in Nederland. Uitsluitend ELT’s die zijn geprogrammeerd op de in dit artikel bedoelde wijze worden in het gegevensbestand van de opsporings-en reddingsdienst in Nederland opgenomen, alsmede afwijkend geprogrammeerde ELT’s na verkregen toestemming van de Minister.

7.

Voor luchtvaartuigen die een 24-bit luchtvaartuigadres voor andere doeleinden in gebruik hebben, wordt dit adres gebruikt voor de bij het luchtvaartuig behorende ELT’s.

8.

Details ten behoeve van de registratie worden middels een AIC als bedoeld in artikel 1 van de Regeling Burgerluchtvaartinlichtingen of middels de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport bekend gesteld.

Strafbepaling

Artikel 14

Handelen in strijd met de artikelen 8 tot en met 10 van deze regeling is een strafbaar feit.

Strafbepaling

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Het Besluit navigatie- en communicatie-installaties voor IFR-vluchten en de Regeling SSR-transponder worden ingetrokken.

Artikel 17

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 18

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling boorduitrusting.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3a
1.

Voor het uitvoeren van een VFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met een VHF-zend/ontvanginstallatie waarmee wordt voldaan aan artikel 5, eerste, derde en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1079/2012.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.