← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 20 juni 2002, houdende regels inzake de bevordering van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur met betrekking tot beschikkingen of overheidsopdrachten (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur)

Geldende tekst a fecha 2025-07-16

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat bestuursorganen over de mogelijkheid beschikken om bepaalde subsidies of vergunningen te weigeren of in te trekken indien er sprake is van gevaar dat strafbare feiten zullen worden gepleegd of van het vermoeden dat strafbare feiten zijn gepleegd, alsook om bepaalde overheidsopdrachten niet te gunnen of een overeenkomst terzake te ontbinden indien door bedrijven niet of niet meer wordt voldaan aan de vereisten inzake betrouwbaarheid, en dat bestuursorganen zich bij het nemen van die beslissingen daaromtrent kunnen laten adviseren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen rechtspersonen met een overheidstaak worden aangewezen als rechtspersoon met een overheidstaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid.

3.

De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

4.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder overheidsopdracht mede verstaan:

5.

In deze wet, met uitzondering van artikel 3a, en de op deze wet berustende bepalingen wordt onder strafbaar feit mede verstaan: een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

6.

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een wijziging van een omgevingsplan op aanvraag als bedoeld in artikel 4.19b van de Omgevingswet gelijkgesteld met een beschikking.

Artikel 2
1.

Ten aanzien van een subsidie wordt in deze wet onder intrekking tevens begrepen de vaststelling van de subsidie op een lager bedrag dan bij de verlening is bepaald, alsmede de wijziging van de subsidieverstrekking ten nadele van de subsidie-ontvanger.

2.

Onder subsidie wordt in deze wet mede verstaan: de bekostiging van onderwijs en onderzoek.

Paragraaf 1.2. Weigerings- en intrekkingsgrond inzake beschikkingen

Hoofdstuk 2. Aanbestedingen, subsidies en vergunningen

Hoofdstuk 3. Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Paragraaf 3.1. Instelling en taak van het Bureau

Artikel 8

Er is een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 9
1.

Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen, voorzover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, op verzoek advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of over de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid.

2.

Voor zover het gaat om een overheidsopdracht, heeft het Bureau voorts tot taak rechtspersonen met een overheidstaak desgevraagd advies uit te brengen over:

3.

Voor zover het gaat om een vastgoedtransactie, heeft het Bureau tot taak rechtspersonen met een overheidstaak op verzoek advies uit te brengen over:

4.

Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

Het Bureau kan afzien van het uitbrengen van een advies indien:

Artikel 10

Het Bureau heeft voorts tot taak bestuursorganen desgevraagd te informeren omtrent de in deze wet en in andere algemeen verbindende voorschriften neergelegde weigerings- en intrekkingsgronden inzake beschikkingen, overheidsopdrachten en vastgoedtransacties.

Artikel 11

Indien het Bureau beschikt over gegevens die erop duiden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds gepleegd zijn of – naar redelijkerwijs op grond van feiten of omstandigheden kan worden vermoed – gepleegd zullen worden, kan het een bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak wijzen op de mogelijkheid om eigen onderzoek te doen en eventueel daarna het Bureau om een advies te vragen.

Paragraaf 3.1. Instelling en taak van het Bureau

Artikel 12
1.

Het Bureau verzamelt en analyseert persoonsgegevens uitsluitend ten behoeve van het advies.

2.

Het verzamelen van persoonsgegevens wordt beperkt tot:

3.

In afwijking van het tweede lid kan het Bureau in het geval dat het door de betrokkene ingevulde formulier, bedoeld in artikel 7a, onvoldoende informatie verschaft voor het onderzoek ten behoeve van het advies, dan wel de gegevens die door middel van dat formulier en uit de verschillende bestanden of registraties zijn verkregen niet gelijkluidend zijn, de betrokkene verzoeken om nadere gegevens over:

Artikel 13
1.

Voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 9, kan het Bureau de bevoegde buitenlandse autoriteiten verzoeken na te gaan of aldaar gegevens bekend zijn over natuurlijke personen of rechtspersonen tot wie zijn onderzoek zich uitstrekt. Het verzoek kan betrekking hebben op:

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt uitsluitend door tussenkomst van de officier van justitie tot de bevoegde autoriteit gericht, met uitzondering van een verzoek dat is gebaseerd op het Kaderbesluit nr. 2009/315/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (Pb EU L93/23), dat door tussenkomst van Onze Minister geschiedt.

