Besluit van 22 januari 2002, houdende regels omtrent de bemanning van zeeschepen, varende onder de vlag van het Koninkrijk met een Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse zeebrief (Bemanningsbesluit Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zeeschepen)
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als radio-operator met de beperking tot het gebruik van VHF/UHF radio-communicatieapparatuur zijn vereist het «beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie», afgegeven in overeenstemming met de wettelijke voorschriften inzake de telecommunicatie voor de scheepvaart van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, alsmede de leeftijd van 18 jaar.
Artikel 82
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als gezel met de beperking tot de dekdienst is ten minste vereist:
- a. het kennisbewijs «gezel dekdienst», of
- b. een schriftelijke verklaring van de kapitein dat betrokkene met goed gevolg heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, als bedoeld in sectie A-II/4 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste een half jaar als aankomend gezel dekdienst op zeeschepen, hij in het bezit is van het kennisbewijs «basisveiligheidstraining» en hij een leeftijd heeft bereikt van 16 jaar.
Artikel 83
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als gezel met de beperking tot de machinekamerdienst is ten minste vereist:
- a. het kennisbewijs «gezel machinekamerdienst»; of
- b. een schriftelijke verklaring van de hoofdwerktuigkundige dat betrokkene met goed gevolg heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, als bedoeld in sectie A-III/4 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste een half jaar als aankomend gezel machinekamerdienst op zeeschepen, hij in het bezit is van het kennisbewijs «basisveiligheidstraining» en hij een leeftijd heeft bereikt van 16 jaar.
Artikel 84
Onverminderd de artikelen 71 tot en met 74, is de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste maritiem officier of eerste stuurman alle schepen, alsmede als kapitein tot 3000 GT met ingang van 1 februari 2002 in het bezit van het kennisbewijs «radarnavigator».
Artikel 85
Onverminderd de artikelen 71 tot en met 74, is de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste maritiem officier, maritiem officier, eerste stuurman en wachtstuurman alle schepen, eerste maritiem officier en maritiem officier kleine schepen, alsmede eerste stuurman tot 3000 GT met ingang van 1 februari 2002 in het bezit van het kennisbewijs «brandbestrijding voor gevorderden».
Artikel 86
Onverminderd de artikelen 71 tot en met 77, is de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs als hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of wachtwerktuigkundige alle schepen, alsmede als hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige tot 3000 kW met ingang van 1 februari 2002 in het bezit van het kennisbewijs «brandbestrijding voor gevorderden».
§ 2. Aanvullende vereisten voor het dienstdoen aan boord van bijzondere typen schepen
Artikel 87
Voor de uitoefening door bemanningsleden van speciale taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting op tankschepen is vereist:
- a. het bezit van een kennisbewijs «brandbestrijding» in aanvulling op de opleiding en training, die is voorgeschreven in artikel 65;
- b. ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd op tankschepen of
- c. het gevolgd hebben van een erkende cursus om zich vertrouwd te maken met de dienst aan boord van tankschepen, waarin ten minste het programma voor de cursus, vervat in sectie A-V/1, de paragrafen 2 tot en met 7, van de STCW-Code, is behandeld,
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie is bevoegd in plaats van de diensttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een kortere diensttijd toe te staan, onder voorwaarde dat:
- a. de diensttijd niet korter is dan een maand;
- b. het tankschip waarop de diensttijd is doorgebracht, kleiner is 3000 GT;
- c. de duur van elke reis van het tankschip gedurende die periode niet langer is dan 72 uur, en
- d. de operationele kenmerken van het tankschip, het aantal reizen en het aantal beladingen en lossingen, die gedurende deze periode worden gedaan, het mogelijk maken hetzelfde niveau van kennis en ervaring te verkrijgen.
