Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 2, vierde, zesde, tiende en elfde lid, 8 en 9, negende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds;

Besluit:

Artikel 1. Uitkering en voorschotten
1.

De inspecteur kan een voorschot verlenen indien en voorzover daarom door het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam is verzocht op een opgaaf die duidelijk, stellig en zonder voorbehoud is ingediend.

2.

Een publiekrechtelijk lichaam of een regionaal openbaar lichaam kan om een voorschot verzoeken tot het bedrag van de omzetbelasting waarvoor in het tijdvak voor dat publiekrechtelijk lichaam of dat regionaal openbaar lichaam recht op bijdrage is ontstaan ter zake van omzetbelasting die rechtstreeks betrekking heeft op de in het volgende lid bedoelde voorschotposten, verminderd met de in dat tijdvak verschuldigde bijdragen ter zake van omzetbelasting die betrekking heeft op die voorschotposten.

3.

De voorschotposten zijn:

4.

Het gezamenlijke bedrag van de over alle tijdvakken in een kalenderjaar verleende voorschotten wordt verrekend met de bijdrage over dat jaar.

Artikel 2. Hoogte van de bijdrage voor regionale openbare lichamen

De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over enig jaar voor een regionaal openbaar lichaam is het saldo van het bedrag van de omzetbelasting waarvoor voor het regionaal openbaar lichaam in dat kalenderjaar recht op bijdrage is ontstaan en het bedrag van de in dat jaar door het regionaal openbaar lichaam verschuldigde bijdragen, vermenigvuldigd met de voor dat jaar geldende vereveningsfactor, bedoeld in artikel 4.

Artikel 3. Hoogte van de bijdrage voor publiekrechtelijke lichamen
1.

De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over 2003 voor een publiekrechtelijk lichaam is het hoogste van de in de volgende onderdelen bedoelde bedragen:

2.

De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over 2004 voor een publiekrechtelijk lichaam is het hoogste van de in de volgende onderdelen bedoelde bedragen, verminderd met de bijdrage over 2003:

3.

De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over 2005 voor een publiekrechtelijk lichaam is het hoogste van de in de volgende onderdelen bedoelde bedragen, verminderd met de bijdragen over 2003 en 2004:

4.

De bijdrage uit het BTW-compensatiefonds over 2006 voor een publiekrechtelijk lichaam is het hoogste van in de volgende onderdelen bedoelde bedragen, verminderd met de bijdragen over 2003, 2004 en 2005:

Artikel 4. Vereveningsfactoren
1.

De voor het kalenderjaar 2003 geldende vereveningsfactor bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds bedraagt voor provincies 0,96 en voor gemeenten en regionale openbare lichamen 0,95.

2.

De voor de kalenderjaren 2004, 2005 en 2006 geldende vereveningsfactor, bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds bedraagt voor provincies 0,96 en voor gemeenten en regionale, openbare lichamen 0,95.

Artikel 5. Optelposten voor de minimumuitkering
1.

De voor een kalenderjaar voor een publiekrechtelijk lichaam geldende optelposten bedoeld in artikel 3, zijn:

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de vermindering van de uitkering uit het gemeentefonds dan wel het provinciefonds berekend naar de feiten en omstandigheden zoals die bekend zijn op 1 oktober van het desbetreffende jaar.

3.

Het kostendekkingspercentage bedraagt 83%.

4.

Met samenwerkingsverbanden worden gelijkgesteld de bedrijven of diensten van het publiekrechtelijk lichaam die zelfstandig deelnemen aan het maatschappelijke verkeer alsmede de lichamen waarvan uitsluitend het publiekrechtelijk lichaam onmiddellijk of middellijk aandeelhouder, deelnemer of lid is, alsmede lichamen waarvan de bestuurders uitsluitend door het publiekrechtelijk lichaam onmiddellijk of middellijk worden benoemd en ontslagen en waarvan het vermogen bij liquidatie uitsluitend ter beschikking van het publiekrechtelijk lichaam komt.

5.

De afgedragen omzetbelasting van een samenwerkingsverband is toerekenbaar aan het publiekrechtelijk lichaam tot het gedeelte van de afgedragen omzetbelasting van dat samenwerkingsverband dat in dezelfde verhouding staat tot de afgedragen omzetbelasting als de netto bijdrage van het publiekrechtelijk lichaam in de kosten van het samenwerkingsverband staat tot de totale netto kosten van het samenwerkingsverband.

Artikel 6. De korting bij toepassing van de minimale uitkering
1.

De voor een kalenderjaar voor een publiekrechtelijk lichaam geldende korting bedoeld in artikel 3, bedraagt:

2.

Voor de berekening van de bijdragen voor provincies over de kalenderjaren 2004, 2005 en 2006 wordt het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde percentage verhoogd tot respectievelijk twee, drie en drie.

Artikel 7. Omvang bijdrage en herrekening
1.

De omvang van de bijdrage, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het BTW-compensatiefonds, wordt vastgesteld op basis van het werkelijke gebruik dat van de goederen en diensten wordt gemaakt dan wel van het beoogde gebruik indien de goederen en diensten in een later kalenderjaar feitelijk gebruikt gaan worden.

2.

Ingeval het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam twee of meer goederen of diensten van dezelfde soort gebruikt, worden deze alle geacht mede te worden gebruikt ten behoeve van activiteiten waarvoor geen recht op bijdrage bestaat, tenzij blijkt welke van die goederen en diensten uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van zodanige activiteiten en welke uitsluitend ten behoeve van activiteiten waarvoor recht op bijdrage bestaat.

3.

Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van de gegevens van het tijdvak waarin de omzetbelasting aan het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam in rekening wordt gebracht dan wel wordt verschuldigd.

4.

De herziening, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, geschiedt op basis van de gegevens van het kalenderjaar waarin het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam de goederen of diensten is gaan gebruiken.

Artikel 8. Herziening
1.

In afwijking van artikel 7 worden voor de toepassing van de bijdrage afzonderlijk in aanmerking genomen:

2.

Met betrekking tot onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen wordt de bijdrage herzien in elk van de negen kalenderjaren, volgende op dat waarin het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam het goed is gaan gebruiken. De herziening geschiedt telkens voor een tiende gedeelte van de bijdrage op basis van de voor het kalenderjaar geldende gegevens bij de opgaaf over dat kalenderjaar.

3.

Met betrekking tot de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde roerende zaken en investeringsdiensten, wordt de bijdrage herzien in elk van de vier kalenderjaren, volgende op dat waarin het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam het goed of de investeringsdienst is gaan gebruiken. De herziening geschiedt telkens voor een vijfde gedeelte van de bijdrage op basis van de voor het kalenderjaar geldende gegevens bij de opgaaf over dat kalenderjaar.

4.

De herziening, bedoeld in het tweede en derde lid, blijft achterwege ingeval met betrekking tot het goed of het deel daarvan, waarvan het gebruik is gewijzigd aftrek van omzetbelasting heeft plaatsgevonden of had kunnen plaatsvinden en deze aftrek niet kan worden herzien.

5.

De herziening blijft achterwege in het kalenderjaar waarin het bedrag dat op basis van de voor dat jaar geldende gegevens voor bijdrage in aanmerking komt, niet meer dan tien procent verschilt van het, op dat jaar betrekking hebbende, als bijdrage ontvangen bedrag.

Artikel 9. Herziening bij levering

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.