← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 23 april 2003, houdende nieuwe algemene regels over de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het gebruik van spoorwegen alsmede over het verkeer over spoorwegen (Spoorwegwet)

Geldende tekst a fecha 2021-06-30

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op richtlijnen 91/440/EEG, 95/18/EG, 96/48/EG, 2001/12/EG, 2001/13/EG, 2001/14/EG en 2001/16/EG en mede gelet op het belang van de bescherming van het milieu noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen inzake de aanleg, het beheer en het gebruik van spoorwegen en dat het ter bevordering van een maatschappelijk gewenste benutting van spoorwegen wenselijk is, de verantwoordelijkheid van de overheid voor de aanleg van spoorweginfrastructuur vast te leggen, de verantwoordelijkheid voor vervoer en spoorweginfrastructuur te scheiden en de publieke belangen die gemoeid zijn met het beheer van spoorweginfrastructuur te verzekeren door de invoering van een concessiestelsel voor het beheer, het gebruik van spoorwegen te bevorderen door het stellen van transparante en niet-discriminerende voorschriften en dat het voorts wenselijk is de wetgeving inzake de spoorwegen overigens te moderniseren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:

Artikel 2
1.

Deze wet is van toepassing op de als zodanig bij koninklijk besluit aangewezen hoofdspoorwegen en op bijzondere spoorwegen.

2.

Een spoorweg wordt als hoofdspoorweg aangewezen, indien:

3.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

4.

Een besluit op grond van het eerste lid of derde lid wordt in het Staatsblad geplaatst.

Artikel 3

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de spoorweg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de spoorweg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Artikel 4
1.

Het is een ieder verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het gebruik daarvan, al dan niet in combinatie met een andere stof, de vaardigheid tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht op de uitoefening van die functie kan verminderen, dat hij niet tot het behoorlijk uitoefenen van die functie of tot het behoorlijk uitoefenen van toezicht op de uitoefening van die functie in staat moet worden geacht.

2.

Het is een ieder verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat:

3.

Het is verboden een veiligheidsfunctie te doen uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te doen houden door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste of tweede lid is omschreven.

4.

Op de eerste vordering van bij of krachtens artikel 86 van deze wet of artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren zijn personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht houden, of daartoe aanstalten maken, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die ambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.

5.

Dit artikel is niet van toepassing voorzover artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

Hoofdstuk 2. Hoofdspoorweginfrastructuur

Hoofdstuk 2. Hoofdspoorweginfrastructuur

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen

Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving

Artikel 116

Vervallen

§ 2. Overige overgangsbepalingen

Artikel 117

De schadevergoedingsplicht, bedoeld in artikel 57, eerste en tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, rust niet op de eigenaar van een erf met een recht van uitweg over de hoofdspoorweg, indien dat recht van kracht was op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 103, onderdeel a, in werking treedt.

Artikel 118
1.

Tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop artikel 28 in werking treedt, worden houders van een vergunning voor openbaar vervoer per trein, verleend ingevolge de Wet personenvervoer of de Wet personenvervoer 2000, en houders van een erkenning als spoorwegonderneming, afgegeven door Onze Minister, voor de toepassing van deze wet aangemerkt als houders van een bedrijfsvergunning.

2.

Het eerste lid geldt ook na de daarin bedoelde periode ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde houders, indien zij voor de afloop van die periode een aanvraag hebben ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 28 en zolang als daarop niet onherroepelijk is beslist.

Artikel 119
1.

Vergunningen die ingevolge artikel 29a van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) zijn verleend en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop artikel 28 in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van artikel 28.

2.

Vergunningaanvragen die ingevolge artikel 29a van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) door Onze Minister in behandeling zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop artikel 28 in werking treedt, aangemerkt als vergunningaanvragen op grond van artikel 28.

Artikel 120

Vervallen

Artikel 121

Hoofdspoorweginfrastructuur die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 6 in werking treedt, wordt gebruikt, wordt met ingang van de dag waarop dat artikel in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met dat artikel.

Artikel 122
1.

Artikel 26a, eerste lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing op spoorvoertuigen en uitrusting daarvan die voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen.

2.

Op de uitrusting van de spoorvoertuigen, bedoeld in het eerste lid, is artikel 26a, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 123

Aanvragen voor een erkenning als conformiteitsbeoordelingsinstantie, die voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden aangemerkt als volgt:

Artikel 124
1.

In afwijking van artikel 2, tweede en derde lid, kunnen spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien deze spoorwegen rechtstreeks of middellijk in overwegende mate zijn aangelegd op kosten van het Rijk en naar het oordeel van Onze Minister voldoende is komen vast te staan dat gedurende de periode van twee jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van artikel 2, tweede lid deze spoorwegen door Railinfrabeheer b.v., gevestigd te Utrecht, werden onderhouden.

2.

Tot 1 januari 2013 kunnen in afwijking van artikel 2, tweede en derde lid, spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien Railinfrabeheer b.v., of Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, of hun rechtsopvolger rechthebbende is ten aanzien van deze spoorwegen.

Artikel 125
1.

Indien de Staat houder is van alle aandelen in het kapitaal van Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, gaan op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip alle vermogensbestanddelen van deze vennootschap om niet onder algemene titel over op de Staat.

2.

De overgang van registergoederen ingevolge het eerste lid doet Onze Minister van Financiën onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

3.

Ter zake van de overgang, bedoeld in het eerste lid, is geen dividendbelasting, omzetbelasting of overdrachtsbelasting verschuldigd. Ter zake van het in ontvangst nemen en het in de openbare registers verwerken is geen tarief verschuldigd.

4.

In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de in het eerste lid genoemde vennootschap is betrokken, treedt met ingang van de het in het eerste lid bedoelde tijdstip de Staat in de plaats van die vennootschap.

5.

Met ingang van het in het eerste lid bedoelde tijdstip is de in het eerste lid genoemde vennootschap ontbonden. Artikel 23 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 1. Algemeen

Artikel 5

Onze Minister draagt zorg voor de aanleg en het beheer van hoofdspoorweginfrastructuur.

§ 2. De eigenschappen van hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 6
1.

Hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels en nadere regels ten aanzien van basiskwaliteit, te weten inrichting, uitrusting en technische eigenschappen, waaronder regels over:

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

3.

De krachtens het eerste lid te stellen regels ten aanzien van een onderwerp waarin ook door een besluit van een of meer instellingen van de Europese Unie is voorzien, mogen niet in strijd zijn met dat besluit.

4.

In de krachtens het eerste lid te stellen regels kan worden bepaald dat Onze Minister bevoegd is op aanvraag van de beheerder ontheffing te verlenen van die regels. In afwijking van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht beslist Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn op de aanvraag voor een ontheffing in ieder geval binnen vier maanden nadat alle in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde informatie is verschaft.

5.

Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden en, voor zover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een deugdelijke motivering van die afwijking.

6.

Het vijfde lid geldt niet voor een wijziging van de technische of functionele eigenschappen, indien het een verbetering of vernieuwing betreft waarvoor Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 26h, eerste lid, heeft verleend, of een besluit als bedoeld in artikel 26i, eerste lid, heeft genomen.

Artikel 7

Vervallen

§ 3. De interoperabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

§ 4. Beheer van hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 16
1.

Onze Minister verleent een of meer concessies voor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Het beheer omvat, met inachtneming van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2012/34/EU, de zorg voor:

2.

Een concessie bevat een beschrijving van de werkzaamheden waarvoor de concessie wordt verleend.

3.

Een concessie voldoet aan de eisen, opgenomen in artikel 30, tweede lid, van richtlijn 2012/34/EU.

4.

Een concessie wordt niet verleend aan een spoorwegonderneming dan met inachtneming van artikel 7 bis van richtlijn 2012/34/EU.

Artikel 17
1.

Aan de concessie worden in elk geval voorschriften verbonden om te waarborgen dat:

De voorschriften, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, kunnen betrekking hebben op door de beheerder op grond van de concessie te leveren prestaties.

2.

Aan de concessie worden voorts in elk geval voorschriften verbonden ten aanzien van:

3.

Aan de concessie worden voorschriften verbonden om te waarborgen dat:

4.

Aan een concessie kan het voorschrift worden verbonden dat de beheerder, indien hij tekortschiet in het verrichten van een bepaalde prestatie, gehouden is een geldsom te voldoen aan Onze Minister.

5.

Indien toepassing is gegeven aan het vierde lid is de concessieverlener niet bevoegd ten aanzien van het verrichten van de desbetreffende prestatie aan de concessiehouder een last onder dwangsom op te leggen. Artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

6.

Onze Minister kan aan de beheerder een bijzondere volmacht verlenen tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 met betrekking tot hoofdspoorweginfrastructuur die aan de staat toebehoort.

Artikel 18
1.

Onze Minister kan een concessie geheel of gedeeltelijk intrekken indien de beheerder de concessie of een voor de beheerder geldend wettelijk voorschrift niet naleeft.

2.

Onze Minister gaat niet tot intrekking over dan nadat hij de beheerder de gelegenheid heeft geboden om binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de concessie, dan wel het wettelijk voorschrift.

3.

Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel of gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld in artikel 57 in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze naar voren te brengen.

4.

Een concessie wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verlenen of wijzigen van een concessie en over de aan een concessie te verbinden voorschriften.

Artikel 19
1.

Ter bescherming van de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en in het belang van een veilig en ongestoord gebruik daarvan, is het binnen de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen begrenzingen verboden zonder vergunning van Onze Minister gebruik te maken van de hoofdspoorwegen en de daarnaast gelegen gronden door:

2.

De in het eerste lid bedoelde begrenzingen kunnen betrekking hebben op de ruimte naast, onder en boven de hoofdspoorweg, zo nodig rekening houdend met de bodemgesteldheid van het terrein waarop en waarin de hoofdspoorweg zich bevindt, en kunnen zo nodig verschillend worden vastgesteld al naar gelang de in het eerste lid bedoelde handelingen en activiteiten. De begrenzing kan verschillend worden vastgesteld al naar gelang de aard, omvang en snelheid van het spoorverkeer op het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweg.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur.

4.

Een vergunning op grond van het eerste lid kan onder beperkingen worden verleend. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van de in het eerste lid bedoelde doelstellingen. De voorschriften kunnen tevens betrekking hebben op het doelmatig gebruik van de hoofdspoorweg en het financieel belang van de Staat voor zover dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het, binnen daarbij aangegeven begrenzingen, verrichten van werken, handelingen en activiteiten als bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van de doelstellingen van dat lid. Ten aanzien van de begrenzingen is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

6.

