← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 11 januari 2002, houdende veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen (Vissersvaartuigenbesluit 2002)

Geldende tekst a fecha 2017-01-01

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 september 2001, nr. DGG/J-01/003872, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, bestuurlijke en juridische zaken;

Gelet op richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113), richtlijn nr. 93/103/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (PbEG L 307), richtlijn nr. 97/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt (PbEG 1998, L 34) en richtlijn nr. 1999/19/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1999 (PbEG L 83) tot wijziging van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt, alsmede op de artikelen 3, 3a, 5 en 9 van de Schepenwet;

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 7 december 2001, nr. W09.01.0493/V/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 januari 2002, nr. DGG/J-01/008960, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, bestuurlijke en juridische Zaken;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Het bepaalde in artikel 6.14, zesde lid, en artikel 6.15, eerste lid, tweede volzin, en vierde lid, voor vissersvaartuigen, gebouwd voor 23 november 1995, treedt in werking met ingang van 23 november 2002.

Hoofdstuk 1. Algemene voorzieningen

Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

Artikel 1.2. Reikwijdte
1.

Dit besluit is, met uitzondering van de artikelen 1.15 en 12.1, van toepassing op nieuwe en, voor zover uitdrukkelijk bepaald, bestaande vissersvaartuigen die zijn uitgerust of met commercieel oogmerk gebruikt worden voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee, en waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt.

2.

De normen voor het ontwerp, de bouw en het onderhoud van de romp, de hoofdmachines en hulpwerktuigen, alsmede de elektrische en automatische systemen van een vissersvaartuig zijn de voorschriften die op dat vaartuig van toepassing waren ten tijde van de bouw.

3.

Dit besluit is niet van toepassing op pleziervaartuigen die niet-commerciële visserij beoefenen.

Artikel 1.3. Gelijkwaardige voorzieningen

Bij ministeriële regeling kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die, welke in dit besluit wordt voorgeschreven, aan boord van een vissersvaartuig worden toegestaan mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in dit besluit worden voorgeschreven.

Artikel 1.4. Goedkeuring

Waar in dit besluit wordt voorgeschreven dat een constructie, een uitrustingsstuk, een gebruikt materiaal of een andere toepassing goedgekeurd dan wel van een goedgekeurd type dient te zijn, wordt daar onder verstaan dat die constructie, dat uitrustingsstuk, het gebruikte materiaal of die andere toepassing is goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dan wel is goedgekeurd volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

Artikel 1.5. Wederzijdse erkenning

Met een goedkeuring door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie dan wel van een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, mits die verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die aan ten minste gelijkwaardige voorschriften voldoen.

Artikel 1.6. Voorschriften voor bepaalde vaargebieden
1.

Bij ministeriële regeling kunnen bijzondere veiligheidsvoorschriften worden vastgesteld voor vissersvaartuigen die dienst doen in bij die ministeriële regeling vastgestelde vaargebieden.

2.

Bij de vaststelling van de vaargebieden, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met lokale omstandigheden, zoals de aard en de klimatologische omstandigheden van de wateren waarin die vaartuigen dienst doen, met de lengte van hun reizen of met hun bijzondere kenmerken, zoals het gebruikte constructiemateriaal.

Artikel 1.7. Klassenregels
1.

Onze Minister wijst instanties aan waarvan de regels kunnen gelden als eisen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de wet.

2.

Voordat een eerste onderzoek als bedoeld in artikel 1.12, eerste lid, plaatsvindt, kiest de eigenaar of de bouwer van een vissersvaartuig voor de regels van een ingevolge het eerste lid aangewezen instantie of voor de regels die door de Scheepvaartinspectie worden gebruikt.

3.

Bij onderzoeken als bedoeld in artikel 1.12 voldoet een vissersvaartuig met betrekking tot het ontwerp, de bouw en het onderhoud van de romp, de hoofdmachines en hulpwerktuigen alsmede de elektrische en automatische systemen, aan de regels van een ingevolge het eerste lid aangewezen instantie, of aan de regels die door de Scheepvaartinspectie worden gebruikt, voor zover deze regels niet in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens dit besluit.

Artikel 1.8. Certificaat van overeenstemming
1.

Een vissersvaartuig is voorzien van een certificaat van overeenstemming volgens het model, opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Op verzoek kan het certificaat ook in de Engelse taal worden afgegeven.

2.

Een certificaat van overeenstemming wordt afgegeven indien uit een eerste onderzoek als bedoeld in artikel 1.12, eerste lid, is gebleken dat het vissersvaartuig aan de voorschriften van dit besluit voldoet.

3.

Een certificaat van overeenstemming wordt telkens vernieuwd indien uit een periodiek onderzoek als bedoeld in artikel 1.12, tweede lid, onderdeel a, is gebleken dat het vissersvaartuig aan de voorschriften van dit besluit voldoet.

4.

Het certificaat van overeenstemming gaat vergezeld van een inventaris van uitrusting volgens het model, opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 1.9. Certificaat van vrijstelling

Een certificaat van vrijstelling wordt afgegeven naast een certificaat van overeenstemming indien voor een vissersvaartuig op grond van een vrijstellingsregeling krachtens artikel 5, eerste lid, van de Schepenwet afwijking is toegestaan van enig voorschrift, gesteld bij of krachtens dit besluit. Het certificaat komt overeen met het model, opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 1.10. Geldigheidsduur van certificaten
1.

Een certificaat van overeenstemming heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vier jaar en kan slechts voor de tijd van ten hoogste een jaar worden verlengd na een periodiek onderzoek als bedoeld in artikel 1.12, tweede lid, onderdeel a, onverminderd het bepaalde in het derde en vijfde lid.

2.

De geldigheidsduur van het certificaat van vrijstelling overschrijdt de geldigheidsduur van het certificaat van overeenstemming niet.

3.

Indien een vissersvaartuig zich ten tijde van het aflopen van de geldigheidsduur van het certificaat van overeenstemming buiten de grenzen van het Koninkrijk bevindt, kan de geldigheidsduur van genoemd certificaat door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd met een tijdsduur van ten hoogste vijf maanden, teneinde het vissersvaartuig in staat te stellen zijn reis te voltooien naar een haven waar het aan een periodiek onderzoek zal worden onderworpen.

4.

Een vissersvaartuig ten behoeve waarvan een verlenging als bedoeld in het derde lid is verleend, mag, nadat het in de haven waar het aan het onderzoek zal worden onderworpen is aangekomen, niet krachtens een dergelijke verlenging die haven verlaten zonder een nieuw certificaat van overeenstemming te hebben verkregen.

5.

In andere gevallen dan bedoeld in het derde lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen voor de tijd van ten hoogste een maand, aanvangende op de op het certificaat vermelde vervaldatum.

6.

In het geval de geldigheidsduur van het certificaat van overeenstemming overeenkomstig het derde of vijfde lid wordt verlengd, wordt de periode tussen de onderzoeken dienovereenkomstig verlengd.

Artikel 1.11. Aanvragen van certificaten
1.

Voor het verkrijgen van een certificaat dient de eigenaar of de bouwer van het vissersvaartuig een aanvraag in bij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de aanvraag van een certificaat en de daarbij over te leggen tekeningen en gegevens van het vissersvaartuig.

Artikel 1.12. Onderzoeken
1.

Een vissersvaartuig wordt onderworpen aan een eerste onderzoek voordat het in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat van overeenstemming, bedoeld in artikel 1.8, voor het eerst wordt afgegeven. Het eerste onderzoek omvat een volledig onderzoek van de constructie, de stabiliteit, de machine-installaties, de algemene inrichting, het materiaal, met inbegrip van de romp van het vissersvaartuig aan de buitenzijde en het in- en uitwendige van de ketels en de uitrusting, voorzover het vissersvaartuig valt onder de voorschriften van dit besluit. Het onderzoek is zodanig dat het zeker is dat de algemene inrichting, het materiaal en de verbanddelen van de constructie, ketels en andere drukvaten met toebehoren, hoofd- en hulpwerktuigen, elektrische installaties, radio-installaties, met inbegrip van de radio-installaties die in de groepsreddingsmiddelen worden gebruikt, brandbescherming, brandveiligheidssystemen en brandveiligheidsmiddelen, reddingsmiddelen en reddingsvoorzieningen, hulpmiddelen bij de navigatie, nautische publicaties en andere uitrusting ten volle voldoen aan de eisen van dit besluit. Het onderzoek is tevens zodanig dat de technische uitvoering van alle delen van het vissersvaartuig en zijn uitrusting in alle opzichten bevredigend is en dat het vissersvaartuig is voorzien van lichten, middelen voor het geven van geluidsseinen en noodseinen zoals vereist krachtens de in het Europese deel van Nederland, in Aruba, in Curaçao, in Sint Maarten, onderscheidenlijk in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldende voorschriften die strekken ter uitvoering van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bedoeld in artikel 1 van het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Trb. 1972, 51). In het geval loodsladders worden meegevoerd, worden deze eveneens onderzocht teneinde zeker te stellen dat zij deugdelijk zijn en voldoen aan het daaromtrent bepaalde in de vorenbedoelde voorschriften van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972.

2.

Een vissersvaartuig wordt onderworpen aan een periodiek onderzoek, dat bestaat uit:

3.

Het periodiek onderzoek is zodanig dat het zeker is dat alle onderdelen, genoemd in het tweede lid, voldoen aan de eisen van dit besluit, dat de uitrusting in een bevredigende toestand verkeert en dat de stabiliteitsgegevens aan boord onmiddellijk beschikbaar zijn.

4.

In aanvulling op het periodiek onderzoek wordt het vissersvaartuig, met inachtneming van bij ministeriële regeling te bepalen tussenpozen, aan een tussentijds onderzoek onderworpen. Het tussentijds onderzoek omvat een inspectie van de constructie en de machine-installaties van het vissersvaartuig en is zodanig dat het zeker is dat geen wijzigingen zijn aangebracht waardoor de veiligheid van het vissersvaartuig of de opvarenden nadelig zou worden beïnvloed.

5.

De periodieke onderzoeken, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b en c, en het tussentijdse onderzoek worden aangetekend op het certificaat van overeenstemming.

6.

Telkens wanneer zich een ongeval heeft voorgedaan of een onvolkomenheid aan het vissersvaartuig is ontdekt waardoor de veiligheid van het vissersvaartuig of de doeltreffendheid of volledigheid van de reddingsmiddelen of van de andere uitrusting wordt aangetast, dragen de schipper en de eigenaar van het vissersvaartuig er zorg voor dat de Scheepvaartinspectie en, indien de eigenaar is aangesloten bij een klassebureau, het klassebureau, zo spoedig mogelijk worden ingelicht. De eigenaar en de schipper dragen er vervolgens zorg voor dat een aanvullend onderzoek wordt ingesteld. Wanneer het vissersvaartuig zich in een haven buiten het Koninkrijk bevindt, dragen de schipper en de eigenaar er zorg voor dat onmiddellijk de ter plaatse bevoegde autoriteiten worden ingelicht.

Artikel 1.13. Medewerking bij onderzoek

De eigenaar en de schipper van het vissersvaartuig zijn verplicht aan degene die een onderzoek verricht alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs bij de uitoefening van zijn taak kan vorderen.

Artikel 1.14. Handhaving van de toestand na onderzoek

Nadat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.12 is beëindigd:

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

Artikel 2.1. Constructie
1.

De sterkte en de constructie van de romp, bovenbouwen, dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en die van de scheepsuitrusting zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voldoende bestand tegen alle voorzienbare omstandigheden waaronder het vissersvaartuig kan opereren.

2.

De romp van vissersvaartuigen die zijn bestemd om in ijs dienst te doen, is versterkt, rekening houdend met de te verwachten omstandigheden tijdens de vaart en in het werkgebied.

3.

Schotten, afsluitmiddelen en afsluitingen van openingen in deze schotten, evenals de methoden om deze te beproeven, zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Vissersvaartuigen die zijn vervaardigd van ander materiaal dan hout, zijn voorzien van een aanvaringsschot en ten minste van waterdichte schotten die de ruimte voor machines, waarin zich het hoofdvoortstuwingswerktuig bevindt, omsluiten. Deze schotten zijn opgetrokken tot aan het werkdek. In houten vissersvaartuigen zijn dergelijke schotten eveneens aangebracht en, voor zover zulks praktisch uitvoerbaar is, zijn deze schotten waterdicht.

4.

Pijpen die door het aanvaringsschot zijn gevoerd, zijn voorzien van doelmatige afsluiters, die boven het werkdek kunnen worden bediend en die tegen het aanvaringsschot in de voorpiek zijn bevestigd. In het aanvaringsschot onder het werkdek zijn geen deuren, mangaten, ventilatiekokers of andere openingen aangebracht.

5.

Indien een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, is als voortzetting van het aanvaringsschot een schot, dicht tegen weer en wind, aangebracht tussen het werkdek en het dek boven het werkdek. Deze voortzetting van het aanvaringsschot boven het werkdek behoeft niet onmiddellijk te zijn geplaatst boven het aanvaringsschot, mits het wordt geplaatst binnen de grenzen, als bepaald in het achtste lid en het gedeelte van het dek dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en wind.

6.

Het aantal openingen in de voortzetting van het aanvaringsschot boven het werkdek is beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de bestemming en de normale bedrijfsuitoefening van het vissersvaartuig. Dergelijke openingen kunnen dicht tegen weer en wind worden afgesloten.

7.

In vissersvaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, is, voorzover dit praktisch uitvoerbaar is, tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot een waterdichte dubbele bodem aangebracht.

Artikel 2.2. Waterdichte deuren
1.

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1, derde lid, is het aantal openingen in waterdichte schotten beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de algehele inrichting en de noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden op het vissersvaartuig; openingen zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorzien van waterdichte afsluitmiddelen. Waterdichte deuren zijn van gelijke sterkte als de aangrenzende constructie zonder zulke openingen.

2.

Op vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 45 m mogen waterdichte deuren van het draaibare type zijn, die ter plaatse aan beide zijden van de deur kunnen worden geopend en gesloten en die onder normale omstandigheden op zee gesloten blijven. Op de deur is aan beide zijden aangegeven dat deze op zee moet zijn gesloten.

3.

Op vissersvaartuigen met een lengte van 45 m en meer zijn waterdichte deuren als schuifdeuren uitgevoerd in:

In andere gevallen kunnen waterdichte deuren als draaideuren zijn uitgevoerd.

4.

Waterdichte schuifdeuren kunnen nog geopend en gesloten worden wanneer het vissersvaartuig een helling heeft van 15°, ongeacht over welke zijde.

5.

Waterdichte schuifdeuren die met de hand of anderszins worden bediend kunnen ter plaatse van de deur aan beide zijden geopend en gesloten worden. Op vissersvaartuigen met een lengte van 45 m en meer kunnen deze deuren door middel van afstandsbediening geopend en gesloten worden vanaf een toegankelijke plaats boven het werkdek, met uitzondering van deuren die zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie ten behoeve van de bemanning.

6.

Op alle plaatsen van waaruit afstandsbediening plaatsvindt, is een standaanwijzer aanwezig die aangeeft of een schuifdeur geopend dan wel gesloten is.

Artikel 2.3. Waterdichte afsluiting
1.

Openingen waardoor water het vissersvaartuig kan binnendringen zijn voorzien van waterdichte afsluitmiddelen. Dekopeningen die tijdens de visvangst geopend kunnen zijn, zijn zoveel mogelijk ter plaatse van het vlak van kiel en stevens van het vissersvaartuig aangebracht. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan afwijkende voorzieningen toestaan, indien naar zijn oordeel de veiligheid van het vissersvaartuig daardoor niet vermindert.

2.

Luiken boven visstortopeningen op hektrawlers kunnen mechanisch worden bewogen en vanaf een plaats worden bediend die een onbelemmerd uitzicht biedt op de werking van deze luiken.

Artikel 2.4. Tegen weer en wind dichte deuren
1.

Alle toegangsopeningen in schotten van gesloten bovenbouwen en in andere aan weer en wind blootgestelde constructies waardoor, met gevaar voor het vissersvaartuig, water zou kunnen binnendringen, zijn voorzien van deuren die permanent aan het schot zijn bevestigd en zijn zodanig ingeraamd en verstijfd dat het gehele samenstel, indien de opening daardoor gesloten is, even sterk is alsof geen opening in het schot aanwezig was. De deuren kunnen dicht tegen weer en wind worden afgesloten door middel van pakkingen en knevels of andere, gelijkwaardige middelen die permanent aan het schot of aan de deuren zelf zijn bevestigd en zijn zodanig uitgevoerd, dat de deuren aan beide zijden van het schot kunnen worden geopend en gesloten. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, zonder de veiligheid van de bemanning te veronachtzamen, voor koel- en vrieskamers toestaan dat de deuren slechts aan één zijde kunnen worden geopend, mits een deugdelijk alarm wordt aangebracht om te voorkomen dat personen in die ruimten worden ingesloten.

2.

In deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot gedeelten van het blootgestelde dek en die gelegen zijn in toegangskappen, opbouwen en schachten van machinekamers, bedraagt de hoogte van drempels boven het dek ten minste 600 mm op het werkdek en ten minste 300 mm op een opbouwdek. Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat van deze drempelhoogten wordt afgeweken, met dien verstande dat de drempelhoogte nimmer minder mag bedragen dan 380 mm op het werkdek en 150 mm op een opbouwdek. Ten aanzien van de minimum drempelhoogte van deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot de ruimten voor machines kan niet worden afgeweken.

Artikel 2.5. Luikopeningen en de afsluiting daarvan door houten luiken
1.

De hoogte van luikhoofden boven het dek bedraagt op blootgestelde gedeelten van het werkdek ten minste 600 mm en op een opbouwdek ten minste 300 mm.

2.

Bij het bepalen van de dikte van houten luiken wordt rekening gehouden met een toeslag voor slijtage als gevolg van een ruwe behandeling. In ieder geval bedraagt de dikte van deze luiken ten minste 4 mm voor elke 100 mm ongesteunde spanwijdte met een minimum van 40 mm en bedraagt de breedte van het draagoppervlak ten minste 65 mm.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorzieningen om houten luiken waterdicht af te sluiten.

Artikel 2.6. Luikopeningen en de afsluiting daarvan door luiken van een ander materiaal dan hout
1.

De hoogte boven het dek van luikhoofden is uitgevoerd zoals aangegeven in artikel 2.5, eerste lid. Wanneer de ervaring in de praktijk zulks rechtvaardigt kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de hoogte van de luikhoofden wordt verlaagd dan wel de luikhoofden geheel worden weggelaten, mits de veiligheid van het vissersvaartuig daardoor niet vermindert. In dat geval worden de luikopeningen zo klein als praktisch uitvoerbaar gehouden en zijn de luiken blijvend bevestigd door middel van scharnieren of naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gelijkwaardige middelen en kunnen ze snel gesloten en vastgezet worden.

2.

Voor de berekening van de sterkte wordt aangenomen, dat luiken voor luikopeningen zijn onderworpen aan het gewicht van de lading die daarop wordt vervoerd of aan de hierna vermelde statische belasting, al naar gelang welke waarde groter is:

Voor tussenliggende waarden van de lengte worden de waarden voor de belasting door lineaire interpolatie vastgesteld. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat de belastingen tot maximaal 75% van bovenvermelde waarden worden verlaagd, indien het luiken van luikopeningen betreft die zich op het opbouwdek bevinden achter een punt, dat op 0,25 L vanaf de voorloodlijn ligt.

3.

Wanneer de luiken van staal zijn vervaardigd, is de volgens het tweede lid berekende trekspanning vermenigvuldigd met de factor 4,25 niet groter dan de minimum treksterkte van het staal. Bij de aangenomen belastingen bedragen de doorbuigingen niet meer dan 0,0028 maal de overspanning van het luik.

4.

Luiken van een ander materiaal dan staal zijn ten minste even sterk als stalen luiken en hun constructie is van een zodanige stijfheid, dat de dichtheid tegen weer en wind onder de belastingen, bepaald in het tweede lid, is verzekerd.

5.

Luiken zijn voorzien van knevels en pakkingen die de dichtheid tegen weer en wind verzekeren, of daaraan naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gelijkwaardige voorzieningen.

Artikel 2.7. Openingen boven voortstuwingsruimten
1.

Openingen boven voortstuwingsruimten zijn rondom versterkt en omsloten door schachten van een sterkte gelijk aan die van de aangrenzende bovenbouw. Toegangsopeningen in dergelijke schachten zijn voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 2.4.

2.

Openingen anders dan toegangsopeningen in dergelijke schachten zijn voorzien van gelijkwaardige, vast aangebrachte afsluitmiddelen en kunnen dicht tegen weer en wind worden afgesloten.

Artikel 2.8. Andere openingen in het dek
1.

Wanneer zulks voor de visserijwerkzaamheden van belang is, mogen in het dek verzonken stortranden van het schroef-, bajonet- of een gelijkwaardig type zijn en mogen mangaten zijn aangebracht, mits deze waterdicht gesloten kunnen worden en dergelijke afsluitmiddelen blijvend zijn bevestigd aan de aangrenzende constructie. Met inachtneming van afmetingen en plaats van de openingen alsmede de uitvoering van de afsluitmiddelen, mogen metaal op metaal afsluitingen zijn aangebracht mits het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat een even doelmatige waterdichtheid wordt verkregen.

2.

Openingen die geen luikhoofden, openingen boven de voortstuwingsruimte, mangaten of verzonken stortranden in het werk- of opbouwdek zijn, worden beschermd door middel van gesloten constructies, voorzien van waterdichte deuren of daaraan gelijkwaardige afsluitingen. Toegangskappen zijn zo dicht als praktisch uitvoerbaar is ter hoogte van het vlak van kiel en stevens van het vissersvaartuig geplaatst.

Artikel 2.9. Luchtkokers
1.

Bij vissersvaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt hebben de schachten van luchtkokers, geen schachten van luchtkokers van de voortstuwingsruimte zijnde, een hoogte van ten minste 900 mm boven het werkdek en ten minste 760 mm boven het opbouwdek. Bij vissersvaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, bedraagt de hoogte van deze schachten respectievelijk 760 mm en 450 mm. De hoogte boven het dek van luchtkokers van de voortstuwingsruimte is ten minste 900 mm, of hoger voorzover zulks praktisch uitvoerbaar is.

2.

De sterkte van schachten van luchtkokers is gelijk aan die van de aangrenzende constructie en deze luchtkokers zijn voorzien van afsluitmiddelen die een doeltreffende afsluiting vormen dicht tegen weer en wind. De afsluitmiddelen zijn blijvend bevestigd aan de luchtkoker of de aangrenzende constructie. Indien de schacht van een luchtkoker hoger is dan 900 mm, is deze extra gesteund.

3.

Bij vissersvaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, behoeven de luchtkokers waarvan de schachten meer dan 4,5 m boven het werkdek of meer dan 2,3 m boven het opbouwdek uitsteken niet van afsluitmiddelen te zijn voorzien, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat dergelijke afsluitmiddelen noodzakelijk zijn. Bij vissersvaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt behoeven luchtkokers waarvan de schachten meer dan 3,4 m boven het werkdek of meer dan 1,7 m boven het opbouwdek uitsteken niet te zijn voorzien van afsluitmiddelen. Indien het naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet waarschijnlijk is dat water het vissersvaartuig binnendringt via de luchtkokers van de voortstuwingsruimte kunnen afsluitmiddelen aan deze luchtkokers vervallen.

Artikel 2.10. Luchtpijpen
1.

Indien luchtpijpen van tanks en ledige ruimten boven het werkdek of boven het opbouwdek uitsteken, zijn de blootgestelde delen van deze pijpen van gelijke sterkte als de aangrenzende bovenbouw en in voldoende mate beschermd. Openingen van luchtpijpen zijn voorzien van afsluitmiddelen die blijvend zijn bevestigd aan de pijp of aangrenzende constructie.

2.

De hoogte van de opening van luchtpijpen boven het dek bedraagt op het werkdek ten minste 760 mm en op een opbouwdek ten minste 450 mm. Indien de hoogte van een luchtpijp een belemmering vormt voor de visserijwerkzaamheden aan boord, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een kleinere hoogte toestaan.

Artikel 2.11. Voorzieningen voor peilen
1.

Voorzieningen voor peilen zijn aangebracht op de vullingen van alle ruimten die gedurende de reis niet te allen tijde toegankelijk zijn, en op alle tanks en kofferdammen.

2.

Als voorzieningen voor peilen als bedoeld in het eerste lid worden aangemerkt:

3.

Indien een peilinrichting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of c, wordt toegepast, is deze van een goedgekeurd type. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de constructie en aanleg van peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.

4.

Indien een peilinrichting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt toegepast, is de desbetreffende tank of ruimte tevens uitgerust met een voorziening voor de controle van het juiste vloeistofniveau.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing op kleinere tanks, met inbegrip van sludge-, buffer- en lekolietanks, smeerolieaflooptanks, koelwater- en ketelwatertanks, alsmede vullingen van laadruimten.

6.

De voorzieningen voor peilen op de vullingen van laadruimten bestaan uit peilinrichtingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, c of d.

7.

Indien peilpijpen zijn aangebracht komen de uiteinden uit op een steeds toegankelijke plaats en, indien praktisch uitvoerbaar, boven het werkdek. De peilpijpen zijn voorzien van afsluitmiddelen die blijvend zijn bevestigd. Peilpijpen die niet tot boven het werkdek zijn opgetrokken zijn voorzien van zelfsluitende kranen. Indien de tanks brandbare vloeistoffen bevatten, wordt tevens voldaan aan het bepaalde in artikel 4.10, tweede lid.