Artikel 14
1.

Het Bureau neemt in het advies geen gegevens op waarvan:

2.

Het College van Procureurs-Generaal wijst de officier van justitie aan, aan wie het advies, voordat dit wordt toegezonden aan het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die om advies hebben gevraagd, wordt voorgelegd met het oog op de beoordeling of daarin gegevens zijn opgenomen waarvan het gebruik een zwaarwegend strafvorderlijk belang schaadt.

Artikel 15
1.

Het advies wordt zo spoedig mogelijk gegeven, maar in ieder geval binnen een termijn van acht weken nadat het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak een advies heeft aangevraagd.

2.

De in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan, de rechtspersoon met een overheidstaak of de betrokkene is verzocht om gegevens die bij de aanvraag ontbreken of om aanvullende gegevens die noodzakelijk zijn voor het advies, tot de dag waarop die gegevens zijn ontvangen.

3.

Indien het advies niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het Bureau het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen het advies wel tegemoet kan worden gezien. Deze termijn bedraagt niet meer dan vier weken.

Artikel 16
1.

Het Bureau brengt een bijdrage in de kosten van het advies in rekening bij het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die het advies heeft gevraagd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde bijdrage wordt vastgesteld.

Artikel 17

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven over de werkwijze van het Bureau, alsmede over de totstandkoming en inrichting van het advies.

Paragraaf 3.2. Werkwijze van het Bureau

Artikel 18

Het Bureau registreert geen persoonsgegevens waarvan de verstrekker heeft aangegeven dat deze, gelet op het karakter van die gegevens, niet aan de desbetreffende persoon ter kennis mogen worden gebracht.

Artikel 19

Het Bureau kan persoonsgegevens die zijn verzameld of verkregen met het oog op de behandeling van een verzoek om advies, gedurende vijf jaren verwerken in verband met een ander verzoek.

Artikel 20
1.

Voor zoveel nodig in afwijking van hetgeen in de Wet open overheid en andere wetten is bepaald ten aanzien van verstrekking van gegevens, verstrekt het Bureau aan derden geen persoonsgegevens die het heeft verkregen in het kader van zijn taak, bedoeld in artikel 9.

2.

Onder derden als bedoeld in het eerste lid worden mede begrepen andere onder de Minister van Justitie en Veiligheid ressorterende dienstonderdelen en andere overheidsdiensten en -instellingen.

3.

In afwijking van het eerste lid kunnen in de volgende gevallen persoonsgegevens worden verstrekt:

Paragraaf 3.2. Werkwijze van het Bureau

Artikel 21
1.

De algemene leiding, de organisatie en het beheer van het Bureau berusten bij Onze Minister.

2.

De dagelijkse leiding berust bij de directeur van het Bureau.

3.

De directeur van het Bureau rapporteert, gevraagd en ongevraagd, rechtstreeks aan Onze Minister al hetgeen van belang kan zijn.

Artikel 22

Benoeming, schorsing en ontslag van de directeur van het Bureau geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

Artikel 23

Onze Minister bepaalt het budget en de formatie van het Bureau.

Artikel 24

Onze Minister brengt jaarlijks voor 1 mei aan beide kamers der Staten-Generaal een openbaar verslag uit van de wijze waarop het Bureau zijn taken in het afgelopen kalenderjaar heeft verricht.

Paragraaf 3.3. De verwerking van gegevens door het Bureau

Artikel 25

Vervallen

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden, verplichtingen en procedurele bepalingen

Paragraaf 3.3. De verwerking van gegevens door het Bureau

Paragraaf 3.4. Beheer van het Bureau

Artikel 27
1.

De volgende bestuursorganen verstrekken het Bureau desgevraagd alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 9:

2.

Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op persoonsgegevens, voor zover het persoonsgegevens betreft voor de verwerking waarvan de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen de verwerkingsverantwoordelijke zijn in de zin van artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming dan wel de verwerkingsverantwoordelijke zijn in de zin van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet politiegegevens.

3.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet verstrekt indien:

4.

