Regeling van de Minister van Justitie, houdende regels betrekking hebbende op de geestelijke verzorgers van moslims, hindoes en boeddhisten die, anders dan bij wijze van ambtelijke aanstelling, aan justitiële inrichtingen verbonden zijn
Gelet op artikel 41, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 27 van de Penitentiaire maatregel, artikel 40, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, artikel 39 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden, artikel 46, vierde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en artikel 54 van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
Deze regeling is niet van toepassing op de zeer beperkt beveiligde penitentiaire inrichtingen.
Artikel 3
Een geestelijk verzorger kan slechts anders dan bij wijze van ambtelijke aanstelling aan de inrichting worden verbonden indien hij:
- a. in het bezit is van een geldige verblijfs- en werkvergunning;
- b. in het bezit is van een Nederlandse universitaire titel in de theologie dan wel met goed gevolg een afsluitend examen heeft afgelegd op het terrein van de theologie binnen het Nederlands hoger beroepsonderwijs;
- c. een verklaring omtrent gedrag overlegt;
- d. de Nederlandse taal machtig is in woord; bij twijfel wordt op verzoek van de Dienst Justitiële Inrichtingen een toets in de Nederlandse taal afgelegd.
Indien niet aan het gestelde in het eerste lid, onder b, kan worden voldaan, maar er wel een buitenlands diploma op het terrein van de theologie is behaald vindt er een onderzoek plaats naar de waarde van dit diploma. Indien er geen diploma kan worden overgelegd moet de geestelijk verzorger zijn voorgedragen door een overkoepelend orgaan van zijn gezindte of levensovertuiging.
Artikel 4
De directeur van een inrichting kan op verzoek van een justitiabele een geestelijk verzorger inschakelen.
De directeur pleegt over een aan hem gedaan verzoek overleg met een aan de inrichting verbonden geestelijk verzorger. Deze geestelijk verzorger kan de directeur adviseren over zowel het verzoek zelf, als over de geestelijk verzorger van wie een bezoek wordt gevraagd.
De directeur betrekt de geestelijk verzorgers zoveel mogelijk vanuit de regio waarin de inrichting is gelegen.
Artikel 5. Toestemming hoofd Dienst Justitiële Inrichtingen
Alvorens de directeur een geestelijk verzorger, anders dan bij wijze van ambtelijke aanstelling aan zijn inrichting verbindt, vraagt hij hiervoor toestemming aan het hoofd van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
Artikel 6
De uurvergoeding van de geestelijk verzorger bedraagt een door het hoofd van de Dienst Justitiële Inrichtingen bij besluit vast te stellen bedrag dat kan verschillen afhankelijk van de opleiding van de geestelijk verzorger.
Door de geestelijk verzorgers worden de uurvergoedingen en reiskostenvergoedingen met gebruikmaking van het in de bijlage opgenomen declaratieformulier gedeclareerd bij de Dienst Uitvoering Beheer en Advisering van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
Artikel 7
Deze regeling is niet van toepassing op geestelijk verzorgers met een ambtelijke aanstelling en geestelijk verzorgers die op grond van een mantelovereenkomst met de Dienst Justitiële Inrichtingen werkzaamheden verrichten.
Artikel 8
De directeur draagt zorg dat het aantal gevallen waarin een geestelijk verzorger is ingeschakeld alsmede de duur ervan wordt geregistreerd.
Artikel 9
De circulaire van 14 januari 1997, nr. 591239/96/DJI komt te vervallen.
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2002 en werkt terug tot 1 januari 2002.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling functie-eisen en vergoeding geestelijk verzorgers `niet-klassieke' denominaties.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.