8.

Onder peilpijpen zijn stootplaatjes aangebracht.

9.

Indien peilpijpen door laadruimten worden gevoerd, zijn zij aldaar en aan dek zodanig beschermd of zodanig sterk dat zij door het verschuiven van lading niet kunnen worden beschadigd.

10.

Indien op drinkwatertanks peilpijpen zijn aangebracht, reiken deze ten minste 15 cm boven het dek.

Artikel 2.12. Patrijspoorten en ramen
1.

Patrijspoorten in ruimten onder het werkdek en in een gesloten bovenbouw zijn aan de binnenzijde voorzien van scharnierende blinden die waterdicht kunnen worden gesloten.

2.

Het laagste punt van een patrijspoort is niet lager aangebracht dan 500 mm boven de hoogst gelegen indelingslastlijn.

3.

Patrijspoorten die minder dan 1000 mm boven de hoogst gelegen indelingslastlijn zijn aangebracht, zijn van het vaste type.

4.

Alle patrijspoorten, met inbegrip van de zich daarin bevindende ramen, vaste lichtranden en blinden, zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De delen die kunnen worden beschadigd door visgerei zijn deugdelijk beschermd.

5.

Voor de ramen van het stuurhuis wordt gehard veiligheidsglas of soortgelijk materiaal toegepast.

6.

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kunnen patrijspoorten en ramen zonder blinden zijn aangebracht in de zij- en achterschotten van dekhuizen op of boven het werkdek, indien naar zijn oordeel de veiligheid van het vissersvaartuig daardoor niet vermindert.

Artikel 2.13. Inlaat- en uitlaatopeningen
1.

De door het scheepsboord gaande afvoerpijpen van ruimten onder het werkdek of van ruimten in gesloten bovenbouwen of dekhuizen op het werkdek, voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 2.4, zijn voorzien van doelmatige middelen ter voorkoming van het binnendringen van water. In het algemeen is elke afzonderlijke uitlaatopening voorzien van een terugslagklep met een inrichting door middel waarvan de klep in gesloten toestand rechtstreeks vanaf een toegankelijke plaats kan worden vastgezet. Een dergelijke klep is niet voorgeschreven indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat het binnendringen van water via de opening niet zal leiden tot een gevaarlijke situatie en dat de dikte van de leiding voldoende is. De inrichting voor het bedienen van de klep is uitgerust met een voorziening die aangeeft of de klep open of gesloten is.

2.

In bemande ruimten voor machines mogen buitenboordsinlaatopeningen en -uitlaatopeningen die van belang zijn voor de werking van machines ter plaatse worden bediend. De bedieningen zijn toegankelijk en zijn voorzien van inrichtingen die aangeven of de afsluiters open of gesloten zijn.

3.

Huidappendages en afsluiters zoals voorgeschreven ingevolge dit artikel zijn van staal, brons of een ander goedgekeurd smeedbaar materiaal vervaardigd. Alle leidingen tussen de huid en de afsluiters zijn van staal, met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie op vissersvaartuigen van een ander materiaal dan staal het gebruik van andere materialen kan toestaan in ruimten, andere dan ruimten voor machines.

Artikel 2.14. Waterloospoorten
1.

Indien ter plaatse van een kuil op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het werkdek een verschansing is aangebracht, wordt de minimum oppervlakte (A) van de waterloospoorten in m2 in elk scheepsboord voor elke kuil op het werkdek in relatie tot de lengte (l) en hoogte van de verschansing als volgt bepaald:

2.

De oppervlakte van de waterloospoorten berekend volgens het eerste lid, wordt verhoogd indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat de zeeg van het vissersvaartuig niet voldoende is om zeker te stellen dat het water snel en doelmatig van het dek wordt geloosd.

3.

Behoudens de toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bedraagt de minimum oppervlakte van de waterloospoorten voor elke kuil op het dek van een bovenbouw ten minste de helft van de oppervlakte (A), zoals bepaald in het eerste lid.

4.

Waterloospoorten zijn zodanig langs de verschansing aangebracht dat water snel en doelmatig van het dek kan worden geloosd. De onderkanten van de waterloospoorten liggen zo dicht mogelijk boven het dek.

5.

Lastplanken en inrichtingen waarmee vistuig wordt vastgezet, zijn zodanig aangebracht dat de werking van waterloospoorten niet vermindert. Lastplanken zijn zo geconstrueerd dat zij bij gebruik in de juiste stand kunnen worden vastgezet en de lozing van overkomend water niet belemmeren.

6.

Waterloospoorten die meer dan 300 mm hoog zijn, zijn door staven met een onderlinge afstand van niet meer dan 230 mm en niet minder dan 150 mm beschermd of uitgerust met een andere passende voorziening ter bescherming. Indien kleppen zijn aangebracht, zijn deze van een goedgekeurd type. Indien inrichtingen voor het vastzetten van deze kleppen zijn aangebracht die nodig zijn voor het uitoefenen van de visserij, zijn deze vastzetinrichtingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en zijn ze vanaf een gemakkelijk bereikbare plaats eenvoudig te bedienen.

7.

Bij vissersvaartuigen die zijn bestemd om te worden gebruikt in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, kunnen kleppen en voorzieningen ter bescherming van waterloospoorten gemakkelijk worden verwijderd teneinde ijsafzetting te beperken. De afmeting van openingen en middelen voor het verwijderen van deze voorzieningen ter bescherming zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 2.15. Anker- en meergerei
1.

Er is voorzien in een ankergerei dat is ontworpen voor een snelle en veilige bediening en dat bestaat uit een ankerinrichting, ankerkettingen of ankerkabels, borginrichting en ankerlier of een andere inrichting voor het laten vallen en halen van het anker en het op de ankerplaats houden van het vissersvaartuig onder alle voorzienbare omstandigheden. Vissersvaartuigen zijn tevens voorzien van voldoende meergerei voor het veilig meren onder alle bedrijfsomstandigheden.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 2.16. Werkdekken in een gesloten bovenbouw
1.

Werkdekken zijn voorzien van een efficiënt afvoersysteem met een voldoende draineringscapaciteit om het waswater en de ingewanden van de vis af te voeren.

2.

Alle voor de visserijactiviteit nodige openingen zijn voorzien van middelen die door één persoon snel en doeltreffend kunnen worden afgesloten.

3.

Wanneer de vangst voor behandeling of verwerking op het werkdek wordt gebracht, wordt zij in een vangkamer geplaatst. De vangkamers voldoen aan het bepaalde in artikel 3.11. Er is een efficiënt afvoersysteem geïnstalleerd. Tevens wordt voorzien in een adequate bescherming tegen onverhoeds op het werkdek stromend water.

4.

De dekken zijn met ten minste twee afvoeropeningen uitgerust.

5.

De vrije hoogte in de werkruimte bedraagt overal ten minste twee meter.

6.

Er is een vast ventilatiesysteem aangebracht waarmee de lucht ten minste zes keer per uur wordt ververst.

Artikel 2.17. Diepgangsmerken
1.

Alle vissersvaartuigen zijn aan beide zijden van de voor- en achtersteven voorzien van diepgangsmerken.

2.

Deze merken bevinden zich zo dicht mogelijk bij de loodlijnen.

Artikel 2.18. Vistanks met gekoeld (RSW) of diepgekoeld (CSW) zeewater
1.

Indien vistanks met gekoeld of diepgekoeld zeewater dan wel soortgelijke tanksystemen worden gebruikt, zijn de tanks uitgerust met een afzonderlijke, vast aangehechte voorziening voor het vullen en ledigen.

2.

Indien de tanks eveneens voor het vervoer van droge lading worden gebruikt, zijn de tanks uitgerust met een lenssysteem en voorzien van adequate middelen om te voorkomen dat water uit het lenssysteem in de tanks terecht komt.

Artikel 2.19. Toepasselijkheid van de artikelen 2.16, 2.17 en 2.18

De artikelen 2.16, 2.17, 2.18 zijn slechts van toepassing op Nederlandse vissersvaartuigen.

Hoofdstuk 3. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

Artikel 3.1. Algemeen

Vissersvaartuigen zijn zo ontworpen en geconstrueerd dat aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfsomstandigheden, bedoeld in artikel 3.7. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 3.2. Stabiliteitscriteria
1.

Vissersvaartuigen voldoen aan de volgende minimum stabiliteitscriteria, tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie praktijkervaringen rechtvaardigen dat van deze criteria wordt afgeweken:

2.

Indien voorzieningen, andere dan kimkielen, zijn aangebracht teneinde het slingeren te beperken, wordt ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aangetoond dat in alle bedrijfsomstandigheden de stabiliteit ten minste zal blijven voldoen aan de criteria, bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien wordt voorzien in ballast om zeker te stellen dat is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, zijn de aard en de inrichting ervan ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 3.3. Vervuld raken van visruimen

Luikopeningen die tijdens het uitoefenen van visserijwerkzaamheden niet gesloten zijn en die niet snel gesloten kunnen worden, zijn zodanig aangebracht dat bij een hellingshoek van 20° of minder geen water de visruimen kan binnendringen, tenzij aan het bepaalde in artikel 3.2, eerste lid, nog steeds voldaan wordt wanneer die visruimen geheel of gedeeltelijk vervuld zijn geraakt.

Artikel 3.4. Bijzondere vismethoden

Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf op het vissersvaartuig werken tijdens de visserijwerkzaamheden, voldoen ten minste aan de stabiliteitscriteria, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, die zo nodig bij ministeriële regeling kunnen worden uitgebreid.

Artikel 3.5. Harde wind en slingeren

Vissersvaartuigen zijn, overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen nadere regels, bestand tegen harde wind en slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, waarbij rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Artikel 3.6. Water aan dek

Vissersvaartuigen zijn, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, bestand tegen de invloed van water aan dek, waarbij rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Artikel 3.7. Bedrijfsomstandigheden
1.

Het aantal en de soort bedrijfsomstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en omvat ten minste:

2.

In aanvulling op de specifieke bedrijfsomstandigheden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de minimum stabiliteitscriteria, zoals bepaald in artikel 3.2, bij alle andere te verwachten bedrijfsomstandigheden, met inbegrip van die welke de laagste waarden van de stabiliteitsparameters te zien geven en zijn vervat in deze criteria. Tevens wordt rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden die verband houden met een wijziging van het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt of van het vaargebied en die van invloed zijn op de stabiliteit.

3.

Met betrekking tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, omvatten de berekeningen het volgende:

Artikel 3.8. IJsafzetting
1.

Voor vissersvaartuigen die dienst doen in gebieden waar zich ijsafzetting kan voordoen, wordt in de stabiliteitsberekeningen rekening gehouden met de volgende ijstoeslag:

2.

Vaartuigen die zijn bestemd voor het uitoefenen van de visserij in gebieden waarvan het bekend is dat er zich ijsafzetting voordoet, zijn:

Artikel 3.9. Hellingproef
1.

Elk vissersvaartuig wordt na voltooiing aan een hellingproef onderworpen, waarbij het werkelijke gewicht en de ligging van het zwaartepunt worden bepaald voor de toestand van het lege vaartuig.

2.

Indien een vissersvaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed kunnen zijn op de toestand van het lege vaartuig en de ligging van het zwaartepunt, wordt het vaartuig, indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat dit noodzakelijk is, opnieuw aan een hellingproef onderworpen en worden de stabiliteitsgegevens herzien.

3.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eis van de hellingproef van een individueel vaartuig indien de basisstabiliteitsgegevens beschikbaar zijn van de hellingproef van een zusterschip en ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is aangetoond dat betrouwbare gegevens betreffende de stabiliteit vanuit dergelijke basisgegevens kan worden verkregen voor het vaartuig dat van de hellingproef is uitgezonderd.

4.

Voor Nederlandse vissersvaartuigen vinden de hellingproef en de vaststelling van de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, ten minste om de tien jaar plaats.

Artikel 3.10. Stabiliteitsgegevens
1.

De schipper beschikt over voldoende nauwkeurige en betrouwbare gegevens betreffende de stabiliteit om op een snelle en eenvoudige wijze de stabiliteit van het vaartuig onder verschillende bedrijfsomstandigheden te kunnen beoordelen. Deze gegevens bevatten zo nodig gerichte instructies voor de schipper die hem waarschuwen voor die bedrijfsomstandigheden die een ongunstige invloed kunnen hebben op de stabiliteit of de trim van het vaartuig. De stabiliteitsgegevens worden ter goedkeuring overgelegd aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

2.

De goedgekeurde stabiliteitsgegevens zijn te allen tijde aan boord aanwezig en beschikbaar. Deze gegevens worden tijdens het periodieke onderzoek geïnspecteerd om zeker te stellen dat zij goedgekeurd zijn voor de gebruikte bedrijfsomstandigheden.

3.

Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op zijn stabiliteit, worden de gegevens betreffende de stabiliteit opnieuw berekend en ter goedkeuring aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorgelegd. Indien op grond van deze stabiliteitsberekeningen het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat de bestaande stabiliteitsgegevens moeten worden herzien, worden de nieuwe gegevens aan de schipper ter beschikking gesteld en worden de verouderde gegevens verwijderd.

Artikel 3.11. Keeschotten

De vislading wordt deugdelijk gestuwd teneinde het overgaan van de lading, waardoor een gevaarlijke vertrimming of slagzij van het vaartuig zou kunnen ontstaan, tegen te gaan. Indien hiertoe keeschotten worden toegepast, zijn deze ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 3.12. Boeghoogte

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is de boeghoogte toereikend om te voorkomen dat het vaartuig bovenmatige hoeveelheden water overkrijgt en is de boeghoogte zodanig vastgesteld dat rekening is gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Artikel 3.13. Maximum toelaatbare diepgang

Aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt een zodanige maximum toelaatbare diepgang ter goedkeuring voorgelegd dat onder de bijbehorende bedrijfsomstandigheden wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria van dit hoofdstuk en aan de betreffende voorschriften zoals bepaald in de hoofdstukken 2 en 6.

Artikel 3.14. Waterdichte indeling en lekstabiliteit

Van een vissersvaartuig waarvan de lengte 100 m of meer bedraagt en met 100 of meer opvarenden aan boord is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de stabiliteit toereikend om het lek raken van enig compartiment te kunnen doorstaan, waarbij rekening wordt gehouden met het type vaartuig, de aard van de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en het vaargebied.

Hoofdstuk 4. Machine- en elektrische installaties en tijdelijk onbemande ruimten voor machines

§ 1. Algemeen

Artikel 4.1. Toepassing

Dit hoofdstuk is van toepassing op vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer en op nieuwe Nederlandse vissersvaartuigen met een lengte van 24 meter of meer.

Artikel 4.2. Omschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 4.3. Algemeen
1.

Hoofdvoortstuwingsinstallaties, bedieningssystemen, stoomleidingsystemen, brandstofsystemen, drukluchtsystemen, elektrische installaties, koelsystemen, hulpwerktuigen, ketels en andere drukvaten, pijpleidingen en pompinstallaties, stuurmachines en toebehoren, assen en koppelingen, bestemd voor de overdracht van vermogen, zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontworpen, geconstrueerd, beproefd, ingericht en onderhouden. De uitvoering en de opstelling van deze machine-installaties, met inbegrip van hefwerktuigen, lieren en uitrusting voor de behandeling en verwerking van vis, zijn zodanig, dat de veiligheid en de gezondheid van in de nabijheid aanwezige personen zoveel mogelijk is gewaarborgd. Waar nodig zijn ter beveiliging tegen bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren, schermplaten, handgrepen of hekwerk aangebracht.

2.

Ruimten voor machines zijn zodanig ontworpen dat alle werktuigen en de daarbij behorende bedieningsinstallaties, alsmede alle andere onderdelen die onderhoud kunnen vereisen, veilig en gemakkelijk toegankelijk zijn. De betreffende ruimten kunnen voldoende worden geventileerd.

4.

Hoofdvoortstuwingsinstallaties en alle hulpinstallaties die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, kunnen, zoals zij zijn geïnstalleerd, functioneren ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel een slagzij maakt tot 15° naar beide zijden onder statische omstandigheden of een slagzij tot 22,5° naar beide zijden onder dynamische omstandigheden, waarbij het vaartuig over beide zijden slingert en gelijktijdig een dynamische stampbeweging tot 7,5° over de boeg of achtersteven maakt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdende met het type, de afmetingen en het gebruik van het vaartuig, toestaan dat van deze criteria wordt afgeweken.

5.

Het ontwerp, de constructie en de installatie van voortstuwingssystemen zijn zodanig, dat binnen de normale bedrijfsgebieden op geen enkele wijze door trillingen abnormale spanningen in deze voortstuwingssystemen worden veroorzaakt.

6.

Het ontwerp en de bouw van elektrische installaties zijn zodanig uitgevoerd dat:

7.

Ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 4.16 tot en met 4.18 kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld ten aanzien van elektrische installaties.

8.

De artikelen 4.19 tot en met 4.24 zijn van toepassing op vissersvaartuigen met tijdelijk onbemande machinekamers, in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 4.3 tot en met 4.18 en 5.1 tot en met 5.44.

9.

Er zijn zodanige voorzieningen getroffen, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, dat verzekerd is dat de gehele machine-installatie onder alle omstandigheden, manoeuvreren inbegrepen, op betrouwbare wijze functioneert. In elk geval omvatten deze voorzieningen regelmatige inspecties en ronden teneinde de voortdurende betrouwbare werking van de machine-installatie te verzekeren.

10.

Er is een verklaring aan boord waaruit ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie blijkt dat het vaartuig is ingericht om met tijdelijk onbemande machinekamers te varen.

§ 2. Machine-installaties

Artikel 4.4. Hoofd- en hulpwerktuigen
1.

Hoofd- en hulpwerktuigen die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, zijn voorzien van doelmatige bedieningsmiddelen.

2.

Verbrandingsmotoren met een cilinderdiameter groter dan 200 mm, of een krukkastvolume groter dan 0,6 m3, zijn voorzien van ontlastkleppen voor krukkastexplosies. Deze ontlastkleppen zijn van een goedgekeurd type en hebben een voldoende ontlastoppervlak.

3.

Indien hoofd- of hulpwerktuigen, drukvaten inbegrepen, of onderdelen van deze werktuigen aan inwendige druk zijn onderworpen en aan gevaarlijke overdruk kunnen worden blootgesteld, worden, waar praktisch uitvoerbaar, voorzieningen getroffen die tegen zulk een te hoge druk beschermen.

4.

Alle tandwieloverbrengingen en elke as en koppeling welke gebruikt worden voor het overbrengen van vermogen naar werktuigen die essentieel zijn voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig en van de opvarenden, zijn zodanig ontworpen en vervaardigd dat zij bestand zijn tegen de hoogste spanningen waaraan zij kunnen worden onderworpen in alle bedrijfstoestanden. Speciale aandacht wordt geschonken aan de uitvoering van de werktuigen waardoor zij worden aangedreven of waarvan zij een onderdeel uitmaken.

5.

Voortstuwingswerktuigen en, waar van toepassing, hulpwerktuigen zijn voorzien van automatisch werkende voorzieningen om deze uit te schakelen bij storingen, zoals het uitvallen van de smeerolietoevoer, die aanleiding kunnen geven tot ernstige schade, onklaar geraken of explosie. Tevens is een vooralarm aangebracht opdat een waarschuwingssignaal wordt gegeven alvorens de machines automatisch worden gestopt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter voorzieningen toestaan waarmee de automatische stopinrichtingen buiten werking kunnen worden gesteld.

Artikel 4.5. Voorzieningen voor het achteruitvermogen
1.

Er kan een zodanig voortstuwingsvermogen worden ontwikkeld dat het vaartuig onder alle in de praktijk voorkomende omstandigheden behoorlijk manoeuvreerbaar is.

2.

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat de machine-installatie in staat is de richting van de stuwdruk van de schroef binnen redelijke tijd om te keren en hiermede binnen redelijke afstand de vaart uit het vaartuig te halen vanuit de maximum dienstsnelheid vooruit.

Artikel 4.6. Stoomketels, voedingwatersystemen en stoomleidingen
1.

Elke stoomketel en elke ongestookte stoomgenerator is voorzien van ten minste twee veiligheidskleppen van voldoende capaciteit, met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, rekening houdende met de capaciteit of enige andere eigenschap van stoomketels of ongestookte stoomgenerators, kan toestaan dat slechts één veiligheidsklep is aangebracht, mits hij ervan overtuigd is dat in dat geval voorzien is in een afdoende beveiliging tegen overdruk.

2.

Elke met olie gestookte stoomketel die is ontworpen om niet met de hand te worden bediend, is voorzien van veiligheidsinrichtingen die de olietoevoer afsluiten en alarm geven in geval van laag waterpeil, storing in de luchttoevoer of vlamstoring.

3.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie schenkt bijzondere aandacht aan stoomketelinstallaties, teneinde zeker te stellen dat voedingwatersystemen, bedieningsapparatuur en veiligheidsvoorzieningen in alle opzichten geschikt zijn om de veiligheid van ketels, stoomdrukvaten en stoomleidingen te garanderen.

Artikel 4.7. Communicatie tussen stuurhuis en machinekamer

Twee onafhankelijk werkende communicatiemiddelen zijn tussen het stuurhuis en de machinekamer aangebracht, waarvan één een machinekamertelegraaf is, met dien verstande dat voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt en waarvan de voortstuwingswerktuigen rechtstreeks vanuit het stuurhuis worden bediend, het Hoofd van de Scheepvaartinspectie andere communicatiemiddelen dan een machinekamertelegraaf kan aanvaarden.

Artikel 4.8. Bediening van de voortstuwingsinstallatie vanuit het stuurhuis
1.

Indien een voortstuwingswerktuig vanuit het stuurhuis kan worden bediend:

2.

Wanneer de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende machine-installaties, met inbegrip van de elektrische hoofdkrachtbron, zijn voorzien van verschillende graden van automatische bediening of afstandsbediening en daarop voortdurend toezicht wordt gehouden vanuit een controlekamer, is deze controlekamer zodanig ontworpen, uitgerust en ingericht, dat de werking van de machine-installaties even veilig en doeltreffend is als wanneer daarop rechtstreeks toezicht wordt gehouden.

3.

Automatische systemen voor aanzetten, regeling en bediening omvatten in het algemeen voorzieningen om de bediening van deze systemen met de hand over te kunnen nemen. Storing in enig gedeelte van deze systemen mag het gebruik van voorzieningen voor handbediening niet verhinderen.

Artikel 4.9. Systemen voor samengeperste lucht
1.

Er zijn voorzieningen aangebracht om ongewenste overdruk te voorkomen in enig deel van systemen voor samengeperste lucht en in die gevallen waarin watermantels of cilinderblokken van luchtcompressoren en huizen van koelers kunnen worden onderworpen aan een gevaarlijke overdruk ten gevolge van lekkage naar deze delen, afkomstig van onder luchtdruk staande onderdelen. Doelmatige ontlastvoorzieningen zijn op deze systemen aangebracht.

2.

De aanzetluchtleidingen van direct omkeerbare voortstuwingsmotoren zijn voorzien van veiligheidsinrichtingen teneinde explosies in de aanzetluchtleidingen te voorkomen of te lokaliseren.

3.

Alle persleidingen van de aanzetluchtcompressoren zijn rechtstreeks aangesloten op de aanzetluchtvaten, terwijl alle aanzetluchtleidingen van de aanzetluchtvaten naar de hoofd- en hulpmotoren geheel gescheiden zijn van het persleidingsysteem van de compressoren.

4.

Er zijn voorzieningen getroffen om het binnendringen van olie in de systemen voor samengeperste lucht tot een minimum te beperken en om deze olie uit het betreffende systeem af te voeren.

Artikel 4.10. Inrichtingen voor brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën
1.

Als vloeibare brandstof mag slechts olie worden gebruikt waarvan het vlampunt niet lager is dan 60°C, welke waarde is verkregen door middel van een toestel voor het bepalen van het vlampunt, behalve voor noodaggregaten, waarvoor olie met een vlampunt dat niet lager is dan 43°C mag worden gebruikt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter het algemeen gebruik toestaan van brandstofolie met een vlampunt dat niet lager is dan 43°C, onder zodanige voorzorgen als hij nodig acht en op voorwaarde dat de temperatuur in de ruimte waarin zulke brandstofolie is opgeslagen of wordt gebruikt, niet zal mogen stijgen tot een waarde hoger dan 10°C onder het vlampunt van de brandstofolie.

2.

Er zijn veilige en doeltreffende middelen aanwezig ter bepaling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank. Indien peilpijpen zijn aangebracht komen de uiteinden daarvan uit op plaatsen waar geen gevaar voor ontsteking bestaat, tenzij voorzorgsmaatregelen zijn genomen zoals het aanbrengen van een doeltreffende afscherming om te voorkomen dat brandstofolie in aanraking komt met een ontstekingsbron in het geval olie uit de uiteinden van de peilpijpen vloeit. Bovendien zijn de uiteinden van de peilpijpen voorzien van een zelfsluitende kraan met daaronder aangebracht een zelfsluitend controlekraantje teneinde, alvorens de zelfsluitende kraan in geopende stand te brengen, te kunnen vaststellen dat aldaar geen brandstofolie aanwezig is. Voorzieningen zijn aangebracht om te waarborgen dat brandstofolie afkomstig uit het controlekraantje geen gevaar voor ontsteking oplevert. Peilglazen die van voldoende dikte zijn en die beschermd zijn door een metalen mantel, mogen worden toegepast, mits zelfsluitende kranen zijn aangebracht. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ter vaststelling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank andere middelen toestaan, mits het onklaar raken daarvan of het overvullen van de tanks niet tot gevolg heeft dat daardoor brandstofolie buiten de tank geraakt.