De in het vijfde lid bedoelde regels kunnen onder meer een vrijstelling van de in het eerste lid bedoelde vergunningplicht of een verbod op het verrichten van daarbij aangegeven werken, handelingen en activiteiten binnen daarbij vast te stellen begrenzingen inhouden, alsmede bijkomende verplichtingen, waaronder het verrichten van werken, handelingen en activiteiten te melden, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en daarvan opgave te doen aan een daarbij aangegeven bestuursorgaan of andere instantie.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen over de uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld, waaronder regels in verband met de inwerkingtreding en het toepasselijk zijn van regels.

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22
1.

Het is verboden:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

3.

Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. Artikel 19, vierde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

4.

In het belang van de bescherming van de fysieke integriteit van de hoofdspoorweginfrastructuur en in het belang van een veilig en ongestoord gebruik daarvan, kunnen bij ministeriële regeling over de uitvoering van dit artikel regels worden gesteld.

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24
1.

Onverminderd de bij of krachtens andere wetten ter zake gegeven voorschriften wordt aanraking, doorsnijding of overbrugging van andere infrastructuur van openbaar nut door hoofdspoorwegen waarvan de aanleg vanwege het Rijk is opgedragen of toegestaan, gedoogd door de rechthebbende ten aanzien van die andere infrastructuur. Onder infrastructuur van openbaar nut wordt in ieder geval begrepen infrastructuur waarvan het beheer bij of krachtens wet is opgedragen en infrastructuur in beheer bij een openbaar lichaam.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over financiering, onderhoud, instandhouding, aanleg, uitbreiding, gedeeld gebruik en verdeling van de gebruiksmogelijkheden van kunstwerken voorzover deze dienen tot aanraking, doorsnijding of overbrugging als bedoeld in het eerste lid.

3.

Een hoofdspoorweg die is of wordt aangelegd, hersteld, vernieuwd of uitgebreid, wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut.

Artikel 25

Deze paragraaf geldt onverkort voor de rechthebbende ten aanzien van de onder of naast de hoofdspoorweginfrastructuur gelegen grond, de daarin gelegen werken en daarop gelegen opstallen.

§ 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen

Artikel 26
1.

De rechthebbende ten aanzien van een rechtstreeks aan de hoofdspoorweg gelegen station draagt ervoor zorg dat reizigers via de in het station aanwezige hallen, tunnels, trappen en liften, met logische en overzichtelijke routes, een veilige en adequate toegang hebben tot perrons en spoorvoertuigen.

2.

De verplichtingen van een rechthebbende op grond van het eerste lid omvatten met betrekking tot gehandicapte personen en personen met beperkte mobiliteit de naleving van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1371/ 2007 van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PbEU 2007, L 315).

3.

Onder station wordt in het eerste lid verstaan: een gebouw of werk dat blijkens zijn constructie en inrichting geheel of gedeeltelijk is bestemd voor aankomst en vertrek van spoorvoertuigen met het oog op het in-, uit- of overstappen van reizigers.

4.

Indien de veilige en adequate toegang tot perrons, laad- of losplaatsen of spoorvoertuigen in het gedrang komt of dreigt te komen, geeft Onze Minister aan de betrokken rechthebbende een bindende aanwijzing ter waarborging van die toegang. Tevens kan Onze Minister aan de betrokken rechthebbende een bindende aanwijzing geven met betrekking tot fysieke voorzieningen ter bevordering van de sociale veiligheid op de stations.

5.

Desgevraagd adviseert de beheerder Onze Minister over de toepassing van het vierde lid.

Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf

§ 1. Algemeen

Artikel 27
1.

Een spoorwegonderneming heeft op niet-discriminerende grondslag recht op toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur voor zover dit het gebruik van spoorvoertuigen betreft en met het oog op het minimumtoegangspakket.

2.

Geen toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in het eerste lid heeft een spoorwegonderneming:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2012/34/EU onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel a, en met inachtneming van artikel 2, derde lid, of artikel 3 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel b.

4.

Een beheerder heeft in afwijking van het tweede lid, onder d, ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, als spoorwegonderneming toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in het eerste lid zonder dat het recht rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst met dien verstande dat de beheerder, voor zover het de activiteiten, bedoeld in artikel 53 van richtlijn 2012/34/EU betreft, beschikt over verdeelde capaciteit.

5.

Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van de verplichting om te beschikken over een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldig veiligheidscertificaat als bedoeld het tweede lid, onderdeel b, voor spoorwegondernemingen die gebruik maken van dicht bij de grens gelegen hoofdspoorweginfrastructuur, indien die spoorwegondernemingen beschikken over een veiligheidscertificaat dat geldt voor met de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur verbonden, dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in de aangrenzende lidstaat. Een ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot deze ontheffingen en vrijstellingen.

6.

Een veiligheidscertificaat, verleend door een daartoe bevoegde autoriteit in een andere lidstaat, geldt ook voor de in dat veiligheidscertificaat opgenomen dicht bij de grens gelegen gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur, voor zover Onze Minister daarover door de daartoe bevoegde autoriteiten van de desbetreffende lidstaat is geraadpleegd.

§ 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen

Artikel 28
1.

Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in Nederland gevestigde onderneming, indien deze voldoet aan de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit artikel 55 voortvloeiende verzekeringsplicht.

2.

Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de verlening van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid bedoelde eisen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan is een zodanige beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het gebruik waarvoor deze is verleend.

3.

Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag.

4.

Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

5.

Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag van de vergunninghouder de vergunning wijzigen, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden en de aan de vergunning verbonden voorschriften aanvullen dan wel wijzigen.

Artikel 29

Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:

Artikel 30
1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van richtlijn 2012/34/EU die is verleend door een bevoegde instantie van een andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning, verleend op grond van artikel 28, eerste lid.

2.

Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van artikel 28, eerste lid, worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:

3.

Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling krachtens het tweede lid.

Artikel 31

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:

§ 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen

Artikel 32
1.

Onze Minister verleent, op aanvraag, een veiligheidscertificaat aan een spoorwegonderneming met een exploitatiegebied dat de hoofdspoorweginfrastructuur, of een gedeelte daarvan, omvat, en zich beperkt tot Nederland, indien de spoorwegonderneming:

2.

De aanvraag gaat vergezeld van een dossier dat compleet is met betrekking tot de eisen, bedoeld in het eerste lid.

3.

Onze Minister breidt, op aanvraag van de houder van een door Onze Minister verleend veiligheidscertificaat, het exploitatiegebied met betrekking tot de hoofdspoorweginfrastructuur uit van dat veiligheidscertificaat. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op een aanvraag tot uitbreiding, met dien verstande dat de beoordeling van Onze Minister enkel betrekking heeft op de uitbreiding.

4.

Artikel 26dd, tweede tot en met zesde lid, is van toepassing op de besluiten, bedoeld in het eerste en derde lid.

5.

Een veiligheidscertificaat als bedoeld in het eerste lid geldt ook zonder uitbreiding van het exploitatiegebied voor spoorwegondernemingen die gebruik maken van dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten, indien dat volgt uit de raadpleging van de daartoe bevoegde autoriteiten in de desbetreffende lidstaten.

6.

Onze Minister verleent, op aanvraag, aan een beheerder, in afwijking van het eerste lid, een veiligheidscertificaat, indien hij beschikt over een op grond van artikel 16f verleende veiligheidsvergunning.

7.

Een beheerder gebruikt een op grond van het zesde lid verleend veiligheidscertificaat slechts ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid.

8.

Onze Minister is bevoegd om bezoeken, audits en inspecties te verrichten bij, dan wel relevante informatie te verlangen van, een spoorwegonderneming in het kader van de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste of derde lid.

9.

Onze Minister heeft de bevoegdheden, bedoeld in het achtste lid, eveneens indien het een beoordeling betreft van een bij het Europees Spoorwegbureau ingediende aanvraag van een veiligheidscertificaat of een uitbreiding daarvan.

Artikel 33
1.

Aan het veiligheidscertificaat, verleend door Onze Minister, kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de hoofdspoorweg.

2.

Onze Minister kan een door hem verleend veiligheidscertificaat beperken of intrekken indien:

3.

Onze Minister kan het door hem verleende veiligheidscertificaat of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen, met inachtneming van het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de hoofdspoorweg.

4.

Onze Minister neemt het besluit, bedoeld in het tweede en derde lid, uiterlijk vier maanden nadat hij heeft vastgesteld dat de omstandigheid, genoemd in het tweede en derde lid, zich heeft voorgedaan, en beslist, indien een aanvraag als bedoeld in het derde lid is gedaan, in afwijking van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht bij verlenging van de beslistermijn op de aanvraag, in ieder geval uiterlijk vier maanden nadat alle in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde informatie is verschaft.

Artikel 34
1.

Onze Minister kan bij constatering van een ernstig veiligheidsrisico onmiddellijk tijdelijke veiligheidsmaatregelen nemen ten aanzien van de bij het ernstige veiligheidsrisico betrokken actoren, waaronder het onmiddellijk opschorten of beperken van de betrokken activiteiten van die actoren.

2.

Onze Minister schort door hem genomen tijdelijke veiligheidsmaatregelen ten aanzien van een spoorwegonderneming met een door het Europees Spoorwegbureau verleend veiligheidscertificaat op, indien het resultaat van een arbitrageprocedure als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn is dat het desbetreffende veiligheidscertificaat niet wordt beperkt of ingetrokken.

Artikel 35

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegveiligheidsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

§ 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen

Artikel 36
1.

Voordat een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur wordt gebruikt, is er een met het onderhoud belaste entiteit voor dat spoorvoertuig. De met het onderhoud belaste entiteit zorgt dat het desbetreffende spoorvoertuig in veilige staat is en past daartoe een onderhoudssysteem toe dat voldoet aan de krachtens artikel 38, eerste lid, onderdeel a, gestelde regels.

2.

Onze Minister kan het gebruik met een spoorvoertuig van hoofdspoorweginfrastructuur verbieden indien ten aanzien van dat spoorvoertuig niet wordt voldaan aan het eerste lid.

3.

De met het onderhoud belaste entiteit van een of meer goederenwagons beschikt over een geldig ECM-certificaat, verleend door Onze Minister of een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat.

4.

Onze Minister verleent, op aanvraag, een ECM-certificaat aan een met het onderhoud belaste entiteit die voldoet aan de krachtens artikel 38, eerste lid, onderdeel b, gestelde regels.

