Regeling groenprojecten buitenland 2002

Type Ministeriële regeling
Publication 2019-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5.14, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluit:

Artikel 1
1.

Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 5.14, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de verklaringen als genoemd in artikel 5.14, derde lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor projecten welke gelegen zijn in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden.

2.

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Een verklaring kan, met uitzondering van verklaringen ten behoeve van Joint-implementationprojecten, slechts worden afgegeven ten behoeve van projecten die gelegen zijn in een land dat geen lid is van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en waarvan de welvaart en ontwikkeling een zodanig niveau heeft dat naar het oordeel van de ministers het land niet in staat wordt geacht het project, in relatie tot het projectrendement, en de projectkosten, met eigen middelen te realiseren.

2.

Een verklaring kan slechts worden afgegeven ten behoeve van projecten gelegen in een land waar de ontwikkeling en de stand van het milieu zulks naar het oordeel van de ministers rechtvaardigen.

Artikel 3

Een verklaring kan slechts worden afgegeven voor projecten die naar het oordeel van de ministers:

Artikel 4

Een verklaring kan slechts worden afgegeven ten behoeve van projecten die naar het oordeel van de ministers:

Artikel 5

Een verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor:

Artikel 6
1.

Een verklaring kan slechts worden aangevraagd door en afgegeven aan:

2.

De aanvraag voor een verklaring dient te worden ingediend bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

3.

Een verklaring kan slechts worden afgegeven indien de aanvraag is geschied met gebruikmaking van een formulier dat door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat op aanvraag beschikbaar wordt gesteld.

4.

Een verklaring kan slechts worden afgegeven indien de nadere gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het project binnen de door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat te stellen periode worden verstrekt.

5.

Een verklaring wordt slechts afgegeven indien na een door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat gedaan verzoek een accountantsverklaring wordt overgelegd waaruit de juistheid of de aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens of overige relevante gegevens blijkt.

6.

Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is afgegeven, kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor de afloop van de geldende verklaring worden ingediend.

Artikel 7

Een verklaring kan slechts afgegeven worden indien de projectbeheerder bij het indienen van een aanvraag voor een verklaring schriftelijk verklaart dat:

Artikel 8

Een verklaring kan slechts worden afgegeven indien de kredietinstelling en de beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, bij de indiening van een aanvraag verklaart dat zij indien door haar wordt overgegaan tot kapitaalverschaffing:

Artikel 9
1.

Aan een verklaring kunnen voorwaarden worden verbonden.

2.

De verklaring kan worden ingetrokken indien deze voorwaarden niet worden nageleefd.

3.

De verklaring kan worden ingetrokken indien de voorwaarden in de verklaring, als bedoeld in artikel 7 en artikel 8, niet worden nageleefd.

4.

De verklaring wordt met terugwerkende kracht ingetrokken indien de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest.

5.

De verklaring kan worden ingetrokken indien de kapitaalverschaffer een ander is dan degene die de aanvraag heeft ingediend tenzij de kapitaalverschaffer schriftelijk verklaart te handelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 8.

6.

De verklaring kan worden ingetrokken indien de projectbeheerder een ander is dan de projectbeheerder op wiens naam de verklaring is afgegeven tenzij de nieuwe projectbeheerder verklaart te handelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 7.

Artikel 10
1.

De verklaring kan maximaal negen maanden na afgifte van de verklaring in werking treden en wordt voor geen langere periode dan voor verwachtte levensduur van het project en de duur van ten hoogste tien jaren afgegeven.

2.

De verklaring kan slechts worden afgegeven voor een bedrag van ten hoogste € 9.075.604 per project.

3.

De verklaring vermeldt de aard van het project, het projectvermogen, de kredietinstelling of de beleggingsinstelling op wiens aanvraag de verklaring wordt afgegeven, de naam van de projectbeheerder, de voorwaarden die op de verklaring van toepassing zijn en de periode waarvoor de verklaring geldt.

4.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op een aanvraag binnen acht weken na de indiening ervan.

5.

Een afschrift van de verklaring wordt gezonden aan de projectbeheerder en aan de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen Amsterdam.

Artikel 11

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

Artikel 12

Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling groenprojecten buitenland 2002.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.