Kapiteins, eerste maritiem officieren, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en voorts iedereen die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen en de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis of de behandeling van de lading, voldoen, naast de voorschriften van het eerste lid, onderdelen b of c , aan het volgende:
- a. zij hebben een ervaring van ten minste een half jaar op het gebied van hun taken op het type tankschip waarop zij varen, en
- b. zij zijn in het bezit van een voor het type tankschip bestemd veiligheidstrainingskennisbewijs, bedoeld in artikel 50, 51 of 52;
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie zorgt er voor dat op het vaarbevoegdheidsbewijs van kapiteins en officieren, die voldoen aan het eerste, tweede of derde lid, de desbetreffende aantekening wordt gemaakt.
Artikel 88
Dit artikel is van toepassing op kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden, werktuigkundigen en ander personeel met een veiligheidstaak aan boord van passagiersschepen.
Alvorens hun taken aan boord van passagiersschepen worden opgedragen hebben de betrokken zeevarenden een door het hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat zij de opleiding, vereist in het vierde tot en met het zesde lid, in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden, met goed gevolg hebben voltooid.
Zeevarenden van wie verlangd wordt dat zij een opleiding hebben gevolgd in overeenstemming met het vierde, zevende en achtste lid, volgen passende herhalingscursussen met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar.
Personeel aan boord van passagiersschepen, aan wie in de alarmrol de taak wordt opgedragen om passagiers bij te staan in noodsituaties, hebben het bewijs dat zij de training in groepsbegeleiding, bedoeld in artikel 53 hebben voltooid.
Kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden, werktuigkundigen en ander personeel met een veiligheidstaak aan boord van passagiersschepen dat belast is met bijzondere taken en verantwoordelijkheden, hebben het bewijs dat zij de familiarisatietraining voor het betreffende passagiersschip, bedoeld in artikel 54, hebben voltooid.
Personeel aan boord van passagiersschepen dat in de passagiersruimten direct betrokken is bij de dienstverlening aan passagiers, hebben het bewijs dat zij de veiligheidstraining, bedoeld in artikel 55, hebben voltooid.
Kapiteins, eerste maritiem officieren, eerste stuurlieden en iedereen die aan boord van passagiersschepen die belast zijn met de directe verantwoordelijkheid voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of vastzetten van de lading, zijn in het bezit van het kennisbewijs «passagiersveiligheid», bedoeld in artikel 56.
Kapiteins, eerste stuurlieden, eerste maritiem officieren, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en anderen aan boord van passagiersschepen die verantwoordelijkheid dragen voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties, zijn in het bezit van het kennisbewijs «crisisbeheersing en menselijk gedrag», bedoeld in artikel 57.
Artikel 89
In plaats van het bezit van de bewijzen en kennisbewijzen, genoemd in artikel 53 tot en met 57, door de zeevarende kan de scheepsbeheerder volstaan met het aantekenen van de door de bemanningsleden gevolgde opleiding of training in het krachtens artikel 4 bij te houden overzicht.
Artikel 90
Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de bemanningsleden aan boord van ro-ro passagiersschepen.
Alvorens hun taken aan boord van ro-ro passagiersschepen worden opgedragen zijn zeevarenden in het bezit van een document waaruit blijkt dat zij de opleiding en training, zoals vereist in het vierde tot en met het zesde lid, in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden, met goed gevolg hebben voltooid.
Zeevarenden van wie verlangd wordt dat zij een opleiding en training hebben gevolgd , als bedoeld in het vierde, het zevende en het achtste lid, volgen passende herhalingscursussen met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar.
Kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden, werktuigkundigen en ander personeel aan boord van ro-ro passagiersschepen, aan wie in de alarmrol de taak wordt opgedragen om passagiers bij te staan in noodsituaties, zijn in bezit van het «bewijs groepsbegeleiding», bedoeld in artikel 58.
Kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden, werktuigkundigen en ander personeel aan boord van ro-ro passagiersschepen, dat belast is met bijzondere taken en verantwoordelijkheden, zijn in het bezit van het «bewijs familiarisatietraining» voor het betreffende ro-ro passagiersschip, bedoeld in artikel 59.
Personeel aan boord van ro-ro passagiersschepen dat in de passagiersruimten direct betrokken is bij de dienstverlening aan passagiers, is in het bezit van het «bewijs veiligheidstraining», bedoeld in artikel 60.
