Wet van 7 november 2002 tot wijziging van de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens)
Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen, bedoeld in het eerste lid, wordt in de artikelen waar over «Onze Minister» wordt gesproken «een gerecht als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie» gelezen.
De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van een gerecht als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende gerechtelijke strafgegevens en, wanneer dat het geval is, om die gerechtelijke strafgegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, te verkrijgen. Het gerecht doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende gerechtelijke strafgegevens, tenzij het gerecht weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.
Artikel 51g
De gerechtelijke strafgegevens worden verwijderd zodra die voor de gerechten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, niet langer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun rechterlijke taken.
De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt gerechtelijke strafgegevens ten behoeve van de behandeling van strafzaken, in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 51h
De artikelen 26a tot en met 26e, 26g, 26h en 27, eerste en tweede lid, en 39c, tweede tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op gerechtelijke strafgegevens.
De artikelen 35a, 35b en 35d, van de Wet politiegegevens zijn van overeenkomstige toepassing op gerechtelijke strafgegevens.
De Autoriteit persoonsgegevens is bevoegd:
- a. de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker te waarschuwen dat met de voorgenomen verwerkingen waarschijnlijk een inbreuk wordt gemaakt op het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- b. een last onder bestuursdwang op te leggen ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- c. een bestuurlijke boete op te leggen indien de verwerkingsverantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen is bepaald bij of krachtens:
- –. de artikelen 51f, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7, 7a, 7b en 7d in dat lid, en 51h, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 26c, 26g en 26h in dat lid, van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de vijfde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- –. artikel 51f, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7e, 17a, 17b, 22 en 24, alsmede artikel 51f, derde lid, van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- d. een advies te verstrekken aan de verwerkingsverantwoordelijke naar aanleiding van een voorafgaande raadpleging, bedoeld in artikel 26h;
- e. de verwerkingsverantwoordelijke te verplichten een inbreuk in verband met persoonsgegevens te melden aan de betrokkene.
Artikel 27, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De werking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het derde lid, onder c, wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt respectievelijk beroep is ingesteld, op het bezwaar respectievelijk het beroep is beslist.
De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdelen d en e, gelden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
In afwijking van het eerste lid, is de Autoriteit persoonsgegevens niet belast met het toezicht op de verwerking van gerechtelijke strafgegevens door de gerechten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, in het kader van de uitoefening van hun rechterlijke taken.
Titel 4. Slotbepalingen
Artikel 52
Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt tot het ter kennis brengen daarvan noodzaakt.
Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing
Artikel 53
De Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395) wordt ingetrokken.
Artikel 54
Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Artikel 55
Wijzigt de Advocatenwet.
Artikel 56
Wijzigt de Wet tarieven in strafzaken.
Artikel 57
Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 58
Wijzigt de Wet op de expertisecentra.
Artikel 59
Wijzigt de Wet op het primair onderwijs.
Artikel 60
Wijzigt de Wet op de erkende onderwijsinstellingen.
Artikel 61
Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 62
Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's.
Artikel 63
Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.
Artikel 64
Wijzigt de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs.
Artikel 65
Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet.
Artikel 66
Wijzigt de Wet beëedigde vertalers.
Artikel 67
Wijzigt de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer.
Artikel 68
Wijzigt de Wet politieregisters.
Artikel 69
Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken.
Artikel 70
Wijzigt de Spoorwegwet.
Artikel 71
Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 72
Wijzigt de Wet op het notarisambt.
Artikel 73
Wijzigt deze wet, de Wet politieregisters en de Luchtvaartwet.
Artikel 74
Wijzigt deze wet.
Artikel 75
Aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties worden tevens de justitiële gegevens over minderjarigen verstrekt die overeenkomstig de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 528) waren opgenomen in het strafregister.
Artikel 76
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 77
Indien voor het moment van inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon is gedaan, zijn op de behandeling van de aanvraag en de daaruit voortvloeiende procedures de bepalingen van toepassing zoals die luiden voor inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 78
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 79
Deze wet wordt aangehaald als: Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)