5.

De verplichting te beschikken over een ECM-certificaat geldt niet voor spoorwegondernemingen of beheerders die de met het onderhoud belaste entiteit zijn van een of meer goederenwagons, mits de beoordeling van de voor het ECM-certificaat geldende eisen reeds bij de verlening van het veiligheidscertificaat, dan wel de veiligheidsvergunning, heeft plaatsgevonden.

6.

Onze Minister verleent, op aanvraag, een certificaat aan een rechtspersoon die in staat is een gedeelte van het onderhoudssysteem, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, en voldoet aan de krachtens artikel 38, eerste lid, onderdeel d, gestelde regels.

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38
1.

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van de spoorwegveiligheidsrichtlijn met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

2.

Bij ministeriële regeling kan in het belang van een goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie, gebaseerd op de spoorwegveiligheidsrichtlijn:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen met inachtneming van de artikelen 2 en 15 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn spoorvoertuigen worden aangewezen waarop artikel 36, eerste lid, of 37, eerste lid, niet of niet geheel van toepassing zijn en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het onderhoud van die spoorvoertuigen.

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Vervallen

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47

Vervallen

Artikel 48

Vervallen

§ 5. Voertuigvergunning

Artikel 49
1.

Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:

2.

Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de in het eerste lid en tweede lid bedoelde eisen wordt voldaan.

Artikel 50
1.

Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:

2.

Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt over:

3.

Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent beschikt over een geldige machinistenvergunning en een geldig bevoegdheidsbewijs dat betrekking heeft op de spoorvoertuigen waarmee en op de hoofdspoorweginfrastructuur waarvan gebruik wordt gemaakt.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aanvraag, afgifte en geldigheid van de in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, onderdeel a, bedoelde beoordelingen, verklaringen van medische en psychologische geschiktheid alsmede over de erkenningen van keuringsinstituten.

Artikel 51
1.

Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in artikel 50, eerste lid, bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.

2.

De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.

3.

Het eerste lid geldt niet voor een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent en aan wie degene onder wiens gezag die veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend een bevoegdheidsbewijs heeft verstrekt.

4.

De houder van een bedrijfspas en de houder van een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in het derde lid zijn verplicht die pas onderscheidenlijk dat bewijs op eerste vordering te tonen aan de krachtens de artikelen 69 en 86 met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

Artikel 52

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog op de veiligheid, regels worden gesteld over de bedrijfsvoering en de organisatiestructuur van degene die personen met een veiligheidsfunctie binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem beschikbaar stelt.

Artikel 53
1.

Het is verboden een veiligheidsfunctie anders dan van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid, binnen het hoofdspoorwegsysteem te doen uitoefenen door een persoon:

2.

Het is verboden de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid binnen het hoofdspoorwegsysteem te doen uitoefenen door een persoon:

3.

Het is verboden de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid te doen uitoefenen door een persoon:

4.

Onze Minister kan het doen uitoefenen van de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid binnen het hoofdspoorwegsysteem door een persoon die volgens hem een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van dat systeem, overeenkomstig artikel 29 van richtlijn 2007/59/EG, voor bepaalde of onbepaalde tijd verbieden.

Artikel 54

Degene onder wiens gezag een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een functie, niet zijnde een veiligheidsfunctie, uitoefent die van invloed kan zijn op de veiligheid van het verkeer over hoofdspoorwegen, draagt er zorg voor dat die persoon daartoe geschikt is en de nodige kennis en bekwaamheid bezit.

§ 5. Personeel

Artikel 55
1.

De spoorwegonderneming die van de hoofdspoorweginfrastructuur gebruik maakt, is verplicht ter zake van dat gebruik een verzekering te sluiten en in stand te houden, waarmee haar uit wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico's voldoende zijn gedekt.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt. Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade, de grond van de aansprakelijkheid en de aard van de onderneming.

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 56
1.

De beheerder werkt samen met buitenlandse infrastructuurbeheerders met het oog op:

2.

Indien voor aangelegenheden met betrekking tot een internationale treindienst besluiten nodig zijn van de Autoriteit Consument en Markt en een of meer andere toezichthoudende instanties, werken de desbetreffende instanties samen bij de voorbereiding van respectieve besluiten. Daartoe vervullen zij hun functies overeenkomstig artikel 56 van richtlijn 2012/34/EU.

3.

De instanties, bedoeld in het tweede lid, ontwikkelen gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de besluitvorming waartoe zij krachtens richtlijn 2012/34/EU bevoegd zijn. Deze beginselen en praktijken omvatten regelingen voor de beslechting van geschillen naar aanleiding van besluiten als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 57
1.

Gerechtigd tot het sluiten van een toegangsovereenkomst en een kaderovereenkomst met de beheerder zijn de partijen, bedoeld in het tweede lid.

2.

Als aanvrager als bedoeld in artikel 3, onderdeel 19, van richtlijn 2012/34/EU worden aangemerkt:

3.

Het verhandelen en het overdragen van capaciteit door een gerechtigde is verboden, met uitzondering van het overdragen in de gevallen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, laatste alinea, van richtlijn 2012/34/EU. Overtreding van het hiervoor gestelde verbod leidt tot uitsluiting van verdere toewijzing van capaciteit.

4.

De spoorwegonderneming die voornemens is capaciteit aan te vragen met het oog op het exploiteren van een passagiersvervoerdienst die niet deel uitmaakt van een concessie als bedoeld in artikel 20, eerste en vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000, maakt daarvan uiterlijk achttien maanden voor aanvang van de geldigheidsperiode van de dienstregeling melding aan de Autoriteit Consument en Markt en de beheerder.

5.

Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing voor wijzigingen van een passagiersvervoerdienst.

§ 6. De verzekeringsplicht

Artikel 58
1.

De beheerder stelt jaarlijks, na overleg met betrokken gerechtigden, een netverklaring op.

2.

De netverklaring bevat informatie betreffende de aard en toegang tot en het gebruik van de hoofdspoorweginfrastructuur en bevat in ieder geval:

3.

Met inachtneming van artikel 27, eerste en vierde lid, van richtlijn 2012/34/EU stelt de beheerder de netverklaring algemeen beschikbaar, zendt haar aan de betrokken spoorwegondernemingen en de Autoriteit Consument en Markt en doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling van de netverklaring.

4.

De beheerder brengt in de netverklaring zo nodig wijzigingen aan, met inachtneming van artikel 32, zesde lid, van richtlijn 2012/34/EU. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

5.

Een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid kan bij de Autoriteit Consument en Markt een klacht als bedoeld in artikel 71 indienen, voor zover deze klacht ziet op de in de netverklaring bekend gemaakte gegevens, bedoeld in onderdelen 2 en 3 van bijlage IV van richtlijn 2012/34/EU, tot uiterlijk zes weken na de datum van de Staatscourant waarin mededeling is gedaan van de vaststelling van de netverklaring of van een wijziging van de hiervoor bedoelde onderdelen van de netverklaring.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, nadere regels worden gesteld die onder andere noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van uitvoeringshandelingen op grond van artikel 41, derde lid, van richtlijn 2012/34/EU.

§ 3. Toegangsovereenkomst

Artikel 59
1.

Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten toegangsovereenkomst over het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan het gestelde in artikel 28 van richtlijn 2012/34/EU en bevat in elk geval bedingen over:

2.

In de toegangsovereenkomst wordt capaciteit in de vorm van treinpaden als bedoeld in artikel 3, onderdeel 27, van richtlijn 2012/34/EU verdeeld voor maximaal de duur van een dienstregelingsperiode.

3.

In de toegangsovereenkomst wordt voor het gebruik van capaciteit voor in opdracht van de beheerder uit te voeren werkzaamheden op of aan hoofdspoorweginfrastructuur ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, een vergoeding van nihil vastgesteld als vergoeding als bedoeld in artikel 62, eerste, tweede of derde lid.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de overeenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vastgesteld. In dat geval wordt in de overeenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.

§ 4. Kaderovereenkomst

Artikel 60
1.

Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten kaderovereenkomst voldoet aan artikel 42 van richtlijn 2012/34/EU.

2.

Een kaderovereenkomst met een geldigheidsduur van meer dan vijf jaar behoeft de voorafgaande instemming van de Autoriteit Consument en Markt.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de kaderovereenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vastgesteld. In dat geval wordt in de kaderovereenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot kaderovereenkomsten.

§ 8. Registers

Artikel 61
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verdeling van capaciteit. Die regels kunnen strekken ter bescherming van het milieu.

2.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden minimale niveaus van capaciteit vastgesteld voor daarbij aangegeven deelmarkten van het goederenvervoer en het personenvervoer en worden regels gesteld over de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel 47, derde tot en met vijfde lid, van richtlijn 2012/34/EU.

3.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in welke gevallen capaciteit tot een bepaald tijdstip is voorbehouden voor bepaalde soorten gebruik van de hoofdspoorwegen en vanaf welk tijdstip deze capaciteit beschikbaar is voor ander gebruik.

4.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 62
1.

Een spoorwegonderneming die een toegangsovereenkomst sluit, is voor het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur aan de beheerder ten minste een vergoeding voor het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur met het oog op het minimumtoegangspakket verschuldigd. Deze vergoeding is de heffing, bedoeld in artikel 31, derde lid, van richtlijn 2012/34/EU.

2.

De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, kan de heffingen, bedoeld in het zesde lid, onderdelen a en b, omvatten.

3.

Onverminderd het tweede lid, kan de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, worden vermeerderd met de heffingen en bijtellingen, bedoeld in het zesde lid, onderdelen c, d, f en g, of verminderd met de korting, bedoeld in het zesde lid, onderdeel e, en de aftrek, bedoeld in het zesde lid, onderdeel f.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het kader, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van richtlijn 2012/34/EU.

5.

De in het vierde lid bedoelde regels omvatten regels met betrekking tot:

6.

De in het vierde lid bedoelde regels kunnen mede regels omvatten met betrekking tot:

7.

De in het vierde lid bedoelde regels kunnen tevens regels bevatten over de maatstaven en nadere regels over de hoogte van de in het eerste lid bedoelde vergoeding.

8.

De vergoeding en de heffingen, bedoeld in het eerste en zesde lid, onderdelen a en b, mogen overeenkomstig artikel 31, zesde lid, van richtlijn 2012/34/EU evenredig worden verdeeld over een voldoende aantal treindiensten en tijden.

9.

De vergoedingen en heffingen, bedoeld in dit artikel worden door de spoorwegondernemingen aan de beheerder betaald.

