Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken
Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en artikel 4.81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
Artikel 2. Reikwijdte
Deze beleidsregel is niet van toepassing op de exclusieve economische zone.
Artikel 3. Wegen
Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter.
Binnen 30m uit de rand van de verharding en op parkeerplaatsen en tankstations gelegen langs autowegen of autosnelwegen als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 artikel 1 met een directe aansluiting op de autoweg of autosnelweg, die primair bestemd zijn voor een kort oponthoud van de weggebruiker, wordt plaatsing van windturbines slechts toegestaan indien uit een aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico bestaat.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt nabij een knooppunt of aansluiting of op locaties waarbij de rotorbladen zich boven de verharding zullen bevinden plaatsing van windturbines slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd risico is voor de verkeersveiligheid.
Artikel 4. Kanalen, rivieren en havens
Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand tot de rand van de vaarweg van ten minste de helft van de rotordiameter van de betreffende windturbine vermeerderd met 35 meter.
Plaatsing dichterbij dan de in het eerste lid genoemde afstand wordt slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek, uitgevoerd door de aanvrager van de omgevingsvergunning, blijkt dat er geen radarecho’s op de vaarweg optreden op scheeps- en walradar.
Voor toepassing van het tweede lid gelden de volgende beperkingen:
- a. plaatsing wordt niet toegestaan binnen 1.200 meter van:
- 1°. de mond van de voorhaven van een sluis;
- 2°. de invaart van een stuw; of
- 3°. een brug;
- b. plaatsing wordt niet toegestaan binnen 600 meter van een kruising of invaart van een haven;
- c. plaatsing wordt niet toegestaan in de voorhaven van een sluis;
- d. de minimale afstand tot de rand van de vaarweg bedraagt ten minste de helft van de rotordiameter van de betreffende windturbine.
Plaatsing mag geen visuele hinder opleveren voor het scheepvaartverkeer en bedienend personeel van kunstwerken. Het zicht op vaarwegmarkeringstekens mag niet door plaatsing van windturbines worden afgeschermd.
Artikel 5. De territoriale zee
Plaatsing van windturbines in het gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee wordt slechts toegestaan op locaties waarvoor geldt dat windturbines:
- a. geen negatieve invloed hebben op de veiligheid van de kust;
- b. geen negatieve morfologische ontwikkeling van de bodem veroorzaken;
- c. geen negatieve effecten op de natuurlijke dynamiek van de bodem hebben;
- d. niet leiden tot verweking van de bodem;
- e. geen negatieve invloed hebben op de kustlijnligging;
- f. het uitvoeren van zandsuppleties en onderwatersuppleties niet in onaanvaardbare mate bemoeilijken;
- g. niet de veiligheid van het scheepvaartverkeer aantasten.
Voor vaarwegen in de territoriale zee is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6. Grote wateren
Plaatsing van windturbines wordt slechts toegestaan in het IJsselmeer, het Markermeer en de randmeren, het Haringvliet, Hollandsch Diep, de Biesbosch, de Oosterschelde, de Westerschelde, het Veerse meer, het Grevelingenmeer, het Zoommeer, het Krammer-Volkerak, de Waddenzee, de Eems, en de Dollard op locaties waar voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder b, c, d, g, waar de kans op erosie van de oever niet wordt vergroot en voor zover windturbines geen feitelijke belemmering vormen voor het waterkwantiteitsbeheer.
Voor vaarwegen die lopen door de in het eerste lid genoemde wateren, is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7. Waterkeringen
Plaatsing van windturbines in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer van het Rijk, wordt slechts toegestaan indien door de initiatiefnemer voldoende kan worden aangetoond dat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkerende functie van de waterkering conform de veiligheidsnorm bij of krachtens de Omgevingswet.
Het bepaalde in het eerste lid geldt onverminderd het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6.
Artikel 8. Termijn
De vergunning op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, aanhef en onder 1° en 2° van de Omgevingswet zal worden verleend voor een bepaalde termijn.
Indien van de vergunning op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, aanhef en onder 1° en 2° van de Omgevingswet niet binnen een in de vergunning bepaalde termijn gebruik wordt gemaakt, wordt de vergunning ingetrokken.
Artikel 9. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10. Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1a
Vervallen
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel a1
Deze beleidsregel berust met ingang van 1 januari 2024 op de artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1° en 2°, en 5.11 van de Omgevingswet, de artikelen 4.4, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.11, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Omgevingsbesluit.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.