3.

Er zijn voorzieningen getroffen ter vermijding van overdruk in een brandstofolietank of in een gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van de vulpijpen. Ontlastkleppen en lucht- of overvloeipijpen voeren af op een veilige manier, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

4.

Iedere brandstofleiding waaruit bij beschadiging olie zou kunnen ontsnappen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank, is direct aan de tank voorzien van een afsluiter die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimte waarin dergelijke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat in die ruimte brand uitbreekt. In het bijzondere geval van dieptanks in een schroefas- of pijpentunnel of een dergelijke ruimte, zijn afsluiters op deze tanks aangebracht. De afsluiting in het geval van brand mag evenwel worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de pijp of pijpen buiten de tunnel of dergelijke ruimte. Indien zo'n extra afsluiter is aangebracht in de ruimte voor machines, kan deze afsluiter vanaf een plaats buiten deze ruimte worden bediend.

5.

Pompen die deel uitmaken van het brandstofleidingsysteem, zijn gescheiden van elk ander leidingsysteem en de aansluitingen op de betrokken pompen zijn voorzien van een doelmatige ontlastklep die deel uitmaakt van een gesloten systeem. Wanneer brandstofolietanks tevens gebruikt kunnen worden als ballasttanks, zijn doelmatige voorzieningen getroffen om het brandstofleidingsysteem en het ballastleidingsysteem van elkaar te scheiden.

6.

Olietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat overvloeien of lekkage van vloeistof daaruit op hete oppervlakken een gevaar kan vormen. Er zijn voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat olie onder druk, die uit een pomp, filter of voorwarmers zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken.

8.

Voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, maken de brandstofolietanks deel uit van de scheepsconstructie en zijn buiten de ruimten voor machines van categorie A als bedoeld in artikel 5.2, veertiende lid, gelegen. Wanneer brandstofolietanks, geen dubbele-bodemtanks zijnde, noodzakelijkerwijze naast of in ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn, valt ten minste één van hun verticale zijden samen met de begrenzingwanden van de ruimte voor machines en hebben zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingwand met dubbele-bodemtanks indien deze zijn aangebracht. De oppervlakte van de begrenzingwand tussen de tank en de ruimte voor machines is zo klein mogelijk. Wanneer dergelijke tanks gelegen zijn binnen de begrenzingwanden van ruimten voor machines van categorie A, mogen zij geen brandstofolie bevatten met een vlampunt dat lager is dan 60°C. Het gebruik van vrijstaande brandstofolietanks in brandgevaarlijke ruimten en in het bijzonder in ruimten voor machines van categorie A is in het algemeen niet toegestaan. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter de toepassing van vrijstaande brandstofolietanks toestaan. In dat geval zijn zij geplaatst in een lekbak van ruime afmetingen welke is voorzien van een afvoerleiding van voldoende afmetingen, welke naar een lekolietank leidt met voldoende capaciteit.

9.

De ventilatie van ruimten voor machines is onder alle bedrijfsomstandigheden voldoende om opeenhoping van oliedampen te voorkomen.

10.

De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie voor smeeroliesystemen onder druk zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Indien deze inrichtingen zijn aangebracht in ruimten voor machines van categorie A als bedoeld in artikel 5.2, veertiende lid en, indien praktisch uitvoerbaar, in andere ruimten voor machines, voldoen zij ten minste aan het eerste, derde, zesde en zevende lid en, voorzover dit naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk is, aan het tweede en vierde lid. Het gebruik van kijkglazen in smeeroliesystemen is toegestaan mits door middel van een proef is aangetoond dat zij in voldoende mate brandbestendig zijn.

11.

De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van ontvlambare oliën die onder druk worden toegepast in hydraulische systemen voor het overbrengen van vermogen en die geen oliën zijn als bedoeld in het voorgaande lid, alsmede van oliën die worden gebruikt in bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, voldoen dergelijke inrichtingen ten minste aan het tweede en zesde lid en ten aanzien van sterkte en constructie aan het derde en zevende lid.

12.

Voorpiektanks bevatten geen brandstofolie, smeerolie of andere ontvlambare oliën.

Artikel 4.11. Lensinrichting
1.

Elke waterdichte afdeling die niet permanent is bestemd voor de berging van olie of water kan onder alle omstandigheden die in de praktijk kunnen voorkomen, ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel slagzij heeft, door een doelmatig lenssysteem worden leeggepompt. Indien nodig zijn daartoe lenskorven in de zijden aangebracht. Er zijn voorzieningen getroffen, opdat in een afdeling aanwezig water naar de lenskorven kan toevloeien. Onder voorwaarde dat de veiligheid van het vaartuig niet in het geding is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat bepaalde afdelingen niet op een lenssysteem zijn aangesloten.

3.

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie mag een lensejecteur in samenhang met een onafhankelijk gedreven hoge druk zeewaterpomp worden aangebracht als vervanging van één onafhankelijk gedreven lenspomp, zoals is voorgeschreven in het tweede lid, onderdeel a.

4.

Aan boord van vaartuigen waar de visverwerking kan leiden tot het verzamelen van hoeveelheden water in afgesloten ruimten, is voorzien in een doelmatige afvoer.

5.

Lensleidingen mogen niet zijn gevoerd door brandstof- of ballast- of dubbele-bodemtanks, tenzij deze leidingen zijn uitgevoerd met een extra wanddikte.

6.

De inrichting van lens- en ballastleidingen met de daarbij behorende pompen is zodanig, dat geen water rechtstreeks van buitenboord of uit waterballastruimten naar laadruimten en ruimten voor machines of uit de ene waterdichte ruimte naar een andere kan vloeien. De lensaansluiting van elke pomp die in verbinding kan worden gesteld met een buitenboordsopening of waterballastruimte is uitgerust met óf een terugslagklep, óf een kraan die niet gelijkertijd kan worden geopend hetzij naar de lensputten en naar buitenboord, hetzij naar de lensputten en de waterballastruimten. Verdeelkasten in lensleidingen zijn voorzien van terugslagkleppen.

7.

De doorvoering van een lensleiding door het aanvaringsschot is voorzien van een doelmatig afsluitmiddel dat tegen het schot is bevestigd en dat boven het werkdek kan worden bediend. Op de plaats vanbediening is een standaanwijzer aangebracht die aangeeft of het afsluitmiddel geopend dan wel gesloten is. Indien het afsluitmiddel aan de achterzijde van het aanvaringsschot is aangebracht en bovendien onder alle bedrijfsomstandigheden gemakkelijk bereikbaar is, kan van de bediening boven het werkdek worden afgezien.

Artikel 4.12. Bescherming tegen geluidhinder

Bij ministeriële regeling kunnen maatregelen worden getroffen om geluidhinder in ruimten voor machines te beperken tot aanvaardbare niveaus.

Artikel 4.13. Stuurinrichting en roer
1.

Elk vaartuig is voorzien van een hoofdstuurinrichting en van een hulpstuurinrichting ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Deze inrichtingen zijn zodanig, dat voor zover dit mogelijk en praktisch uitvoerbaar is, een enkelvoudige fout in één van de inrichtingen de ander niet buiten werking stelt.

2.

Wanneer de hoofdstuurinrichting twee of meer gelijkwaardige krachtwerktuigen omvat, behoeft geen hulpstuurinrichting te zijn aangebracht indien de hoofdstuurinrichting geschikt is om het roer te bewegen overeenkomstig het tiende lid, in het geval dat één van de krachtwerktuigen buiten bedrijf is.

Elk krachtwerktuig wordt gevoed vanaf een afzonderlijke stroomkring.

3.

De stand van het roer wordt in het stuurhuis aangegeven indien het roer werktuiglijk wordt bewogen. De roerstandaanwijzing is onafhankelijk van het afstandsbedieningsysteem.

4.

Het uitvallen van de stuurinrichting wordt in het stuurhuis door middel van een hoorbaar en zichtbaar alarm aangegeven.

5.

Het in bedrijf zijn van de motoren van elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen wordt in het stuurhuis aangegeven. Elke stroomkring en elke motor is voorzien van een kortsluitbeveiliging, een overbelastingsalarm en een «geen-spanning»-alarm. Indien er een overbelastingsbeveiliging is aangebracht dan is deze niet lager ingesteld dan tweemaal de nominale stroomsterkte van de motor of stroomkring en is deze verder zodanig uitgevoerd dat deze bij de gebruikelijke aanloopstroom niet in werking treedt.

6.

De hoofdstuurinrichting is voldoende sterk gebouwd en geschikt voor de besturing van het vaartuig bij maximum dienstsnelheid vooruit. De hoofdstuurinrichting, het roer en de roerkoning zijn zodanig ontworpen, dat zij, ook bij maximum snelheid achteruit of bij het manoeuvreren tijdens het vissen, niet worden beschadigd.

7.

Het vermogen en de uitvoering van de hoofdstuurinrichting zijn zodanig dat het roer van 35° uitslag aan een zijde naar 35° uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen wanneer het vaartuig zich bij maximum toelaatbare diepgang, met maximum dienstsnelheid vooruit beweegt. Het roer kan onder deze omstandigheden van 35° uitslag aan één zijde in niet meer dan 28 seconden naar 30° uitslag aan de andere zijde worden bewogen. Zonodig dient de hoofdstuurinrichting werktuiglijk te kunnen worden bewogen teneinde aan deze eisen te voldoen.

8.

Het krachtwerktuig voor de hoofdstuurinrichting wordt hetzij handmatig vanuit het stuurhuis in werking gesteld, hetzij automatisch in werking gesteld zodra de energievoorziening, na te zijn uitgevallen, weer is hersteld.

9.

De hulpstuurinrichting is voldoende sterk gebouwd en is geschikt voor de besturing van het vaartuig bij een snelheid, waarbij het nog manoeuvreerbaar is en is voorts ingericht om in noodgevallen snel in werking te kunnen worden gebracht.

10.

De hulpstuurinrichting is geschikt om het roer in niet meer dan 60 seconden van 15° uitslag aan een zijde te bewegen naar 15° uitslag aan de andere zijde, bij een snelheid vooruit welke maximaal of de helft van de maximum dienstsnelheid of 7 mijl per uur bedraagt, afhankelijk van welke van de twee waarden het grootst is. De hulpstuurinrichting kan werktuiglijk worden bewogen voorzover dit nodig is om aan deze eisen te kunnen voldoen. Ten aanzien van Nederlandse vissersvaartuigen geldt dat in geval van elektrische aandrijving de noodkrachtbron in staat is om de hulpstuurinrichting gedurende ten minste 10 minuten te bedienen.

11.

Aan boord van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer wordt de elektrische of elektrisch-hydraulische stuurinrichting bediend door ten minste twee stroomkringen, gevoed vanaf het hoofdschakelbord. De stroomkringen zijn over hun gehele lengte, zover als praktisch mogelijk is, van elkaar verwijderd aangebracht.

Artikel 4.14. Alarminstallatie voor werktuigkundigen

Aan boord van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer is een alarminstallatie aangebracht die hetzij vanuit de machinecontrolekamer, hetzij vanaf de manoeuvreerstand in werking kan worden gesteld en die duidelijk hoorbaar is in de verblijven welke zijn bestemd voor de werktuigkundigen.

Artikel 4.15. Koelinstallaties, koel- en vriesruimten
1.

Koelinstallaties zijn zodanig ontworpen, geconstrueerd, beproefd en geïnstalleerd, dat rekening wordt gehouden met de veiligheid van de installaties en tevens met mogelijke emissies van het toegepaste koelmiddel, in hoeveelheden of concentraties die gevaar inhouden voor de mens of het milieu, een en ander ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

2.

Het toe te passen koelmiddel in koel- en vriesinstallaties is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

5.

In ruimten voor koelmachines en in koel- en vriesruimten is een alarminstallatie aangebracht die in verbinding staat met het stuurhuis, het controlestation of nooduitgangen, om te voorkomen dat personen opgesloten raken. Ten minste één uitgang van een dergelijke ruimte kan van binnenuit geopend worden. Uitgangen van de ruimten waarin koelinstallaties zijn ondergebracht die giftig of ontvlambaar gas gebruiken geven waar mogelijk niet rechtstreeks toegang tot ruimten voor accommodatie.

6.

Wanneer in een koelinstallatie een voor personen schadelijk koelmiddel wordt gebruikt, zijn ten minste twee persluchttoestellen aanwezig, die te allen tijde bereikbaar zijn in geval koelmiddel ontsnapt. Voor elke tot het toestel behorende luchtcilinder is ten minste een reservecilinder met samengeperste lucht aanwezig. Persluchttoestellen die deel uitmaken van de brandweeruitrusting van het vaartuig, kunnen hiertoe worden gebruikt, mits de plaatsing daarvan zodanig is dat aan beide doeleinden kan worden voldaan.

7.

Met betrekking tot koelinstallaties zijn aan boord duidelijk zichtbaar doelmatige richtlijnen opgehangen ten behoeve van een veilige bedrijfsvoering en het optreden in noodsituaties.

§ 3. Elektrische installaties

Artikel 4.16. Elektrische hoofdkrachtbron
3.

Ten aanzien van Nederlandse vissersvaartuigen geldt dat de navigatielichten, indien zij alleen op elektrische stroom werken, worden gevoed via een apart schakelbord en er adequate controlevoorzieningen voor die lichten worden geïnstalleerd.

Artikel 4.17. Elektrische noodkrachtbron
1.

Er wordt voorzien in een onafhankelijk werkende elektrische noodkrachtbron die, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, buiten de ruimten voor machines is opgesteld en die zodanig is uitgevoerd dat de werking niet kan worden beïnvloed door een brand of een storing van de elektrische hoofdkrachtbron.

2.

De elektrische noodkrachtbron is in staat om, rekening houdend met startstromen en inschakelverschijnselen van bepaalde verbruikers, gelijktijdig, gedurende 3 uur stroom te leveren aan:

Ten aanzien van Nederlandse vissersvaartuigen geldt dat de elektrische noodkrachtbron op vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer gedurende ten minste 8 uur stroom kan leveren voor de in dit artikel vermelde installaties.

3.

De elektrische noodkrachtbron kan een generator of een accumulatorenbatterij zijn.

5.

Het noodschakelbord is zo dicht als praktisch mogelijk bij de elektrische noodkrachtbron opgesteld, in overeenstemming met het bepaalde in het eerste lid. Indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, is het noodschakelbord in dezelfde ruimte opgesteld, tenzij de werking daardoor nadelig zou worden beïnvloed.

6.

Accumulatorenbatterijen die ingevolge dit artikel geplaatst zijn, met uitzondering van die voor de radiozender en -ontvanger in vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, zijn in een goed geventileerde ruimte ondergebracht, niet zijnde de ruimte waar het noodschakelbord is opgesteld. Op een daartoe geschikte plaats op het hoofdschakelbord of in de machinecontrolekamer is een aanwijsinrichting aangebracht die aangeeft wanneer de accumulatorenbatterijen, zijnde de elektrische noodkrachtbron, in ontlading zijn. Het noodschakelbord wordt bij normaal bedrijf via een koppelkabel die in het hoofdschakelbord doelmatig tegen overbelasting en kortsluiting is beveiligd, gevoed vanaf het hoofdschakelbord en wordt automatisch ontkoppeld op het noodschakelbord bij het uitvallen van de elektrische hoofdvoeding. Indien het systeem is ingericht voor een bedrijf met terugvoedmogelijkheid, dan is de koppelkabel ook in het noodschakelbord tegen ten minste kortsluiting beveiligd.

7.

De noodgenerator en zijn aandrijvend werktuig, en elke noodaccumulatorenbatterij zijn zodanig ingericht en opgesteld dat hun goede werking bij hun nominaal vermogen is verzekerd bij recht liggend vaartuig en bij elke slagzijhoek tot 22,5° of bij een trimhoek voor- of achterover tot 10° of bij enige combinatie van hellinghoeken binnen genoemde grenzen.

8.

Er zijn voorzieningen aangebracht voor het adequaat testen van de elektrische noodkrachtbron en de automatische aanzetinrichting, door de bemanning terwijl het vaartuig in bedrijf is.

Artikel 4.18. Voorzorgsmaatregelen tegen schok, brand en andere gevaren van elektrische oorsprong
2.

Hoofd- en noodschakelborden zijn zodanig geplaatst en ingericht, dat zij zonder gevaar voor het aanwezige personeel gemakkelijk toegang geven tot de apparatuur en verdere uitrusting. De zijkanten en de achterzijde en zo nodig de voorzijde zijn doelmatig beschermd. Aan de voorzijde van deze schakelborden zijn geen onbeschermde stroomvoerende delen aangebracht waarvan de spanning ten opzichte van aarde hoger is dan 50 V. Waar nodig moeten aan voor- en achterzijde matten of roosters van niet-elektrisch-geleidend materiaal aanwezig zijn.

7.

Verlichtingsarmaturen zijn zodanig uitgevoerd, dat geen temperatuurstijging kan ontstaan, die schade aan de kabels en bedrading kan veroorzaken of waardoor omringend materiaal uitzonderlijk warm kan worden.

8.

Alle stroomkringen voor verlichting en krachtaansluitingen die uitkomen in een ruimte waar gevaar voor brand of explosie bestaat zijn voorzien van schakelaars buiten die ruimte.

10.

In alle ruimten waar brandbare gasmengsels zich kunnen verzamelen en in elke ruimte, voornamelijk bestemd voor een accumulatorenbatterij, zijn geen elektrische inrichtingen aangebracht, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat deze:

11.

Op alle houten masten of topmasten zijn bliksemafleiders aangebracht. Op vaartuigen die van niet-geleidende materialen zijn vervaardigd, zijn de bliksemafleiders door middel van geschikte geleiders verbonden met een koperen plaat die ruimschoots onder de waterlijn van de romp van het vaartuig is bevestigd.

§ 4. Tijdelijk onbemande machinekamers

Artikel 4.19. Brandbeveiliging

Brandbeveiliging

1.

Bijzondere aandacht wordt gegeven aan de afscherming van hogedruk brandstofleidingen. Waar praktisch uitvoerbaar worden lekkages van deze leidingsystemen in een doelmatige afvoertank opgevangen, die is voorzien van een hoogniveau-alarm.

2.

Wanneer brandstofdagtanks automatisch of door middel van afstandsbediening worden gevuld, wordt een inrichting aangebracht teneinde overlopen te voorkomen. Dit voorschrift is eveneens van toepassing op andere inrichtingen voor de automatische behandeling van brandbare vloeistoffen, met inbegrip van brandstofcentrifuges, die zo mogelijk zijn geïnstalleerd in een speciale ruimte voor centrifuges en hun voorwarmers.

3.

Wanneer brandstofdagtanks of bezinktanks zijn voorzien van een verwarmingsinrichting, is, indien het vlampunt van de brandstofolie kan worden overschreden, een hoogtemperatuuralarm aangebracht.

Branddetectie

4.

Een goedgekeurde brandontdekkingsinstallatie, werkend volgens het principe van zelfbewaking, met inbegrip van een mogelijkheid voor het periodiek beproeven, is aangebracht in ruimten voor machines.

5.

De ontdekkingsinstallatie alarmeert zowel hoorbaar als zichtbaar in het stuurhuis en wordt in voldoende en daartoe geschikte ruimten gehoord en waargenomen door aan boord aanwezige personen, wanneer het vaartuig is afgemeerd.

6.

De brandontdekkingsinstallatie wordt bij het uitvallen van de hoofdkrachtbron automatisch gevoed door een noodkrachtbron.

7.

Inwendige verbrandingsmotoren met een vermogen van 2500 kW of meer zijn voorzien van oliemistdetectie in de krukkast of van temperatuurmeting van de lagers of van een gelijkwaardige voorziening.

Brandbestrijding

8.

Er is een vast aangebrachte brandblusinstallatie die ten genoegen is van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 5.22 en 5.40.

9.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, zijn voorzieningen getroffen voor een onmiddellijke waterlevering uit de hoofdbrandblusleiding, hetzij:

10.

Het onderhoud van de brandwerendheid van de ruimten voor machines, van de plaats waar de bedieningsapparatuur van de brandblusinstallatie is samengebracht en van het veiligheidssysteem als bedoeld in artikel 4.24, met inbegrip van ventilatie en brandstofpompen, is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 5 kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daartoe aanvullende brandblustoestellen, brandbestrijdingsmiddelen alsmede persluchttoestellen voorschrijven.

Artikel 4.20. Beveiliging tegen vervuld raken
1.

Vullings in ruimten voor machines zijn voorzien van een hoogniveau-alarm waarvan de goede werking binnen de normale toestanden van stuur- en koplast is verzekerd. Deze bilge-alarminstallatie kan daar, waar voortdurend de wacht wordt gehouden, een hoorbaar en zichtbaar alarmsignaal in werking stellen.

2.

De bedieningsplaats van elke afsluiter die deel uitmaakt van een zee-inlaat, een uitlaat beneden de waterlijn of een bilge-ejector, is zodanig gelegen dat er voldoende tijd is om deze afsluiters te bedienen in het geval dat water de ruimte binnenstroomt.

Artikel 4.21. Verbindingen

Aan boord van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer is één van de twee afzonderlijke communicatiemiddelen, bedoeld in artikel 4.7, een doeltreffende spreekverbinding. Een aanvullende doeltreffende spreekverbinding is aangebracht tussen het stuurhuis en de verblijven van de werktuigkundigen.

Artikel 4.22. Alarminstallatie
1.

Er is een alarminstallatie aangebracht die elke storing die verholpen dient te worden, aangeeft.

3.

De alarminstallatie:

Artikel 4.23. Bijzondere voorschriften voor machine- en ketelinstallaties en elektrische installaties
1.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, wordt de elektrische energievoorziening als volgt verzorgd:

2.

In geval «stand-by» hulpwerktuigen worden vereist voor andere, voor de voortstuwing noodzakelijke hulpwerktuigen, worden automatische omschakelinrichtingen toegepast. Een automatische omschakeling wordt door middel van een alarm aangegeven.

3.

Automatisch regel- en alarmsystemen voldoen aan de volgende voorschriften:

Artikel 4.24. Veiligheidssysteem

Een veiligheidssysteem is aangebracht teneinde te verzekeren dat een ernstige storing aan de te werk staande werktuigen of ketels, welke een direct gevaar oplevert, automatisch het desbetreffende gedeelte van de installatie zal uitschakelen, waarbij tevens een alarm wordt gegeven. Het stopzetten van de voortstuwingsinstallatie mag niet automatisch plaatsvinden, behalve in die gevallen welke tot ernstige schade, algeheel onklaar raken of explosie zouden kunnen leiden. Indien voorzieningen zijn aangebracht welke het stopzetten van het hoofdvoortstuwingswerktuig ongedaan kunnen maken, zijn deze voorzieningen zodanig uitgevoerd dat ongewild gebruik ervan niet mogelijk is. Wanneer zulk een voorziening is gebruikt, wordt dit zichtbaar aangegeven.

Hoofdstuk 5. Bescherming tegen, alsmede opsporen, blussen en bestrijden van brand

§ 1. Algemeen

Artikel 5.1. Algemeen

Een van de volgende methoden van bescherming tegen brand wordt toegepast in accommodaties en dienstruimten.

De bepaling inzake de toepassing van onbrandbare materialen bij de constructie en isolatie van de scheidingsschotten van ruimten voor machines, controlestations en dergelijke, en de bescherming van trapomsluitingen en gangen is voor alle drie de methoden gelijk.

Artikel 5.2. Omschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

§ 1. Algemeen

Artikel 5.3. Constructie
1.

De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen zijn van staal of ander, gelijkwaardig materiaal vervaardigd, tenzij anders is aangegeven in het vierde lid.

2.

De isolatie van onderdelen van schotten van klasse «A» of« B», die van aluminiumlegering zijn vervaardigd, met uitzondering van die welke naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet lastdragend zijn, is zodanig dat de temperatuur van de metalen kern van de constructie gedurende de van toepassing zijnde brandproef te eniger tijd niet meer dan 200°C boven de temperatuur van de omgeving stijgt.

3.

Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de isolatie van onderdelen van stutten, stijlen en andere delen van de constructie die van aluminiumlegering zijn vervaardigd en die nodig zijn ter ondersteuning van de plaatsen voor de opstelling en het te water brengen van en de inscheping in de groepsreddingsmiddelen, en van schotten van klasse «A» en «B», teneinde zeker te stellen:

4.

Kappen en schachten van ruimten voor machines van categorie A zijn van staal en zijn naar behoren geïsoleerd, terwijl de eventuele openingen daarin doelmatig zijn aangebracht en zijn voorzien van middelen om uitbreiding van brand tegen te gaan.

Artikel 5.4. Schotten binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten
1.

Binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten zijn alle schotten van klasse «B» opgetrokken van dek tot dek en strekken zij zich uit tot de huid of tot andere begrenzingswanden, tenzij aan beide zijden van de schotten doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» of beide zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond of de doorlopende beschieting.

2.

Methode IF: alle schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse« A» of «B» zijn, zijn ten minste schotten van klasse« C».

3.

Methode IIF: de constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse «A» of «B» zijn, is niet aan beperking onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 in artikel 5.7.