10.

De beheerder werkt samen met buitenlandse infrastructuurbeheerders met het oog op de invoering van efficiënte heffingsregelingen, het coördineren van heffingen en het heffen van rechten voor de exploitatie van treindiensten die de landsgrenzen overschrijden, met inachtneming van artikel 37 van richtlijn 2012/34/EU.

11.

De voordracht van een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 63
1.

De beheerder stelt een methode vast voor de toerekening van de kosten aan het aan spoorwegondernemingen aangeboden minimumtoegangspakket als bedoeld in artikel 30, achtste lid, van richtlijn 2012/34/EU, zulks met inachtneming van het krachtens artikel 62, vijfde lid, bepaalde.

2.

De methode van toerekening, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van de Autoriteit Consument en Markt. Op de voorbereiding van een goedkeuringsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Onverminderd artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen gerechtigden hun zienswijze naar voren brengen over het voorgenomen goedkeuringsbesluit.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, en de daartoe te volgen procedure.

4.

De beheerder toont desgevraagd aan een spoorwegonderneming als bedoeld in artikel 62, eerste lid, aan dat de overeenkomstig artikel 62 vastgestelde vergoeding en heffingen die aan die spoorwegonderneming in rekening zijn gebracht, voldoen aan de bij of krachtens artikel 62, eerste tot en met zevende lid, gestelde regels en aan de methode van toerekening, bedoeld in het eerste lid.

5.

De beheerder wendt de door hem ontvangen vergoedingen, bedoeld in artikel 62, eerste, tweede en derde lid, aan om zijn onderneming van middelen te voorzien.

§ 2. Netverklaring

Artikel 64
1.

De beheerder draagt er zorg voor dat werkzaamheden aan en nabij de hoofdspoorweg ten behoeve van de hoofdspoorweginfrastructuur veilig plaatsvinden. De beheerder treft hiertoe maatregelen waardoor het spoorverkeer en de uitvoering van werkzaamheden geen gevaar voor elkaar opleveren.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de veilige uitvoering van werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg.

Artikel 65
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen regels gesteld. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:

2.

Een ieder die zich op de hoofdspoorweg bevindt, neemt de voor hem bestemde seinen in acht.

§ 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen

Artikel 66
1.

Onze Minister kan onderzoek verrichten naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen en naar andere onregelmatigheden in de afwikkeling van het spoorverkeer waardoor de veiligheid van het spoorverkeer of van daarbij betrokken personen in gevaar is gebracht of in gevaar gebracht had kunnen worden, indien hij dit onderzoek nodig acht ter evaluatie van de wettelijke voorschriften en het beleid op het terrein van de veiligheid van het spoorverkeer.

2.

Ten behoeve van het onderzoek hebben de door Onze Minister aangewezen ambtenaren jegens spoorwegondernemingen en de beheerder de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:15 tot en met 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Onze Minister onthoudt zich van het onderzoek naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen voorzover de Onderzoeksraad voor veiligheid naar het betreffende voorval een onderzoek instelt.

Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen

Artikel 67
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld in welke gevallen, onder welke voorwaarden en volgens welke procedures een spoorwegonderneming recht heeft op:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld in welke gevallen, onder welke voorwaarden en volgens welke procedures een exploitant van een dienstvoorziening verplicht is tot het verlenen van toegang als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, en tot het verlenen van diensten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

3.

Bij de regels, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan onderscheid worden gemaakt naar soort exploitant van een dienstvoorziening, soort spoorweginfrastructuur, soort dienstvoorziening en soort dienst. Die regels kunnen in ieder geval inhouden dat een exploitant van een dienstvoorziening als bedoeld in artikel 13, derde lid, van richtlijn 2012/34/EU een gescheiden boekhouding of een afzonderlijke administratie binnen de boekhouding voert en deze ter inzage legt.

4.

Wanneer een dienstvoorziening, voor zover dit een dienstvoorziening betreft als bedoeld in bijlage II, punt 2, van richtlijn 2012/34/EU, gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt en een spoorwegonderneming of andere gegadigde aan de exploitant van die dienstvoorziening zijn belangstelling heeft laten blijken voor toegang tot die dienstvoorziening, op basis van aangetoonde behoeften, biedt de eigenaar of de bevoegde zakelijk gerechtigde de exploitatie van die dienstvoorziening geheel of gedeeltelijk aan voor huur of lease als dienstvoorziening, tenzij de exploitant van die dienstvoorziening aantoont dat de dienstvoorziening vanwege een lopend reconversieproces niet door een spoorwegonderneming kan worden gebruikt.

5.

Voor zover dit noodzakelijk is voor de aanbieding voor huur of lease, bedoeld in het vierde lid, verleent de exploitant of verlenen de exploitanten van die dienstvoorziening medewerking aan die huur of lease.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het vierde en vijfde lid.

7.

De voordracht voor een krachtens het eerste of tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 68
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de voorwaarden en methoden voor berekening van vergoedingen die exploitanten van dienstvoorzieningen aan spoorwegondernemingen in rekening brengen voor het verlenen van toegang tot spoorweginfrastructuur en dienstvoorzieningen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdelen a en b, alsmede voor het verlenen van diensten in dienstvoorzieningen of diensten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c.

2.

Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kan onderscheid worden gemaakt naar soort exploitant van een dienstvoorziening, soort spoorweginfrastructuur, soort dienstvoorziening en soort dienst. Die regels kunnen in ieder geval inhouden dat een exploitant van een dienstvoorziening een gescheiden boekhouding of een afzonderlijke administratie binnen de boekhouding voert en deze ter inzage legt.

3.

Exploitanten van dienstvoorzieningen tonen desgevraagd aan spoorwegondernemingen aan dat vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, die aan die spoorwegondernemingen in rekening zijn gebracht, voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorwaarden en methoden van berekening van vergoedingen als bedoeld in het eerste lid en aan de netverklaring.

4.

Exploitanten van dienstvoorzieningen wenden de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, aan om hun onderneming van middelen te voorzien.

5.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

§ 3. Toegangsovereenkomst

Artikel 69
1.

Behoudens artikel 70, tweede lid, zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen personen.

2.

Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat een aanduiding van de voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.

3.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

§ 4. Kaderovereenkomst

Artikel 70
1.

De Autoriteit Consument en Markt is de toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 55 van richtlijn 2012/34/EU.

2.

De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16a tot en met 16e, van van het bepaalde krachtens artikel 17, derde lid, en het bepaalde bij of krachtens de artikelen 27, eerste lid, 56, 57 tot en met 63, eerste tot en met vierde lid, 67, 68, eerste tot en met derde lid, 68a en 68c,.

3.

De Autoriteit Consument en Markt stelt een redelijke termijn als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van richtlijn 2012/34/EU vast, die in de Staatscourant wordt bekendgemaakt.

4.

De Autoriteit Consument en Markt onderzoekt uit eigen beweging de toestand van de concurrentie op de markt voor spoorvervoerdiensten, met name ten aanzien van de in artikel 56, eerste lid, onderdelen a tot en met j, van richtlijn 2012/34/EU genoemde onderwerpen en brengt daar jaarlijks een verslag over uit aan Onze Minister.

5.

De Autoriteit Consument en Markt kan in het kader van het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, tevens informatie vragen die nodig is voor het gebruik voor statistische en marktwaarnemingsdoeleinden.

6.

De Autoriteit Consument en Markt consulteert in ieder geval om de twee jaar de vertegenwoordigers van de gebruikers van goederen- en personenvervoerdiensten.

7.

Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt verstrekken de beheerder en een exploitant van een dienstvoorziening alle gegevens en bescheiden over de door hen aan spoorwegondernemingen in rekening gebrachte vergoedingen, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 62, eerste tot en met achtste lid, respectievelijk over de vergoedingen, bedoeld in artikel 68.

8.

Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt verstrekt een spoorwegonderneming of een exploitant van een dienstvoorziening die bij of krachtens deze wet verplicht is om een boekhoudkundige scheiding of een gescheiden administratie binnen de boekhouding te voeren de in bijlage VIII van richtlijn 2012/34/EU bedoelde informatie voor zover die informatie nodig is in het kader van de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede lid.

9.

Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt verstrekt de beheerder de informatie, bedoeld in artikel 53, derde lid, van richtlijn 2012/34/EU.

Artikel 71
1.

Een gerechtigde als bedoeld in artikel 57, een spoorwegonderneming, een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 4 of een andere betrokken partij kan bij de Autoriteit Consument en Markt schriftelijk een aanvraag indienen om te onderzoeken of door een beheerder, een exploitant van een dienstvoorziening, een spoorwegonderneming jegens de aanvrager sprake is van:

2.

De Autoriteit Consument en Markt neemt een besluit inzake een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien de Autoriteit Consument en Markt besluit dat toegang tot een dienstvoorziening als bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van richtlijn 2012/34/EU ten onrechte is geweigerd, neemt zij voor zover nodig maatregelen om ervoor te zorgen dat een passend deel van de beschikbare capaciteit voor de betreffende dienstvoorziening wordt toegekend aan de desbetreffende spoorwegonderneming.

4.

De Autoriteit Consument en Markt kan zo nodig een last onder dwangsom opleggen.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de voor het onderzoek te verstrekken gegevens en bescheiden en de daarmee samenhangende uitwerking.

6.

De Autoriteit Consument en Markt stelt met inachtneming van artikel 56, achtste en negende lid, van richtlijn 2012/34/EU de termijnen vast waarbinnen zij een besluit als bedoeld in het tweede lid neemt, alsmede de termijnen voor het verstrekken van de voor het onderzoek benodigde gegevens en bescheiden. Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op alle partijen waarbij de Autoriteit Consument en Markt in het kader van de besluitvorming informatie opvraagt.

Artikel 72
1.

In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en onverminderd artikel 7, derde lid, van die wet, verstrekt de Autoriteit Consument en Markt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 57 van richtlijn 2012/34/EU, alsmede de door de Europese Commissie gevraagde informatie ten behoeve van de door die Commissie vast te stellen gedelegeerde handelingen of uitvoeringsmaatregelen, bedoeld in richtlijn 2012/34/EU.

2.

Artikel 7, vierde lid, onderdeel a, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt is niet van toepassing op de verstrekking van de gegevens, inlichtingen en informatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 73

Vervallen

Artikel 74

Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

§ 1. Algemeen. Toegang tot dienstvoorzieningen en levering diensten

Artikel 75

Vervallen

Artikel 76
1.

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in het tweede lid.

