Besluit van 17 december 2002, houdende vaststelling van het Besluit fiscale eenheid 2003
Artikel 48. Over het ontvoegingstijdstip voort te wentelen belasting bij passieve winst uit buitenlandse onderneming
Vervallen
Hoofdstuk VIIIA. Deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
Artikel 49. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag die is gelegen acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is gepubliceerd en werkt terug tot en met 1 januari 2003.
Artikel 50. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit fiscale eenheid 2003.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 7a. Toepassing innovatiebox en CFC-maatregel na voeging
In geval van voeging van een maatschappij treedt de fiscale eenheid voor de toepassing van afdeling 2.3 van de wet en de artikelen 13ab, 15e, tiende en elfde lid, en 23e van de wet in de plaats van die maatschappij.
Afdeling 2. Bepalingen tijdens de fiscale eenheid
Afdeling 3. Verrekening voorvoegingsverliezen
Afdeling 4. De verbreking van de fiscale eenheid
Artikel 16a. Toepassing innovatiebox en CFC-maatregel na ontvoeging
Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een immaterieel activum behoort of gaat behoren, treedt die dochtermaatschappij voor de toepassing van afdeling 2.3 van de wet met betrekking tot dat activum in de plaats van de fiscale eenheid.
In afwijking van het eerste lid treedt een ontvoegde dochtermaatschappij voor de toepassing van afdeling 2.3 van de wet niet in de plaats van de fiscale eenheid met betrekking tot een immaterieel activum waarop artikel 15ai van de wet toepassing heeft gevonden.
Voor zover een ontvoegde dochtermaatschappij een belang in een gecontroleerd lichaam heeft, treedt die dochtermaatschappij voor de toepassing van de artikelen 13ab, 15e, tiende en elfde lid, en 23e van de wet met betrekking tot dat lichaam in de plaats van de fiscale eenheid.
Hoofdstuk III. Specifieke bepalingen bij een juridische splitsing of juridische fusie binnen fiscale eenheid
Artikel 18a. Aansluitende fiscale eenheid na juridische fusie of splitsing
Indien binnen drie maanden na het verlijden van de akte van fusie of splitsing wordt verzocht om een fiscale eenheid met ingang van de aanvang van het boekjaar waarin de fusie of splitsing heeft plaatsgevonden, wordt het verzoek voor de toepassing van artikel 15, negende lid, van de wet geacht te zijn gedaan binnen drie maanden na de aanvang van dat boekjaar, mits van de fiscale eenheid de volgende maatschappijen deel uitmaken:
- a. twee of meer belastingplichtigen waarin de verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon een onmiddellijk of middellijk aandelenbezit heeft dat bij de fusie onderscheidenlijk splitsing is overgegaan naar de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk één van de verkrijgende rechtspersonen, of
- b. de verkrijgende rechtspersoon en een belastingplichtige waarin de verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon een onmiddellijk of middellijk aandelenbezit heeft dat bij de fusie onderscheidenlijk splitsing is overgegaan naar de verkrijgende rechtspersoon.
Het eerste lid is slechts van toepassing indien de verdwijnende of splitsende rechtspersoon en de belastingplichtigen, bedoeld in onderdeel a van dat lid, of de belastingplichtige, bedoeld in onderdeel b van dat lid, bij de aanvang van het boekjaar, bedoeld in dat lid, deel uitmaakten van dezelfde fiscale eenheid en het ontvoegingstijdstip met betrekking tot die fiscale eenheid met toepassing van artikel 14, derde lid, wordt gesteld op de aanvang van dat boekjaar.
Voor de toepassing van artikel 15, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt vanaf de aanvang van het boekjaar waarin een juridische fusie of splitsing plaatsvindt een onmiddellijk of middellijk bezit van de verdwijnende, onderscheidenlijk splitsende, rechtspersoon van aandelen in een andere belastingplichtige aangemerkt als bezit van de verkrijgende rechtspersoon die door de juridische fusie, onderscheidenlijk splitsing, het onmiddellijke of middellijke bezit van de desbetreffende aandelen heeft verkregen.
Het derde lid is slechts van toepassing indien:
- a. bij de aanvang van het in het derde lid bedoelde boekjaar de verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon en de in dat lid bedoelde andere belastingplichtige deel uitmaakten van dezelfde fiscale eenheid en het ontvoegingstijdstip met betrekking tot die fiscale eenheid met toepassing van artikel 14, derde lid, wordt gesteld op de aanvang van dat boekjaar;
- b. de verkrijgende rechtspersoon bij de aanvang van dat boekjaar een bestaand lichaam is;
- c. de verkrijgende rechtspersoon en de lichamen die met hem deel uitmaken of kunnen uitmaken van een fiscale eenheid op het tijdstip direct voorafgaande aan de fusie of splitsing geen onmiddellijk of middellijk bezit van aandelen in het nominaal gestorte kapitaal in de andere belastingplichtige, bedoeld in het derde lid, hadden, of gezamenlijk een onmiddellijk of middellijk bezit van minder dan 5% van die aandelen hadden.