4.

Methode IIIF: de constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse «A» of «B» zijn, is niet aan beperkingen onderworpen. De oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een doorlopend schot van klasse «A» of «B» worden begrensd, bedraagt in geen geval meer dan 50 m2, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 in artikel 5.7. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik echter een grotere oppervlakte toestaan.

Artikel 5.5. Bescherming van trappen en liftschachten in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations
1.

Trappen die niet meer dan twee dekken bedienen zijn ten minste op een niveau beschermd door schotten van klasse «B 0» en zelfsluitende deuren. Liften die niet meer dan twee dekken bedienen, zijn omsloten door schotten van klasse «A 0», die op beide niveaus zijn voorzien van stalen deuren. Trappen en liftschachten die meer dan twee dekken bedienen, zijn ten minste omsloten door schotten van klasse «A 0» en zijn beschermd door zelfsluitende deuren op alle niveaus.

2.

Het constructieve deel van alle trappen is van staal, behalve wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van ander, gelijkwaardig materiaal toestaat.

Artikel 5.6. Deuren in brandwerende schotten
1.

Deuren hebben een brandwerend vermogen dat, voor zover als praktisch mogelijk is, gelijkwaardig is aan dat van het schot waarin zij zijn aangebracht. Deuren en deurkozijnen in schotten van klasse «A» zijn van staal. Deuren in schotten van klasse «B» zijn van onbrandbaar materiaal. Deuren aangebracht in begrenzingsschotten van ruimten voor machines van categorie A, zijn zelfsluitend en redelijk gasdicht. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van brandbare materialen toestaan in deuren die hutten scheiden van de eigen bijbehorende sanitaire ruimten, zoals douchecellen, indien methode IF is toegepast.

2.

Deuren die zelfsluitend moeten zijn, zijn niet voorzien van vastzethaken. Vastzetinrichtingen mogen evenwel worden toegepast indien deze zijn voorzien van op afstand bediende ontkoppelingsinrichtingen van een type dat de deur doet sluiten indien het systeem in het ongerede geraakt.

3.

Ventilatieopeningen mogen zijn aangebracht in en onder deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat dergelijke openingen niet mogen zijn aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen in deuren zijn uitsluitend in de onderste helft van een deur aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, bedraagt de totale oppervlakte van deze opening of openingen niet meer dan 0,05 m2. Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, is deze voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.

4.

Waterdichte deuren behoeven niet geïsoleerd te zijn.

Artikel 5.7. Brandwerendheid van schotten en dekken
1.

Behalve aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in deze paragraaf worden voorgeschreven, voldoet de brandwerendheid van schotten en dekken ten minste aan de eisen zoals voorgeschreven in de onderstaande tabellen 1 en 2.

2.

Bij het gebruik van de tabellen gelden de volgende bepalingen:

De titel van elke categorie moet meer als omschrijving dan als beperking worden beschouwd. Het tussen haakjes geplaatste nummer achter elke categorie verwijst naar de desbetreffende kolom of rij in de tabellen.

Tabel 1 – Brandwerendheid van schotten die aan elkaar grenzende ruimten scheiden

Ruimten (1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9) (10)
Controlestations (1) A-0e A-0 A-60 A-0 A-15 A-60 A-15 A-60 A-60
Gangen (2) C B-0 B-0A-0c B-0 A-60 A-0 A-0 A-0
Ruimten voor accommodatie (3) Ca,b B-0 A-0c B-0 A-60 A-0 A-0 A-0
Trappen (4) B-0A-0c B-0A-0c A-60 A-0 A-0 A-0
Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5) C A-60 A-0 A-0 A-0
Ruimten voor machines van categorie A (6) A-0 A-0 A-60
Andere ruimten voor machines (7) A-0d A-0 A-0
Laadruimten (8) A-0
Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9) A-0d
Open dekken (10) -

Noten: (zie tabel 2)

Tabel 2 – Brandwerendheid van dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden

Ruimte onder Ruimte boven (1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9) (10)
Controle stations (1) A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-60 A-0 A-0 A-0
Gangen (2) A-0 A-0 A-60 A-0 A-0 A-0
Ruimten voor accommodatie (3) A-60 A-0 A-0 A-60 A-0 A-0 A-0
Trappen (4) A-0 A-0 A-0 A-0 A-60 A-0 A-0 A-0
Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5) A-15 A-0 A-0 A-0 A-60 A-0 A-0 A-0
Ruimten voor machines van categorie A (6) A-60 A-60 A-60 A-60 A-60 A-60 A-30 A-60
Andere ruimten voor machines (7) A-15 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0
Laadruimten (8) A-60 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0
Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9) A-60 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0d
Open dekken (10) -

Noten: Onderstaande noten gelden, voorzover van toepassing, voor zowel tabel 1 als tabel 2.

a)

Bij de brandbescherming volgens methode IIF en IIIF worden geen bijzondere eisen aan deze schotten gesteld.

b)

Bij de toepassing van methode IIIF moeten schotten van klasse «B-0» zijn aangebracht tussen ruimten of groepen van ruimten met een oppervlakte van 50 m2 of meer.

c)

Ter verduidelijking van hetgeen van toepassing is, zie de artikelen 5.4 en 5.5.

d)

Indien ruimten onder dezelfde nummercategorie vallen en de letter d staat vermeld, wordt een schot of dek met een brandwerendheid zoals aangegeven in de tabellen, alleen geëist indien de aan elkaar grenzende ruimten voor verschillende doeleinden dienen, zoals bijvoorbeeld in categorie (9). Indien twee kombuizen aan elkaar grenzen, worden aan het schot geen eisen gesteld, doch indien een kombuis aan een verfhut grenst, is een schot van klasse «A-0» vereist.

e)

Schotten die het stuurhuis, de kaartenkamer en de radiohut van elkaar scheiden, mogen schotten van klasse «B-0» zijn.

f)

Brandisolatie hoeft niet te worden aangebracht indien de ruimte voor machines in categorie (7), naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, niet of in geringe mate brandgevaarlijk is.

∗ Wanneer een sterretje in de tabellen staat vermeld, moet het scheidingsschot of -dek van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, doch het behoeft niet van klasse «A» te zijn.

3.

Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» kunnen, tezamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.

4.

Voor ruimten voor machines gelden ten aanzien van ramen en schijnlichten de volgende voorschriften:

5.

In de buitenste begrenzingswanden die ingevolge het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid, van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, mogen ramen en patrijspoorten zijn aangebracht, mits niet elders in deze paragraaf is voorgeschreven dat zodanige begrenzingswanden een brandwerendheid van klasse« A» hebben. Evenzo mogen deuren in dergelijke begrenzingswanden die geen brandwerendheid van klasse «A» behoeven te hebben, zijn vervaardigd van materialen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

Artikel 5.8. Constructiedetails
1.

Methode IF

In ruimten voor accommodatie, in dienstruimten en in controlestations zijn alle beschietingen, afstoppingen, plafonds en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal.

2.

Methoden IIF en IIIF

In de gangen en in ingesloten ruimten voor trappen die toegang geven tot ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, zijn plafonds, beschietingen, afstoppingen en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal.

3.

Methoden IF, IIF en IIIF

Artikel 5.9. Ventilatiesystemen
2.

De hoofdin- en uitlaten van alle ventilatiesystemen kunnen worden gesloten buiten de ruimten die worden geventileerd. Toestellen voor mechanische ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en ruimten voor machines kunnen vanaf een gemakkelijk bereikbare plaats buiten de ruimten die zij bedienen, worden gestopt. Deze plaats is zodanig gelegen dat die niet gemakkelijk onbereikbaar wordt in geval van brand in de ruimten die worden bediend. De inrichting waarmee de toestellen voor mechanische ventilatie van de ruimten voor machines kunnen worden gestopt, is geheel gescheiden van die, waarmee de ventilatie van andere ruimten kan worden gestopt.

3.

Er zijn middelen aanwezig om de ringvormige ruimten rond schoorstenen vanaf een veilige plaats te kunnen sluiten.

4.

Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, zijn onafhankelijk van systemen die andere ruimten bedienen.

5.

Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare stoffen bevinden, zijn voorzien van ventilatie-inrichtingen die gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. De ventilatie vindt plaats op hoog en op laag niveau. De in- en uitlaten van de ventilatoren zijn op een veilige plaats aangebracht en zijn voorzien van vlamkerende inrichtingen.

Artikel 5.10. Verwarmingsinstallaties
1.

Elektrische verwarmingstoestellen zijn vast opgesteld en zijn zo ingericht dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze toestellen mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat kleding, gordijnen of andere soortgelijke materialen in de directe omgeving kan doen schroeien of in brand doen geraken door de hitte van het element.

2.

Verwarming door middel van open vuur is niet toegestaan. Verwarmingskachels en andere soortgelijke apparaten zijn deugdelijk bevestigd en zij zijn onder, rondom en ter hoogte van de schoorsteenoploop voorzien van voldoende bescherming en isolatie tegen brand. Schoorsteenoplopen van kachels die vaste brandstof verstoken, zijn zo ingericht en ontworpen dat de kans op verstopt raken door verbrandingsproducten tot een minimum wordt beperkt en zijn uitgerust met een toegankelijke voorziening om schoon te maken. Kleppen om de schoorsteentrek te regelen hebben bij de gesloten stand nog enige doorlaat. Ruimten waarin kachels zijn geplaatst zijn voorzien van ventilatoren met voldoende doortocht om te kunnen voorzien in voldoende verbrandingslucht voor de kachel. Dergelijke ventilatoren mogen niet zijn uitgerust met een afsluitmiddel en hun opstelling is zodanig dat afsluitmiddelen die voldoen aan het bepaalde in artikel 2.9 niet vereist zijn.

3.

Toestellen met een open gasvlam, met uitzondering van kookkachels en waterverwarmers, zijn niet toegestaan. Ruimten waarin dergelijke kachels en waterverwarmers zijn geplaatst, zijn voorzien van voldoende ventilatie om dampen en mogelijke gaslekkage naar een veilige plaats af te voeren. Alle leidingen waardoor het gas vanaf het drukvat naar de kachel of waterverwarmer wordt geleid, zijn van staal of een ander goedgekeurd materiaal. Er zijn automatische veiligheidsinrichtingen voor het afsluiten van de gastoevoer aangebracht, die in werking treden bij drukverlies in de hoofdgasleiding of in het geval van vlamstoring bij elk toestel.

4.

Indien propaan of butaan wordt gebruikt voor huishoudelijke doeleinden zijn de inrichting, de opslag, de distributie en het gebruik van de brandstof ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en voldoen zij aan het bepaalde in artikel 5.12.

Artikel 5.11. Diversen
1.

Alle blootgestelde oppervlakken in gangen en ingesloten ruimten voor trappen, alsmede oppervlakken, met inbegrip van het daarmee verbonden grondhout, in verborgen of ontoegankelijke plaatsen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations hebben een laag vlamverspreidend vermogen. Blootgestelde oppervlakken van plafonds in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations hebben een laag vlamverspreidend vermogen.

2.

Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking, die worden gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, zijn volgens de FTP-Code getest zodanig dat zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen onnodig brandgevaar opleveren, en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.

3.

De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations is van goedgekeurd materiaal dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.

4.

Wanneer schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn doorboord voor het doorvoeren van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kanalen en dergelijke, of voor het aanbrengen van uitmondingen van het ventilatiesysteem, verlichtingsarmaturen en soortgelijke inrichtingen, zijn er zodanige maatregelen getroffen dat de brandwerendheid van de schotten of dekken niet vermindert.

6.

In cinematografische installaties wordt geen filmmateriaal op basis van cellulosenitraat gebruikt.

7.

Afvalbakken, andere dan die worden gebruikt bij de verwerking van vis, zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en mogen geen openingen in de zijkanten of bodem hebben.

8.

Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen zijn voorzien van inrichtingen voor afstandsbediening die zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten, zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld.

9.

Waar nodig zijn lekbakken aangebracht, teneinde te voorkomen dat olie naar de vullings kan vloeien.

10.

Brandbare isolatie in visruimen is door een goed afsluitende bekleding beschermd.

Artikel 5.12. Opslag van gasflessen en van gevaarlijke materialen
1.

Flessen die zijn bestemd voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen zijn duidelijk gemarkeerd door middel van voorgeschreven kleuren voor identificatie en zijn voorzien van een duidelijk leesbare identificatie van de naam en chemische formule van hun inhoud. Dergelijke flessen zijn deugdelijk vastgezet.

2.

Flessen die ontvlambare of andere gevaarlijke gassen bevatten, alsmede flessen die als zodanig in gebruik zijn geweest, zijn deugdelijk geborgd en zijn opgesteld op het open dek en alle afsluiters, drukregelaars en op de flessen aangesloten leidingen zijn tegen beschadiging beschermd. De flessen zijn beschermd tegen grote veranderingen in temperatuur, direct zonlicht en opeenhoping van sneeuw. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter toestaan dat dergelijke flessen zijn opgeslagen in ruimten die voldoen aan de eisen van het derde tot en met vijfde lid.

3.

Ruimten waarin gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen zoals vluchtige verfstoffen, paraffine, benzol en dergelijke en, indien toegestaan, vloeibaar gemaakt gas zijn opgeslagen, zijn uitsluitend toegankelijk vanaf het open dek. Drukregeltoestellen en ontlastkleppen monden binnen deze ruimten uit. Wanneer begrenzingsschotten van dergelijke ruimten grenzen aan andere omsloten ruimten, zijn deze schotten gasdicht uitgevoerd.

4.

Elektrische bedrading en aansluitingen zijn niet toegestaan binnen ruimten die worden gebruikt voor het bergen van gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen en vloeibaar gemaakte gassen, tenzij benodigd binnen die ruimten. In dat geval zijn de elektrische aansluitingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geschikt voor gebruik in een ontvlambare atmosfeer. Warmtebronnen mogen zich niet dicht bij dergelijke ruimten bevinden en opschriften met «niet roken» en «geen open vuur» zijn aangebracht op een doelmatige plaats.

5.

Elk soort samengeperst gas is afzonderlijk opgeslagen. Ruimten die voor opslag van dergelijke gassen worden gebruikt, mogen niet worden gebruikt voor het opslaan van brandbare producten, noch voor gereedschappen of onderdelen die geen deel uitmaken van het gasdistributiesysteem. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter met inachtneming van de kenmerkende eigenschappen, hoeveelheid en voorgenomen gebruik van dergelijke samengeperste gassen, verlichting van deze voorschriften toestaan.

Artikel 5.13. Voorzieningen voor ontsnapping
1.

In en vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, zijn trappen en ladders aangebracht waarlangs het open dek en vervolgens de groepsreddingsmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder voldoen zij aan de volgende bepalingen:

2.

In elke ruimte voor machines van categorie A zijn twee voorzieningen voor ontsnapping aangebracht, die bestaan uit hetzij:

3.

Vanuit ruimten voor machines, andere dan die van categorie A, is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in veilige vluchtwegen voorzien, daarbij rekening houdend met de aard en de ligging van de betreffende ruimte alsmede of daarin onder normale omstandigheden personen dienst doen.

4.

Liften worden niet beschouwd als een van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.

5.

Voorzieningen voor ontsnapping zijn op de juiste plaatsen voorzien van signaleringen die voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen nadere eisen.

Artikel 5.14. Automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (Methode IIF)
1.

Op vaartuigen waar methode IIF wordt toegepast is een automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in dit artikel. Deze installatie is op zodanige wijze aangebracht, dat ruimten voor accommodatie en dienstruimten, met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, worden beschermd.

4.

De sprinklers zijn hoog in de ruimte aangebracht in een zodanig patroon dat de levering van een gemiddelde hoeveelheid water van niet minder dan 5 l/m2/min. wordt gehandhaafd over de nominale oppervlakte die door de sprinklers wordt bestreken. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van sprinklers toestaan die een andere hoeveelheid water, op de juiste wijze verdeeld, leveren en waarvan ten genoegen van genoemd hoofd is aangetoond dat zij niet minder doeltreffend zijn.

7.

De sprinklerpomp en -tank zijn opgesteld op een redelijke afstand van ruimten voor machines van categorie A. Zij mogen niet zijn opgesteld in een ruimte die door het sprinklersysteem wordt beschermd.

9.

De sprinklerinstallatie heeft een verbinding met de hoofdbrandblusleiding van het vaartuig door middel van een afsluiter met een losse klep die is voorzien van een borginrichting met slot, waardoor het terugvloeien van water vanuit de sprinklerinstallatie naar de hoofdbrandblusleiding wordt voorkomen.

11.

Voor elke sprinklersectie bepaalt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het aantal reserve sprinklerkoppen dat aanwezig moet zijn.

Artikel 5.15. Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (Methode IIIF)
1.

Op vaartuigen waar methode IIIF wordt toegepast, is een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in dit artikel. Deze installatie is op zodanige wijze aangebracht, dat de aanwezigheid van brand in alle ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, kan worden ontdekt.

3.

De branddetectors zijn gegroepeerd in afzonderlijke secties, die zich uitstrekken tot niet meer dan 50 ruimten waarin een dergelijke installatie is aangebracht en die niet meer dan 100 detectors mogen omvatten. De branddetectors zijn op zodanige wijze in zones ondergebracht, dat kan worden aangegeven op welk dek zich brand voordoet.

4.

De installatie wordt in werking gesteld door een abnormale temperatuur van de lucht, door een abnormale rookconcentratie of door andere factoren, die een begin van brand in een te beschermen ruimte aanduiden. De installaties die reageren op de temperatuur van de lucht, mogen niet in werking treden bij een temperatuur van minder dan 54°C en treden in werking bij een temperatuur van niet meer dan 78°C, wanneer de temperatuurstijging tot die waarden niet meer is dan 1°C/min. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat in ruimten zoals droogkamers, waar hoge omgevingstemperaturen kunnen worden verwacht, de temperatuur waarbij de installatie in werking treedt, wordt verhoogd tot niet meer dan 30°C boven de maximumtemperatuur bij het plafond. Installaties bestaande uit rookdetectoren die reageren op een vermindering van de intensiteit van een uitgezonden lichtstraal treden in werking alvorens de rookdichtheid een waarde van 12,5% verduistering per meter overschrijdt, maar niet voordat de rookdichtheid een waarde van 2% verduistering per meter overschrijdt. Andere even doeltreffende methoden voor inwerkingstelling van de installatie kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aanvaard. De ontdekkingsinstallatie mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor brandontdekking.

5.

De branddetectors zijn zodanig uitgevoerd dat zij het alarm in werking stellen door hetzij openen of sluiten van contacten, hetzij op een andere doelmatige wijze. Zij zijn hoog in de ruimte geplaatst en op deugdelijke wijze beschermd tegen stoten en mogelijke andere oorzaken van beschadiging. Zij zijn bestand tegen de inwerking van zeelucht. Zij zijn op een open plaats aangebracht, vrij van dekbalken en andere voorwerpen die het toestromen van hete gassen of rook naar het gevoelige element zouden kunnen belemmeren. Detectors die in werking treden door het sluiten van contacten, zijn van een type waarbij de contacten zijn afgesloten van de buitenlucht. Er zijn voorzieningen aanwezig om het systeem voortdurend op defecten te kunnen controleren.

6.

In elke ruimte waar voorzieningen van brandontdekking zijn vereist, is ten minste een detector aangebracht, met dien verstande dat voor elke 37 m2 dekoppervlakte tenminste een detector aanwezig is. In grote ruimten zijn de detectors aangebracht in een regelmatig patroon, zodat geen enkele detector meer dan 9 m van een andere detector of meer dan 4,5 m van een schot is verwijderd.

7.

Ten minste twee krachtbronnen zijn aanwezig voor de elektrische apparatuur, nodig voor het functioneren van de brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie. Een van deze krachtbronnen is een noodkrachtbron. De voeding geschiedt door uitsluitend voor dit doel bestemde voedingsleidingen. De voedingsleidingen zijn aangesloten op een omschakelaar in het controlestation voor het brandontdekkingssysteem. De leidingen zijn zodanig aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere besloten ruimten met een groot brandrisico lopen, behoudens voorzover dergelijke leidingen nodig zijn voor brandontdekking in deze ruimte of om het betreffende schakelbord te bereiken.

9.

Voor elke sectie van de brandontdekkingsinstallatie is een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen aantal reserve detectorelementen aan boord aanwezig.

Artikel 5.16. Vast aangebrachte brandblusinstallaties voor laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn

Laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn, zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof of door een brandblusinstallatie die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een gelijkwaardige bescherming biedt.

Artikel 5.17. Brandbluspompen
1.

Aan boord van een vaartuig zijn ten minste twee brandbluspompen aangebracht.

2.

Wanneer een brand in een bepaalde afdeling alle brandbluspompen buiten werking zou kunnen stellen, is een vervangend middel aanwezig voor het leveren van water voor het blussen van brand. Op vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, bestaat dit vervangend middel uit een vast opgestelde, onafhankelijk aangedreven noodbrandbluspomp. Deze noodbrandbluspomp is in staat tot het leveren van twee stralen water, een en ander ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 5.18. Hoofdbrandblusleidingen
Artikel 5.19. Brandkranen, brandslangen en straalpijpen
3.

Hoofdbrandblusleidingen en brandkranen zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn, tenzij deze voldoende zijn beschermd. Brandblusleidingen en brandkranen zijn zodanig geplaatst dat de brandslangen gemakkelijk daaraan kunnen worden gekoppeld. Aan boord van vaartuigen die lading aan dek kunnen vervoeren is de plaats van de brandkranen altijd gemakkelijk bereikbaar en de leidingen zijn, zoveel als praktisch mogelijk, zodanig aangelegd dat gevaar voor beschadiging door een dergelijke lading wordt vermeden. Tenzij bij elke brandkraan een bijbehorende brandslang met straalpijp aanwezig is kan elke brandslang op elke brandkraan en elke straalpijp op elke brandslang worden aangesloten.

4.

Elke aansluiting voor een brandslang is voorzien van een kraan of afsluiter waarmee een brandslang gemakkelijk en snel kan worden aan- of afgekoppeld terwijl de brandbluspompen in werking zijn.

Artikel 5.20. Brandblustoestellen
1.

Een brandblustoestel is van een goedgekeurd type. De inhoud van een voorgeschreven draagbaar brandblustoestel met vloeibare blusstof mag niet groter zijn dan 13,5 l en niet kleiner dan 9 l. Een brandblustoestel met een andere blusstof is ten minste even goed draagbaar als een toestel met vloeibare blusstof van 13,5 l en het blusvermogen is ten minste gelijkwaardig aan dat van een dergelijk toestel met een blusstof van 9 l. De gelijkwaardigheid van brandblustoestellen wordt bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

2.

Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

3.

Brandblustoestellen die zijn gevuld met een blusstof die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie hetzij uit zichzelf, hetzij onder te verwachten gebruiksomstandigheden zodanige hoeveelheden giftige gassen afgeeft dat dit schadelijk is voor de gezondheid, zijn aan boord niet toegestaan.

4.

Brandblustoestellen worden periodiek nagezien en worden onderworpen aan de tests die door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorgeschreven.

5.

In het algemeen is een van de draagbare brandblustoestellen die voor het gebruik in een bepaalde ruimte zijn bestemd, nabij de toegang tot die ruimte geplaatst.

Artikel 5.21. Draagbare brandblustoestellen in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten
1.

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn ten minste vijf goedgekeurde draagbare brandblustoestellen geplaatst in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten.

2.

Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 5.22. Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines
2.

Ruimten waarin verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld die worden gebruikt hetzij als hoofdvoortstuwingswerktuigen, hetzij voor andere doeleinden waarbij deze werktuigen tezamen een totaal vermogen hebben van niet minder dan 750 kW, zijn voorzien van:

3.

Ruimten waarin stoomturbines of gesloten stoommachines zijn opgesteld, gebezigd hetzij als hoofdvoortstuwingswerktuigen, hetzij voor andere doeleinden waarbij deze werktuigen tezamen een totaal vermogen hebben van niet minder dan 750 kW, zijn voorzien van:

4.

Indien er naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie brandgevaar aanwezig is in ruimten voor machines ten aanzien waarvan geen bepaalde voorschriften omtrent brandblusmiddelen zijn gegeven in het eerste, tweede en derde lid, zijn in of dicht bij deze ruimten een zodanig aantal brandblustoestellen of andere brandblusmiddelen opgesteld als door hem voldoende wordt geacht.

5.

Een vast aangebrachte brandblusinstallatie die niet in dit hoofdstuk wordt voorgeschreven, is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

6.

Voor een ruimte voor machines van categorie A die op een laag niveau toegankelijk is vanuit een aangrenzende schroefastunnel, is, behalve een waterdichte deur aan de van deze ruimte voor machines afgekeerde zijde, een lichte stalen brandwerende deur aangebracht die aan beide zijden geopend kan worden.

7.

Ten aanzien van Nederlandse vissersvaartuigen geldt dat alle machineruimten van categorie A zijn uitgerust met een vast aangebrachte brandblusinrichting.

Artikel 5.23. Internationale walaansluiting
1.

Er is ten minste een internationale walaansluiting aanwezig die voldoet aan het bepaalde in het tweede lid.

2.

De standaardafmetingen van flenzen voor de internationale walaansluiting komen overeen met de onderstaande tabel:

Beschrijving Afmeting
Uitwendige flensdiameter 178 mm
Inwendige flensdiameter 64 mm
Diameter van de steekcirkel der bouten 132 mm
Boutgaten 4 gaten van 19 mm diameter, aangebracht op onderling gelijke afstanden op de bovenstaande steekcirkel van de bouten, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek
Flensdikte ten minste 14,5 mm
Bouten en moeren 4, elk met een diameter van 16 mm en een lengte van 50 mm
3.

