Besluit van 22 januari 2002, houdende vaststelling van regels omtrent de toepassing van enige maatregelen in het belang van het onderzoek (Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek)

Type AMvB
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 oktober 2001, nr. 512753/01/6;

Gelet op artikel 61a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De Raad van State gehoord (advies van 2 januari 2002, no. W03.01.0555/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 15 januari 2002, nr. 5143486/02/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in werking treedt.

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

§ 2. Het maken van foto’s en video-opnamen

Artikel 2

Degene die een bevel geeft tot het maken van een of meer foto’s of video-opnamen kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Het maken van een of meer foto’s of video-opnamen geschiedt door daartoe door de korpschef onderscheidenlijk werkgever aangewezen terzake deskundige personen.

§ 2a. Het nemen van handpalmafdrukken

Artikel 5

Degene die een bevel tot een confrontatie geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.

Artikel 6

De confrontatie wordt geleid door een daartoe door de korpschef onderscheidenlijk werkgever aangewezen terzake deskundige ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012 of een daartoe aangewezen terzake deskundige militair van de Koninklijke marechaussee.

Artikel 7
1.

Bij een meervoudige confrontatie in persoon wordt de getoonde selectie fotografisch of op video vastgelegd.

2.

De foto's of video-opnamen, bedoeld in het eerste lid, worden, voor zover deze niet bij de processtukken worden gevoegd, bewaard zolang de strafzaak niet onherroepelijk is geëindigd en ter beschikking gehouden voor het onderzoek.

Artikel 8
1.

De leider van de confrontatie beschrijft de voorbereiding, gevolgde werkwijze en de procedure. De beschrijving wordt vastgelegd in een proces-verbaal of een rapport en gevoegd bij het in het derde lid bedoelde proces-verbaal.

2.

Het feitelijk tonen van de te observeren selectie geschiedt door een opsporingsambtenaar die niet weet wie van de getoonde personen de verdachte is.

3.

De in het tweede lid bedoelde opsporingsambtenaar maakt een proces-verbaal op waarin in elk geval melding wordt gemaakt van:

Artikel 9

De officier van justitie en de raadsman van de verdachte worden in de gelegenheid gesteld de uitvoering van een meervoudige confrontatie te volgen en worden in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de meervoudige confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen selectie, een en ander zonder dat de meervoudige confrontatie daardoor mag worden opgehouden. De gemaakte opmerkingen worden opgenomen in het in artikel 8, eerste lid, bedoelde proces-verbaal of rapport.

Artikel 10

Indien ten behoeve van een confrontatie een bevel is gegeven tot het afscheren of afknippen van snor, baard of hoofdhaar wordt het daarbij verwijderde haar vernietigd.

§ 4. De toepassing van de geuridentificatieproef

Artikel 11

Degene die een bevel tot een geuridentificatieproef geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.

Artikel 12

De geuridentificatieproef wordt uitgevoerd door een combinatie van een geleider en een politiespeurhond die in het bezit is van een krachtens artikel 24, derde lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie verstrekt certificaat voor de geuridentificatie.

Artikel 13

Als helper bij het uitvoeren van de geuridentificatieproef kunnen optreden opsporingsambtenaren die in het bezit zijn van een getuigschrift helper geuridentificatieproeven of politiespeurhondengeleiders die in het bezit zijn van een krachtens artikel 9 van de Regeling politiespeurhonden 1997 verstrekt certificaat inzake de geuridentificatie.

Artikel 14

De helper, bedoeld in artikel 13, en de geleider, bedoeld in artikel 12, maken van de geuridentificatieproef een proces-verbaal op, waarin in elk geval wordt opgenomen:

§ 5. De plaatsing in een observatiecel

Artikel 15
1.