Hoofdstuk IV. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid tussen verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling
Afdeling 1. Definities
Afdeling 1. Definities
Afdeling 2. Bepalingen inzake jaarlijkse toevoegingen en onttrekkingen aan de egalisatiereserve bij een fiscale eenheid tussen een verzekeraar en een niet-verzekeraar
Afdeling 3. Bepalingen bij een fiscale eenheid tussen verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling wat betreft toets egalisatiereserve aan het vermogen
Hoofdstuk V. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid van beleggingsinstellingen
Afdeling 5. Calamiteitenreserve
Afdeling 1. Definitie
Afdeling 2. Bij de totstandkoming van een fiscale eenheid
Hoofdstuk VI. Specifieke bepalingen voor een coöperatie bij het einde van een fiscale eenheid met die coöperatie als moedermaatschappij
Hoofdstuk VI. Specifieke bepalingen voor een coöperatie bij het einde van een fiscale eenheid met die coöperatie als moedermaatschappij
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige moedermaatschappij
Afdeling 3a. Fiscale eenheid met een belang in een tussenmaatschappij
Hoofdstuk VIII. Voorkoming dubbele belasting
Afdeling 5. Voortzetting fiscale eenheid in andere situaties dan zetelverplaatsing
Afdeling 3. Buitenlandse resultaten van vóór het ontvoegingstijdstip
Hoofdstuk VIIIA. Deelnemingsverrekening
Hoofdstuk VIIIA. Deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 48a. Delegatiebevoegdheid inzake voorrangsregeling inzake voordelen laagbelaste beleggingsdeelnemingen en deelnemingsverrekening
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de toedeling van voordelen uit hoofde van laagbelaste beleggingsdeelnemingen en deelnemingsverrekening.
Artikel 48b. Deelnemingsverrekening van vóór het voegingstijdstip
Deelnemingsverrekening van een maatschappij die wordt overgebracht naar het jaar waarin de fiscale eenheid ten aanzien van die maatschappij tot stand komt, wordt in dat jaar in aanmerking genomen tot ten hoogste het volgens het tweede lid te bepalen bedrag.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag is het bedrag dat tot de volgens Hoofdstuk V van de wet berekende belasting van de fiscale eenheid in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen nadat het is verminderd met de bij de winstbepaling van het jaar in aftrek gekomen kosten ter zake van de laagbelaste beleggingsdeelnemingen, die zijn begrepen in, en ten hoogste tot het bedrag van, het aan die maatschappij toe te rekenen belastbare bedrag van de fiscale eenheid, staat tot het belastbare bedrag van de fiscale eenheid.
Artikel 15ah van de wet en artikel 12 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt een laagbelaste beleggingsdeelneming die geheel of gedeeltelijk binnen de fiscale eenheid is overgedragen, toegerekend aan de maatschappij van wier vermogen die deelneming op het voegingstijdstip deel uitmaakte.
Voor zover een in het eerste lid bedoeld bedrag aan deelnemingsverrekening op grond van dat lid in combinatie met het tweede lid, of op grond van artikel 23c, tweede lid, onderdeel b, of zesde lid, van de wet niet in aanmerking is genomen, wordt het in overeenstemming met artikel 23c, zevende lid, van de wet telkens overgebracht naar het volgende jaar en met inachtneming van dit artikel in aanmerking genomen.
Voor zover deelnemingsverrekening in aanmerking wordt genomen die betrekking heeft op een periode gelegen vóór het voegingstijdstip van de maatschappij van wier vermogen de laagbelaste beleggingsdeelneming destijds deel uitmaakte, wordt dit bedrag geacht deelnemingsverrekening van vóór het voegingstijdstip van die maatschappij te zijn.
Artikel 48c. Deelnemingsverrekening na ontvoeging
In geval van ontvoeging van een maatschappij gaat de naar een volgend jaar overgebrachte deelnemingsverrekening over op die maatschappij voor zover deze deelnemingsverrekening betrekking heeft op een periode waarin de aandelen in de laagbelaste beleggingsdeelneming tot het vermogen behoorden van die maatschappij.