De internationale walaansluiting is vervaardigd van materiaal, geschikt voor een werkdruk van 1,0 N/mm2.

4.

De flens is aan één zijde vlak. Op de andere zijde is een koppeling, passend op de brandkranen en brandslangen van het vaartuig, permanent aangebracht. De internationale walaansluiting wordt aan boord van het vaartuig bewaard, tezamen met een flenspakking geschikt voor een werkdruk van 1,0 N/mm2, alsmede met vier bouten met een diameter van 16 mm en een lengte van 50 mm en acht sluitringen.

5.

Er zijn voorzieningen aangebracht om een dergelijke aansluiting aan beide zijden van het vaartuig te kunnen gebruiken.

Artikel 5.24. Brandweeruitrustingen
1.

Elk vaartuig is uitgerust met ten minste twee brandweeruitrustingen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

2.

De brandweeruitrustingen zijn zo opgeborgen, dat zij gemakkelijk bereikbaar en gereed voor gebruik zijn. Zij worden op ver uiteen liggende plaatsen bewaard.

Artikel 5.25. Brandbeveiligingsplan

Ter instructie van de bemanning wordt een brandbeveiligingsplan permanent opgehangen op daarvoor in aanmerking komende plaatsen. De uitvoering van dit plan is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 5.26. Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen

Brandbestrijdingsmiddelen worden goed onderhouden en zijn te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed.

Artikel 5.27. Toelating van vervangende middelen

Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven kan, indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een en ander niet minder effectief is, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.

§ 3. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 45 m onderscheidenlijk 24 m of meer bedraagt, maar minder dan 60 m

Artikel 5.27a. Reikwijdte

De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, maar minder dan 60 meter, alsmede op alle vaartuigen met een lengte van 24 meter of meer, maar minder dan 60 meter die dienstdoen in Nederlandse wateren of die hun vangst aan land brengen in een Nederlandse haven.

Artikel 5.28. Structurele brandbeveiliging
1.

De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen zijn van onbrandbare materialen vervaardigd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een brandbare constructie toestaan mits wordt voldaan aan de van toepassing zijnde bepalingen van dit artikel en aan de aanvullende bepalingen van artikel 5.40, derde lid.

4.

Binnentrappen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations zijn van staal of ander, gelijkwaardig materiaal. Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen zijn dergelijke binnentrappen ondergebracht in ruimten die zijn omgeven door schotten van klasse «F». Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen zijn dergelijke binnentrappen ondergebracht in ruimten die zijn omgeven door schotten van klasse «B-15». Indien evenwel een dergelijke binnentrap slechts twee dekken verbindt, behoeft deze slechts op een dek door schotten te zijn omsloten.

5.

Deuren en andere afsluitmiddelen in schotten en dekken als bedoeld in het tweede en derde lid, deuren welke zijn aangebracht in schotten die trappen omsluiten als bedoeld in het vierde lid en deuren welke zijn aangebracht in schachtwanden van machinekamers en ketelruimen, bezitten voorzover als praktisch mogelijk is ten minste een gelijkwaardige brandwerendheid als de schotten en dekken waarin zij zijn aangebracht. Deuren die toegang geven tot ruimten voor machines van categorie A zijn zelfsluitend.

6.

Liftschachten welke door ruimten voor accommodatie en dienstruimten gaan, zijn van staal of van een ander, gelijkwaardig materiaal vervaardigd en zijn voorzien van afsluitmiddelen waarmee de trek en de rookverspreiding onder controle kunnen worden gehouden.

8.

Wanneer schotten en dekken die ingevolge het bepaalde in het tweede, derde, vijfde of zevende lid van klasse «A», klasse «B» of klasse «F» zijn, worden doorboord voor het doorlaten van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kokers en dergelijke, worden zodanige maatregelen getroffen dat de brandwerendheid van de schotten en dekken niet vermindert.

9.

Luchtruimten ingesloten achter wanden en beschietingen tussen plafonds en dekken in de ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, zijn onderverdeeld door afstoppingen welke de trek tegengaan en die niet verder dan 7 m uiteen liggen.

10.

Voor ruimten voor machines gelden ten aanzien van ramen en schijnlichten de volgende voorschriften:

11.

Isolatiematerialen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten met uitzondering van proviand-, koel- en vrieskamers, in controlestations en in ruimten voor machines, zijn onbrandbaar. Het oppervlak van isolatiemateriaal dat is aangebracht aan de binnenzijde van begrenzingsschotten en -dekken van ruimten voor machines van categorie A, is ondoordringbaar voor olie of oliedampen.

12.

Brandbare isolatie in visruimen is door een goed afsluitende bekleding beschermd.

13.

Onverminderd het bepaalde in dit artikel kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat klasse «A-0» wordt toegepast in plaats van klasse« B-15» of klasse «F», rekening houdend met de hoeveelheid brandbare materialen die gebruikt zijn in aangrenzende ruimten.

Artikel 5.29. Ventilatiesystemen
1.

Met uitzondering van het bepaalde in artikel 5.30, tweede lid, zijn er middelen aanwezig voor het stopzetten van ventilatoren en het sluiten van hoofdin- en uitlaten van ventilatiesystemen van buiten de ruimten die worden geventileerd.

2.

Er zijn middelen aanwezig om de ringvormige ruimten rond schoorstenen vanaf een veilige plaats te kunnen sluiten.

3.

Ventilatieopeningen zijn toegestaan in en onder deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat dergelijke openingen niet mogen zijn aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen in deuren mogen alleen in de onderste helft van de deur zijn aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, mag de totale oppervlakte van deze opening of openingen niet meer bedragen dat 0,05 m2. Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, is deze voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.

4.

Ventilatiekanalen voor ruimten voor machines van categorie A of voor kombuizen mogen over het algemeen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.

5.

Ventilatiekanalen voor ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen over het algemeen niet door ruimten voor machines van categorie A of door kombuizen lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.

6.

Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare stoffen bevinden, zijn voorzien van ventilatie-inrichtingen die zijn gescheiden van andere ventilatiesystemen. De ventilatie vindt plaats op hoog en op laag niveau in de ruimte en de in- en uitlaten van de ventilatoren zijn op een veilige plaats aangebracht en zijn voorzien van vlamkerende inrichtingen.

7.

Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, zijn onafhankelijk van systemen die andere ruimten bedienen.

8.

Indien ventilatieschachten of -kanalen ruimten aan weerszijden van schotten en dekken van klasse «A» bedienen, zijn er kleppen aangebracht ter voorkoming van verspreiding van vuur en rook van de ene ruimte naar de andere. Met de hand bedienbare kleppen kunnen aan beide zijden van het schot of het dek geopend en gesloten worden. Indien de schachten of kanalen met een oppervlakte van de dwarsdoorsnede van meer dan 0,02 m2 lopen door schotten en dekken van klasse «A», zijn er automatisch sluitende kleppen aangebracht. Schachten die ruimten bedienen die slechts aan één zijde van dergelijke schotten zijn gelegen, voldoen aan het bepaalde in artikel 5.9, eerste lid, onder b.

Artikel 5.30. Verwarmingsinstallaties
1.

Elektrische kachels zijn vast opgesteld en zijn zo ingericht dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze toestellen mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat kleding, gordijnen of andere soortgelijke materialen in de directe omgeving kan verschroeien of vlam vatten door de hitte die het element uitstraalt.

2.

Verwarming door middel van open vuur is niet toegestaan. Kachels en andere soortgelijke apparaten zijn deugdelijk bevestigd en zij zijn onder, rondom en ter hoogte van de schoorsteenoploop voorzien van voldoende bescherming en isolatie tegen brand. Schoorsteenoplopen van kachels die vaste brandstof verstoken zijn zo ingericht en ontworpen dat de kans op verstopt raken door verbrandingsproducten tot een minimum wordt beperkt en zijn uitgerust met een toegankelijke voorziening om schoon te maken. Kleppen om de schoorsteentrek te regelen hebben bij de gesloten stand nog enige doorlaat. Ruimten waarin kachels zijn geplaatst zijn voorzien van ventilatoren met voldoende doortocht om te kunnen voorzien in voldoende verbrandingslucht voor de kachel. Dergelijke ventilatoren mogen niet zijn uitgerust met een afsluitinrichting en hun opstelling is zodanig dat geen afsluitinrichtingen als bedoeld in artikel 2.9 vereist zijn.

3.

Toestellen met een open gasvlam, met uitzondering van fornuizen en warmwatertoestellen, zijn niet toegestaan. Ruimten waarin dergelijke fornuizen en warmwatertoestellen zijn geplaatst, zijn voorzien van voldoende ventilatie om dampen en mogelijke gaslekkage naar een veilige plaats af te voeren. Alle leidingen waardoor het gas vanaf het drukvat naar de kachel of waterverwarmer wordt geleid zijn van staal of een ander goedgekeurd materiaal. Er zijn automatische veiligheidsinrichtingen voor het afsluiten van de gastoevoer aangebracht die in werking treden bij drukverlies in de hoofdgasleiding of in het geval van vlamstoring bij elk toestel.

Artikel 5.31. Diversen
1.

Blootgestelde oppervlakken in ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations, gangen en ingesloten ruimten voor trappen, alsmede oppervlakken verborgen achter schotten, beschietingen en plafonds in bovengenoemde ruimten, hebben een laag vlamverspreidend vermogen.

2.

Alle blootgestelde oppervlakken van met glas gewapende kunststof constructies binnen ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations, ruimten voor machines van categorie A en andere ruimten voor machines met eenzelfde brandgevaar, zijn voorzien van een afwerkingslaag van goedgekeurde hars die blijvende brandvertragende eigenschappen heeft of zijn bedekt met een goedgekeurde brandvertragende verf of zijn beschermd door onbrandbare materialen.

3.

Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking, gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, zijn zodanig dat zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen onnodig brandgevaar opleveren en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.

4.

De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations is van goedgekeurd materiaal dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.

6.

Alle andere afvalbakken dan die, welke worden gebruikt bij de verwerking van vis, zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en hebben geen openingen in de zijkanten of bodem.

7.

Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen zijn voorzien van afstandsbedieningen die zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld.

8.

Waar nodig zijn lekbakken aangebracht teneinde te voorkomen dat olie naar de vullings kan vloeien.

Artikel 5.32. Opslag van gasflessen en van gevaarlijke materialen
1.

Flessen die zijn bestemd voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen zijn duidelijk gemarkeerd door middel van voorgeschreven kleuren ter identificatie en zijn voorzien van een duidelijk leesbare identificatie van de naam en chemische formule van hun inhoud. Dergelijke flessen zijn deugdelijk vastgezet.

2.

Flessen die ontvlambare of andere gevaarlijke gassen bevatten alsmede flessen die als zodanig in gebruik zijn geweest zijn deugdelijk vastgezet en opgesteld op het open dek en alle afsluiters, drukregelaars en op de flessen aangesloten leidingen zijn tegen beschadiging beschermd. De flessen zijn beschermd tegen grote veranderingen in temperatuur, direct zonlicht en opeenhoping van sneeuw. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter toestaan dat dergelijke flessen zijn opgeslagen in ruimten die voldoen aan de eisen van het derde tot en met vijfde lid.

3.

Ruimten waarin gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen, zoals vluchtige verfstoffen, paraffine, benzol en dergelijke, en indien toegestaan vloeibaar gas zijn opgeslagen, mogen uitsluitend toegankelijk zijn vanaf het open dek. Drukregeltoestellen en ontlastingskleppen monden binnen deze ruimten uit. Wanneer begrenzingsschotten van dergelijke ruimten grenzen aan andere omsloten ruimten, zijn deze schotten gasdicht uitgevoerd.

4.

Elektrische leidingen en aansluitingen zijn niet toegestaan binnen ruimten welke worden gebruikt voor het bergen van gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen en vloeibaar gemaakte gassen, tenzij nodig voor het verrichten van werkzaamheden binnen die ruimten. In dat geval zijn de elektrische aansluitingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geschikt voor gebruik in een ontvlambare atmosfeer. Warmtebronnen mogen zich niet dicht bij dergelijke ruimten bevinden en opschriften met «niet roken» en «geen open vuur» zijn aangebracht op een doelmatige plaats.

5.

Elk soort samengeperst gas is afzonderlijk opgeslagen. Ruimten die voor opslag van dergelijke gassen worden gebruikt, mogen niet worden gebruikt voor het opslaan van brandbare producten, noch voor gereedschappen of onderdelen die geen deel uitmaken van het gasdistributiesysteem. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter met inachtneming van de kenmerkende eigenschappen, hoeveelheid en voorgenomen gebruik van dergelijke samengeperste gassen, verlichting van deze voorschriften toestaan, rekening houdend met de eigenschappen en de hoeveelheid van zodanige samengeperste gassen en het gebruik waarvoor deze bestemd zijn.

Artikel 5.33. Voorzieningen voor ontsnapping
1.

In en vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, zijn trappen en ladders aangebracht waarlangs het open dek en vervolgens de groepsreddingsmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder wordt aan de volgende bepalingen voldaan:

2.

In elke ruimte voor machines van categorie A zijn twee voorzieningen voor ontsnapping aangebracht die zo ver mogelijk van elkaar zijn verwijderd. Verticale vluchtmiddelen bestaan uit stalen trappen of ladders. Indien de afmetingen van de ruimten voor machines daartoe aanleiding geven, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat slechts een voorziening voor ontsnapping is aangebracht. In een dergelijk geval is bijzondere aandacht geschonken aan deze uitgang.

3.

Liften worden niet beschouwd als een van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.

4.

Voorzieningen voor ontsnapping zijn op de juiste plaats voorzien van signaleringen die voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen nadere regels.

Artikel 5.34. Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties

Op vissersvaartuigen waar het Hoofd van de Scheepvaartinspectie op grond van het bepaalde in artikel 5.28, eerste lid, een brandbare constructie heeft toegestaan of waar anders aanzienlijke hoeveelheden brandbaar materiaal worden gebruikt bij de constructie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations wordt speciale aandacht geschonken aan het installeren van een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie in die ruimten, waarbij rekening wordt gehouden met de afmeting van die ruimten, hun inrichting en plaatsing betrekking hebbend op controlestations alsmede, indien van toepassing, het vlamspreidend vermogen van het geplaatste meubilair.

Artikel 5.35. Brandbluspompen
1.

Het minimum aantal en type brandbluspompen dat aan boord van een vaartuig is aangebracht, is als volgt:

Ongeacht het bepaalde onder a en b zijn er op Nederlandse vissersvaartuigen te allen tijde ten minste twee brandbluspompen aanwezig.

2.

Sanitair-, ballast-, lens-, algemene dienstpompen of andere pompen mogen als brandbluspompen worden gebruikt indien zij voldoen aan het gestelde in dit hoofdstuk en, bij gebruik van deze pompen als brandbluspomp, de lenscapaciteit van het vaartuig hierdoor niet wordt beïnvloed. Brandbluspompen zijn zo aangesloten dat het niet mogelijk is hiermee olie of andere brandbare vloeistoffen te verpompen.

3.

Bij centrifugaalpompen of andere op de brandblusleiding aangesloten pompen waarbij het mogelijk is dat het water door de pomp kan terugstromen, is in de persleiding een terugslagklep aangebracht.

4.

Vissersvaartuigen die niet zijn uitgerust met een werktuiglijk bediende noodbrandbluspomp en zonder een vast aangebrachte brandblusinstallatie in de ruimten voor machines zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorzien van aanvullende brandblusmiddelen.

5.

Werktuiglijk bediende noodbrandbluspompen, indien aangebracht, zijn onafhankelijk gedreven, op zich zelf staande pompen die zijn uitgerust met een eigen aandrijfwerktuig en brandstoftoevoer en die zijn opgesteld op een toegankelijke plaats buiten de ruimte waarin de hoofdbrandbluspompen zijn ondergebracht of worden aangedreven door een op zich zelf staande generator, die de noodgenerator mag zijn, die van voldoende capaciteit is en op een veilige plaats buiten de machinekamer is opgesteld, bij voorkeur boven het werkdek.

6.

Voor elke noodbrandbluspomp, indien aangebracht, kunnen de pomp, zee-inlaatafsluiters en andere noodzakelijke afsluiters worden bediend vanaf een plaats die is gelegen buiten de ruimten waarin de hoofdbrandbluspompen zijn ondergebracht. Deze plaats is zodanig dat het niet waarschijnlijk is dat zij in geval van brand in de bedoelde ruimten onbereikbaar wordt.

7.

De totale capaciteit (Q) van de werktuiglijk bediende hoofdbrandbluspompen is ten minste gelijk aan:

Q = [0,15 √{L(B+D)} + 2,25]2 m2 per uur, waarbij L, B en D in meters zijn uitgedrukt.

8.

Indien twee onafhankelijk werktuiglijk bediende brandbluspompen zijn aangebracht, mag de capaciteit van elke pomp niet minder zijn dan 40 percent van de vereiste capaciteit volgens het bepaalde in het zevende lid of 25m2 per uur, waarbij voor Nederlandse vissersvaartuigen de hoogste waarde bepalend is.

9.

Wanneer hoofdbrandbluspompen de volgens de in het zevende lid vereiste opbrengst leveren aan de hoofdbrandblusleiding, brandslangen en straalpijpen mag de druk bij elke brandkraan niet minder zijn dan 0,25 N/mm2.

10.

Indien werktuiglijk aangedreven noodbrandbluspompen de maximum opbrengst leveren met de straal water volgens het bepaalde in artikel 5.37, eerste lid, is de druk bij elke brandkraan ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 5.36. Hoofdbrandblusleiding
1.

Indien meer dan één brandkraan is vereist om te voorzien in het aantal stralen water zoals bepaald in artikel 5.37, eerste lid, is er een hoofdbrandblusleiding aangebracht.

2.

Hoofdbrandblusleidingen en brandkranen zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn, tenzij deze voldoende zijn beschermd.

3.

Indien de persdruk van de brandbluspomp de werkdruk waarvoor de hoofdbrandblusleiding is ontworpen, kan overschrijden, zijn er ontlastkleppen aangebracht.

4.

Hoofdbrandblusleidingen mogen geen andere aansluitingen hebben dan die welke voor de brandbestrijding zijn vereist, met uitzondering van aansluitingen die zijn aangebracht om het dek en de ankerkettingen schoon te spuiten of de ejector van de kettingbak te bedienen, onder voorwaarde dat de doelmatigheid van het brandblussysteem gehandhaafd blijft.

5.

In hoofdbrandblusleidingen zijn op doelmatige plaatsen aftapkranen aangebracht om beschadiging door bevriezing te voorkomen.

Artikel 5.37. Brandkranen, brandslangen en straalpijpen
1.

Brandkranen zijn zodanig geplaatst dat brandslangen gemakkelijk en snel kunnen worden aan- of afgekoppeld en elk deel van het vaartuig dat onder normale bedrijfsomstandigheden toegankelijk is met ten minste één straal water kan worden bereikt.

2.

Voor de in het eerste lid genoemde waterstraal mag slechts één brandslanglengte worden gebruikt.

3.

In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid is buiten ruimten voor machines van categorie A nabij de toegang ten minste één brandkraan met slang en straalpijp aangebracht voor gebruik in genoemde ruimte. De straalpijp is van het type dat kan spuiten en sproeien.

4.

Bij elke voorgeschreven brandkraan is één brandslang aanwezig. Bovendien is er een reserve brandslang aanwezig.

5.

Een enkele brandslanglengte mag niet meer dan 20 m bedragen.

6.

Brandslangen zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal. Elke brandslang is voorzien van de nodige koppelingen en een straalpijp die kan spuiten en sproeien.

7.

Met uitzondering van brandslangen die permanent zijn aangesloten op de hoofdbrandblusleiding kan elke brandslang op elke brandkraan en elke straalpijp op elke brandslang worden aangesloten.

8.

De straalpijpen, voorgeschreven in het zesde lid, zijn aangepast aan de totale opbrengst van de geïnstalleerde brandbluspompen. De spuitopening heeft evenwel een inwendige diameter van niet minder dan 12 mm.

Artikel 5.38. Brandblustoestellen
1.

Een brandblustoestel is van een goedgekeurd type. De inhoud van een voorgeschreven draagbaar brandblustoestel met vloeibare blusstof mag niet groter zijn dan 13,5 l en niet kleiner dan 9 l. Een brandblustoestel met een andere blusstof is ten minste even goed draagbaar als een toestel met vloeibare blusstof van 13,5 l en het blusvermogen is ten minste gelijkwaardig aan dat van een dergelijk toestel met een blusstof van 9 l. De gelijkwaardigheid van brandblustoestellen wordt bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

2.

Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

3.

Brandblustoestellen, gevuld met een blusstof die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie hetzij uit zichzelf, hetzij onder te verwachten gebruiksomstandigheden zodanige hoeveelheden giftige gassen afgeeft dat dit schadelijk is voor de gezondheid, zijn aan boord niet toegestaan.

4.

Brandblustoestellen worden periodiek nagezien en worden onderworpen aan de tests die door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorgeschreven.

5.

Een van de draagbare brandblustoestellen die voor het gebruik in een bepaalde ruimte zijn bestemd, is nabij de toegang tot die ruimte geplaatst.

Artikel 5.39. Draagbare brandblustoestellen in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten
1.

Een voldoende aantal draagbare brandblustoestellen is geplaatst in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten opdat ten minste een brandblustoestel met een voor de in deze ruimte te verwachten branden geschikte blusstof, direct beschikbaar is voor gebruik op elke plaats in deze ruimte. Het totale aantal brandblustoestellen voor bovengenoemde ruimten bedraagt ten minste drie.

2.

Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 5.40. Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines
2.

De in het eerste lid, onder a, bedoelde brandblusinstallatie kan worden bediend vanaf een gemakkelijk toegankelijke plaats buiten dergelijke ruimten, welke zodanig is gelegen dat het niet waarschijnlijk is dat, in geval van brand in een te beschermen ruimte, deze plaats onbereikbaar wordt. Er zijn voorzieningen getroffen teneinde de energievoorziening zeker te stellen die noodzakelijk is voor het inwerking stellen van de installatie in geval van brand in de te beschermen ruimte.

3.

Op vaartuigen die geheel of gedeeltelijk zijn vervaardigd van hout of kunststof en waarin oliegestookte ketels, verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld en waarvan de ruimten voor machines zijn omgeven door schotten of dekken van dergelijke materialen, zijn deze ruimten voorzien van een vast aangebrachte brandblusinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid.

4.

In elke ruimte voor machines van categorie A zijn ten minste twee draagbare brandblustoestellen aanwezig van een type dat geschikt is voor het blussen van branden waarbij brandstofolie is betrokken. Indien in dergelijke ruimten werktuigen zijn opgesteld met een totaal vermogen van niet minder dan 250 kW, zijn ten minste drie van dergelijke brandblustoestellen aanwezig. Een van de brandblustoestellen is nabij de toegang tot die ruimte geplaatst.

5.

Vissersvaartuigen met ruimten voor machines die niet zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie zijn voorzien van een schuimbrandblustoestel met een inhoud van ten minste 45 liter of een daarmee gelijkwaardig brandblustoestel dat geschikt is voor het blussen van oliebranden. Indien deze bepaling door de afmetingen van de ruimten voor machines praktisch niet uitvoerbaar is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat een aanvullend aantal draagbare brandblustoestellen wordt opgesteld.

6.

Op Nederlandse vissersvaartuigen zijn alle ruimten voor machines van categorie A uitgerust met een vast aangebrachte brandblusinstallatie.

Artikel 5.41. Brandweeruitrustingen

Het aantal brandweeruitrustingen en de plaats waar deze worden bewaard zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 5.42. Brandbeveiligingsplan

Er is een brandbeveiligingsplan dat permanent aan boord is opgehangen en dat ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is. In geval van kleine vaartuigen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing van dit voorschrift verlenen.

Artikel 5.43. Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen

Brandbestrijdingsmiddelen worden goed onderhouden en zijn te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed.

Artikel 5.44. Toelating van vervangende middelen

Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven kan, indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie één en ander niet minder effectief is, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.

Hoofdstuk 6. Bescherming van de bemanning

Artikel 6.1. Algemene beveiligingsmaatregelen
1.

Een reddingslijnsysteem is zodanig ontworpen dat het functioneel is voor alle situaties waarvoor het is bestemd en is voorzien van alle benodigde lijnen, touwen, sluitingen, oogbouten en kikkers.

2.

Dekopeningen die zijn voorzien van luikhoofden of drempels waarvan de hoogte minder dan 600 mm bedraagt, zijn uitgerust met beveiligingsmiddelen zoals scharnierende of verplaatsbare relingen of netwerk. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor kleine openingen verlichting toestaan van deze eisen.

3.

Schijnlichten of andere, soortgelijke openingen zijn voorzien van beveiligingsstaven waarvan de onderlinge afstand niet meer bedraagt dan 350 mm. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor kleine openingen verlichting toestaan van deze eis.

4.

Het oppervlak van elk dek is zodanig ontworpen of behandeld dat de mogelijkheid van uitglijden door opvarenden tot een minimum is beperkt. In het bijzonder zijn dekken op plaatsen waar gewerkt wordt, zoals in ruimten voor machines, in kombuizen, bij lieren en op plaatsen waar vis wordt verwerkt alsmede ter plaatse van de onder- en bovenkant van ladders en voor deuren, voorzien van antislipoppervlakken.

