Besluit van 4 april 2003, houdende de vaststelling van de vergoedingen van de leden van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (Tijdelijk besluit vergoedingen Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming)
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 november 2002, directie Wetgeving, nr. 5198842/02/6;
Gelet op artikel 7 van de Tijdelijke instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 20 december 2002, no. W03.02.0542/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 maart 2003, directie Wetgeving, nr. 5210116/03/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. Raad: de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;
- c. ondervoorzitter: de ondervoorzitter, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet;
- d. leden: de leden,bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet;
- e. buitengewone leden: de buitengewone leden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet;
- f. voorzitter van de Raad: de voorzitter van de Raad, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet;
- g. voorzitter van de Afdeling rechtspraak: de voorzitter van de Afdeling rechtspraak, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet;
- h. beroepscommissie: commissie aan wie de rechtsprekende taak van de Raad is opgedragen;
- i. vergadering: een bijeenkomst van leden of buitengewone leden van de Afdeling rechtspraak ten behoeve van werkzaamheden in het kader van de taakuitoefening door de Raad, op uitnodiging van of namens de voorzitter van de Afdeling rechtspraak;
- j. arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld zesendertig werkuren per week omvat;
- k. arbeidsduurfactor: de breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor het lid vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36.
Dit besluit berust op artikel 8 van de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 2015.
Artikel 2
De vergoeding per maand aan de voorzitter van de Raad is gelijk aan het salaris behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 4 zijn ingedeeld. Indien de voorzitter is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur, ontvangt hij een vergoeding overeenkomstig de eerste volzin, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor.
De vergoeding per maand aan de voorzitter van de Afdeling rechtspraak is gelijk aan het salaris behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 4 zijn ingedeeld. Indien de voorzitter van de Afdeling rechtspraak is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur, ontvangt hij een vergoeding overeenkomstig de eerste volzin, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor.
De vergoeding per maand aan de ondervoorzitter is gelijk aan het salaris behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 4 is ingedeeld. Indien de ondervoorzitter is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur, ontvangt hij een vergoeding overeenkomstig de eerste volzin, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor.
Artikel 3
De vergoeding voor de leden die niet op basis van artikel 2 een vergoeding ontvangen is gelijk aan het salaris behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 6 zijn ingedeeld. Indien het lid is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur, ontvangt hij een vergoeding overeenkomstig de eerste volzin, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor.
Artikel 4
De buitengewone leden ontvangen voor het deelnemen aan een vergadering 3% van het salaris behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 6 zijn ingedeeld.
De buitengewone leden die deel uitmaken van een beroepscommissie ontvangen per zitting 4,5% van het salaris behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 6 zijn ingedeeld.
Bij de afdoening van beroepszaken in een uitsluitend schriftelijke procedure wordt voor de afdoening van 15 beroepszaken een vergoeding toegekend van gelijke hoogte als de vergoeding voor één zitting als bedoeld in het tweede lid.
Bij de behandeling van verzoeken tot schorsing wordt voor de behandeling van 20 schorsingsverzoeken een vergoeding toegekend van gelijke hoogte als de vergoeding voor één zitting, bedoeld in het tweede lid.
Het buitengewoon lid dat als voorzitter van een beroepscommissie optreedt, ontvangt per zitting een vergoeding van 125% van het in het tweede lid bedoelde bedrag.
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
De leden en de buitengewone leden hebben recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten in het binnenland en buitenland overeenkomstig hetgeen is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
Artikel 8
Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op de vergoeding van de werkzaamheden van personen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet.
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2003.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.