3.
Artikel 77
1.

Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 19, 26a, eerste, tweede en vierde lid, 26c, 26ca, derde lid, 26k, eerste lid, 26q, eerste en tweede lid, 26r, vierde lid, 26s, tiende lid, 26y, 26aa, derde lid, laatste volzin, en vijfde lid, 51, vierde lid, 53, 65, tweede lid, 74a, 96, tweede lid, en 96a, alsmede ter zake van de overtreding van de krachtens de hoofdstukken 1, 2, 2a en de artikelen 35, 64, tweede lid, 65, eerste lid, 81, tweede lid, en hoofdstuk 6, paragraaf 9 vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als beboetbaar feit is aangemerkt.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

3.

Een overtreding die krachtens het eerste lid als beboetbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als strafbaar feit krachtens artikel 87, eerste lid, aangemerkt.

Artikel 78

Vervallen

Artikel 79

Vervallen

Artikel 80
1.

De bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding als bedoeld in artikel 77, eerste lid, kan worden opgelegd, is indien begaan door:

2.

De hoogte van de bestuurlijke boete wordt in ieder geval afgestemd op de omzet van een onderneming indien de overtreder een onderneming is.

3.

Onverminderd het eerste lid en tweede lid kan de op te leggen bestuurlijke boete met 50% worden verhoogd, indien op de dag van het constateren van de overtreding nog geen 24 maanden zijn verstreken nadat een eerdere overtreding bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.

4.

Indien de gegevens omtrent de omzet van een onderneming, bedoeld in het tweede lid, niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de bestuurlijke boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is de hoogte van de boete gelijk aan het maximale boetebedrag, bedoeld in het eerste lid, onder b.

5.

De in het eerste lid genoemde bedragen kunnen elke twee jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd ten gevolge van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige wijziging van deze bedragen. Bij deze wijziging wordt het geldbedrag op een veelvoud van € 5,– naar beneden afgerond.

6.

Onze Minister stelt een beleidsregel vast voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 81
1.

Bij ministeriële regeling kunnen voor de goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie over het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover in ieder geval regels worden gesteld met betrekking tot het toezicht, de toezichthoudende instantie en het van toepassing verklaren van de artikelen 76, 77 of 80.

2.

Het is verboden te handelen in strijd met de bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften die krachtens bindende EU-rechtshandelingen zijn vastgesteld over een onderwerp als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 82

Onze Minister is bevoegd om audits te verrichten bij, dan wel relevante informatie te verlangen van, een actor als bedoeld in artikel 3a, onderdeel a.

Artikel 83

Vervallen

Artikel 84

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

§ 2. De Autoriteit Consument en Markt

Artikel 86
1.

Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de met betrekking tot deze wet krachtens artikel 17, eerste lid, onderdeel 2°, van de Wet op de economische delicten aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

2.

Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie tezamen aangewezen personen.

3.

Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 87
1.

Overtreding van artikel 4, vierde lid, en artikel 22, eerste lid, onderdelen c en d, alsmede overtreding van de krachtens de hoofdstukken 1, 2 en 2a en de artikelen 64, tweede lid, 65, eerste lid, en hoofdstuk 6, paragraaf 9, vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

2.

Overtreding van de artikelen 3 en 22, eerste lid, onderdelen a en b, alsmede overtreding van de krachtens hoofdstuk 6, paragraaf 9, vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.

3.

Overtreding van artikel 4, eerste, tweede en derde lid, artikel 88, derde lid, artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

4.

Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van artikel 4, eerste of tweede lid, kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.

5.

Een overtreding die krachtens het eerste lid als strafbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als beboetbaar feit krachtens artikel 77, eerste lid, aangemerkt.

6.

De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Artikel 88
1.

Een van de bij of krachtens artikel 86 van deze wet of artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren, kan een in artikel 4, eerste lid, bedoelde persoon van wie, uit het in artikel 4, vierde lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in artikel 4, eerste lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden.

2.

De ambtenaar die een verbod als bedoeld in het eerste lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.

3.

Het is degene aan wie een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, gedurende de tijd waarvoor dat verbod geldt.

Artikel 89
1.

Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met artikel 4, eerste, tweede of derde lid, kan de in artikel 88, eerste lid, bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a.

2.

Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

3.

De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

4.

In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 4, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.

5.

Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.

6.

Degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.

7.

De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

8.

De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen.

9.

Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.

10.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van uitvoering van artikel 4, vierde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.

§ 2. De Autoriteit Consument en Markt

Artikel 90

Vervallen

§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 91
1.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het betrokken bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de daarbij vast te stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens deze wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat, ander document, beoordeling of verklaring of te verrichten inschrijving of wijziging van die inschrijving in het register, bedoeld in artikel 26aa, eerste lid. Voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing indien de handeling voortvloeit uit een bindende verordening als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

2.

De hoogte van de krachtens het eerste lid vastgestelde tarieven wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de vergoedingen voor het betrokken bestuursorgaan niet uitgaan boven de geraamde lasten van het betrokken bestuursorgaan ter zake van de behandelingen van de aanvragen en het verstrekken van de besluiten en documenten, bedoeld in het eerste lid.

§ 6. De verzekeringsplicht

Artikel 92

Een wijziging of aanvulling van richtlijn 2012/34/EU, de spoorwegveiligheidsrichtlijn, richtlijn 2007/59/EG en van de interoperabiliteitsrichtlijn gaat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

§ 5. Beroep

Artikel 93

Vervallen

§ 2a. Vrijstelling, ontheffing of vergunning

§ 3a. Toezicht en handhaving Europese regelgeving

Artikel 96
1.

Voor zover het hoofdspoorwegen betreft, zijn spoorwegondernemingen en een beheerder verplicht Onze Minister mondeling, schriftelijk of op andere wijze – dit ter keuze van Onze Minister na overleg met de betrokken spoorwegonderneming of betrokken beheerder – alle bij hen berustende gegevens te verstrekken en inzage te geven van boeken en bescheiden die betrekking hebben op het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover, voorzover Onze Minister dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op eenieder, voor zover Onze Minister de bij diegene berustende informatie redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van de bij of krachtens deze wet aan hem toegekende taken in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegbureauverordening, interoperabiliteitsrichtlijn of spoorwegveiligheidsrichtlijn gestelde.

3.

Degene van wie krachtens het eerste of tweede lid gegevens worden verlangd, is op de door Onze Minister aan te geven wijze en binnen de door hem te bepalen termijn verplicht deze volledig en naar waarheid te verstrekken en degene van wie inzage wordt verlangd is verplicht deze ongestoord te verlenen.

4.

Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen omtrent een spoorwegonderneming die hij heeft verkregen in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken, uitsluitend voor de uitvoering van die taak of voor een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegbureauverordening, interoperabiliteitsrichtlijn of spoorwegveiligheidsrichtlijn bepaalde.

§ 6. Heffingen

Artikel 97

Voorzover dit noodzakelijk is ter beoordeling van het voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften kunnen gegevens betreffende het gedrag van bestuurders, het gedrag van een vergunninghouder en de gezondheid van personeel worden verwerkt. Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens.

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Artikel 98

Vervallen

Artikel 99

Vervallen

Artikel 100

Vervallen

Artikel 101

Vervallen

Artikel 102

Vervallen

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Artikel 103

De volgende wetten worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld:

Artikel 104

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Artikel 105

Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

Artikel 106

Wijzigt de Vervoersnoodwet.

Artikel 107

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel 108

Wijzigt de Tracéwet.

Artikel 109

Wijzigt de Wet geluidhinder.

Artikel 110

Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds.

Artikel 111

Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954.

Artikel 112

Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 113

Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 114

Wijzigt de Wegenwet.

Artikel 115

Wijzigt de Wet Raad voor de Transportveiligheid.

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 2. Bijzondere verplichtingen

§ 9. Bepalingen inzake bijzondere spoorwegen

§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving

Artikel 126

Onze Minister zendt in het jaar 2006 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 127

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 128

Deze wet wordt aangehaald als: Spoorwegwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 16a
1.

De leden van de raad van commissarissen en van de raad van bestuur van een beheerder, alsmede de managers die rechtstreeks aan hen rapporteren, handelen op een niet-discriminerende manier. Hun onpartijdigheid mag niet door belangenconflicten worden aangetast.

2.

Een beheerder is juridisch gescheiden van welke spoorwegonderneming dan ook.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 2012/34/EU, meer in het bijzonder over de benoembaarheid van leden van de raad van bestuur en de raad van commissarissen van een beheerder, alsmede personen die besluiten nemen met betrekking tot essentiële functies.

Artikel 16b
1.

Een beheerder is wat betreft de essentiële functies, met inachtneming van de artikelen 4, tweede lid, 29 en 39 van richtlijn 2012/34/EU onafhankelijk van de rechtspersonen, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van organisatie en besluitvorming.

2.

Een spoorwegonderneming of een andere rechtspersoon oefent met betrekking tot de essentiële functies geen beslissende invloed uit op de beheerder onverminderd de taken en bevoegdheden van Onze Minister ten aanzien van de vaststelling van het heffingskader en het capaciteitstoedelingskader en de specifieke heffingsvoorschriften overeenkomstig de artikelen 29 en 39 van richtlijn 2012/34/EU.

3.

De mobiliteit van personen belast met de essentiële functies mag niet leiden tot belangenconflicten.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van artikel 7 bis, derde en vierde lid, van richtlijn 2012/34/EU.

§ 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen

Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf

§ 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen

§ 3. Het veiligheidsattest

§ 2. Subsystemen

Artikel 37a
1.

Onze Minister verleent op aanvraag een vergunning voor indienststelling of een aanvullende vergunning voor indienststelling voor een type indien hij voor een spoorvoertuig van dat type een dergelijke vergunning heeft verleend.

2.

Onze Minister verleent in afwijking van de artikelen 36, derde en vijfde lid, en 36b, derde en vierde lid, een vergunning voor indienststelling respectievelijk een aanvullende vergunning voor indienststelling, indien het spoorvoertuig overeenstemt met een type dat voorzien is van een geldige dergelijke vergunning.

3.