Artikel 6.2. Dekopeningen
1.

Scharnierende deksels van luiken, mangaten en andere openingen zijn beveiligd tegen per ongeluk sluiten. In het bijzonder zijn zware deksels op noodluiken uitgerust met contragewichten en zijn zij zodanig geconstrueerd dat zij zowel vanaf de binnen- als buitenzijde geopend kunnen worden.

2.

De afmetingen van toegangsluiken en ontsnappingsluiken mogen niet kleiner zijn dan 600 bij 600 mm of een kleinere diameter hebben dan 600 mm.

3.

Waar praktisch uitvoerbaar zijn boven het dek waarin zich nooduitgangen bevinden handgrepen aangebracht.

Artikel 6.3. Verschansingen, relingen en beveiligingsmiddelen
1.

Alle aan weer en wind blootgestelde dekken, voorzover deze bestemd zijn om daar te werken, zijn voorzien van een deugdelijke verschansing of reling. De hoogte van de verschansing of van de reling is ten minste 1 m boven het dek. Indien deze hoogte een belemmering vormt voor de normale werkzaamheden aan boord kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een geringere hoogte toestaan.

2.

De kleinste afstand, verticaal gemeten, vanaf de hoogst gelegen lastlijn tot aan het laagste punt van de bovenzijde van de verschansing of tot aan de rand van het werkdek indien een reling is aangebracht, garandeert, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, voldoende bescherming van de bemanning tegen overkomend water, waarbij rekening wordt gehouden met de toestand van de zee en de weersomstandigheden waarbij het vaartuig dienst moet kunnen doen, alsmede met het vaargebied, het type vaartuig en de vismethode waarvoor het bestemd is.

3.

De hoogte van de opening onder de onderste roede van het relingwerk mag niet groter zijn dan 230 mm. De onderlinge afstand van de overige roeden mag niet meer dan 380 mm bedragen en de onderlinge afstand tussen scepters mag niet meer dan 1,50 m zijn. Op vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, zijn de scepters van het relingwerk op het vlakke gedeelte van het dek geplaatst. Relingen mogen geen scherpe punten, randen en hoeken hebben en zijn van voldoende sterkte.

4.

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn er voorzieningen aangebracht zoals relingen, handleiders, loopbruggen of onderdeks gelegen gangen ter bescherming van de bemanning bij het gaan naar of het komen van hun verblijven, de ruimten voor machines en andere werkruimten. Zonodig zijn buiten alle dekhuizen en schachten handleiders of andere doelmatige voorzieningen aangebracht teneinde de opvarenden een veilige doorgang en veilig werk te garanderen.

5.

De bovenzijde van een aflopend deel van het dek aan boord van hektrawlers is voorzien van een doelmatige beveiliging in de vorm van deuren, hekken of netwerk die op dezelfde hoogte zijn aangebracht als de aangrenzende verschansing of reling. Voor het geval tijdelijk niet is voorzien in een dergelijke beveiliging is een ketting of ander beveiligingsmiddel over het hellende deel aangebracht.

6.

Aan boord van een vaartuig zijn middelen aanwezig ter persoonlijke bescherming van de schepelingen tegen letsel dat uit door hen te verrichten werkzaamheden zou kunnen voortvloeien. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het aantal, de soort en het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen.

Artikel 6.4. Trappen en ladders
1.

Met het oog op de veiligheid van de bemanning zijn, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, trappen en ladders van voldoende afmetingen en sterkte aangebracht, die zijn voorzien van leuningen en antisliptreden.

2.

Er is een valreep, loopplank of vergelijkbare voorziening aanwezig waarmee op een adequate en veilige manier aan boord kan worden gegaan.

Artikel 6.5. Medische uitrusting aan boord
1.

Bij ministeriële regeling wordt voorgeschreven welke medische uitrusting, bestaande uit geneesmiddelen en antidota, met bijbehorende controlelijsten en handleidingen, aan boord aanwezig is.

2.

De schipper is verplicht ervoor te zorgen dat de medische uitrusting in goede staat verkeert, wordt aangevuld en zo nodig wordt vernieuwd zodra dit mogelijk is, in ieder geval bij voorrang tijdens normale bevoorradingsprocedures. Hij kan het gebruik en het beheer van de medische uitrusting aan boord, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid, overdragen aan een of meer schepelingen die ten minste dienen te beschikken over een certificaat scheepsgezondheidszorg-B.

Artikel 6.6. Bewaren van de medische uitrusting

De medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.

Artikel 6.7. Gescheiden bewaren van geneesmiddelen en antidota van verplegingsartikelen
1.

De geneesmiddelen en antidota worden gescheiden van de verplegingsartikelen bewaard. Indien zij samen in één kist worden bewaard, worden zij door een tussenschot gescheiden.

2.

De morfinepreparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een afgesloten ruimte, waarvan de sleutel berust bij de schipper of bij de schepeling aan wie de schipper het gebruik en het beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.

Artikel 6.8. Nummering, afschrift lijst, benamingen
1.

Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is, voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, en artikel 6.12.

2.

Op de etiketten, aanwezig op de verpakking van de middelen, zijn ten behoeve van in het buitenland te raadplegen deskundigen zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereld Gezondheidsorganisatie.

Artikel 6.9. Levering van geneesmiddelen en antidota

De geneesmiddelen en de antidota worden geleverd door een apotheker, hetgeen blijkt uit een merk op de verpakking.

Artikel 6.10. Aanvullende geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota
1.

Indien er nog andere geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota aan boord aanwezig zijn dan die zijn voorgeschreven op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, en artikel 6.12, zijn ten aanzien van deze aanvullende middelen de artikelen 6.6 tot en met 6.9 van toepassing.

2.

Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota aan boord niet aanwezig zijn, is de schipper verplicht ervoor te zorgen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.

Artikel 6.11. Geneeskundig handboek

Ten behoeve van het gebruik van de medische uitrusting is aan boord een bijgehouden exemplaar van een bij ministeriële regeling aan te wijzen geneeskundig handboek.

Artikel 6.12. Vervoer van gevaarlijke stoffen

Indien aan boord van een vaartuig gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 130 van het Schepenbesluit 1965 worden meegevoerd, zijn tevens bij ministeriële regeling voorgeschreven antidota en een zuurstofbeademingskoffer met onderhoudsset, met de daarbij behorende controlelijst en handleiding aanwezig.

Artikel 6.13. Bedieningsaanwijzingen

Op of nabij groepsreddingsmiddelen en de bedieningsplaatsen van de tewaterlatingmiddelen zijn instructieplaten of aanduidingen aangebracht die:

Artikel 6.14. Inrichting van werkruimten
1.

De bedieningsorganen van de lieren zijn op een voldoende ruime plaats aangebracht teneinde het bedienende personeel in staat te stellen ongehinderd te werken.

2.

De lieren zijn bovendien voorzien van adequate veiligheidsvoorzieningen voor noodgevallen, met inbegrip van noodstopvoorzieningen. Degene die de lieren bedient heeft goed zicht op de bemanningsleden die daarmee aan het werk zijn. Ook als de lieren worden bediend vanaf de brug heeft degene die de lieren bedient goed zicht op de werknemers die daarmee aan werk zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij via enig ander geschikt hulpmiddel.

3.

Voor de communicatie vanaf de brug wordt gebruik gemaakt van een betrouwbaar communicatiesysteem.

4.

Er wordt te allen tijde goede uitkijk gehouden en de bemanning wordt gewaarschuwd voor dreigend gevaar van naderende zeeën gedurende de visserijwerkzaamheden of wanneer er ander werk aan dek wordt verricht.

5.

Ter beperking van de beweging van de massa's, met name aan boord van trawlers, zijn er voorzieningen aangebracht voor het blokkeren van de visborden en ter beperking van slingerbewegingen van de netkuil.

6.

Indien ten behoeve van de ventilatie in gesloten werkruimten een mechanische luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, is deze altijd bedrijfsklaar.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met zesde lid.

Artikel 6.15. Verblijfsruimten en dienstruimten
1.

De plaats, de constructie, de geluids- en warmte-isolatie en de inrichting van de verblijfsruimten en de dienstruimten, voorzover aanwezig, alsmede de toegangen daartoe, bieden adequate bescherming tegen trillingen en geluidhinder tijdens de rustperiode van de bemanning. In de verblijven van de bemanning, voorzover aanwezig, zijn trillingen, geluid en de gevolgen van bewegingen en versnellingen tot een minimum beperkt.

2.

Wanneer de constructie, de afmetingen of de bestemming van het vaartuig het mogelijk maken zijn de verblijfsruimten zodanig gelegen dat de gevolgen van bewegingen en versnellingen zo veel mogelijk worden beperkt.

3.

Voorzover mogelijk worden er passende maatregelen genomen voor de bescherming van niet-rokers tegen hinder door tabaksrook.

4.

Voor voedselopslag zijn koelkasten of andere koelvoorzieningen aanwezig.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid.

Hoofdstuk 7. Reddingsmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen

§ 1. Algemeen

Artikel 7.1. Toepassing

Dit hoofdstuk is van toepassing op vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer en op nieuwe Nederlandse vissersvaartuigen met een lengte van 24 meter of meer.

Artikel 7.2. Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 7.3. Beoordeling, testen en keuring van reddingsmiddelen en -voorzieningen
1.

Behalve in een geval als bedoeld in het vijfde en zesde lid voldoen de reddingsmiddelen en -voorzieningen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.

2.

Alvorens te worden goedgekeurd worden de reddingsmiddelen en -voorzieningen:

3.

Reddingsmiddelen of -voorzieningen van een nieuw ontwerp worden slechts goedgekeurd:

4.

Bij ministeriële regeling wordt tevens bepaald in welke omstandigheden een verleende goedkeuring geldig blijft of vervalt.

5.

Alvorens reddingsmiddelen en -voorzieningen die niet eerder zijn gekeurd, worden goedgekeurd, voldoen zij ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aan het bepaalde in dit hoofdstuk.

6.

Reddingsmiddelen en -voorzieningen die ingevolge het bepaalde in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven maar waarvoor geen nadere voorschriften in paragraaf 3 zijn opgenomen, zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 7.4. Controle van de productie

Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de productie van reddingsmiddelen, teneinde te verzekeren dat deze middelen worden vervaardigd volgens dezelfde normen als het goedgekeurde prototype.

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

Artikel 7.5. Aantallen en typen groepsreddingsmiddelen en hulpverleningsboten
1.

Elk vaartuig is voorzien van ten minste twee groepsreddingsmiddelen.

2.

Vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer voldoen met betrekking tot het aantal, de capaciteit en het type van het groepsreddingsmiddel en de hulpverleningsboot ten minste aan de volgende eisen:

3.

Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 meter, maar 45 meter of meer bedraagt, voldoen aan de volgende voorschriften:

3bis. Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, zijn uitgerust met:

4.

In plaats van te voldoen aan de eisen van het tweede lid, onder a, het derde lid, onder a, en lid 3bis, onder a, kunnen vaartuigen zijn voorzien van een of meerdere reddingsboten van het vrije-valtype die via het achterschip te water worden gelaten en voldoende capaciteit bezitten voor het totale aantal opvarenden en van reddingsvlotten van voldoende capaciteit voor het totale aantal opvarenden.

5.

Het aantal reddingsboten en hulpverleningsboten waarover een vaartuig beschikt is zodanig dat bij volledige verlating van het vaartuig elke reddingsboot en elke hulpverleningsboot niet meer dan negen reddingsvlotten zal moeten bijeenbrengen.

6.

Het groepsreddingsmiddel en de hulpverleningsboot voldoen aan het voor hun bepaalde in de artikelen 7.17 tot en met 7.23.

Artikel 7.6. Beschikbaarheid en plaatsing van groepsreddingsmiddelen en hulpverleningsboten
1.

Groepsreddingsmiddelen:

2.

Indien de afstand van het inschepingsdek tot de waterlijn bij de laagst gelegen lastlijn meer is dan 4,5 meter is het groepsreddingsmiddel, tenzij dit een reddingsvlot van het vrij opdrijvende type is, van het strijkbare type dat met volledige bezetting gestreken kan worden ofwel is voorzien van gelijkwaardige middelen voor de inscheping.

3.

Groepsreddingsmiddelen en tewaterlatingsvoorzieningen zijn voor onmiddellijk gebruik gereed voordat het vaartuig de haven verlaat en worden in die staat gehandhaafd gedurende de vaart op zee.

Artikel 7.7. Inscheping in een groepsreddingsmiddel

Er zijn doeltreffende voorzieningen ter inscheping in een groepsreddingsmiddel aanwezig, die omvatten:

Artikel 7.8. Reddingsgordels
1.

Voor elke opvarende is een goedgekeurde reddingsgordel aan boord die voldoet aan het bepaalde in artikel 7.24.

2.

De reddingsgordels zijn zo opgeborgen dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn. Hun bergplaats is duidelijk aangegeven.

Artikel 7.9. Overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies
1.

Aan boord van een vaartuig is voor elke persoon die is aangewezen om de hulpverleningsboot te bemannen, een overlevingspak van de juiste maat aanwezig dat voldoet aan het bepaalde in artikel 7.25.

2.

Aan boord van een vaartuig dat voldoet aan het bepaalde in artikel 7.5, tweede en derde lid, zijn overlevingspakken aanwezig die voldoen aan het bepaalde in artikel 7.25 voor alle opvarenden die geen toegewezen plaats hebben in:

3.

In aanvulling op het tweede lid, onder a, zijn aan boord van een vaartuig voor iedere reddingsboot ten minste drie overlevingspakken aanwezig die voldoen aan het bepaalde in artikel 7.25. Het vaartuig heeft echter naast de hulpmiddelen tegen warmteverlies, voorgeschreven in artikel 7.17, achtste lid, onder 31°, hulpmiddelen tegen warmteverlies aan boord die voldoen aan het bepaalde in artikel 7.26, voor de opvarenden die niet zijn voorzien van overlevingspakken. Deze overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies behoeven niet aan boord te zijn indien het vaartuig geheel overdekte reddingsboten heeft die gezamenlijk per zijde voldoende ruimte bieden aan het totaal aantal opvarenden, of indien het vaartuig beschikt over een reddingsboot van het vrije-valtype die voldoende ruimte biedt aan het totaal aantal opvarenden.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op schepen die permanent werkzaam zijn in warme gebieden waar naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies onnodig zijn.

5.

Een overlevingspak dat is voorgeschreven in het tweede en derde lid wordt mede in aanmerking genomen voor het voldoen aan het bepaalde in eerste lid.

Artikel 7.10. Reddingsboeien
1.

Vaartuigen hebben ten minste het volgende aantal reddingsboeien die voldoen aan het bepaalde in artikel 7.27, eerste lid, aan boord:

2.

Ten minste de helft van het totaal aantal reddingsboeien als voorgeschreven in het eerste lid is voorzien van een zelfontbrandend licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 7.27, tweede lid.

3.

Ten minste twee van de reddingsboeien met zelfontbrandend licht als voorgeschreven in het tweede lid zijn voorzien van een zelfwerkend rooksignaal dat voldoet aan het bepaalde in artikel 7.27, derde lid, en deze kunnen, voorzover uitvoerbaar, vanaf de brug snel ontkoppeld worden.

4.

Aan iedere zijde van het vaartuig is ten minste een reddingsboei voorzien van een drijvende reddingslijn die voldoet aan het bepaalde in artikel 7.27, vierde lid, met een lengte van tenminste 30 meter of tweemaal de hoogte waarop de reddingsboei geplaatst is boven de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in het zeewater, welke van beide het grootste is. Deze reddingsboeien mogen niet zijn voorzien van een zelfontbrandend licht.

5.

Reddingsboeien zijn zodanig geplaatst dat ze voor iedereen vrij toegankelijk zijn, dat zij snel overboord kunnen worden geworpen en dat ze niet op een of andere manier permanent zijn vastgezet.

Artikel 7.11. Lijnwerptoestellen

Aan boord van elk vaartuig is een lijnwerptoestel aanwezig dat voldoet aan het bepaalde in artikel 7.28.

Artikel 7.12. Noodsignalen
1.

Elk vaartuig is voorzien van goedgekeurde middelen voor het maken van noodsignalen die zowel overdag als 's nachts effectief zijn. Er zijn ten minste 12 valschermsignalen aan boord die voldoen aan het bepaalde in artikel 7.29.

2.

Noodsignalen zijn van een goedgekeurd type. Zij zijn zo geplaatst dat zij gemakkelijk bereikbaar zijn en tevens is duidelijk aangegeven waar zij zijn geplaatst.

Artikel 7.13. Radio-reddingsmiddelen
1.

Elk vaartuig is voorzien van ten minste drie VHF-portofoons. Deze voldoen ten minste aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen. Indien een vast opgestelde VHF-portofoon is aangebracht in een groepsreddingsmiddel, voldoet deze aan het bij ministeriële regeling vastgestelde minimum.

1 bis. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, mag het aantal VHF-portofoons worden teruggebracht tot twee, indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de eis om drie van dergelijke toestellen te voeren overbodig acht, gezien het vaargebied van het vaartuig en het aantal personen dat dienst doet aan boord.

2.

Voor zenden en ontvangen geschikte VHF-portofoons die zich aan boord van bestaande vaartuigen bevinden en die niet voldoen aan bij ministeriële regeling vast te stellen prestatienormen kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden toegelaten mits die apparatuur compatibel is met goedgekeurde, voor zenden en ontvangen geschikte VHF-portofoons.

Artikel 7.14. Radartransponders

Alle schepen zijn uitgerust met ten minste een radartransponder aan elke zijde van het schip. Deze radartransponders voldoen ten minste aan bij ministeriële regeling vast te stellen eisen. De plaatsing is zodanig dat ze snel in een groepsreddingsmiddel geplaatst kunnen worden. Als alternatief kan een radartransponder worden geplaatst op elk groepsreddingsmiddel. Elk vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt voert ten minste een radartransponder.

Artikel 7.15. Licht weerkaatsend materiaal op reddingsmiddelen

Reddingsvlotten, hulpverleningsboten, reddingsgordels en reddingsboeien zijn voorzien van licht weerkaatsend materiaal.

Artikel 7.16. Gereedheid voor gebruik, onderhoud en inspecties
1.

Gereedheid voor gebruik

Voordat het vaartuig de haven verlaat en gedurende de gehele reis verkeren alle reddingsmiddelen in goede staat en zijn ze voor onmiddellijk gebruik gereed.

2.

Onderhoud

3.

Onderhoud van lopers

Lopers die bij het afvieren van de reddingsmiddelen worden gebruikt, worden met tussenpozen van niet meer dan 30 maanden gekeerd en worden vernieuwd wanneer ze gebreken vertonen dan wel na niet meer dan 5 jaar.

4.

Reserveonderdelen en gereedschap voor reparatie

Voor de groepsreddingsmiddelen en hun onderdelen die onderhevig zijn aan uitzonderlijke slijtage of aantasting en die regelmatig vervangen dienen te worden, zijn aan boord reserveonderdelen en gereedschap voor reparatie aanwezig.

5.

Wekelijkse inspectie

De volgende tests en inspecties worden wekelijks uitgevoerd:

6.

Maandelijkse inspecties

Een inspectie van de reddingsmiddelen met inbegrip van de uitrusting van de reddingsboot wordt maandelijks uitgevoerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van een controlelijst teneinde zeker te stellen dat de middelen en de uitrusting volledig zijn en in goede staat verkeren. Een verslag van de inspectie wordt in het scheepsdagboek opgenomen.

7.

Keuring van automatisch opblaasbare reddingsvlotten, opblaasbare reddingsgordels en hulpverleningsboten in opgeblazen toestand

8.

Periodieke keuring van hydrostatische ontkoppelingsmechanismen

Wegwerp hydrostatische ontkoppelingsmechanismen worden vervangen wanneer de vervaldatum is verstreken. Andere hydrostatische ontkoppelingsmechanismen worden gekeurd:

9.

Indien het vaartuig door de wijze van vissen moeilijk kan voldoen aan het bepaalde in het zevende en achtste lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie deze periode verlengen tot 24 maanden, mits is aangetoond dat de middelen zodanig geconstrueerd en geplaatst zijn dat zij in aanvaardbare conditie blijven tot de eerstvolgende keuring.

§ 3. Bepalingen ten aanzien van reddingsmiddelen en -voorzieningen

Artikel 7.17. Algemene eisen voor reddingsboten
1.

Constructie van reddingsboten

2.

Draagvermogen van reddingsboten

Figuur 1

3.

Toegang tot reddingsboten

4.

Drijfvermogen van reddingsboten

Alle reddingsboten hebben een eigen drijfvermogen of zijn voorzien van drijvend materiaal dat niet nadelig wordt beïnvloed door zeewater, olie en olieproducten, en dat voldoende is om de reddingsboot met volledige uitrusting drijvende te houden wanneer zij vol water staat en de zee vrij kan binnendringen. Bovendien is er voor het aantal personen waarvoor in de reddingsboot ruimte is bestemd, drijvend materiaal met een opdrijvend vermogen gelijk aan 280 N per persoon, aangebracht. Het voorgeschreven drijvend materiaal mag niet aan de buitenzijde van de romp van de reddingsboot zijn aangebracht.

5.

Vrijboord en stabiliteit van reddingsboten

Alle reddingsboten hebben, beladen met 50% van het aantal personen waarvoor in de reddingsboot ruimte is bestemd, gezeten op hun normale plaatsen aan één zijde van de reddingsboot, een vrijboord, gemeten vanaf de waterlijn tot aan de laagst gelegen opening waardoor de reddingsboot kan vollopen, van ten minste 1,5% van de lengte van de reddingsboot of 100 mm, welke van beide het grootste is.

6.

Voortstuwing van reddingsboten

7.

Toebehoren van reddingsboten

8.

Uitrusting van reddingsboten

Alle uitrustingsstukken van een reddingsboot, of die nu in dit lid of elders in dit hoofdstuk worden voorgeschreven, met uitzondering van de bootshaken die beschikbaar moeten blijven om de reddingsboten af te houden, zijn in de reddingsboot vastgezet door middel van sjorringen, opgeborgen in kasten of compartimenten, bevestigd in beugels of soortgelijke armaturen of op andere geschikte wijze. De uitrusting is zo vastgezet dat zij geen belemmering vormt bij «schip verlaten». Alle uitrustingsstukken zijn zo klein mogelijk, zo licht mogelijk, en zijn op doeltreffende en compacte wijze verpakt.

Tenzij anders bepaald bestaat de normale uitrusting van elke reddingsboot uit:

9.

Merken op reddingsboten

Artikel 7.18. Zichzelf oprichtende, gedeeltelijk overdekte reddingsboten
1.

Behalve aan het bepaalde in artikel 7.17 voldoen zichzelf oprichtende, gedeeltelijk overdekte reddingsboten mede aan het bepaalde in dit artikel.

2.

Overkapping

3.

Omslaan en weer oprichten

4.

Voortstuwing

5.

Constructie en stootdempers

Artikel 7.19. Geheel overdekte reddingsboten
1.

Behalve aan het bepaalde in artikel 7.17 voldoen geheel overdekte reddingsboten ook aan het bepaalde in dit artikel.

2.

Overkapping

Iedere geheel overdekte reddingsboot is uitgerust met een waterdichte overkapping die de gehele reddingsboot overdekt. De overkapping is zo uitgevoerd dat:

3.

Omslaan en weer oprichten

4.

Voortstuwing

5.

Constructie en stootdempers

Onverminderd het bepaalde in artikel 7.17, eerste lid, onder f, is een geheel overdekte reddingsboot zo gebouwd en van stootdempers voorzien dat deze aan inzittenden bescherming biedt tegen schadelijke versnellingen als gevolg van een slag van de reddingsboot, beladen met volle bezetting en volledige uitrusting, tegen de scheepszijde met een stootsnelheid van ten minste 3,5 m/s.

6.

Reddingsboten die door middel van vrije val te water worden gelaten

Een vrije-val reddingsboot is zodanig geconstrueerd dat hij bescherming biedt tegen schadelijke versnellingen als gevolg van het te water laten, beladen met volle bezetting en volledige uitrusting, vanaf ten minste zijn opstelplaats boven de waterlijn tot de laagst gelegen lastlijn onder ongunstige trimomstandigheden tot maximaal 10° en met een minimale slagzij van 20° over elke zijde.

Artikel 7.20. Algemene eisen voor reddingsvlotten
1.

Constructie van reddingsvlotten

2.

Minimum draagvermogen en massa van reddingsvlotten

3.

Voorzieningen voor reddingsvlotten

4.

Strijkbare reddingsvlotten

5.

Uitrusting

6.

Voorzieningen voor het vrij opdrijven van reddingsvlotten

Artikel 7.21. Automatisch opblaasbare reddingsvlotten
1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 7.20 voldoen automatisch opblaasbare reddingsvlotten tevens aan het bepaalde in dit artikel.

2.

Constructie van automatisch opblaasbare reddingsvlotten

3.

Draagvermogen van automatisch opblaasbare reddingsvlotten

Het aantal personen waarvoor een reddingsvlot wordt goedgekeurd, is gelijk aan het kleinste van de volgende getallen:

4.

Toegang tot automatisch opblaasbare reddingsvlotten

5.

Stabiliteit van automatisch opblaasbare reddingsvlotten

6.

Voorzieningen voor automatisch opblaasbare reddingsvlotten

7.