De maatregel tot plaatsing in een observatiecel, bedoeld in artikel 61a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt alleen toegepast in de gevallen waarin en voor zolang noodzakelijk het gevaar aanwezig is dat de verdachte mogelijk aanwezige sporen onbruikbaar maakt of verwijdert dan wel op andere wijze het onderzoek naar sporen belemmert of bemoeilijkt.

2.

Degene die het bevel geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.

Artikel 16

Van het bevel wordt mededeling gedaan aan de verdachte. Degene die de mededeling doet maakt hiervan proces-verbaal op.

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 17

Dit besluit is niet van toepassing op bevelen tot toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek die zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 18

Indien de wet van 1 november 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek en enige andere onderwerpen (Stb. 532) in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

Artikel 19

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 4a
1.

Laboratoriumonderzoek op het terrein van handpalmafdrukken, waaronder alle activiteiten vallen die worden uitgevoerd bij het lokaliseren en veiligstellen van handpalmsporen op voorwerpen, alsmede het ontwikkelen, analyseren en interpreteren daarvan, wordt in het kader van de uitwisseling van informatie aangaande handpalmafdrukken met lidstaten van de Europese Unie slechts uitgevoerd door:

2.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om accreditatie, bedoeld in het eerste lid, onder a.

3.

Indien de accreditatie van een aanbieder van laboratoriumactiviteiten als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, is geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, wordt in dit laboratorium niet langer in het kader van de uitwisseling van informatie aangaande handpalmafdrukken met lidstaten van de Europese Unie onderzoek naar handpalmafdrukken verricht.

Artikel 4b
1.

Er is een databank met handpalmafdrukken die tot doel heeft het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van lijken te bevorderen. Deze databank bevat slechts de handpalmafdrukken van:

2.

Onze Minister is verantwoordelijk voor de databank, bedoeld in het eerste lid.

3.

Een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012 voert het beheer over de databank.

4.

De handpalmafdrukken die in de databank zijn vastgelegd, kunnen onderling worden vergeleken.

5.

In afwijking van het vierde lid worden de in de databank vastgelegde handpalmafdrukken van gewezen verdachten of van onbekende verdachten die in de strafzaak waarin de gewezen verdachte is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, met die handpalmafdrukken overeenkwamen, uitsluitend onderling of met andere met die strafzaak in verband staande handpalmafdrukken van onbekende verdachten vergeleken, indien:

6.

In geval van toepassing van het vijfde lid geeft de rechter-commissaris die de opdracht tot de vergelijking heeft gegeven de gewezen verdachte, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek.

Artikel 4c
1.

Zodra zich een omstandigheid voordoet die meebrengt dat degene wiens handpalmafdrukken zijn verwerkt, niet langer als een verdachte van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, worden zijn handpalmafdrukken vernietigd.

2.

Van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake bij een beslissing tot niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een onherroepelijke buitenvervolgingstelling, een rechterlijke verklaring dat de zaak geëindigd is, een onherroepelijke vrijspraak of een onherroepelijk ontslag van alle rechtsvervolging waarbij niet een maatregel als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

3.

In afwijking van het eerste lid wordt van het vernietigen van de in deze leden bedoelde handpalmafdrukken afgezien indien degene wiens handpalmafdrukken het betreft, in een andere zaak als verdachte van een strafbaar feit is aangemerkt of in een andere zaak is veroordeeld.

4.

In afwijking van het eerste lid wordt van het vernietigen van de handpalmafdrukken afgezien indien degene wiens handpalmafdrukken het betreft, een gewezen verdachte is die niet eerder voor hetzelfde feit in een herzieningsprocedure als bedoeld in Titel VIII van het Derde Boek van de wet is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging. De handpalmafdrukken kunnen in dat geval uitsluitend worden geraadpleegd met het oog op een herziening ten nadele op de in artikel 482a, eerste lid, onder a, van de wet bedoelde grond en na toestemming van de rechter-commissaris.

Artikel 4d
1.

De handpalmafdrukken van verdachten en veroordeelden worden vernietigd:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.