Kapiteins, eerste maritiem officieren, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en iedereen aan boord van ro-ro passagiersschepen, die belast is met de directe verantwoordelijkheid voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of vastzetten van de lading of het sluiten van openingen in de romp zijn in het bezit van het kennisbewijs «passagiersveiligheid, ladingveiligheid en integriteit van de romp», bedoeld in artikel 61.
Kapiteins, eerste maritiem officieren, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en iedereen aan boord van ro-ro passagiersschepen, die verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties, zijn in het bezit van het kennisbewijs «crisisbeheersing en menselijk gedrag», bedoeld in artikel 62.
Artikel 91
In plaats van het bezit van de bewijzen en kennisbewijzen, genoemd in de artikelen 58 tot en met 62, door de zeevarende, kan de scheepsbeheerder volstaan met het aantekenen van de door de bemanningsleden gevolgde opleiding of training in het krachtens artikel 4 bij te houden overzicht.
§ 3. Aanvullende vereisten voor het dienstdoen aan boord van bijzonder voortbewogen schepen
Artikel 92
Werktuigkundigen en maritiem officieren aan boord van schepen, voorzien van een stoomvoortstuwingsinstallatie met een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer, hebben een erkende opleiding stoomvoortstuwing voltooid, als bedoeld in artikel 63.
Het eerste lid is niet van toepassing op houders van het diploma C als scheepswerktuigkundige, dan wel het diploma B als scheepswerktuigkundige, uitgereikt vóór 1 januari 1989.
Aan werktuigkundigen en maritiem officieren, die voldoen aan het eerste lid, wordt een kennisbewijs uitgereikt.
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie zorgt er voor dat op het vaarbevoegdheidsbewijs van werktuigkundigen en maritiem officieren, die voldoen aan dit artikel, de betreffende aantekening wordt gemaakt.
Artikel 93
Kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden en werktuigkundigen van hogesnelheidsvaartuigen zijn, naast het voor het desbetreffende schip vereiste vaarbevoegdheidsbewijs, in het bezit van een «type rating certificate», als bedoeld in artikel 64, voor het hogesnelheidsvaartuig waarop zij dienstdoen.
Hoofdstuk 6. Medische keuring van de bemanning
Artikel 94
Elk bemanningslid is in het bezit van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 560 van het Wetboek van Koophandel van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten.
De in het eerste lid bedoelde geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart betreft de algemene lichamelijke geschiktheid, met in het bijzonder aandacht voor het gezichtsvermogen en het gehoororgaan.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
§ 1. Uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Artikel 95
Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, kunnen, ter uitvoering van het STCW-Verdrag, alsmede van andere verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, regels met betrekking tot de bemanning van zeeschepen worden gesteld ter waarborging van de veilige en milieuverantwoorde vaart.
§ 2. Centraal register bemanningsgegevens
Artikel 96
In Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn Centrale Registers Bemanningsgegevens, waarin het hoofd van de Scheepvaartinspectie de afgegeven, ongeldig verklaarde en ingetrokken vaarbevoegdheidsbewijzen en de gegeven vrijstellingen en ontheffingen registreert.
§ 3. Aanvragen
Artikel 97
Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanvragen op grond van dit besluit.
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 98
De documenten, houdende de minimum voorgeschreven bemanningssamenstelling met de functies van de bemanningsleden, die zijn afgegeven vóór inwerkingtreding van dit besluit, behouden hun geldigheid tot de datum van het verstrijken van de geldigheid van het certificaat van deugdelijkheid waar zij bij behoren.
Artikel 99
De verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, die op grond van Hoofdstuk VII van het Schepenbesluit 1965 zijn afgegeven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, behouden hun geldigheidsduur overeenkomstig de daarop aangegeven datum van het verstrijken van de geldigheid.
Verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, waarop geen datum van het verstrijken van de geldigheidsduur is vermeld, zijn geldig tot de eerste dag van de maand, volgend op die van het bereiken van het 65ste jaar van de houder.