Containers van automatisch opblaasbare reddingsvlotten

8.

Merken op automatisch opblaasbare reddingsvlotten

Op het reddingsvlot is aangegeven:

9.

Strijkbare automatisch opblaasbare reddingsvlotten

10.

Uitrusting van automatisch opblaasbare reddingsvlotten

Artikel 7.22. Vaste reddingsvlotten
1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 7.20 voldoen vaste reddingsvlotten tevens aan het bepaalde in dit artikel.

2.

Constructie van vaste reddingsvlotten

3.

Draagvermogen van vaste reddingsvlotten

Het aantal personen waarvoor een reddingsvlot wordt goedgekeurd is gelijk aan het kleinste van de volgende getallen:

4.

Toegang tot vaste reddingsvlotten

5.

Stabiliteit van vaste reddingsvlotten

6.

Voorzieningen voor vaste reddingsvlotten

7.

Merken op vaste reddingsvlotten

Op het reddingsvlot is aangegeven:

8.

Strijkbare vaste reddingsvlotten

Bovendien kan een vast reddingsvlot van het strijkbare type, wanneer het aan de ontkoppelingshaak of spruit hangt, een belasting van 4 maal de massa van de volle bezetting en de volledige uitrusting doorstaan.

Artikel 7.23. Hulpverleningsboten
1.

Algemene eisen

2.

Uitrusting van hulpverleningsboten

3.

Aanvullende eisen voor hulpverleningsboten in opgeblazen toestand

Artikel 7.24. Reddingsgordels
1.

Algemene eisen voor reddingsgordels

2.

Opblaasbare reddingsgordels

Een reddingsgordel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van opblazen, heeft niet minder dan twee gescheiden compartimenten en voldoet, in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, tevens aan de volgende eisen:

3.

Lichten voor reddingsgordels

Artikel 7.25. Overlevingspakken
1.

Algemene eisen voor overlevingspakken

2.

Thermische eisen voor overlevingspakken

3.

Eisen voor het drijfvermogen van overlevingspakken

Een persoon die in zoet water een overlevingspak draagt dat voldoet aan het bepaalde in artikel 7.24 of een overlevingspak in combinatie met een reddingsgordel moet zich in niet meer dan 5 seconden kunnen keren van de stand met het gezicht naar beneden tot die met het gezicht naar boven.

Artikel 7.26. Hulpmiddelen tegen warmteverlies
1.

Een hulpmiddel tegen warmteverlies is gemaakt van waterdicht materiaal dat een thermische geleiding van niet meer dan 0,25 W/mK heeft, en is zo vervaardigd dat het, wanneer het wordt gebruikt om een persoon te omhullen, het verlies aan lichaamswarmte ten gevolge van convectie of verdamping, vermindert.

2.

Een hulpmiddel tegen warmteverlies voldoet aan de volgende eisen:

3.

Het functioneert goed bij temperaturen van – 30°C tot + 20°C.

Artikel 7.27. Reddingsboeien
1.

Specificaties voor reddingsboeien

Een reddingsboei voldoet aan de volgende eisen:

2.

Zelfontbrandende lichten voor reddingsboeien

Een zelfontbrandend licht als voorgeschreven in artikel 7.10, tweede lid, voldoet aan de volgende eisen:

3.

Zelfwerkende rooksignalen voor reddingsboeien

Een zelfwerkend rooksignaal als voorgeschreven in artikel 7.10, derde lid, voldoet aan de volgende eisen:

4.

Drijvende lijnen voor reddingsboeien

Een drijvende lijn als voorgeschreven in artikel 7.10, vierde lid, voldoet aan de volgende eisen:

Artikel 7.28. Lijnwerptoestellen
1.

Ieder lijnwerptoestel voldoet aan de volgende eisen:

2.

Het projectiel, in het geval van een door een pistool afgevuurd projectiel, of het projectiel en de lijn wanneer die een geheel vormen, zijn opgeborgen in een waterbestendige houder. In het geval van een door een pistool afgevuurd projectiel zijn de lijnen en projectielen, tezamen met de ontstekingsmiddelen bovendien opgeborgen in een verpakking die bescherming biedt tegen weersinvloeden.

Artikel 7.29. Valschermsignalen
1.

Een valschermsignaal voldoet aan de volgende eisen:

2.

Een valschermsignaal bereikt, wanneer het loodrecht omhoog wordt afgeschoten, een hoogte van ten minste 300 m. Op of nabij het hoogtepunt van de baan geeft de raket een valschermsignaal af dat:

Artikel 7.30. Handstakellichten
1.

Een handstakellicht voldoet aan de volgende eisen:

2.

Een handstakellicht:

Artikel 7.31. Drijvende rooksignalen
1.

Een drijvend rooksignaal voldoet aan de volgende eisen:

2.

Een drijvend rooksignaal:

Artikel 7.32. Tewaterlatings- en inschepingsmiddelen
1.

Algemene eisen

2.

Tewaterlatingsmiddelen waarbij gebruik wordt gemaakt van lopers en een lier

3.

Tewaterlating door middel van vrij opdrijven

Wanneer voor een groepsreddingsmiddel een tewaterlatingsmiddel is voorgeschreven, terwijl het groepsreddingsmiddel ook vrij kan opdrijven, is de desbetreffende ontkoppeling van het groepsreddingsmiddel op de opstellingsplaats automatisch.

4.

Tewaterlating door middel van vrije val

Ieder tewaterlatingsmiddel voor vrije val dat gebruik maakt van een hellend vlak, voldoet behalve aan de van toepassing zijnde bepalingen van het eerste lid ook aan de volgende eisen:

5.

Tewaterlating en inscheping met evacuatieglijbanen

Ieder tewaterlatingsmiddel in de vorm van een evacuatieglijbaan voldoet, behalve aan de van toepassing zijnde bepalingen in het eerste lid, ook aan de volgende eisen:

6.

Tewaterlatingsmiddelen voor reddingsvlotten

Ieder tewaterlatingsmiddel voor reddingsvlotten voldoet aan het bepaalde in het eerste en tweede lid, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het gebruik van zwaartekracht om het middel naar buiten te draaien, op het inschepen op de opstellingsplaats, en het weer ophijsen van het beladen reddingsvlot. Het tewaterlatingsmiddel moet zo zijn ingericht dat voortijdige ontkoppeling tijdens het afvieren wordt voorkomen, en dat het reddingsvlot automatisch wordt ontkoppeld wanneer dit het water raakt.

7.

Inschepingsladders

Hoofdstuk 8. Noodprocedures, appèls en oefeningen

Artikel 8.1. Toepassing

De artikelen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op nieuwe en bestaande vaartuigen met een lengte van 24 meter of meer.

Artikel 8.2. Algemeen-alarminstallatie, alarmrol en instructies voor noodgevallen
1.

De algemeen-alarminstallatie kan het algemeen-alarmsignaal geven, bestaande uit zeven of meer korte stoten gevolgd door één lange stoot, door middel van de scheepsfluit of -sirene, en bovendien door middel van een elektrische bel, claxon of ander gelijkwaardig waarschuwingssysteem dat wordt gevoed door de elektrische hoofdkrachtbron van het vaartuig en door de elektrische noodkrachtbron als voorgeschreven in artikel 4.17.

2.

Voor elke opvarende zijn duidelijke instructies aan boord, die in geval van nood gevolgd moeten worden.

3.

De alarmrol is op verschillende plaatsen aan boord van het vaartuig opgehangen, in het bijzonder op de brug, in de machinekamer en in de bemanningsverblijven, en bevat de informatie, bedoeld in het vierde tot en met negende lid.

4.

De alarmrol bevat bijzonderheden inzake het algemeen alarmsignaal als voorgeschreven in het eerste lid en geeft tevens de maatregelen aan die door de bemanning genomen moeten worden wanneer dit signaal gegeven wordt. Op de alarmrol wordt ook aangegeven hoe het sein «schip verlaten» wordt gegeven.

5.

Op de alarmrol worden de taken vermeld die aan de verschillende bemanningsleden zijn opgedragen, waaronder:

6.

Voor een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afwijking van het bepaalde in het vijfde lid toestaan, indien hij van oordeel is dat in verband met het kleine aantal bemanningsleden een alarmrol niet noodzakelijk is.

7.

Op de alarmrol staat aangegeven welke officieren zijn aangewezen om er voor te zorgen dat de reddings- en brandbestrijdingsmiddelen in goede staat en klaar voor onmiddellijk gebruik worden gehouden.

8.

Op de alarmrol zijn plaatsvervangers aangegeven voor de belangrijkste personen, indien deze niet tot handelen in staat zouden zijn, rekening houdend met het gegeven dat verschillende noodsituaties verschillende maatregelen noodzakelijk maken.

9.

De alarmrol wordt opgemaakt voordat het vaartuig een reis onderneemt. De schipper herziet de alarmrol of hij maakt een nieuwe, wanneer een verandering in de samenstelling van de bemanning dit noodzakelijk maakt nadat de alarmrol is vastgesteld.

Artikel 8.3. Instructies en oefeningen in «schip verlaten»
1.

Appèls en oefeningen

2.

Opleiding aan boord en instructies

3.

Aantekeningen

De data waarop appèls worden gehouden, de bijzonderheden van oefeningen in «schip verlaten» en oefeningen in het blussen van brand, oefeningen met andere reddingsmiddelen en opleiding aan boord worden in het scheepsdagboek aangetekend. Wanneer een volledig appèl, oefening of opleiding niet op de vastgestelde tijd plaatsvindt, wordt dat aangetekend in het scheepsdagboek, met vermelding van de omstandigheden en de mate waarin het appèl, de oefening of de opleiding is gehouden.

4.

Opleidingshandboek

Artikel 8.4. Oefening in noodprocedures

De bemanning is voldoende geoefend in het uitoefenen van haar taken gedurende noodsituaties. Deze oefeningen zullen ten minste, voorzover van toepassing, bevatten:

Hoofdstuk 9. Radiocommunicatie

§ 1. Toepassing en omschrijvingen

Artikel 9.1. Toepassing
1.

Tenzij anders is bepaald is dit hoofdstuk van toepassing op vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer en op nieuwe Nederlandse vissersvaartuigen met een lengte van 24 meter of meer.

2.

Niets in dit hoofdstuk staat eraan in de weg dat een vaartuig, een groepsreddingsmiddel of een persoon in nood elk beschikbaar middel gebruikt om aandacht te trekken, zijn positie kenbaar te maken of hulp te krijgen.

Artikel 9.2. Begrippen en omschrijvingen
1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

2.

Alle andere uitdrukkingen en afkortingen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die in het Radioreglement gedefinieerd staan hebben dezelfde betekenis als in dat reglement.

Artikel 9.3. Ontheffingen
1.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan gedeeltelijke of voorwaardelijke ontheffing verlenen van de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 9.6 tot en met 9.10 en 9.14, zevende lid, indien:

2.

Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend worden verleend:

3.

Zo spoedig mogelijk na 1 januari van elk jaar zendt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een rapport aan de IMO betreffende alle ontheffingen die gedurende het afgelopen kalenderjaar op grond van het eerste en tweede lid zijn afgegeven, met vermelding van de gronden voor die ontheffingen.

Artikel 9.4. Functionele eisen

Elk vissersvaartuig dat zich op zee bevindt is in staat om:

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

Artikel 9.5. Radio-installatie
1.

Een vissersvaartuig is uitgerust met radio-installaties die in staat zijn om gedurende de hele voorgenomen reis te voldoen aan artikel 9.4 en die tevens voldoen aan artikel 9.6 en, voorzover van toepassing in het zeegebied of de zeegebieden waarbinnen de voorgenomen reis valt, aan de artikelen 9.7 tot en met 9.10, tenzij een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 9.3.

2.

De radio-installatie is:

3.

De bediening van de VHF-kanalen die ten behoeve van de veiligheid van de navigatie zijn voorgeschreven is op de brug zo dicht mogelijk gesitueerd bij de plaats waar de navigatie wordt gevoerd en waar nodig zijn voorzieningen getroffen om de radiocommunicatie vanaf de brugvleugels te kunnen afhandelen. Voor dit laatste mogen draagbare VHF-radio-installaties worden gebruikt.

Artikel 9.6. Algemene bepalingen voor de radio-uitrusting

Behalve in het geval, bedoeld in artikel 9.9, vierde lid, is elk vaartuig uitgerust met:

Artikel 9.7. Radio-uitrusting voor het zeegebied A1
1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.6 is een vaartuig dat bestemd is om uitsluitend reizen in het zeegebied A1 te ondernemen uitgerust met een radio-installatie die vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd het verzenden van noodalarmering naar de wal kan starten door middel van hetzij:

2.

De in artikel 9.6, onder a, voorgeschreven VHF-radio-installatie is ook geschikt voor algemene radio berichtgeving met gebruik van radiotelefonie.

3.

Vaartuigen die bestemd zijn om uitsluitend reizen in zeegebied A1 te ondernemen kunnen in plaats van een satelliet-noodradiobaken als voorgeschreven in artikel 9.6, onder f, volstaan met een noodradiobaken dat:

4.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nieuwe vaartuigen met een lengte van meer dan 24 meter maar minder dan 45 meter ontheffing verlenen van artikel 9.6, onder f, en artikel 9.7, derde lid, mits deze zijn uitgerust met een VHF-radio-installatie als bepaald bij artikel 9.6, onder a, alsmede met een aanvullende VHF-radio-installatie met DSC voor de verzending van noodsignalen van schip naar kust als bepaald in het eerste lid, onder a.

Artikel 9.8. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1 en A2
1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.6 is een vaartuig dat bestemd is om reizen te ondernemen buiten het zeegebied A1, maar binnen het zeegebied A2, voorzien van:

2.

Het starten van de uitzending van noodalarmering door middel van de radio-installatie, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, is mogelijk vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

3.

Het vaartuig is tevens in staat om algemene radioberichten uit te zenden en te ontvangen met gebruik van radiotelefonie of DPT door middel van:

4.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in artikel 9.6, onder a, 1°, en onder b, voor vaartuigen die zijn gebouwd voor 1 februari 1997 en die uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in zeegebied A2, mits deze vaartuigen, zo mogelijk, een ononderbroken luisterwacht houden op VHF-kanaal 16. Deze wacht wordt gehouden op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

Artikel 9.9. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1, A2 en A3
1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.6 is een vaartuig dat bestemd is om reizen te ondernemen buiten de zeegebieden A1 en A2, maar binnen het zeegebied A3 en dat niet voldoet aan het bepaald in het tweede lid, voorzien van:

2.

In aanvulling op artikel 9.6 is elk vaartuig dat bestemd is om reizen te ondernemen buiten de zeegebieden A1 en A2, maar binnen het zeegebied A3 en dat niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, voorzien van:

3.

De uitzending van noodalarmering door middel van de radio-installaties, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en d, en in het tweede lid, onder a en c, kan worden gestart vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

4.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in artikel 9.6, onder a, 1°, en onder b, voor vaartuigen die zijn gebouwd voor 1 februari 1997 en die uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in de zeegebieden A2 en A3, mits deze vaartuigen een permanente luisterwacht houden op VHF-kanaal 16 op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

Artikel 9.10. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1, A2, A3 en A4
1.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.6 voldoet een vaartuig dat bestemd is om reizen te ondernemen in alle zeegebieden aan het bepaalde in artikel 9.9, tweede lid, met dien verstande dat de apparatuur, bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, onder c, 2°, niet aanvaard wordt als een alternatief voor de apparatuur, bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, onder c, 1°, die altijd aan boord moet zijn. Bovendien voldoet het aan het bepaalde in artikel 9.9, derde lid.

2.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in artikel 9.6, onder a, 1°, en onder b, voor vaartuigen gebouwd voor 1 februari 1997 die uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in de zeegebieden A2, A3 en A4, mits deze vaartuigen zo mogelijk een permanente luisterwacht houden op VHF-kanaal 16. Deze wacht wordt gehouden op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.

Artikel 9.11. Radiowachten
1.

Buitengaats wordt een permanente wacht gehouden:

2.

Buitengaats wordt een radiowacht gehouden op de frequenties waarop die informatie wordt uitgezonden in het zeegebied waar het schip zich bevindt, om de voor het vaartuig van belang zijnde uitzendingen van maritieme veiligheidsinformatie te kunnen ontvangen.

Artikel 9.12. Krachtbronnen
1.

Buitengaats is altijd een elektrische krachtbron beschikbaar van voldoende vermogen om de radio-installaties te doen werken en de aanwezige batterijen gebruikt voor de reserve krachtbron of -bronnen ten behoeve van de radio-installaties op te laden.

2.

Aan boord van een vaartuig zijn een of meer reserve krachtbronnen aanwezig om de radio-installaties te voeden, teneinde de nood- en veiligheidsberichten te kunnen afhandelen in het geval dat de hoofd- en noodkrachtbronnen uitvallen. De reserve krachtbron of krachtbronnen zijn in staat tot het gelijktijdig voeden van de VHF-installatie, bedoeld in artikel 9.6, onder a, en, al naar gelang het zeegebied of de zeegebieden waarvoor het vaartuig is uitgerust, ofwel de MF-radio-installatie, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onder a, de MF/HF-radio-installatie bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, onder a, of artikel 9.10, eerste lid, ofwel het INMARSAT-scheepssatellietstation, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, en elk van de aanvullende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 9.4, 9.5 en 9.8, gedurende ten minste de volgende periode:

Onafhankelijke HF- en MF-radio-installaties behoeven niet gelijktijdig door de reserve krachtbron of -bronnen te kunnen worden gevoed.

3.

De reserve krachtbron of -bronnen zijn onafhankelijk van de voortstuwingsinstallatie en de elektrische installatie van het vaartuig.

4.

Indien naast de VHF-radio-installatie twee of meer van de andere radio-installaties als bedoeld in het tweede lid kunnen worden aangesloten op de reserve krachtbron of -bronnen, zijn deze krachtbron of -bronnen in staat om gedurende de periode, genoemd in het tweede lid, onder a of b, de VHF-radio-installatie te voeden gelijktijdig met:

5.

De reserve krachtbron of -bronnen mogen gebruikt worden om de elektrische verlichting, bedoeld in artikel 9.5, tweede lid, onder d, te voeden.

6.

Indien een reserve krachtbron bestaat uit een oplaadbare accumulatorenbatterij of -batterijen:

7.

De plaats en de installatie van accumulatorenbatterijen die als reserve krachtbron dienen, is zodanig dat:

8.

Indien een ononderbroken invoer van informatie vanuit de navigatieapparatuur of andere uitrusting in de voorgeschreven radio-installatie noodzakelijk is voor de goede werking van deze installatie, zijn er voorzieningen om de voortdurende levering van zulke informatie zeker te stellen bij het uitvallen van de hoofd- of noodkrachtbron van het vaartuig.

Artikel 9.13. Technische specificaties
1.

Apparatuur als bedoeld in dit hoofdstuk is van een goedgekeurd type. Afhankelijk van het bepaalde in het tweede lid dient deze apparatuur te voldoen aan eisen die niet lager zijn dan welke door de Internationale Maritieme Organisatie geaccepteerd zijn.

2.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen voor apparatuur die is geïnstalleerd voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit met betrekking tot de technische specificaties, mits de apparatuur compatibel is met de apparatuur die wel aan de technische specificaties voldoet, met inachtneming van de criteria die de IMO nog zal vaststellen betreffende die technische specificaties.

Artikel 9.14. Onderhoud
1.

De apparatuur is zodanig ontworpen dat de hoofdonderdelen op eenvoudige wijze, zonder uitgebreide herkalibratie of afregeling, kunnen worden vervangen.

2.

De apparatuur is zodanig vervaardigd en geïnstalleerd dat deze gemakkelijk toegankelijk is voor inspecties en onderhoud aan boord.

3.

Aan boord is voldoende informatie aanwezig voor de bediening en het onderhoud van de installaties, rekening houdend met de aanbevelingen van de Internationale Maritieme Organisatie.

4.

Aan boord zijn gereedschappen en reserveonderdelen aanwezig voor het onderhoud.

5.

De in dit hoofdstuk voorgeschreven apparatuur wordt zodanig onderhouden dat de in artikel 9.4 beschreven functies in stand blijven en dat de apparatuur blijft voldoen aan de aanbevolen technische specificaties.

6.

Aan boord van vaartuigen die uitsluitend reizen ondernemen in de zeegebieden A1 en A2 kan de beschikbaarheid worden verzekerd door dubbele apparatuur, onderhoud door een walorganisatie, elektronische onderhoudssystemen op zee of door een combinatie van deze methoden indien dat door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt goedgekeurd.

7.

Aan boord van vaartuigen die reizen ondernemen in de zeegebieden A3 en A4 wordt de beschikbaarheid van de apparatuur gegarandeerd door een combinatie van ten minste twee methoden, waaronder dubbele apparatuur, onderhoud door een walorganisatie of elektronische onderhoudssystemen op zee. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter, rekening houdend met het type vaartuig en de wijze waarop het vaartuig gebruikt wordt, toestaan dat slechts één methode wordt toegepast om de beschikbaarheid van de apparatuur te waarborgen.

8.

Alhoewel al het redelijke gedaan moet worden om de apparatuur in goed functionerende staat en conform de technische specificaties als beschreven in artikel 9.4 te houden, zal in het geval de apparatuur niet kan voorzien in de algemene radiocommunicatie als beschreven in artikel 9.4, onder h, het vaartuig niet onzeewaardig verklaard worden of zal dit niet als reden kunnen gelden om het vaartuig op te houden in een haven waar voorzieningen voor herstel niet direct beschikbaar zijn, indien het vaartuig wel alle nood- en veiligheidsfuncties uit kan voeren.

Artikel 9.15. Personen voor de bediening

Op elk vaartuig is gediplomeerd personeel aanwezig voor de uitvoering van nood- en veiligheidsradiocommunicatie. Dit personeel beschikt over de diploma's, voorgeschreven in het Radioreglement, en één van hen is aangewezen als hoofdverantwoordelijke voor de radiocommunicatie in een noodgeval.

Artikel 9.16. Registratie en radiocommunicatie

Aan boord wordt een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd dagboek, overeenkomstig het bepaalde in het Radioreglement, bijgehouden. Daarin worden ten minste alle gevallen van radiocommunicatie vermeld die belangrijk zijn voor de veiligheid op zee.

Hoofdstuk 10. Hulpmiddelen bij de navigatie

Artikel 10.1. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald is dit hoofdstuk van toepassing op nieuwe en bestaande vissersvaartuigen.

Artikel 10.2. Uitzonderingen

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk, indien naar zijn oordeel de aard van de reis of de afstand tot de kust zulke eisen niet rechtvaardigt.

Artikel 10.3. Hulpmiddelen bij de navigatie
2.

Ten aanzien van vaartuigen met een lengte van minder dan 24 meter kan worden voorgeschreven dat zij zijn uitgerust met een stuurkompas en een peilinrichting.

3.

Vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd op of na 1 september 1984, beschikken over een gyrokompas dat voldoet aan de volgende eisen:

4.

Vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer, gebouwd voor 1 september 1984, zijn uitgerust met een gyrokompas dat voldoet aan het bepaalde in het derde lid.

5.

Vaartuigen die zijn uitgerust met een noodstuurpositie zijn voorzien van een telefoon of ander doelmatig communicatiemiddel om koersinformatie door te kunnen geven naar die positie. Bovendien zijn vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer en gebouwd op of na 1 februari 1992 uitgerust met voorzieningen die aflezing van het kompas vanaf de noodstuurpositie mogelijk maken.

6.

Vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd op of na 1 september 1984, en vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer, gebouwd voor 1 september 1984, zijn voorzien van een radarinstallatie die kan werken in de 9 GHz frequentieband. Vaartuigen met een lengte van 35 meter of meer dienen na 1 februari 1995 te zijn uitgerust met een radarinstallatie die kan werken in de 9 GHz frequentieband. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vaartuigen met een lengte van 35 meter of meer maar minder dan 45 meter ontheffing verlenen van het bepaalde in het vijftiende lid, mits hun installatie volledig compatibel is met de radartransponder voor opsporings- en reddingsoperaties.

7.

Indien vaartuigen met een lengte van minder dan 35 meter zijn uitgerust met een radarinstallatie, is deze radarinstallatie van een goedgekeurd type.

8.

Op de brug van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in dit artikel is voorzien van een radarinstallatie, zijn voorzieningen aanwezig voor het uitzetten van de afgelezen radarwaarnemingen. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt en dat is gebouwd op of na 1 september 1984 zijn deze voorzieningen ten minste even doelmatig als een reflectieplotter.

9.

Vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer, gebouwd voor 25 mei 1980, en vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd na 25 mei 1980, zijn uitgerust met een echolood.

10.

Vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter zijn uitgerust met een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd middel om de diepte van het water onder het vaartuig te kunnen bepalen.

11.

Vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd op of na 1 september 1984, dienen te zijn uitgerust met een instrument dat vaart en afstand aangeeft.

12.

Vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer, gebouwd voor 1 september 1984, en vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd op of na 1 september 1984, zijn uitgerust met een roerstandaanwijzer, een tachometer voor elke schroef en bovendien, indien het vaartuig is uitgerust met verstelbare schroeven of schroeven met zijdelingse stuwkracht, een instrument dat de spoed en de wijze van gebruik van die schroeven aangeeft. Deze instrumenten zijn duidelijk afleesbaar vanaf de plaats waar de navigatie wordt gevoerd.

13.

