Besluit van 27 november 2002, houdende vaststelling van de vergoeding voor reprografisch verveelvoudigen en vaststelling van de vrijstelling van de opgaveplicht
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 juli 2002, nr. 5173614/02/6, Directie Wetgeving, Sector Privaatrecht;
Gelet op artikel 16i, tweede lid, en artikel 16m, tweede lid, van de Auteurswet 1912;
De Raad van State gehoord (advies van 27 september 2002, nr. W03.02.0296/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 november 2002, nr. 5198458/02/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
De vergoeding, bedoeld in artikel 16h van de Auteurswet, bedraagt € 0,045 per gekopieerde pagina.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de vergoeding € 0,011 per gekopieerde pagina voor het reprografisch verveelvoudigen door andere onderwijsinstellingen dan instellingen die gericht zijn op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 2
De verplichting tot betaling van de vergoeding, bedoeld in het eerste artikel, rust op degene die de verveelvoudigingen vervaardigt of daartoe opdracht geeft.
Artikel 3
Degene die minder dan 50 000 reprografische verveelvoudigingen per jaar maakt, is niet gehouden daarvan opgave te doen bij de in artikel 16l, eerste lid, van de Auteurswet aangewezen rechtspersoon.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.