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 48d. Verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
Bij de toepassing van artikel 23d van de wet bij een maatschappij die wordt gevoegd of ontvoegd zijn de artikelen 48a, 48b en 48c van overeenkomstige toepassing. Hierbij wordt voor de overeenkomstige toepassing van artikel 48b, tweede lid, uitgegaan van het gezamenlijke bedrag aan winst uit buitenlandse onderneming waarop ingevolge artikel 15e, zevende lid, van de wet de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten geen toepassing vindt.
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Hoofdstuk VIIIB. Overgangsrecht ten gevolge van wijzigingsbesluiten
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 48e. Overgangsrecht in verband met invoering objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten per 1 januari 2012
Bij de toepassing van artikel 33b, vijfde lid, van de wet, blijft artikel 35, derde lid, zoals dat luidde op 31 december 2011, van toepassing.
Artikel 46, zoals dat luidde op 31 december 2011, blijft van toepassing voor zover, in geval van ontvoeging van een maatschappij, ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting naar een volgend jaar over te brengen positieve of negatieve buitenlandse winsten van de fiscale eenheid aanwezig zijn.
Artikel 48, zoals dat luidde op 31 december 2011, blijft van toepassing voor zover, in geval van ontvoeging van een maatschappij, ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting naar een volgend jaar over te brengen negatieve passieve winst uit buitenlandse onderneming aanwezig is.
Bij de toepassing van het tweede of derde lid blijft artikel 41, zoals dat luidde op 31 december 2011, van toepassing.
Hoofdstuk VIIIB. Overgangsrecht ten gevolge van wijzigingsbesluiten
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Hoofdstuk VIIIA. Deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
Artikel 7b. Voeging wegens stakingsverlies
Indien bij voeging van een maatschappij met activiteiten in een andere staat aannemelijk is dat op of voor het voegingstijdstip is besloten de activiteiten in die andere staat te staken, komt het bij de fiscale eenheid in aanmerking te nemen stakingsverlies, bedoeld in de artikelen 15i en 15j van de wet, slechts in aftrek tot het bedrag van de aan die maatschappij, zonder rekening te houden met het stakingsverlies, toe te rekenen positieve winst. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.
Voor zover een stakingsverlies ingevolge het eerste lid niet in aanmerking is genomen, is artikel 15ab, derde, vierde en vijfde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Bepalingen tijdens de fiscale eenheid
Afdeling 3. Aftrek voorvoegingsrenten, verrekening voorvoegingsverliezen en verrekening voorvoegingsvoorheffingen
Afdeling 4. De verbreking van de fiscale eenheid
Hoofdstuk IV. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid tussen verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling
Afdeling 3. Bepalingen bij een fiscale eenheid tussen verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling wat betreft toets egalisatiereserve aan het vermogen
Afdeling 4. Verdeling egalisatiereserve bij een fiscale eenheid tussen verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling bij ontvoeging
Hoofdstuk V. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid van beleggingsinstellingen
Afdeling 1. Definitie
Afdeling 2. Bij de totstandkoming van een fiscale eenheid
Hoofdstuk VI. Specifieke bepalingen voor een coöperatie bij het einde van een fiscale eenheid met die coöperatie als moedermaatschappij
Hoofdstuk VI. Specifieke bepalingen voor een coöperatie bij het einde van een fiscale eenheid met die coöperatie als moedermaatschappij
Afdeling 2. Fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige moedermaatschappij
Afdeling 3. Fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij
Hoofdstuk VIII. Voorkoming dubbele belasting
Hoofdstuk VIIIA. Deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
Hoofdstuk VIIIA. Deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 38. Belang in tussenmaatschappij waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is
Voor de toepassing van artikel 13d van de wet met betrekking tot een deelneming in een tussenmaatschappij van een fiscale eenheid waarvan ook de belastingplichtige deel uitmaakt of een deelneming die voorheen als zodanig kwalificeerde, wordt de in de jaren, bedoeld in artikel 13d, derde lid, van de wet, aan een maatschappij waarin die tussenmaatschappij onmiddellijk of middellijk een belang had toe te rekenen winst van de fiscale eenheid geacht mede als positief voordeel uit hoofde van de deelneming te zijn genoten, indien deze winst per saldo uitkomt op een positief bedrag. De vorige volzin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij deze winst niet feitelijk op enigerlei wijze direct of indirect als positief voordeel uit hoofde van de deelneming heeft genoten in de jaren, bedoeld in artikel 13d, derde lid, van de wet. Bij de toepassing van de eerste volzin is artikel 15ah van de wet van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van artikel 13d van de wet met betrekking tot een deelneming als bedoeld in het eerste lid is artikel 35, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38a. Belang in tussenmaatschappij waarop de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is
Indien een belastingplichtige waarin een belang wordt gehouden door een tussenmaatschappij als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid en het belang van een tot die fiscale eenheid behorende maatschappij in die tussenmaatschappij een beleggingsdeelneming niet zijnde een kwalificerende beleggingsdeelneming betreft, stelt de belastingplichtige op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid ten aanzien van die belastingplichtige tot stand komt, naar rato van het in die belastingplichtige door die tussenmaatschappij gehouden belang, zijn activa en passiva te boek op de waarde in het economische verkeer en voegt hij de door hem gevormde fiscale reserves toe aan de winst.