Indien persoonsgegevens niet worden verstrekt op grond van het derde lid, onderdeel b of c, wordt de weigering die gegevens te verstrekken nader gemotiveerd door het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk de officier van justitie.

5.

De gegevensverstrekking ingevolge het eerste lid geschiedt kosteloos, voorzover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de termijn waarbinnen de verstrekking van gegevens dient plaats te vinden en kunnen regels worden gegeven over de wijze van verstrekken van gegevens door de bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 3.4. Beheer van het Bureau

Paragraaf 3.4. Beheer van het Bureau

Hoofdstuk 5. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden, verplichtingen en procedurele bepalingen

Artikel 43

De bepalingen van de in hoofdstuk 5 genoemde wetten, zoals zij luiden na de inwerkingtreding van deze wet, zijn niet van toepassing op de aanvraag van een beschikking die voor die datum is ingediend, onderscheidenlijk de aanbestedingsprocedure of onderhandeling waarmee voor die datum een aanvang is gemaakt.

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in de praktijk.

Artikel 46

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 47

Deze wet wordt aangehaald als: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 5. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3
1.

Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

2.

Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

3.

Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

4.

De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

5.

De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

6.

Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7.

Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.

Artikel 4
1.

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7a, derde lid, wordt de weigering van de vergunninghouder, de begunstigde van een andere beschikking, of de subsidie-ontvanger om een formulier als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, volledig in te vullen, aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2.

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 12, derde lid, wordt de weigering van de aanvrager van een beschikking, de subsidie-ontvanger, de vergunninghouder of de begunstigde van een andere beschikking om aanvullende gegevens te verschaffen, aangemerkt als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Hoofdstuk 2. Aanbestedingen, vastgoedtransacties, subsidies, vergunningen en ontheffingen

Artikel 5
1.

Een gegadigde voor een overheidsopdracht waarop de bepalingen, genoemd in artikel 9, tweede lid, niet van toepassing zijn, kan van de gunning van die opdracht of van het sluiten van de met een gunningsbeslissing beoogde overeenkomst worden uitgesloten met inachtneming van de criteria voor de kwalitatieve selectie in de zin van de bepalingen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a en b.

2.

De rechtspersoon met een overheidstaak kan het Bureau om een advies vragen:

Artikel 6
1.

Een subsidie aan een rechtspersoon of aan een natuurlijke persoon kan worden geweigerd dan wel worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

2.

Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het bestuursorgaan dat tot die beslissing bevoegd is, het Bureau om een advies vragen.

Artikel 7
1.

Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

2.

Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijke ontheffing.

Hoofdstuk 3. Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Paragraaf 3.1. Instelling en taak van het Bureau

Paragraaf 3.2. Werkwijze van het Bureau

Paragraaf 3.5. Begeleidingscommissie

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden, verplichtingen en procedurele bepalingen

Paragraaf 4.1. Bevoegdheid officier van justitie

Artikel 26

De officier van justitie, het bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze wet, en die beschikt over gegevens die erop duiden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds gepleegd zijn of naar redelijkerwijs kan worden vermoed gepleegd zullen worden, kan een bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze wet, wijzen op de mogelijkheid om eigen onderzoek te doen en eventueel daarna het Bureau om een advies te vragen.

Paragraaf 4.1. Bevoegdheid officier van justitie

Paragraaf 3.5. Begeleidingscommissie

Artikel 28
1.

Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover een bij deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat.

2.

Het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die een advies ontvangt, geeft de daarin opgenomen gegevens niet door, behoudens aan:

3.

Bij de toepassing van artikel 33, eerste en tweede lid, verstrekt het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak de betrokkene of de in artikel 33, eerste lid, bedoelde derde een afschrift van het advies en wijst hem daarbij schriftelijk op zijn geheimhoudingsplicht op grond van het eerste lid. De in artikel 33, eerste lid, bedoelde derde wordt het advies slechts verstrekt voor zover het op hem betrekking heeft.

4.

Indien een beschikking dan wel de intrekking van een subsidie of vergunning, de weigering van een overheidsopdracht of een vastgoedtransactie dan wel de ontbinding van een overeenkomst inzake een dergelijke opdracht of transactie, in rechte wordt aangevochten, is betrokkene bevoegd de in het eerste lid bedoelde gegevens bekend te maken aan de rechter.

