← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling inschrijving Nederlandse burgerluchtvaartuigen

Geldende tekst a fecha 2020-10-01

Gelet op de artikelen 3.2, tweede lid, 3.3, vijfde lid, 3.5, vijfde lid van de Wet luchtvaart en artikel 3 van het Besluit luchtwaardigheid;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Het aanvraagformulier voor inschrijving, wijziging van de inschrijving van een luchtvaartuig in het register of vernieuwing van het bewijs van inschrijving wordt volledig ingevuld en ondertekend door de aanvrager. Het formulier wordt door de minister elektronisch beschikbaar gesteld.

2.

Bij de aanvraag tot inschrijving, voor wijziging van een inschrijving van een luchtvaartuig in het register of vernieuwing van het bewijs van inschrijving worden de in deze regeling genoemde gegevens ingediend.

3.

De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden op een zodanig tijdstip ingediend, dat de beoordeling waarop de inschrijving respectievelijk de wijziging van de inschrijving van het betrokken luchtvaartuig in het register is gebaseerd, tijdig kan plaatsvinden.

Artikel 3

De houder van het luchtvaartuig is verplicht de minister zo spoedig mogelijk in te lichten indien:

§ 2. In te dienen gegevens met betrekking tot het luchtvaartuig

Artikel 4
1.

Bij de aanvraag tot inschrijving van het luchtvaartuig in het register wordt een bewijs van eigendom van het luchtvaartuig overgelegd.

2.

Indien het luchtvaartuig vanuit het buitenland wordt ingevoerd, wordt ingediend:

3.

Wanneer het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van toepassing is wordt tevens ingediend correspondentie die aantoont dat de gemachtigde partij, of de door hem aangewezen persoon, overeenkomstig de artikelen IX, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdelen a en b, en XIII van het Luchtvaartprotocol het buitenlands register om de doorhaling van de inschrijving van het luchtvaartuig heeft verzocht en dat ondanks dat het verzoek naar behoren is ingediend de deregistratie niet heeft plaatsgevonden.

4.

Het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, en het derde lid, zijn uitsluitend van toepassing indien de aanvrager ingezetene is van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius of Saba en de inschrijving van het desbetreffende luchtvaartuig ten behoeve van exploitatie in één van deze lichamen plaats zal vinden.

§ 3. In te dienen gegevens met betrekking tot de aanvrager

Artikel 5
1.

Door een natuurlijke persoon worden de volgende gegevens ingediend:

2.

Ingeval van meerdere houders, wordt een verklaring inzake het optreden van één van de houders als contactpersoon ingediend, waarbij van iedere houder de gegevens, bedoeld in het eerste lid worden ingediend. Een formulier voor deze verklaring is kosteloos te verkrijgen bij de minister.

Artikel 6

Door een rechtspersoon worden de volgende gegevens ingediend:

Artikel 7

Een aanvrager, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het Besluit luchtvaartuigen 2008, dient naast de gegevens volgens artikel 5 of 6, de volgende gegevens in:

Artikel 8

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 7 dient een aanvrager, niet tevens zijnde de eigenaar de volgende gegevens in:

§ 4. Wijziging van de inschrijving

Artikel 9
1.

Bij de aanvraag tot wijziging van de in het register opgenomen gegevens van het luchtvaartuig worden de gewijzigde gegevens als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 8 overgelegd, waaruit de aard van de gevraagde wijziging blijkt.

2.

Bij de aanvraag tot wijziging van de tenaamstelling van de inschrijving van het luchtvaartuig wordt naast de gegevens vermeld in de artikelen 5 tot en met 8, een door de vorige eigenaar of eigenaren ondertekende verklaring, dat het luchtvaartuig is overgedragen aan de aanvrager ingediend, onder opgave van de datum van overdracht, naam, adres, woonplaats dan wel zetel en land van vestiging van de aanvrager.

§ 5. Vernieuwing van het bewijs van inschrijving

Artikel 10
1.

Bij de aanvraag tot vernieuwing van het bewijs van inschrijving wordt een schriftelijke verklaring inzake de reden van vernieuwing overgelegd.

2.