Onze Minister kan de vergunning voor indienststelling voor een type, respectievelijk de aanvullende vergunning voor indienststelling voor een type, wijzigen of intrekken indien het type niet of niet langer voldoet aan de technische specificaties voor de interoperabiliteitsonderdelen of aan de bij of krachtens de artikelen 36 of 36b geldende eisen op grond waarvan die vergunning is verleend, als die technische specificaties of eisen zijn gewijzigd. Indien een spoorvoertuig overeenstemt met een type waarvoor reeds een vergunning voor indienststelling is afgegeven, verleent Onze Minister zonder verdere controles een vergunning voor indienststelling op basis van een door de aanvrager overgelegde verklaring van overeenstemming met dit type. Indien echter de betrokken bepalingen in technische specificaties en nationale voorschriften op grond waarvan voor een voertuigtype een vergunning is afgegeven zijn gewijzigd, kan Onze Minister reeds afgegeven vergunningen voor voertuigtypen schorsen, wijziging of intrekken. Indien de vergunning moet worden vernieuwd, hebben de criteria die Onze Minister controleert alleen betrekking op de gewijzigde voorschriften. De vernieuwing van de typegoedkeuring heeft geen invloed op vergunningen voor indienststelling die op grond van eerder goedgekeurde typen zijn afgegeven.

4.

De overeenstemming met een type blijkt uit een verklaring van overeenstemming die voldoet aan de daartoe bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften.

5.

In afwijking van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht beslist Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn op de aanvraag voor de vergunning of aanvullende vergunning, bedoeld in het eerste lid, en op de aanvraag voor de vergunning of aanvullende vergunning, bedoeld in het tweede lid, in ieder geval binnen vier maanden nadat alle in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde informatie is verschaft.

6.

In afwijking van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht besluit Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn over toepassing van het vierde lid in ieder geval binnen vier maanden nadat hij heeft vastgesteld dat het type niet of niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel 36 en 36b gestelde eisen.

7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van het spoorvoertuig waarvoor een vergunning voor indienststelling respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling van het type is verleend, met dat type.

Artikel 37b
1.

Het is een spoorwegonderneming verboden om met een verbeterd of vernieuwd spoorvoertuig dat volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken zonder:

2.

Degene die de verbetering of vernieuwing bij een spoorvoertuig aanbesteedt dient bij Onze Minister een informatiedossier in, waarin het project beschreven wordt.

3.

Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld in het tweede lid, een vergunning voor indienststelling respectievelijk een nieuwe vergunning voor indienststelling indien de omvang van de voorgenomen verbetering of vernieuwing, de mogelijke gevolgen voor de veiligheid van een betrokken subsysteem of de gevolgen voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur dat noodzakelijk maakt of maken.

4.

De artikelen 36, derde, vierde en tiende lid, 36b, derde lid, en het krachtens het tiende lid van artikel 36 bepaalde zijn van toepassing, met dien verstande dat die leden van dat artikel toepassing vinden op de verbetering of vernieuwing.

5.

Onze Minister kan op aanvraag, op andere gronden dan genoemd in artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG en met inachtneming van artikel 20 van die richtlijn, een of meer voor het betrokken subsysteem vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit buiten toepassing laten.

6.

Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld in het tweede lid, indien het spoorvoertuig niet volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, een aanvullende vergunning voor indienststelling respectievelijk nieuwe aanvullende vergunning voor indienststelling, indien de gevolgen van de verbetering of vernieuwing voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur dat noodzakelijk maken.

7.

De artikelen 36, vijfde lid, 36a, eerste lid, en 36b, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing, met dien verstande dat het slechts toepassing vindt op de verbetering of vernieuwing.

8.

Het is verboden van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken met een verbeterd of vernieuwd spoorvoertuig dat niet volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, zonder:

9.

Het voldoen van de verbetering of vernieuwing bij een spoorvoertuig aan de artikelen 36, derde lid, onderdelen a tot en met c en e, en 36b, derde lid, blijkt uit een geldige verklaring van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

10.

Onze Minister neemt het besluit, bedoeld in het derde en zesde lid, uiterlijk vier maanden na de indiening van het volledige informatiedossier als bedoeld in het tweede lid.

11.

In afwijking van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht beslist Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn op de aanvraag, bedoeld in het vijfde lid, in ieder geval binnen vier maanden nadat alle in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde informatie is verschaft.

§ 5. Personeel

Artikel 51a
1.

Onze Minister verleent op aanvraag een machinistenvergunning indien de machinist:

2.

Onze Minister schorst of trekt de machinistenvergunning in, indien de machinist niet langer beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid of een geldige verklaring van psychologische geschiktheid.

3.

Onze Minister houdt een register van machinistenvergunningen.

4.

Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, verstrekt aan een machinist een bevoegdheidsbewijs indien deze:

5.

Degene die een of meer bevoegdheidsbewijzen heeft verstrekt houdt een register van bevoegdheidsbewijzen.

6.

Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend onderzoekt periodiek of de machinist voldoet aan:

7.

Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist wordt uitgeoefend verstrekt bij de beëindiging van het dienstverband van de machinist een gewaarmerkte kopie van het op dat moment geldige bevoegdheidsbewijs.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor:

Artikel 51b
1.

Opleidingactiviteiten met het oog op het verkrijgen van een of meer beoordelingen waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur worden slechts verricht door daartoe door Onze Minister erkende opleidingsinstituten.

2.

Een krachtens het eerste lid, erkend opleidingsinstituut geeft op billijke en non-discriminatoire wijze toegang tot de opleidingsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met inachtneming van artikel 20 van richtlijn 2007/59/EG regels gegeven voor de erkenning van de opleidingsinstituten, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen

§ 6. De verzekeringsplicht

§ 9. Termijnen

§ 1. Algemeen

§ 4. Kaderovereenkomst

Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen

Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen

§ 6. Vergoeding voor het aan spoorwegondernemingen aangeboden minimumtoegangspakket alsmede aanvullende heffingen, bijtellingen, kortingen en aftrek

§ 2. Bijzondere verplichtingen

§ 4. Strafrechtelijke handhaving

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Toegangsovereenkomst

§ 4. Kaderovereenkomst

§ 3. Toegangsovereenkomst

§ 4. Kaderovereenkomst

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

§ 2. De Autoriteit Consument en Markt

§ 11. De verwerking van persoonsgegevens

§ 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 17a
1.

De beheerder stelt een beheerplan op dat voldoet aan artikel 8, derde lid, van richtlijn 2012/34/EU en aan de voorschriften vastgelegd in de aan hem verleende concessie.

2.

Aan de concessie wordt een voorschrift verbonden ten aanzien van de duur van het beheerplan.

Artikel 17b
1.

De beheerder vraagt advies aan de gerechtigden, bedoeld in artikel 57, met uitzondering van de concessieverlener, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, over de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen onderdelen van het beheerplan, bedoeld in artikel 17a.

2.

De beheerder stelt de gerechtigden in de gelegenheid met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht.

3.

Het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het door de beheerder op te stellen beheerplan.

4.

Indien na het advies van de gerechtigden een beslissing wordt genomen ten aanzien van de onderdelen van het beheerplan, bedoeld in het eerste lid, worden de gerechtigden door de beheerder zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken voor deze gevolg geeft aan de beslissing, schriftelijk hiervan in kennis gesteld. Indien het advies van de gerechtigden niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan hen tevens meegedeeld, waarom van dat advies is afgeweken en wordt hen de gelegenheid geboden binnen vier weken nader te overleggen met de beheerder alvorens deze gevolg geeft aan de beslissing.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de termijnen die bij de adviesprocedure en de overlegprocedure, bedoeld in dit artikel, in acht worden genomen.

Artikel 18a
1.

Een besluit tot verlening of wijziging van een concessie kan worden genomen indien de beheerder niet binnen vier dagen na de dag waarop het voorgenomen besluit aan hem is bekendgemaakt aan de concessieverlener heeft doen blijken dat hij de concessie niet zonder voorbehoud aanvaardt.

2.

Indien een besluit tot verlening of wijziging van een concessie met inachtneming van het eerste lid is genomen, wordt dit besluit binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het voorgenomen besluit, bedoeld in het eerste lid, gepubliceerd in de Staatscourant.

Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf

§ 1. Algemeen

§ 3. Het veiligheidscertificaat

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen

§ 9. Termijnen

§ 1. Algemeen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

§ 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen

§ 1. Toezicht

§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving

§ 2. Netverklaring

§ 6. Vergoeding voor het aan spoorwegondernemingen aangeboden minimumtoegangspakket alsmede aanvullende heffingen, bijtellingen, kortingen en aftrek

§ 5. Beroep

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving

§ 2a. Vrijstelling, ontheffing of vergunning

§ 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 51c
1.

Bij de beoordelingen, bedoeld in de artikelen 50, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, en 51a, vierde lid, onderdeel b, maakt Onze Minister onderscheidenlijk degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegsysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, gebruik van door Onze Minister erkende examinatoren.

2.

Onze Minister houdt een register van erkende examinatoren.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de aanvraag, afgifte en geldigheid van de erkenning van examinatoren.

Artikel 54a

Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 2, derde lid, van richtlijn 2007/59/EG, ontheffing of vrijstelling verlenen van bepalingen van paragraaf 5 van dit hoofdstuk. De ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over op welke hoofdspoorwegen en voor welke spoorvoertuigen deze ontheffing of vrijstelling mogelijk is.

§ 8. Registers

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur

§ 3. Het veiligheidscertificaat

§ 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen

Hoofdstuk 5. Dienstvoorzieningen en diensten

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

§ 2. De Autoriteit Consument en Markt

§ 2. Bijzondere verplichtingen

§ 6. De verzekeringsplicht

§ 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit

§ 6. Vergoeding voor het aan spoorwegondernemingen aangeboden minimumtoegangspakket alsmede aanvullende heffingen, bijtellingen, kortingen en aftrek

§ 4. Strafrechtelijke handhaving

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

§ 2a. Vrijstelling, ontheffing of vergunning

§ 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 74a

Het is verboden te handelen in strijd met de aan een op grond van deze wet verleende vrijstelling, ontheffing, vergunning, erkenning, certificaat of andere beschikking verbonden voorschriften.

§ 5. Personeel

§ 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit

§ 6. Heffingen

§ 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen

Hoofdstuk 5. Dienstvoorzieningen en diensten

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving

§ 2. Overige overgangsbepalingen

§ 2. Overige overgangsbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 72a

In afwijking van artikel 8 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt stellen Onze Minister en de Autoriteit Consument en Markt een gemeenschappelijk kader op voor informatie-uitwisseling en samenwerking op het gebied van de spoorveiligheid en de concurrentie op de spoorwegmarkt als bedoeld in artikel 56, derde lid, tweede alinea, van richtlijn 2012/34/EU.

