Besluit van 9 december 2002, houdende voorschriften voor uitvoering van de controle van personen, bagage en vracht door beveiligingspersoneel en luchtvaartmaatschappijen op luchtvaartterreinen (Besluit beveiliging burgerluchtvaart)

Type AMvB
Publication 2022-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 juni 2001, nr. 5105759/01/6;

Gelet op de artikelen 37ac, eerste lid, en 37e, tweede lid, onder d, van de Luchtvaartwet;

De Raad van State gehoord (advies van 3 augustus 2001, No. W03.01.0298/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 3 december 2002, nr. 5115795/01/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2

De exploitant van een luchtvaartterrein zorgt dat de beveiligingsmedewerker zijn taak uitvoert met inachtneming van de paragrafen 2 tot en met 4 van dit besluit.

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

§ 2. Controle van passagiers en handbagage

Artikel 5
1.

De beveiligingsmedewerker controleert de passagiers met inachtneming van de in het maatschappelijk verkeer algemeen aanvaarde omgangsvormen.

2.

De beveiligingsmedewerker controleert de handbagage zo voorzichtig en zorgvuldig als mogelijk is met het oog op doeltreffende controle.

3.

De beveiligingsmedewerker voert ter uitvoering van het beveiligingsonderzoek uitsluitend handelingen uit die voor doeltreffende controle redelijkerwijs noodzakelijk zijn.

4.

De beveiligingsmedewerker voert het beveiligingsonderzoek zodanig uit dat passagiers niet meer worden belast dan voor doeltreffende controle noodzakelijk is.

Artikel 6
1.

Fouillering geschiedt door het aftasten van de kleding of het onderzoeken van afzonderlijke kledingstukken voor zover dat noodzakelijk is voor doeltreffende controle.

2.

Fouillering wordt uitgevoerd door één of meer beveiligingsmedewerkers van hetzelfde geslacht als de passagier, tenzij de passagier uitdrukkelijk heeft ingestemd met fouillering door een beveiligingsmedewerker van het andere geslacht.

3.

Fouillering vindt plaats in een afgezonderde ruimte indien de passagier of de betrokken beveiligingsmedewerker de voorkeur daarvoor kenbaar heeft gemaakt.

4.

Fouillering vindt plaats in het bijzijn van een tweede beveiligingsmedewerker indien de passagier of de betrokken beveiligingsmedewerker de voorkeur daarvoor kenbaar heeft gemaakt.

5.

Indien fouillering niet goed mogelijk blijkt of onvoldoende is om de aanwezigheid van verboden voorwerpen vast te stellen, wordt daarvan onverwijld mededeling gedaan aan de Koninklijke marechaussee.

Artikel 7
1.

Nader onderzoek van handbagage geschiedt door handmatig onderzoek en zintuiglijke waarneming.

2.

De beveiligingsmedewerker voert het nader onderzoek van de handbagage uit in aanwezigheid van de betrokken passagier.

3.

De beveiligingsmedewerker opent bagage, pakt bagage uit en haalt of laat zaken uit de verpakking voor zover dit noodzakelijk is voor doeltreffende controle.

4.

De beveiligingsmedewerker beproeft of de werkelijke functie van de bagage of van zaken daaruit overeenkomt met de functie die de uiterlijke verschijningsvorm doet vermoeden voor zover dit noodzakelijk is voor doeltreffende controle.

5.

Het nader onderzoek vindt plaats in een afgezonderde ruimte indien de passagier of de betrokken beveiligingsmedewerker de voorkeur daarvoor kenbaar heeft gemaakt.

Artikel 8

De beveiligingsmedewerker verschaft een passagier op diens verzoek informatie met betrekking tot het beveiligingsonderzoek, tenzij het belang van doeltreffende controle zich daartegen verzet.

Artikel 9
1.

Een beveiligingsmedewerker doet onverwijld mededeling aan de Koninklijke marechaussee van een onregelmatigheid bij de uitvoering van het beveiligingsonderzoek.

2.

Van een onregelmatigheid is in ieder geval sprake indien:

Artikel 10
1.

Indien het beveiligingsonderzoek een bevraging als bedoeld in artikel 37h, eerste lid, onder d omvat, bevraagt de beveiligingsmedewerker passagiers met inachtneming van de in het maatschappelijk verkeer algemeen aanvaarde omgangsvormen.

2.

De beveiligingsmedewerker beperkt de bevraging tot onderwerpen die kunnen dienen tot het opleveren van aanwijzingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de passagier.