Artikel 29

Het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die een advies ontvangt, kan dat advies gedurende vijf jaren nadat het is uitgebracht gebruiken in verband met een andere beslissing. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op bevindingen van eigen onderzoek en de gegevens die daaraan ten grondslag liggen.

Paragraaf 4.1. Tipbevoegdheid

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt, wordt de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies is aangevraagd en eindigt met de dag waarop dat advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de in artikel 15, eerste en tweede lid, bedoelde termijn, vermeerderd met de duur van de eenmalige verlenging, bedoeld in artikel 15, derde lid.

Artikel 32

Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak informeert de betrokkene dat het Bureau om advies is verzocht.

Artikel 33
1.

Voordat een bestuursorgaan aan een beschikking voorschriften verbindt als bedoeld in artikel 3, zevende lid, en voordat een bestuursorgaan een voor de betrokkene en de in de voorgenomen beschikking in verband met deze gronden genoemde derde negatieve beslissing neemt op grond van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, dan wel op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, stelt het de betrokkene en de in de voorgenomen beschikking in verband met deze gronden genoemde derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon met een overheidstaak die een beslissing neemt ter zake van:

3.

Voor de toepassing van het eerste en tweede lid zijn de artikelen 4:9 tot en met 4:12 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5. Wijziging van andere wetten

Paragraaf 5.1. Persoonsregistraties

Artikel 34

Wijzigt de Wet politieregisters.

Artikel 35

Wijzigt de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.

Paragraaf 5.1. Persoonsregistraties

Artikel 36

Wijzigt de Drank- en Horecawet.

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Wijzigt de Wet goederenvervoer over de weg.

Artikel 39

Wijzigt de Wet personenvervoer 2000.

Artikel 40

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Artikel 41

Wijzigt de Woningwet.

Artikel 42

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5a

Een rechtspersoon met een overheidstaak kan het Bureau om een advies vragen over de betrokkene:

Hoofdstuk 3. Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Paragraaf 3.1. Instelling en taak van het Bureau

Artikel 11a
1.

Het Bureau bericht desgevraagd aan een bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak of in de afgelopen vijf jaren in een advies van het Bureau of in bevindingen van eigen onderzoek strafbare feiten die zijn gepleegd door dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als naar wie dat orgaan of die rechtspersoon eigen onderzoek verricht, ten grondslag zijn gelegd aan de conclusie van een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar in de zin van deze wet. Dit gegeven wordt uitsluitend verstrekt over degene die in het onderhavige eigen onderzoek is aangemerkt als ten minste één van de volgende natuurlijke of rechtspersonen:

2.

Het Bureau vermeldt daarbij tevens:

3.

Het Bureau bericht of over de betrokkene in de afgelopen vijf jaar een melding is gedaan als bedoeld in artikel 7a, achtste lid, ongeacht de vraag of tot een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar is geconcludeerd.

4.

Het Bureau verstrekt de gegevens op grond van dit artikel aan een bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak ten behoeve van diens eigen onderzoek. Het Bureau kan de gegevens tevens zelf verwerken ten behoeve van diens onderzoek, om te bepalen welke bestuursorganen het bevraagt op grond van artikel 13 of 27.

Paragraaf 3.3. De verwerking van gegevens door het Bureau

Paragraaf 3.3. De verwerking van gegevens door het Bureau

Artikel 27a

Afschriften van rechterlijke uitspraken en processen-verbaal van de mondelinge uitspraak in bestuursrechtelijke zaken worden desgevraagd aan het Bureau verstrekt overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.

Paragraaf 4.4. Overige bepalingen

Hoofdstuk 5. Wijziging van andere wetten

Paragraaf 5.2. Vergunningen

Artikel 37

Vervallen

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3a
1.

Onder feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, en derde lid, onder a, die erop wijzen dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, wordt verstaan:

2.

Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan staat dat niet in de weg aan het geheel of ten dele op grond van dat strafbare feit vaststellen van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid.

3.

In geval van een rechterlijke uitspraak houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, niet op grond van dat strafbare feit vastgesteld.