In geval van vermissing van het bewijs van inschrijving wordt bij de aanvraag tot vernieuwing van het bewijs van inschrijving een afschrift van het proces-verbaal van de aangifte van vermissing overgelegd.

3.

Indien een bewijs van inschrijving wegens verlies is vernieuwd en het bewijs wordt teruggevonden, is de houder verplicht het teruggevonden bewijs zo spoedig mogelijk aan de minister te zenden.

4.

Indien een bewijs van inschrijving anders dan wegens verlies is vernieuwd, is de houder verplicht het oorspronkelijke bewijs uiterlijk op de achtste dag na de datum van verzending van het vernieuwde bewijs aan de minister te zenden.

§ 6. Doorhaling van de inschrijving

Artikel 11
1.

De aanvraag tot doorhaling van de inschrijving geschiedt schriftelijk.

2.

De aanvraag tot doorhaling van de inschrijving bevat ten minste het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk alsmede het type en serienummer van het door te halen luchtvaartuig.

3.

De aanvraag tot doorhaling van de inschrijving is ondertekend door:

4.

De minister stelt de houder van het luchtvaartuig schriftelijk op de hoogte van de doorhaling van de inschrijving, tenzij er bijzondere redenen zijn om de houder van het luchtvaartuig niet op de hoogte te stellen van de doorhaling van de inschrijving.

5.

In geval van gewenste inschrijving in een buitenlands luchtvaartuigenregister kan de minister de betreffende buitenlandse autoriteit op de hoogte stellen van de doorhaling van de inschrijving in het register.

6.

Ingeval van een niet-ambtshalve doorhaling van de inschrijving, vindt de doorhaling slechts plaats, indien blijkt, dat het luchtvaartuig niet is teboekgesteld, als bedoeld in de titel 15 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, of dat, zo het is teboekgesteld, de houders van ingeschreven rechten en de beslagleggers zijn voldaan of hun toestemming tot de doorhaling verlenen.

§ 7. Model van bewijs van inschrijving

Artikel 12

Vervallen

§ 8. In het register op te nemen gegevens

Artikel 13

In het register wordt aantekening gehouden van:

§ 9. Nationaliteitskenmerken en inschrijvingskenmerken

Artikel 14
1.

Het nationaliteitskenmerk bestaat uit PH. Dit kenmerk wordt met een koppelteken verbonden met het inschrijvingskenmerk.

2.

Het inschrijvingskenmerk bestaat uit:

3.

Het inschrijvingskenmerk begint niet met de letter Q en veroorzaakt geen verwarring met nood-, spoed- of waarschuwingssignalen. Het inschrijvingskenmerk is evenmin in strijd met de goede zeden.

4.

De letter IJ wordt geschreven als Y.

Artikel 15
1.

De kenmerken worden aan de buitenzijde van het luchtvaartuig op een duurzame wijze aangebracht. De kenmerken worden altijd schoon en zichtbaar gehouden en stichten geen verwarring.

2.

Op luchtschepen worden de kenmerken aangebracht op de romp of op de staartvlakken, met dien verstande dat:

3.

Op ballonnen worden de kenmerken aangebracht als volgt:

4.

Op de vleugels van luchtvaartuigen, anders dan bedoeld in het tweede en derde lid, worden de kenmerken aangebracht als volgt:

5.

Op de romp of de staartvlakken of overeenkomstige delen van luchtvaartuigen, anders dan bedoeld in het tweede en derde lid, worden de kenmerken aangebracht aan elke buitenzijkant:

6.

Indien het luchtvaartuig niet is voorzien van vleugels, romp, staartvlakken of overeenkomstige delen die bruikbaar zijn om de kenmerken op aan te brengen, worden de kenmerken, bedoeld in het vierde en vijfde lid, op een zodanige manier aangebracht dat het luchtvaartuig toch duidelijk herkenbaar is.

7.

Met betrekking tot een luchtvaartuig, waarmee binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam testvluchten in het kader van onderhoud of demonstratievluchten worden uitgevoerd, dan wel dat luchtvaartuig voor overschilderen wordt overgebracht van een luchtvaartterrein binnen Nederland naar een ander luchtvaartterrein binnen Nederland, is het vierde lid niet van toepassing.

Artikel 16
1.