§ 3. Controle van personen die zich anders dan als passagier op het luchtvaartterrein bevinden danwel anders dan als passagier aan boord kunnen gaan en verdergaande controle krachtens de vervoersovereenkomst

Artikel 11

Paragraaf 2 is van overeenkomstige toepassing op:

§ 3. Beveiliging van luchthavens en verdergaande controle krachtens de vervoersovereenkomst

Artikel 12
1.

Artikel 5, tweede en derde lid en de artikelen 7 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing op het beveiligingsonderzoek van ruimbagage.

2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 7, tweede lid, niet van toepassing indien de passagier zich voor zover redelijkerwijs valt na te gaan kennelijk niet op het luchtvaartterrein bevindt.

Artikel 13
1.

Voorafgaand aan het nader onderzoek naar de inhoud van ruimbagage, bedoeld in artikel 37h, tweede lid, onder b, van de wet vraagt de beveiligingsmedewerker de passagier te bevestigen dat de desbetreffende ruimbagage hem toebehoort en verzoekt hem deze zelf te openen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de passagier zich voor zover redelijkerwijs valt na te gaan kennelijk niet op het luchtvaartterrein bevindt.

§ 5. Controle van vracht

Artikel 14

Vervallen

§ 5a. Inzet van air marshals

Artikel 15
1.

Het opleidingsprogramma van een opleidingsinstelling is zodanig opgesteld dat op redelijke gronden mag worden verwacht dat een cursist na het met goed gevolg doorlopen van dit programma aan de eindtermen van de beveiligingsopleiding voldoet.

2.

Het opleidingsprogramma bevat in ieder geval:

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen, met het oog op de goede uitvoering van EG-verordening 300/2008, nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van het opleidingsprogramma.

Artikel 16
1.

De opleidingsinstelling biedt, al dan niet in samenwerking met een andere opleidingsinstelling die beschikt over een door Onze Minister overeenkomstig artikel 37rc van de wet goedgekeurd opleidingsprogramma, ten minste eens in het halfjaar een beveiligingsopleiding aan.

2.

De opleidingsinstelling voert tenminste eens in de vijf jaar een evaluatie uit van de door haar gegeven beveiligingsopleidingen en doet de commandant van de Koninklijke marechaussee een schriftelijk verslag van deze evaluatie toekomen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 14a
1.

De aanwijzing, bedoeld in artikel 37ada, eerste lid, van de wet omvat het vluchtnummer, de bestemming en het tijdstip van vertrek.

2.

Naast de gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan de aanwijzing een aanduiding omvatten van de stoelen in het luchtvaartuig die bestemd zijn voor de air marshals.

3.

De luchtvaartmaatschappij wordt binnen een redelijke termijn schriftelijk in kennis gesteld van de aanwijzing.

4.

Onze Minister kan de aanwijzing te allen tijde intrekken.

Artikel 14b
1.

De luchtvaartmaatschappij die in het kader van de toepassing van artikel 37ada van de wet de beschikking krijgt over gegevens of inlichtingen waarvan zij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, draagt ervoor zorg dat die gegevens en inlichtingen zijn beveiligd tegen kennisneming door onbevoegden.

2.

Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van het eerste lid.

Artikel 14c

Voor aanvang van de vlucht informeert de Koninklijke marechaussee de luchtvaartmaatschappij nader over de inzet van air marshals.

Artikel 14d
1.

Ten aanzien van het vervoer van air marshals ingevolge artikel 37ada van de wet gelden tussen Onze Minister en de luchtvaartmaatschappij de voor het vervoer rechtens geldende dan wel gebruikelijke tarieven en voorwaarden. Bij gebreke van zowel rechtens geldende als gebruikelijke tarieven en voorwaarden, gelden de door Onze Minister vastgestelde tarieven en voorwaarden.

2.

Onze Minister kan regels stellen ter aanvulling van de rechtens geldende of gebruikelijke tarieven en voorwaarden.

§ 6. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 11a

Vervallen

§ 4. Controle van ruimbagage

§ 4. Ruimbagage

§ 5a. Inzet van air marshals

§ 6. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2a

De instemming, bedoeld in artikel 37acb, eerste lid, van de wet, geldt voor een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag volgend op de dag waarop de instemming is verleend.

Artikel 2b

De verklaring, bedoeld in artikel 37rf, eerste lid, van de wet geldt voor een periode van drie jaar, gerekend vanaf de dag volgend op de dag waarop de verklaring is afgegeven.

§ 2. Passagiers en handbagage

Artikel 11b

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.