§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 94
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met het oog op het veilig gebruik van bijzondere spoorwegen, waaronder in ieder geval regels over:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van bijzondere spoorwegen worden onderscheiden.

3.

In afwijking van artikel 2, zijn de artikelen 1 tot en met 4, 69, 76, eerste lid, 77, 80, 86 tot en met 91, en 97 niet van toepassing op een categorie als bedoeld in het tweede lid, voor zover dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.

Artikel 95

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/9.

De rechthebbende ten aanzien van een bijzondere of lokale spoorweg die onder de werking van de richtlijnen 91/440/EEG, 95/18/EG of 2001/14/EG valt, verleent aan spoorwegondernemingen recht op toegang of gebruik overeenkomstig de in die richtlijnen opgenomen voorschriften en overigens tegen eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing. De vergunning, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 95/18/EG, wordt verleend door Onze Minister met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 2.

§ 6. Heffingen

Artikel 96a
1.

Een betrokkene als bedoeld in artikel 15, derde lid, van richtlijn 2012/34/EU verstrekt desgevraagd aan Onze Minister binnen de door hem te bepalen termijn de gegevens en inlichtingen die hij nodig heeft om te kunnen voldoen aan een verzoek van de Europese Commissie om informatie over het gebruik van de spoorwegnetten en de ontwikkeling van de kadervoorwaarden in de spoorwegsector als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van richtlijn 2012/34/EU.

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de in het eerste lid bedoelde onderwerpen.

§ 5. Beroep

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving

§ 2. Overige overgangsbepalingen

§ 4. Strafrechtelijke handhaving

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 68a
1.

Exploitanten van dienstvoorzieningen verstrekken aan de beheerder informatie over de voorwaarden voor toegang en voor verlening van diensten, bedoeld in artikel 67, en informatie over de vergoedingen, bedoeld in artikel 68, of verwijzen de beheerder naar een website waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangeboden.

2.

Onverminderd het eerste lid, verstrekken exploitanten van dienstvoorzieningen als bedoeld in bijlage II, punt 2, onderdelen a, f en i, van richtlijn 2012/34/EU, onverwijld informatie over de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel b, of voor verlening van diensten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, alsmede informatie over vergoedingen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, aan spoorwegondernemingen die daarom verzoeken.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.

§ 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen

Artikel 68b
1.

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing in geval van een aanbesteding als bedoeld in hoofdstuk III, paragraaf 4, van de Wet personenvervoer 2000 van een concessie voor openbaar vervoer per trein, indien:

2.

Onder exploitant van een dienstvoorziening wordt in deze paragraaf verstaan een exploitant die verantwoordelijk is voor het beheer van een of meer dienstvoorzieningen of voor het verrichten van een of meer diensten als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 68c
1.

Onverminderd het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 5, paragraaf 1, mag een exploitant van een dienstvoorziening in het kader van een aanbesteding als bedoeld in artikel 68b, eerste lid, de voorwaarden voor toegang, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel b, of voor verlening van diensten, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, of de vergoedingen, bedoeld in artikel 68, eerste lid, pas toepassen nadat deze voorwaarden of vergoedingen zijn goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt.

2.

De exploitant van een dienstvoorziening doet het verzoek tot goedkeuring ten minste zes weken voorafgaand aan de datum waarop een aanbesteding als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, is gestart.

3.

De Autoriteit Consument en Markt beoordeelt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek of de voorwaarden of vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 67, eerste of tweede lid, of 68. Indien gegevens die de Autoriteit Consument en Markt noodzakelijk acht voor een beoordeling ontbreken, wordt de exploitant van de dienstvoorziening hiervan binnen een week na ontvangst van het verzoek op de hoogte gesteld. Deze exploitant wordt in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen een redelijke termijn alsnog aan te leveren in een door de Autoriteit Consument en Markt aan te geven vorm.

4.

De Autoriteit Consument en Markt kan de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, eenmaal met zes weken verlengen. Zij doet hiervan schriftelijk mededeling aan de exploitant van de dienstvoorziening die het verzoek heeft ingediend.

5.

Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de voorwaarden of vergoedingen in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 67, eerste of tweede lid, of 68, keurt zij de toepassing hiervan goed.

6.

Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de voorwaarden of vergoedingen niet in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 67, eerste of tweede lid, of 68, doet zij hiervan mededeling aan de desbetreffende exploitant. Zij deelt hierbij mede op welke punten niet voldaan is aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 67, eerste of tweede lid, of 68.

7.

De exploitant van de dienstvoorziening deelt de Autoriteit Consument en Markt binnen vier weken na de datum van de mededeling, bedoeld in het zesde lid, schriftelijk mede in hoeverre de voorwaarden of vergoedingen worden aangepast aan die mededeling. De Autoriteit Consument en Markt beoordeelt binnen drie weken na ontvangst van de mededeling van de exploitant van de dienstvoorziening, bedoeld in de eerste volzin, op het verzoek tot goedkeuring, of de voorwaarden of vergoedingen in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 67, eerste of tweede lid, of 68.

8.

Artikel 68a is van toepassing op de voorwaarden of vergoedingen die op grond van dit artikel zijn goedgekeurd.

9.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in afwijking van het eerste lid soorten dienstvoorzieningen of soorten diensten als bedoeld in bijlage II, punt 2, onderdelen a, f en i, van richtlijn 2012/34/EU uitgezonderd worden van de verplichting, bedoeld in het eerste lid.

10.

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het negende lid wordt niet eerder gedaan dan nadat de Autoriteit Consument en Markt in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van dat besluit en niet eerder dan vier weken nadat het ontwerp tezamen met het advies van de Autoriteit Consument en Markt aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

§ 1. Toezicht

§ 5. Personeel

§ 8. Erkenning van keuringsinstanties

§ 2. Bijzondere verplichtingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 3a. Toezicht en handhaving Europese regelgeving

§ 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 36a
1.

Onze Minister is bevoegd, ter verlening van de in artikel 36, vijfde lid, bedoelde aanvullende vergunning voor indienststelling aanvullende informatie, uitvoering van risicoanalysen overeenkomstig artikel 6, derde lid, onderdeel a, van richtlijn 2004/49/EG of tests op de hoofdspoorweginfrastructuur te eisen, teneinde de technische verenigbaarheid te toetsen tussen het spoorvoertuig en de hoofdspoorweginfrastructuur, met inbegrip van de nationale voorschriften die van toepassing zijn op de openstaande punten in de technische specificaties die nodig zijn om deze verenigbaarheid te waarborgen en van de nationale voorschriften die van toepassing zijn op de specifieke gevallen die in de betreffende technische specificaties zijn omschreven. Onze Minister bepaalt na raadpleging van de aanvrager de draagwijdte en de inhoud van de gevraagde aanvullende informatie, risicoanalysen en tests. De beheerder doet, in overleg met de aanvrager, al het mogelijke om ervoor te zorgen dat eventuele tests plaatsvinden binnen drie maanden na het verzoek van de aanvrager. Onze Minister is bevoegd van een ieder medewerking te vorderen voor zover die redelijkerwijs nodig is om te waarborgen dat de tests plaatsvinden.

2.

Na de goedkeuring van het in artikel 27 van richtlijn 2008/57/EG bedoelde referentiedocument verricht Onze Minister de toets, bedoeld in het eerste lid, alleen op basis van de in de categorieën B of C van het referentiedocument opgenomen nationale voorschriften.

3.

Artikel 16a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op:

4.

In afwijking van het derde lid neemt Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn een besluit ten aanzien van een aanvullende vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, in ieder geval:

5.

In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht dient de aanvrager een bezwaarschrift tegen een beschikking tot weigering van een vergunning of aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, derde of vijfde lid, in binnen een maand. In afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht beslist Onze Minister op dit bezwaarschrift uiterlijk twee maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop de in de eerste volzin bedoelde termijn is verstreken.

6.

Indien Onze Minister niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, op het bezwaar heeft beslist, is de aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, vijfde lid, drie maanden na afloop van die termijn van rechtswege gegeven. Deze van rechtswege gegeven aanvullende vergunning voor indienststelling geldt alleen voor de hoofdspoorweginfrastructuur ten aanzien waarvan Onze Minister niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, op het bezwaar heeft beslist. De artikelen 4:20b, tweede en derde lid, 4:20c en 4:20d van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

7.

Wanneer Onze Minister vaststelt dat de houder van de vergunning of de aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, derde of vijfde lid, niet langer aan de eisen voldoet, kan hij de vergunning of de aanvullende vergunning voor indienststelling intrekken. Onze Minister past bij intrekking van de vergunning of de aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, derde of vijfde lid, de procedure toe, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van richtlijn 2004/49/EG. Wanneer Onze Minister de aanvullende vergunning voor indienststelling heeft ingetrokken, stelt hij de instantie die de vergunning voor indienststelling heeft verleend onverwijld in kennis van die intrekking. Tevens kan Onze Minister de vergunning of aanvullende vergunning voor indienststelling intrekken wanneer blijkt dat de vergunninghouder er gedurende het jaar dat volgde op de verlening niet het bedoelde gebruik van heeft gemaakt.

Artikel 36b
1.

Het is een spoorwegonderneming verboden om van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken met een spoorvoertuig dat niet voldoet aan alle relevante technische specificaties inzake interoperabiliteit die op het ogenblik van de indienststelling van kracht zijn, met inbegrip van spoorvoertuigen waarvoor afwijkingen gelden, of wanneer een belangrijk gedeelte van de essentiële eisen niet is opgenomen in één of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit, waarvoor Onze Minister geen vergunning voor indienststelling, bedoeld in het derde lid, respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in het vierde lid heeft verleend. Onze Minister kan op aanvraag, na de beheerder te hebben gehoord, ontheffing verlenen van dit verbod. De ontheffing kan onder voorwaarden worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

2.

Het eerste lid geldt niet voor bij algemene maatregel van bestuur met inachtneming van artikel 21 van richtlijn 2008/57/EG, aangewezen spoorvoertuigen.

3.

Onze Minister verleent, na de beheerder te hebben gehoord, een vergunning voor indienststelling als volgt:

4.

Onze Minister verleent, na de beheerder te hebben gehoord, een aanvullende vergunning voor indienststelling slechts wanneer in een andere lidstaat reeds een vergunning voor indienststelling is verleend.

5.