De letters en cijfers van het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk zijn alle van gelijke hoogte.

2.

De kenmerken op luchtschepen en ballonnen zijn ten minste 50 centimeter hoog.

3.

De kenmerken op de vleugels zijn ten minste 50 centimeter hoog.

4.

De kenmerken op de romp, staartvlakken en overeenkomstige delen zijn ten minste 30 centimeter hoog.

5.

Indien het niet mogelijk is de kenmerken met de in het tweede, derde of vierde lid aangegeven hoogte aan te brengen, mogen de afmetingen van de kenmerken kleiner zijn, maar niet kleiner dan noodzakelijk is.

Artikel 17
1.

De letters zijn Romeins, zonder ornamenten en bij voorkeur volgens het model zoals in bijlage 2 van deze regeling.

2.

De cijfers zijn Arabisch, zonder ornamenten en bij voorkeur volgens het model zoals in bijlage 2 van deze regeling.

3.

De breedte van het koppelteken en van ieder cijfer of iedere letter, uitgezonderd de letter l en het cijfer 1, is twee derde van de hoogte, behalve indien het model overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2 wordt gebruikt.

4.

De dikte van de lijnen, die strak moeten zijn, bedraagt een zesde van de hoogte van de cijfers of letters, behalve indien het model overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2 wordt gebruikt.

5.

De afstand tussen de cijfers, letters en het koppelteken bedraagt ten minste een kwart van de breedte van de cijfers en letters.

6.

De kleur van de kenmerken onderscheidt zich duidelijk van de ondergrond.

7.

De kleur van de diverse karakters is zo veel mogelijk gelijk.

Artikel 18
1.

In bijzondere gevallen kan de minister toestemming verlenen voor het voeren van andere kenmerken. Aan de toestemming kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.

2.

Indien sprake is van een luchtvaartuig van historische waarde kunnen de nationaliteits- en inschrijvingskenmerken worden gevoerd op ten minste beide zijden van het luchtvaartuig met een hoogte van ten minste 5 centimeter, mits een uit historisch oogmerk ander kenmerk, dat is geaccepteerd door de minister, wordt gevoerd op de plaatsen en met de grootte, bedoeld in de artikelen 15 tot en met 17.

3.

Het aanbrengen van militaire kenmerken dan wel voormalige militaire kenmerken op luchtvaartuigen als bedoeld in het eerste lid is slechts toegestaan na het overleggen aan de minister van een schriftelijke instemming van de militaire luchtvaart autoriteit van het Ministerie van Defensie en, indien van toepassing, de betreffende buitenlandse militaire autoriteiten.

4.

De houder van een luchtvaartuig waarop een kenmerk is aangebracht als bedoeld in het eerste lid stelt de minister zo spoedig mogelijk op de hoogte indien deze kenmerken zijn verwijderd.

Artikel 19
1.

Luchtvaartuigen zijn voorzien van een identificatieplaat, waarin ten minste het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk zijn gegraveerd.

2.

De identificatieplaat is gemaakt van vuurvast materiaal en is behoorlijk bevestigd op een goed zichtbare plaats, bij voorkeur en voor zover van toepassing bij de hoofdingang van het luchtvaartuig.

§ 10. Slotbepalingen

Artikel 20

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 oktober 2001.

Artikel 21

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inschrijving Nederlandse burgerluchtvaartuigen.

Bijlage 1. bij artikel 12

Bijlage 1. bij artikel 12

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1a

Deze regeling berust op de artikelen 3.2, tweede lid, 3.3, vijfde lid, en 3.5, vijfde lid, van de Wet luchtvaart en artikel 4 van het Besluit luchtvaartuigen 2008.

§ 2. In te dienen gegevens met betrekking tot het luchtvaartuig

§ 3. In te dienen gegevens met betrekking tot de aanvrager

§ 4. Wijziging van de inschrijving

§ 5. Vernieuwing van het bewijs van inschrijving

§ 6. Doorhaling van de inschrijving

§ 7. Model van bewijs van inschrijving

§ 8. In het register op te nemen gegevens

§ 9. Nationaliteitskenmerken en inschrijvingskenmerken

§ 10. Slotbepalingen

Bijlage 2. bij artikel 17

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.