Op gezamenlijk verzoek van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij blijft het eerste lid buiten aanmerking.
Voor de toepassing van artikel 13aa van de wet worden positieve voordelen uit hoofde van het belang in de tussenmaatschappij, bedoeld in het eerste lid, bij de bepaling van de winst van de fiscale eenheid niet in aanmerking genomen, voor zover aannemelijk is dat deze samenhangen met of voortvloeien uit aan een dochtermaatschappij, waarin die tussenmaatschappij een belang heeft, toe te rekenen winst van de fiscale eenheid. Indien ten aanzien van de dochtermaatschappij een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede lid, blijft de eerste volzin buiten toepassing tot het bedrag dat ingevolge dat verzoek niet in de heffing is betrokken.
Voor de toepassing van artikel 13aa van de wet worden negatieve voordelen uit hoofde van het belang in de tussenmaatschappij, bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van het zesde lid van dat artikel, bij de bepaling van de winst van de fiscale eenheid slechts in aanmerking genomen voor zover aannemelijk is dat deze samenhangen met of voortvloeien uit andere werkzaamheden of ander vermogen dan de werkzaamheden, onderscheidenlijk het vermogen, van een dochtermaatschappij waarin die tussenmaatschappij een belang heeft.
Indien op het ontvoegingstijdstip van een dochtermaatschappij de waarde in het economische verkeer van het belang in de tussenmaatschappij, bedoeld in het eerste lid, die een belang in die dochtermaatschappij houdt, lager is dan de boekwaarde van dat belang, wordt dat belang op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip teboekgesteld op de waarde in het economische verkeer.
Voor de toepassing van het derde lid wordt de aan de dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid berekend alsof zij geen deel uitmaakt van de fiscale eenheid, waarbij winsten en verliezen van voor het voegingstijdstip buiten aanmerking blijven.
Hoofdstuk VIII. Voorkoming dubbele belasting
Artikel 41. Definitie
Vervallen
Hoofdstuk VIIIB. Overgangsrecht ten gevolge van wijzigingsbesluiten
Hoofdstuk VIIIC. Overgangsrecht ten gevolge van overgangsbepalingen in de wet
Artikel 48f. Overgangsrecht innovatiebox
Bij de toepassing van artikel 34d van de wet zijn de artikelen 7a en 16a van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Afdeling 4. Voortzetting fiscale eenheid bij zetelverplaatsing
Afdeling 6. Voortzetting fiscale eenheid in andere situaties dan zetelverplaatsing
Hoofdstuk VIII. Voorkoming dubbele belasting
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 10a. Volgorde in aftrek brengen van voorvoegingsrenten
Indien de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten bij de fiscale eenheid lager is dan de totale ruimte die hiervoor bij de maatschappijen met voorvoegingsrenten gezamenlijk zou bestaan indien zij geen deel zouden uitmaken van de fiscale eenheid, komen voor de toepassing van artikel 15aha, eerste lid, van de wet de voor het voegingstijdstip van een maatschappij ontstane voortgewentelde saldi aan renten in aftrek bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid tot maximaal het bedrag dat volgt uit de formule (rm/rt) x rfe waarbij wordt verstaan onder:
- rm:. de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten van de maatschappij met voorvoegingsrenten indien zij geen deel zou uitmaken van de fiscale eenheid;
- rt:. de totale ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten van de maatschappijen met voorvoegingsrenten gezamenlijk indien zij geen deel zouden uitmaken van de fiscale eenheid;
- rfe:. de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten bij de fiscale eenheid.