Hoofdstuk 2. Overheidsopdrachten, vastgoedtransacties, subsidies, vergunningen en ontheffingen

Hoofdstuk 2a. Eigen onderzoek van het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak

Hoofdstuk 3. Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Paragraaf 3.1. Instelling en taak van het Bureau

Paragraaf 3.2. Werkwijze van het Bureau

Paragraaf 3.5. Begeleidingscommissie

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden, verplichtingen en procedurele bepalingen

Paragraaf 4.1. Bevoegdheid officier van justitie

Paragraaf 4.2. Verplichting tot medewerking

Paragraaf 4.3. Geheimhoudingsplicht

Hoofdstuk 5. Wijziging van andere wetten

Paragraaf 5.1. Persoonsregistraties

Paragraaf 5.1. Persoonsregistraties

Artikel 37

Vervallen

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7a
1.

Indien een bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak bevoegd is om advies te vragen aan het Bureau, kan dat orgaan of die rechtspersoon tevens zelf onderzoek verrichten naar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, en artikel 9, tweede en derde lid.

2.

De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak de gegevens en bescheiden om deze in staat te stellen tot het eigen onderzoek. Deze gegevens en bescheiden omvatten in ieder geval:

3.

De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak tevens de gegevens en bescheiden, indien onderzoek wordt gedaan met het oog op een beslissing ter zake van de intrekking van een beschikking, onderscheidenlijk de ontbinding van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht dan wel de opschorting of ontbinding van een overeenkomst of de beëindiging van een rechtshandeling inzake een vastgoedtransactie.

4.

Teneinde het Bureau in staat te stellen onderzoek te verrichten als bedoeld in deze wet, zendt het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die het Bureau om advies verzoekt, de door de betrokkene verstrekte gegevens en bescheiden, tezamen met de bevindingen van het eigen onderzoek, toe aan het Bureau.

5.

Bij ministeriële regeling worden een of meer formulieren vastgesteld voor het verstrekken van de in het tweede en derde lid bedoelde gegevens en bescheiden alsmede voor de bevindingen van het eigen onderzoek.

6.

Artikel 28, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de door het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak van de betrokkene op grond van het tweede of derde lid verkregen gegevens alsmede op de bevindingen van het eigen onderzoek.

7.

Indien het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak na het eigen onderzoek zonder advies van het Bureau concludeert tot een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar, meldt hij dit onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, onverwijld aan het Bureau. Dat bestuursorgaan of die rechtspersoon is en blijft verantwoordelijk voor de juistheid van deze gegevens en meldt onverwijld eventuele correcties, in het bijzonder indien de conclusie van een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar is vervallen in een bezwaarprocedure of gerechtelijke procedure.

8.

Het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die redelijkerwijs vermoedt dat een betrokkene zich vanwege het toepassen van deze wet terugtrekt uit de procedure nadat een eigen onderzoek is gestart of nadat advies is gevraagd aan het Bureau, meldt dit onverwijld aan het Bureau.

Artikel 7b

Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak kan persoonsgegevens uit openbare bronnen en persoonsgegevens die rechtstreeks zijn te herleiden tot gegevens uit openbare bronnen, verwerken ten behoeve van het eigen onderzoek.

Hoofdstuk 3. Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Paragraaf 3.5. Begeleidingscommissie

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden, verplichtingen en procedurele bepalingen

Paragraaf 4.2. Verplichting tot medewerking

Paragraaf 4.3. Geheimhoudingsplicht

Paragraaf 4.4. Overige bepalingen

Hoofdstuk 5. Wijziging van andere wetten

Paragraaf 5.1. Persoonsregistraties

Paragraaf 5.2. Vergunningen

Artikel 37

Vervallen

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7c
1.

De rijksbelastingdienst verstrekt aan bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak desgevraagd gegevens over een vergrijpboete die op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgelegd, ten behoeve van hun eigen onderzoek, in de gevallen waarin zij bevoegd zijn tot toepassing van deze wet.

2.

De krachtens het eerste lid verstrekte gegevens betreffen degene die in het eigen onderzoek is aangemerkt als:

Hoofdstuk 3. Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Paragraaf 3.1. Instelling en taak van het Bureau

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden, verplichtingen en procedurele bepalingen

Paragraaf 4.4. Overige bepalingen

Hoofdstuk 5. Wijziging van andere wetten

Paragraaf 5.2. Vergunningen

Artikel 37

Vervallen

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.