Artikel 100
De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, die zijn afgegeven vóór inwerkingtreding van dit besluit, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven datum van het verstrijken van de geldigheid.
Artikel 101
Op aanvragen voor bemanningsdocumenten, verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, monsterboekjes en geneeskundige verklaringen voor de zeevaart, die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit en op dat tijdstip nog in behandeling zijn, wordt besloten met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
Artikel 102
De houders van een verklaring van geschiktheid en bekwaamheid als vermeld in kolom I, afgegeven op grond van artikel 119 van het Schepenbesluit 1965, zoals dit luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, hebben aanspraak op de bevoegdheid met de beperkingen als, vermeld in kolom II van onderstaande tabel:
| Kolom I | Kolom II |
|---|---|
| Kapitein alle schepen | Kapitein alle schepen |
| Kapitein schepen< 9000 GT | Kapitein alle schepen |
| Kapitein schepen < 6000 GT | Kapitein alle schepen |
| Kapitein schepen< 4000 GT | Kapitein alle schepen |
| Kapitein schepen < 2000 GT | Kapitein tot 3000 GT |
| 1e stuurman alle schepen | 1e stuurman alle schepen |
| 1e stuurman schepen< 9000 GT | 1e stuurman alle schepen |
| 1e stuurman schepen < 6000 GT | 1e stuurman alle schepen |
| 1e stuurman schepen < 4000 GT | 1e stuurman alle schepen |
| 1e stuurman schepen < 2000 GT | 1e stuurman tot 3000 GT |
| 2e stuurman alle schepen | wachtstuurman alle schepen |
| 3e stuurman alle schepen | wachtstuurman alle schepen |
| 2e stuurman schepen < 9000 GT | wachtstuurman alle schepen |
| 2e stuurman schepen < 6000 GT | wachtstuurman alle schepen |
| wachtstuurman schepen < 4000 GT | wachtstuurman alle schepen |
| Eerste maritiem officier alle schepen | Eerste maritiem officier alle schepen |
| Eerste stuurman alle schepen | |
| Tweede werktuigkundige alle schepen | |
| Maritiem officier alle schepen | Maritiem officier alle schepen |
| wachtstuurman alle schepen | |
| wachtwerktuigkundige alle schepen | |
| Hoofdwerktuigkundige alle schepen | Hoofdwerktuigkundige alle schepen |
| Hoofdwerktuigkundige schepen < 8000 kW | Hoofdwerktuigkundige alle schepen |
| Hoofdwerktuigkundige schepen < 6000 kW | Hoofdwerktuigkundige alle schepen |
| 1e maritiem officier schepen | Eerste maritiem officier kleine schepen |
| <2000GT/1500kW | Eerste stuurman tot 3000 GT |
| Hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW | |
| Hoofdwerktuigkundige schepen < 3000 kW | Hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW |
| Hoofdwerktuigkundige schepen < 1500 kW | Hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW |
| 2e werktuigkundige alle schepen | 2e werktuigkundige alle schepen |
| 2e werktuigkundige schepen < 8000 kW | 2e werktuigkundige alle schepen |
| 2e werktuigkundige schepen < 6000 kW | 2e werktuigkundige alle schepen |
| 2e werktuigkundige schepen < 3000 kW | 2e werktuigkundige tot 3000 kW |
| 2e werktuigkundige schepen < 1500 kW | 2e werktuigkundige tot 3000 kW |
| 3e werktuigkundige alle schepen | wachtwerktuigkundige alle schepen |
| 4e werktuigkundige alle schepen | wachtwerktuigkundige alle schepen |
| schipper-machinist reizen nabij de kust | kapitein kleine schepen, beperkt tot schepen op reizen nabij de kust |
| Radio-operator A | Radio-operator Algemeen |
| Radio-operator B | Radio-operator Beperkt |
| Scheepstechnicus | Gezel |
| Gezel | Gezel |
Voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste stuurman, dan wel hoofdwerktuigkundige alle schepen is het bezit van het kennisbewijs «scheepsmanagement N» of «scheepsmanagement W» niet vereist voor de houder van het diploma als eerste stuurman voor de grote handelsvaart, respectievelijk het diploma C als scheepswerktuigkundige, dan wel van het bewijs dat de bijscholingscursus 6000–9000 GT met goed gevolg werd afgesloten, alsmede voor degenen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit dienst doen als kapitein of hoofdwerktuigkundige.