Indien bij een maatschappij het bedrag aan voorvoegingsrenten lager is dan het bedrag dat op grond van de formule, bedoeld in het eerste lid, in aftrek kan worden gebracht, wordt het verschil tussen die bedragen door toepassing van die formule op basis van de na toepassing van het eerste lid resterende ruimten verdeeld over de maatschappijen met een na toepassing van het eerste lid resterend bedrag aan voorvoegingsrenten, met dien verstande dat bij toepassing van die formule rfe ten hoogste gelijk is aan de rt. Indien bij een maatschappij het resterende bedrag aan voorvoegingsrenten lager is dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van de eerste zin, wordt de eerste zin opnieuw toegepast, met dien verstande dat daarbij wordt uitgegaan van de na toepassing van de eerste zin resterende ruimten.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid op situaties als bedoeld in artikel 15aha, tweede lid, van de wet wordt onder maatschappij ook verstaan een bestaande fiscale eenheid die is uitgebreid, onderscheidenlijk een bestaande fiscale eenheid die is opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid.
Afdeling 4. De verbreking van de fiscale eenheid
Hoofdstuk III. Specifieke bepalingen bij een juridische splitsing of juridische fusie binnen fiscale eenheid
Hoofdstuk IV. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid tussen verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling
Hoofdstuk V. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid van beleggingsinstellingen
Afdeling 3. Bij de verbreking van een fiscale eenheid
Hoofdstuk VII. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid met een buitenlandse belastingplichtige, een tussenmaatschappij of een topmaatschappij
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige moedermaatschappij
Afdeling 3. Fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij
Hoofdstuk VIIIC. Overgangsrecht ten gevolge van overgangsbepalingen in de wet
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 12a. Volgorde verrekening voorvoegingsvoorheffingen
Indien de ruimte voor het verrekenen van voortgewentelde voorheffingen bij de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 15ak, vierde lid, van de wet, lager is dan de ruimte, bedoeld in artikel 15ak, vijfde lid, van de wet, die hiervoor bij de maatschappijen met voorvoegingsvoorheffingen gezamenlijk zou bestaan indien zij geen deel zouden uitmaken van de fiscale eenheid, worden voor de toepassing van artikel 15ak, eerste en tweede lid, van de wet de voorvoegingsvoorheffingen van een maatschappij verrekend met een aanslag van de moedermaatschappij tot maximaal het bedrag dat volgt uit de formule (bm/bt) x vpbfe waarbij wordt verstaan onder:
- bm: de op de voet van artikel 15ah van de wet aan de maatschappij met voorvoegingsheffingen toe te rekenen winst van de fiscale eenheid verminderd met een met de belastbare winst van de fiscale eenheid verrekend voorvoegingsverlies van die maatschappij;
- bt: de op de voet van artikel 15ah van de wet aan de maatschappijen met voorvoegingsvoorheffingen gezamenlijk toe te rekenen winst van de fiscale eenheid verminderd met de met de belastbare winst van de fiscale eenheid verrekende voorvoegingsverliezen van die maatschappijen gezamenlijk;
- vpbfe: het bedrag, bedoeld in artikel 15ak, vierde lid, van de wet.
Indien bij een maatschappij het bedrag aan voorvoegingsvoorheffingen lager is dan het bedrag dat door die maatschappij op grond van de formule, bedoeld in het eerste lid, kan worden verrekend, wordt het verschil tussen die bedragen (resterende voorheffingsruimte) verdeeld over de maatschappijen met een na toepassing van het eerste lid resterend bedrag aan voorvoegingsvoorheffingen. De verdeling wordt berekend op basis van de formule in het eerste lid, met dien verstande dat bij toepassing van die formule vpbfe gelijk is aan de resterende voorheffingsruimte.
Indien bij een maatschappij na toepassing van het tweede lid resterende voorheffingsruimte bestaat, wordt het tweede lid opnieuw toegepast, met dien verstande dat bij toepassing van de formule vpbfe gelijk is aan die resterende voorheffingsruimte.
Voor de toepassing van dit artikel op situaties als bedoeld in artikel 15ak, tweede lid, van de wet wordt onder maatschappij ook verstaan een fiscale eenheid die is uitgebreid, onderscheidenlijk een bestaande fiscale eenheid die is opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid.
Afdeling 4. De verbreking van de fiscale eenheid
Hoofdstuk III. Specifieke bepalingen bij een juridische splitsing of juridische fusie binnen fiscale eenheid
Hoofdstuk IV. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid tussen verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling
Hoofdstuk V. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid van beleggingsinstellingen
Hoofdstuk VII. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid met een buitenlandse belastingplichtige, een tussenmaatschappij of een topmaatschappij
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 3a. Fiscale eenheid met een belang in een tussenmaatschappij
Afdeling 4. Voortzetting fiscale eenheid bij zetelverplaatsing
Hoofdstuk VIII. Voorkoming dubbele belasting
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)