Uitgezonderd in de situatie, bedoeld in artikel 1.12, zal het vaartuig niet onzeewaardig worden verklaard indien storingen in de instrumenten optreden en zal het vaartuig niet worden opgehouden in een haven waar niet direct herstelvoorzieningen aanwezig zijn, aangenomen dat al het redelijke gedaan wordt om de instrumenten, bedoeld in het eerste tot en met twaalfde lid, in goede werking te houden.

14.

Een vaartuig met een lengte van 75 meter of meer is voorzien van een radiorichtingzoeker. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een vaartuig van deze regel ontheffing verlenen indien hij van mening is dat het onredelijk of onnodig is voor het vaartuig om met dit instrument te zijn uitgerust of indien het vaartuig is uitgerust met andere deugdelijke radionavigatieapparatuur gedurende de hele reis.

15.

Alle apparatuur waarmee het vaartuig is uitgerust volgens deze voorschriften is van een goedgekeurd type. Apparatuur die op of na 1 september 1984 aan boord van vaartuigen geïnstalleerd is, voldoet aan eisen die niet lager zijn dan die, gesteld door de IMO. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen voor apparatuur die is geïnstalleerd voor de datum van de vaststelling van de eisen voor goedkeuring, met inachtneming van door de IMO vast te stellen criteria in verband met de genoemde eisen.

Artikel 10.4. Nautische instrumenten en publicaties

Aan boord zijn geschikte nautische instrumenten, voldoende recente zeekaarten, zeemansgidsen, lichtenlijsten, berichten aan zeevarenden, getijtafels en alle andere nautische publicaties die nodig zijn voor de voorgenomen reis, onder goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 10.5. Uitrusting voor het geven van seinen
1.

Het vaartuig is uitgerust met een dagseinlamp waarvan de voeding niet alleen afhankelijk is van de hoofdvoeding van het vaartuig. In ieder geval is voor de voeding een draagbare batterij aanwezig.

2.

Vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer zijn uitgerust met een volledig stel seinvlaggen.

3.

Vaartuigen die op grond van het bepaalde in hoofdstuk 9 zijn uitgerust met een radio-installatie hebben het «Internationaal Seinboek» aan boord. Bij ministeriële regeling kan dit voorschrift ook van toepassing worden verklaard op andere vaartuigen.

Artikel 10.6. Uitzicht vanaf de navigatiebrug
1.

Nieuwe vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer voldoen aan de volgende voorschriften:

2.

Bestaande schepen voldoen zo veel als praktisch mogelijk is aan het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, met dien verstande dat geen wijzigingen in de constructie of aanvullende uitrusting vereist zijn.

3.

Op vaartuigen die door hun bijzondere constructie niet geheel kunnen voldoen aan het bepaalde in het eerste lid is de navigatiebrug zodanig uitgevoerd dat het uitzicht zo veel mogelijk in overeenstemming is met het bepaalde in dat lid.

Artikel 10.7. Routering van vaartuigen
1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder routeringssysteem verstaan elk systeem, bestaande uit een of meer routes of routeringsmaatregelen, gericht op het verminderen van gevaar voor scheepsongevallen. Het systeem omvat verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer, aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes.

2.

Van de routeringsmaatregelen die door de IMO worden vastgesteld, wordt een passend gebruik gemaakt.

3.

Elk vaartuig dat vaart in de buurt van de Grote Banken van Newfoundland, vaart, voorzover dit uitvoerbaar is, buiten de gebieden waarvan bekend is of verondersteld wordt dat zij ten gevolge van ijs gevaarlijk zijn.

4.

Indien ijs is gemeld op of nabij de koerslijn van het vaartuig, wordt 's nachts een matige vaart gelopen of wordt de koers zodanig veranderd dat deze goed vrij van het gevaarlijke gebied loopt.

Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de schipper en de eigenaar

§ 1. Verplichtingen van de schipper

Artikel 11.1. Diepgang van het vaartuig
1.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat bij het ondernemen van een reis alsmede gedurende de reis het vaartuig niet dieper is afgeladen dan tot de hoogst gelegen lastlijn.

2.

Wanneer een vaartuig naar zee vertrekt is het de schipper toegestaan dieper af te laden dan op grond van het eerste lid is geoorloofd, en wel zo veel als overeenkomt met het gewicht aan brandstof, voorraden en drinkwater dat wordt verbruikt tussen de plaats van vertrek en de plaats waar het vaartuig buitengaats komt.

Artikel 11.2. Sterkte en stabiliteit
1.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis voldoende gegevens aan boord zijn om hem in staat te stellen het vaartuig zodanig te beladen en te ballasten dat onaanvaardbare spanningen in de scheepsconstructie worden voorkomen.

2.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis de nodige door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde gegevens aan boord zijn betreffende de stabiliteit van het vaartuig in onbeschadigde toestand.

3.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat tijdens de reis de stabiliteit van het vaartuig in alle voorkomende bedrijfsomstandigheden ten minste voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3.7, en de eventuele aanvullende eisen, gesteld krachtens artikel 1.6.

4.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor vaartuigen van een bepaald type of van een bepaalde grootte ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 11.3. Peilen

Vervallen

Artikel 11.4. Reddingsmiddelen en -voorzieningen

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis:

Artikel 11.5. Alarmrol en instructies voor noodgevallen

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8.2, tweede tot en met achtste lid.

Artikel 11.6. Appèls en oefeningen, opleiding en instructie

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 8.3 en 8.4.

Artikel 11.7. Voorzorgsmaatregelen tegen brand

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:

Artikel 11.8. Sluiten van waterdichte deuren en andere openingen

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:

Artikel 11.9. Gebruik van beschermende uitrusting

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de schepelingen bekend zijn met het gebruik van de beschermende uitrusting, bedoeld in artikel 6.3, zesde lid. Hij ziet erop toe dat deze uitrusting in daartoe in aanmerking komende omstandigheden wordt gebruikt.

Artikel 11.10. Elektrische inrichtingen

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:

Artikel 11.11. Besturing van het vaartuig
1.

De schipper van een vaartuig is met betrekking tot de stuurinrichting verplicht ervoor te zorgen dat:

2.

De schipper van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat in gebieden waar de navigatie bijzondere aandacht vergt, meer dan een krachtwerktuig van de stuurinrichting in bedrijf is, indien dergelijke werktuigen geschikt zijn om de stuurinrichting gelijktijdig te voeden.

3.

De schipper van een vaartuig dat is uitgerust met een automatische stuurinrichting, is verplicht zorg te dragen dat:

Artikel 11.12. Kompassen
1.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de fouten van elk magnetisch kompas eenmaal per jaar worden geverifieerd door een bevoegd persoon, tenzij deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. Bovendien is de schipper verplicht hercompensatie door een bevoegd persoon als boven bedoeld te doen plaatsvinden, telkenmale wanneer zich omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op de gevonden fouten.

2.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat bij elk magnetisch kompas een foutentabel aanwezig is.

Artikel 11.13. Manoeuvreereigenschappen en stopwegen

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat op de brug de nodige gegevens beschikbaar zijn betreffende de manoeuvreereigenschappen en de stopweg bij voor het vaartuig karakteristieke vaarsnelheden en diepgangen.

Artikel 11.14. Richtingzoekers
1.

De schipper van een vaartuig dat is uitgerust met een richtingzoeker, is verplicht ervoor te zorgen dat eenmaal per jaar de fouten van de richtingzoeker worden geverifieerd door een bevoegd persoon, tenzij deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. Bovendien is de schipper verplicht verificatie te doen plaatsvinden, telkenmale wanneer in de positie van enige antenne, dan wel van enige constructie aan dek, veranderingen zijn aangebracht die de gevonden fouten van de richtingzoeker merkbaar zouden kunnen beïnvloeden.

2.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de grafiek die de correctie aangeeft welke op de afgelezen peiling moetworden toegepast om de ware peiling ten opzichte van de kiellijn te verkrijgen, voor onmiddellijk gebruik bij de richtingzoeker aanwezig is.

Artikel 11.15. Luisterdienst

De schipper van een vaartuig is verplicht luisterdienst te doen houden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9.11.

Artikel 11.16. Elektronische navigatiemiddelen

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat door degenen die als chef van de wacht kunnen optreden, regelmatig wordt geoefend in het gebruik van de elektronische navigatiemiddelen waarmede het vaartuig is uitgerust.

Artikel 11.17. Routering van vaartuigen

De schipper van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van de routering van het vaartuig het bepaalde in artikel 10.7 in acht wordt genomen.

Artikel 11.18

De schipper draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in dit besluit is bepaald.

Artikel 11.19. Loodsladders

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:

Artikel 11.20. Verplichte boekwerken

Vervallen

§ 2. Verplichtingen van de eigenaar

Artikel 11.21. Onderzoek van de romp aan de buitenzijde en herstellingen
1.

De eigenaar van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de romp van het vaartuig overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.12, tweede lid, onder a, aan de buitenzijde wordt onderzocht.

2.

De eigenaar van een vaartuig is verplicht het Hoofd van de Scheepvaartinspectie tijdig in kennis te stellen van het voornemen tot een onderzoek van de romp aan de buitenzijde en van herstellingen aan het vaartuig of aan de werktuigen.

Artikel 11.22. Het verschaffen van de nodige middelen

De eigenaar van een vaartuig is verplicht aan de schipper de middelen te verschaffen die deze behoeft teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in dit besluit.

Artikel 11.23. Veiligheid en gezondheid van de bemanning
1.

De eigenaar van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de veiligheid en gezondheid van de bemanning niet in gevaar wordt gebracht, in het bijzonder door voorzienbare weersomstandigheden.

2.

De eigenaar van een vaartuig is verplicht te zorgen voor het technische onderhoud, zodat de constructie, inrichting en uitrusting van het vaartuig aan de voorschriften van dit besluit voldoen en blijven voldoen. De eigenaar ziet er op toe dat geconstateerde gebreken die de veiligheid en gezondheid van de bemanning in gevaar kunnen brengen, zo snel mogelijk worden verholpen.

3.

De in het eerste en tweede lid genoemde verplichtingen van de eigenaar laten de verplichtingen van de schipper onverlet.

Artikel 11.24. Plaatsing aan boord van niet voorgeschreven uitrusting
1.

De eigenaar van een vissersvaartuig stelt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ervan op de hoogte indien het vaartuig wordt uitgerust met niet in dit besluit voorgeschreven reddingsmiddelen, veiligheidsmiddelen, hulpmiddelen voor plaatsbepaling en ter voorkoming van aanvaring en radio-inrichtingen.

2.

Voorzover het middelen of inrichtingen betreft die in dit besluit met name worden genoemd, voldoen zij aan alle daarvoor in dit besluit omschreven eisen en verkeren zij in deugdelijke toestand. Voorzover zij niet met name worden genoemd in dit besluit, dienen zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor het doel geschikt te zijn en in deugdelijke staat te verkeren.

Hoofdstuk 12. Voorschriften voor visservaartuigen kleiner dan 24 m

(gereserveerd)

Hoofdstuk 12. Voorschriften voor vissersvaartuigen kleiner dan 24 m

§ 1. Strafbepaling

Artikel 13.1. Strafbepaling

Overtreding van de artikelen 11.4, 11.6, 11.7, 11.8, 11.21, 11.22, 11.23 en 11.24 is een strafbaar feit.

§ 1. Strafbepaling

Artikel 13.2. Ministeriële regelingen
1.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling signalering reddingmiddelen en vluchtwegen aan boord van vissersvaartuigen op artikel 5.13, vijfde lid, van dit besluit.

2.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de Regeling wachtalarminstallatie en de Regeling wachtalarminstallatie voor de Nederlandse Antillen op artikel 6.14, zevende lid, van dit besluit.

3.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling medische uitrusting aan boord van vissersvaartuigen op de artikelen 6.5, eerste lid, 6.11 en 6.14 en de artikelen 7.17, achtste lid, 20°, 7.20, vijfde lid, onderdeel a, 8° en 7.23, tweede lid, onderdeel b, 9°, van dit besluit.

4.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling geluidsniveaus aan boord van vissersvaartuigen op artikel 6.15, vijfde lid, van dit besluit.

§ 2. Overgangsbepalingen

Artikel 13.3. Intrekking Vissersvaartuigenbesluit
1.

Het Vissersvaartuigenbesluit wordt ingetrokken.

2.

In afwijking van het eerste lid blijven ten aanzien van vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 24 m de bepalingen van het Vissersvaartuigenbesluit zoals deze voor die vaartuigen golden voor de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.

Artikel 13.4. Inwerkingtreding
1.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

2.

In afwijking van het eerste lid treedt het bepaalde in artikel 6.14, zesde lid, en artikel 6.15, eerste lid, tweede volzin, en vierde lid, voor vissersvaartuigen, gebouwd voor 23 november 1995, met ingang van 23 november 2002 in werking.

Artikel 13.5. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Vissersvaartuigenbesluit 2002.

Bijlage

Certificaat no.:

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING

Dit Certificaat van Overeenstemming dient te worden aangevuld met een inventaris van uitrusting.

uitgereikt krachtens de bepalingen van het Vissersvaartuigenbesluit 2002

voor een nieuw/bestaand 1Doorhalen wat niet van toepassing is, afhankelijk van de omschrijvingen van artikel 2, punten 2 en 3, van de richtlijn. 2 De lenge zoals omschreven in artikel 2, punt 6, van de richtlijn. 3 Overeenkomstig de omschrijving van artikel 2, punt 2, van de richtlijn. vissersvaartuigten bewijze van de overeenstemming van het hierna genoemde vaartuig met de voorschriften van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m. of meer bedraagt.

namens de regering van Nederland

door Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Datum van het bouwcontract of datum van het contract voor een ingrijpende verbouwing3:

....................

Datum waarop de kiel werd gelegd of het vaartuig zich ineen soortgelijk stadium van bouw bevond3:

Eerste onderzoek

Datum van oplevering of voltooiing van een ingrijpende verbouwing3:

....................

HIERMEDE WORDT VERKLAARD:

HIERMEDE WORDT VERKLAARD:

1.

dat het schip is onderzocht overeenkomstig voorschrift I/6 paragraaf 1, onder a), van de bijlage bij het Protocol van Torremolinos van 1993;

2.

dat het onderzoek heeft aangetoond dat:

1.

het schip volledig voldoet aan de eisen van Richtlijn 97/70/EG , en

2.

de maximaal voor dit vaartuig toelaatbare diepgang tijdens de reis onder elke bedrijfsomstandigheid is opgenomen in het goedgekeurde stabiliteitsboekje van .................... ;

3.

dat een/geen1Doorhalen wat niet van toepassing is. certificaat van vrijstelling is uitgereikt.

Dit certificaat is geldig tot .................... , behoudens de periodieke onderzoeken overeenkomstig voorschrift I/6, paragraaf 1, onder b), punten ii) en iii) en onder c).

Uitgereikt te Rotterdam, op ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)

....................

(Handtekening)

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 1, geldig tot ....................

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 1, geldig tot ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat tot het bereiken van de haven van controle ingeval voorschrift I/11, paragraaf 2, of voorschrift I/11, paragraaf 4, (maximaal vijf maanden of maximaal één maand) van toepassing is.

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 2 (voorschrift I/11, paragraaf 4)1Doorhalen wat niet van toepassing is., geldig tot ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

Aantekeningen betreffende de periodieke onderzoeken

Plaats: ....................

Datum: ....................

Onderzoek uitrusting

Onderzoek uitrusting

HIERMEDE WORDT VERKLAARD dat het vaartuig bij een onderzoek zoals vereist bij voorschrift I/6 paragraaf 1, onder b) punt ii), in overeenstemming met de relevante bepalingen bleek.

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Onderzoek radioapparatuur/medische uitrusting/constructie en machine-installatie

HIERMEDE WORDT VERKLAARD dat het vaartuig bij een onderzoek zoals vereist bij voorschrift I/6, paragraaf 1, onder b), punt iii) in overeenstemming met de relevante bepalingen bleek.

Eerste periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

Eerste periodieke onderzoek van de medische uitrusting:

Plaats: ....................

Datum: ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Tweede periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Eerste periodieke onderzoek van de constructie en machine-installatie:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Tweede periodieke onderzoek van de medische uitrusting:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Derde periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Tweede periodieke onderzoek van de constructie en machine-installatie:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Derde periodieke onderzoek van de medische uitrusting:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Certificaat no.:

Derde periodieke onderzoek van de constructie en machine-installatie:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

CERTIFICAAT VAN VRIJSTELLING

CERTIFICAAT VAN VRIJSTELLING

uitgereikt krachtens de bepalingen van het Vissersvaartuigenbesluit 2002

....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

NEDERLAND

voor een nieuw/bestaand 1 Doorhalen wat niet van toepassing is, afhankelijk van de omschrijving van artikel 2, punten 2 en 3. 2 De lengte zoals omschreven in artikel 2, punt 6. vissersvaartuig ten bewijze van de overeenstemming van het hierna genoemde vaartuig met de voorschriften van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt.

namens de Regering van Nederland

het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Kenmerken van het vaartuig

HIERMEDE WORDT VERKLAARD

dat het vaartuig, onder de bevoegdheid, verleend bij voorschrift ....................

vrijgesteld is van de bepalingen van ....................

Eventuele voorwaarden die aan de afgifte van het certificaat van vrijstelling zijn verbonden:

....................

....................

....................

Dit certificaat is geldig tot .................... op voorwaarde dat het certificaat van overeenstemming, waaraan dit certificaat is gehecht, nog geldig is.

Uitgereikt te Rotterdam, op ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)

....................

(Handtekening)

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 1, geldig tot ....................

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 1, geldig tot ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat tot het bereiken van de haven van controle ingeval voorschrift I/11, paragraaf 2, of voorschrift I/11, paragraaf 4 (maximaal 5 maanden of 1 maand) van toepassing is

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 2, voorschrift I/11 / voorschrift I/11, paragraaf 41Doorhalen van niet van toepassing is., geldig tot ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

INVENTARIS VAN UITRUSTING

Plaats: ....................

Datum: ....................

bij het certificaat van overeenstemming

bij het certificaat van overeenstemming

Deze inventaris dient permanent aan het certificaat van overeenstemming te worden gehecht.

Inventaris van uitrusting in verband met de overeenstemming met Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt

1. Kenmerken van het vaartuig

1 De lengte zoals omschreven in artikel 2 punt 6.

2. Bijzonderheden omtrent de reddingsmiddelen

2 Behalve die welke op grond van voorschrift VII/18, § 8, punt xxi), en voorschrift VII/20, § 5, onder a), punt xxiv), zijn vereist.

3. Bijzonderheden omtrent de radiovoorzieningen

1 Tenzij een andere datum wordt vastgesteld door de maritieme veiligheidscommissie van de Organisatie, hoeft dit punt niet te worden opgenomen in de inventarislijst bij na 1 februari 1999 uitgereikte certificaten.

4. Toegepaste methoden om de beschikbaarheid van de radiovoorzieningen te garanderen

HIERMEDE WORDT VERKLAARD dat deze inventaris van uitrusting in alle opzichten juist is.

Uitgereikt te Rotterdam, op ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Lasten en bevelen dat dit besluit met de bijlage en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.

Artikel 1.15. Uitvoering van communautaire voorschriften

Ter uitvoering van een besluit van een of meer van de instellingen van de Europese Unie alleen of gezamenlijk betreffende de veiligheid van in de lidstaten van de Europese Unie geregistreerde vissersvaartuigen en vissersvaartuigen in Europese wateren onder de jurisdictie van de lidstaten van de Europese Unie kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld.

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

Hoofdstuk 3. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

Hoofdstuk 4. Machine- en elektrische installaties en tijdelijk onbemande ruimten voor machines

§ 1. Algemeen

§ 2. Machine-installaties

§ 3. Elektrische installaties

§ 4. Tijdelijk onbemande machinekamers

Hoofdstuk 5. Bescherming tegen, alsmede opsporen, blussen en bestrijden van brand

§ 1. Algemeen

§ 2. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 60 m of meer bedraagt

§ 3. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 45 m onderscheidenlijk 24 m of meer bedraagt, maar minder dan 60 m

Hoofdstuk 6. Bescherming van de bemanning

Hoofdstuk 7. Reddingsmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen

§ 1. Algemeen

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

§ 3. Bepalingen ten aanzien van reddingsmiddelen en -voorzieningen

Hoofdstuk 8. Noodprocedures, appèls en oefeningen

Hoofdstuk 9. Radiocommunicatie

§ 1. Toepassing en omschrijvingen

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

Hoofdstuk 10. Hulpmiddelen bij de navigatie

Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de schipper en de eigenaar

§ 1. Verplichtingen van de schipper

§ 2. Verplichtingen van de eigenaar

Hoofdstuk 12. Voorschriften voor visservaartuigen kleiner dan 24 m

(gereserveerd)

Hoofdstuk 12. Voorschriften voor vissersvaartuigen kleiner dan 24 m

§ 1. Strafbepaling

§ 1. Strafbepaling

§ 2. Overgangsbepalingen

Bijlage

Certificaat no.:

....................

Eerste onderzoek

Ondergetekende verklaart dat hij door de betrokken lidstaat naar behoren is gemachtigd om dit certificaat uit te reiken.

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Aantekeningen betreffende de periodieke onderzoeken

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Eerste periodieke onderzoek van de medische uitrusting:

Datum: ....................

Tweede periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Datum: ....................

Derde periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Datum: ....................

Certificaat no.:

Ondergetekende verklaart dat hij door de betrokken lidstaat naar behoren is gemachtigd om dit certificaat uit te reiken.

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

INVENTARIS VAN UITRUSTING

Ondergetekende verklaart dat hij door de betrokken lidstaat naar behoren is gemachtigd om dit certificaat uit te reiken.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de bijlage en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.

Artikel 1.7a. Aanwijzing natuurlijke personen of rechtspersonen
1.

Onze Minister wijst de natuurlijke personen en rechtspersonen aan die zijn belast met de door hem aan te geven, in het kader van de onderzoeken, bedoeld in artikel 1.12, te verrichten taken.

2.

Een ingevolge het eerste lid aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon is, indien bij een onderzoek gebreken aan het vissersvaartuig of zijn uitrusting worden geconstateerd, bevoegd om herstel van deze gebreken te vorderen.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de ingevolge het eerste lid aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen hun taken uitoefenen.

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

Hoofdstuk 3. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

Hoofdstuk 4. Machine- en elektrische installaties en tijdelijk onbemande ruimten voor machines

§ 1. Algemeen

§ 2. Machine-installaties

§ 3. Elektrische installaties

§ 4. Tijdelijk onbemande machinekamers

Hoofdstuk 5. Bescherming tegen, alsmede opsporen, blussen en bestrijden van brand

§ 1. Algemeen

§ 2. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 60 m of meer bedraagt

§ 3. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 45 m onderscheidenlijk 24 m of meer bedraagt, maar minder dan 60 m

Hoofdstuk 6. Bescherming van de bemanning

Hoofdstuk 7. Reddingsmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen

§ 1. Algemeen

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

§ 3. Bepalingen ten aanzien van reddingsmiddelen en -voorzieningen

Hoofdstuk 8. Noodprocedures, appèls en oefeningen

Hoofdstuk 9. Radiocommunicatie

§ 1. Toepassing en omschrijvingen

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

Hoofdstuk 10. Hulpmiddelen bij de navigatie

Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de schipper en de eigenaar

§ 1. Verplichtingen van de schipper

§ 2. Verplichtingen van de eigenaar

Artikel 12.1. Algemene bepaling

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de veiligheid van vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 24 meter.

Hoofdstuk 13. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage

Certificaat no.:

Eerste onderzoek

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)

Aantekeningen betreffende de periodieke onderzoeken

Eerste periodieke onderzoek van de medische uitrusting:

Tweede periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Derde periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Certificaat no.:

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)

INVENTARIS VAN UITRUSTING

....................

Lasten en bevelen dat dit besluit met de bijlage en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.

Artikel 1.1a. Omhangbepaling

Dit besluit berust mede op artikel 4, tweede lid, van de Schepenwet.

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

Hoofdstuk 3. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

Hoofdstuk 4. Machine- en elektrische installaties en tijdelijk onbemande ruimten voor machines

§ 1. Algemeen

§ 2. Machine-installaties

§ 3. Elektrische installaties

§ 4. Tijdelijk onbemande machinekamers

Hoofdstuk 5. Bescherming tegen, alsmede opsporen, blussen en bestrijden van brand

§ 2. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 60 m of meer bedraagt

§ 3. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 45 m onderscheidenlijk 24 m of meer bedraagt, maar minder dan 60 m

Hoofdstuk 6. Bescherming van de bemanning

Hoofdstuk 7. Reddingsmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen

§ 1. Algemeen

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

§ 3. Bepalingen ten aanzien van reddingsmiddelen en -voorzieningen

Hoofdstuk 8. Noodprocedures, appèls en oefeningen

Hoofdstuk 9. Radiocommunicatie

§ 1. Toepassing en omschrijvingen

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

Hoofdstuk 10. Hulpmiddelen bij de navigatie

Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de schipper en de eigenaar

§ 1. Verplichtingen van de schipper

§ 2. Verplichtingen van de eigenaar

Hoofdstuk 13. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage

Certificaat no.:

Eerste onderzoek

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)

Aantekeningen betreffende de periodieke onderzoeken

Eerste periodieke onderzoek van de medische uitrusting:

Tweede periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Derde periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Certificaat no.:

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)

INVENTARIS VAN UITRUSTING

(Handtekening)

Lasten en bevelen dat dit besluit met de bijlage en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.