Artikel 103
Een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein tot 3000 GT wordt afgegeven aan de houder van het diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart, afgegeven vóór 3 mei 1988, die in het bezit is van het kennisbewijs «radarnavigator» en het «algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie».
Artikel 104
Een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein op reizen nabij de kust wordt afgegeven aan:
- a. de houder van het diploma als stuurman voor de kustsleepvaart, afgegeven vóór de datum van het van kracht worden van dit besluit;
- b. de houder van het diploma als stuurman voor de beperkte kleine handelsvaart, afgegeven vóór 3 mei 1988;
- c. de houder van het diploma als kapitein aannemersmaterieel met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de zeevaartdiploma's in verband met artikel 24 van het Besluit Zeevaartdiploma's;
- d. de houder van het kennisbewijs «schipper-machinist reizen nabij de kust», afgegeven vóór de datum van het van kracht worden van dit besluit, die in het bezit is van het «beperkt certificaat maritiem radio-communicatie» en een diensttijd heeft behaald van ten minste twee jaar, zo nodig aangevuld met de eisen die voortvloeien uit een overeenkomst met een andere staat binnen wiens territoir de reizen nabij de kust plaatsvinden.
Artikel 105
Een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman tot 3000 GT wordt afgegeven aan:
- a. de houder van het diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart, afgegeven vóór 3 mei 1988, die in het bezit is van het «algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie» en
- b. de houder van het diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 23, aanhef en onderdeel a, van het Besluit zeevaartdiploma's, die in het bezit is van het «algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie».
Artikel 106
Een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman op reizen nabij de kust, wordt afgegeven aan:
- a. de houder van het diploma als stuurman voor de kustsleepvaart dan wel het diploma als stuurman voor de beperkte kleine handelsvaart, afgegeven vóór de datum van inwerking treden van dit besluit, die in het bezit is van het «beperkt certificaat voor de maritieme radiocommunicatie»;
- b. de houder van het diploma als stuurman-tweede schipper aannemersmaterieel met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 23, aanhef en onderdeel a, van het Besluit zeevaartdiploma's, die in het bezit is van het «beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie»;
- c. de houder van het diploma als stuurman-tweede schipper aannemersmaterieel met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 24, van het Besluit zeevaartdiploma's, die in het bezit is van het «beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie», en
- d. de houder van het kennisbewijs «schipper-machinist reizen nabij de kust», afgegeven vóór de datum van het van kracht worden van dit besluit, die in het bezit is van het «beperkt certificaat maritieme radio-communicatie», zo nodig aangevuld met de eisen die voortvloeien uit een overeenkomst met een andere staat binnen wiens territoir de reizen nabij de kust plaatsvinden.
Artikel 107
Een vaarbevoegdheidsbewijs als hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW, wordt afgegeven aan de houder van het diploma als motordrijver met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Besluit zeevaartdiploma's, die een diensttijd heeft behaald van ten minste twee jaar.
Artikel 108
Een vaarbevoegdheidsbewijs als tweede werktuigkundige tot 3000 kW wordt afgegeven aan:
- a. de houder van het diploma als motordrijver met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Besluit zeevaartdiploma's;
- b. de houder van het diploma als scheepswerktuigkundige, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 24 van het Besluit Zeevaart-diploma's;
- c. de houder van het diploma machinist aannemersmaterieel met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 24 van het Besluit Zeevaartdiploma's.
Artikel 109
Een vaarbevoegdheidsbewijs als gezel wordt afgegeven aan de houder van het kennisbewijs «scheepstechnicus», uitgereikt door het hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 110
Dit besluit wordt aangehaald als: Bemanningsbesluit Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen.
Artikel 111
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2002.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)