Onze Minister is bevoegd ter verlening van de aanvullende vergunning voor indienststelling aanvullende informatie, de uitvoering van risicoanalysen overeenkomstig artikel 6, derde lid, onderdeel a, van richtlijn 2004/49/EG of tests op de hoofdspoorweginfrastructuur te eisen, teneinde na te gaan of de in artikel 25, tweede lid, onderdelen c en d, van richtlijn 2008/57/EG bedoelde informatie voldoet aan de geldende voorschriften zoals die overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 2004/49/EG aan de Commissie zijn meegedeeld.

Onze Minister legt, na raadpleging van de aanvrager, de reikwijdte en de inhoud van de aanvullende informatie, de risicoanalysen of de vereiste tests vast. De beheerder doet, in overleg met de aanvrager, al het mogelijke om ervoor te zorgen dat tests kunnen plaatsvinden binnen drie maanden na het verzoek van de aanvrager. Onze Minister is bevoegd van een ieder medewerking te vorderen voor zover die redelijkerwijs nodig is om te waarborgen dat de tests plaatsvinden.

6.

Na de aanneming van het in artikel 27 van richtlijn 2008/57/EG bedoelde referentiedocument, voert Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde controle echter alleen uit op basis van de nationale voorschriften van categorie B of C die in dat referentiedocument zijn opgenomen.

7.

In afwijking van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht neemt Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn een besluit, bedoeld in het vierde lid, ten aanzien van een aanvullende vergunning voor indienststelling in ieder geval:

8.

Onze Minister kan op aanvraag, met inachtneming van artikel 1, derde lid, van richtlijn 2008/57/EG, ontheffing verlenen van de technische specificaties respectievelijk de voorschriften, bedoeld in het derde lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter omschrijving van spoorvoertuigen waarmee op omschreven hoofdspoorwegen gebruik gemaakt mag worden en met het oog op het veilig gebruik van die spoorvoertuigen op die hoofdspoorwegen alsmede over de procedures die bij ontheffingverlening kunnen gelden.

9.

Artikel 36a, derde, vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

10.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

§ 5. Personeel

§ 6. De verzekeringsplicht

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur

§ 3. Het veiligheidscertificaat

§ 4. Onderhoud van spoorvoertuigen

§ 4. Onderhoud van spoorvoertuigen

Hoofdstuk 5. Dienstvoorzieningen en diensten

§ 1. Algemeen. Toegang tot dienstvoorzieningen en levering diensten

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

Artikel 71a
1.

Bij de werving, selectie en benoeming van de leden van de Autoriteit Consument en Markt draagt Onze Minister van Economische Zaken er zorg voor dat onder de leden passende beroepsbekwaamheid en relevante ervaring bij voorkeur op het gebied van spoorwegen of andere netwerkindustrieën zijn vertegenwoordigd.

2.

Een lid van de Autoriteit Consument en Markt neemt geen deel aan de behandeling van en de besluitvorming over aangelegenheden die een onderneming uit de spoorwegsector betreffen waarmee hij gedurende het jaar voorafgaand aan de start van een procedure een directe of indirecte band onderhield.

3.

Een lid van de Autoriteit Consument en Markt bekleedt gedurende een periode van ten minste een jaar na de datum waarop zijn benoeming bij die autoriteit is beëindigd, geen beroepsfunctie of beroepsverantwoordelijkheid bij een onderneming of instantie uit de spoorwegsector.

§ 2a. Vrijstelling, ontheffing of vergunning

§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving

§ 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen

§ 8. Erkenning van keuringsinstanties

§ 2. De Autoriteit Consument en Markt

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 4. Strafrechtelijke handhaving

§ 2. Overige overgangsbepalingen

Artikel 123a
1.

Op vergunningen en aanvullende vergunningen voor indienststelling die ingevolge artikel 36 van de Spoorwegwet zijn verleend, zoals dat artikel luidde tot de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, zijn de artikelen 36 en 36b van genoemde wet, zoals die luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, van toepassing.

2.

Op aanvragen voor vergunningen en aanvullende vergunningen voor indienststelling die ingevolge artikel 36 van de Spoorwegwet, zoals dat artikel luidde tot de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, door Onze Minister in behandeling zijn genomen, zijn de artikelen 36 en 36b van genoemde wet, zoals die luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, van toepassing.

§ 9. Bepalingen inzake bijzondere spoorwegen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 16c
1.

Indien er geen belangenconflicten ontstaan en de vertrouwelijkheid van bedrijfsgevoelige informatie wordt gewaarborgd, kan een beheerder:

2.

De beheerder blijft verantwoordelijk voor de functies, bedoeld in artikel 3, punt 2, van richtlijn 2012/34/EU.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van artikel 7 quater, tweede tot en met vierde lid, van richtlijn 2012/34/EU.

Artikel 16d
1.

Een beheerder gebruikt inkomsten uit het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur slechts voor het financieren van eigen activiteiten, met inbegrip van het afbetalen van leningen. De beheerder mag inkomsten gebruiken om dividend uit te keren aan de aandeelhouder of eigenaar.

2.

Een beheerder verstrekt direct noch indirect leningen aan spoorwegondernemingen.

3.

Een spoorwegonderneming verstrekt direct noch indirect leningen aan een beheerder.

Artikel 16e

Ten aanzien van een verticaal geïntegreerde onderneming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 31, van richtlijn 2012/34/EU kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter uitvoering van de artikelen 7, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, derde lid, onderdeel d, vierde en vijfde lid, 7 bis, tweede lid, onderdeel b, 7 quater, eerste lid, onderdeel a, en 7 quinquies, eerste lid, en vierde tot en met tiende lid, van richtlijn 2012/34/EU.

Artikel 16f
1.

Een beheerder beschikt bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, anders dan ten behoeve van de aanleg van hoofdspoorweginfrastructuur over een geldige veiligheidsvergunning.

2.

Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsvergunning aan de beheerder, indien hij beschikt over een veiligheidsbeheersysteem dat:

3.

In afwijking van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht beslist Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, in ieder geval uiterlijk vier maanden nadat alle in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde informatie is verschaft, en neemt het besluit, bedoeld in het vijfde lid, uiterlijk vier maanden nadat hij heeft vastgesteld dat het veiligheidsbeheersysteem niet meer voldoet aan het tweede lid.

4.

Onze Minister stelt beperkingen aan of trekt een veiligheidsvergunning in, indien het veiligheidsbeheersysteem van de beheerder niet meer voldoet aan het tweede lid.

5.

De beheerder gebruikt het veiligheidsbeheersysteem, bedoeld in het tweede lid, bij de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, ter beheersing van alle uit die taken voortvloeiende risico’s.

6.

Een beheerder stelt jaarlijks een verslag op met betrekking tot de spoorwegveiligheid dat voldoet aan de krachtens het zevende lid, onderdeel d, gestelde regels, en zendt dat verslag voor 31 mei aan Onze Minister.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegveiligheidsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de veiligheidsvergunning ten minste regels worden gesteld over:

Artikel 16g

Een beheerder legt een activaregister aan dat voldoet aan artikel 30, zevende lid, van richtlijn 2012/34/EU.

Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf

§ 1. Algemeen

§ 4. Vergunning voor het in dienst stellen van subsystemen die deel uitmaken van hoofdspoorweginfrastructuur

§ 5. Personeel

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur

§ 2. Netverklaring

Hoofdstuk 5. Dienstvoorzieningen en diensten

§ 1. Algemeen. Toegang tot dienstvoorzieningen en levering diensten

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

§ 1. Toezicht

§ 1. Algemeen. Toegang tot dienstvoorzieningen en levering diensten

§ 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving

§ 10. Informatieplicht

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 5. Beroep

§ 6. Heffingen

§ 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3a

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegveiligheidsrichtlijn bepaalde regels worden gesteld met betrekking tot:

§ 1. Algemeen

§ 2. De eigenschappen van hoofdspoorweginfrastructuur

§ 3. De interoperabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur

§ 4. Beheer van hoofdspoorweginfrastructuur

§ 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen

Hoofdstuk 2a. Interoperabiliteit van het hoofdspoorwegsysteem

§ 1. Interoperabiliteitsonderdelen

Artikel 26a
1.

Het is verboden interoperabiliteitsonderdelen voor gebruik binnen het hoofdspoorwegsysteem in de handel te brengen of voor eigen gebruik te vervaardigen, dan wel interoperabiliteitsonderdelen van diverse herkomst of delen daarvan te assembleren:

2.

Het is verboden een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik op te stellen voor interoperabiliteitsonderdelen die niet voldoen aan de essentiële eisen en aan de krachtens artikel 26b, onderdelen b, c en d, gestelde regels.

3.

Interoperabiliteitsonderdelen die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de essentiële eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.

4.

Interoperabiliteitsonderdelen worden binnen hun toepassingsgebied overeenkomstig hun bestemming gebruikt en naar behoren geïnstalleerd en onderhouden.

5.

Onze Minister kan maatregelen nemen ter beperking van de handel in of het gebruik van een van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik voorzien interoperabiliteitsonderdeel dat in de handel is gebracht en wordt gebruikt overeenkomstig zijn bestemming, maar dat de naleving van de essentiële eisen in het gedrang dreigt te brengen.

Artikel 26b

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

Artikel 26c

Het is verboden een subsysteem te construeren, in dienst te stellen of te exploiteren binnen het hoofdspoorwegsysteem dat niet voldoet aan de voor dat subsysteem geldende essentiële eisen.

Artikel 26d

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Artikel 26e

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

§ 3. Ontheffing van toepassen TSI’s of nationale voorschriften

Artikel 26f
1.

Onze Minister kan, op aanvraag, met inachtneming van artikel 7 van de interoperabiliteitsrichtlijn ontheffing verlenen van de toepassing van een of meerdere TSI’s of delen daarvan op een subsysteem. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

2.

Onze Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van de toepassing van nationale voorschriften op een subsysteem. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een ontheffing als bedoeld in de eerste volzin. De regels kunnen betrekking hebben op de aanvraag en verlening van een ontheffing, alsmede de aan een ontheffing te verbinden voorschriften.

3.

Indien Onze Minister ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleent voor een subsysteem waarvoor een vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 26h, tweede lid, of een subsysteem dat deel uitmaakt van een spoorvoertuig waarvoor een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, tweede lid, wordt aangevraagd, verleent hij, in afwijking van artikel 26dd, vierde lid, de desbetreffende vergunning niet voordat de procedure, beschreven in artikel 7 van de interoperabiliteitsrichtlijn, is toegepast.

4.

De termijnen, bedoeld in artikel 26dd, vijfde en zesde lid, zijn van toepassing op ontheffingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 26g

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 26f, regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over de aanvraag en verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 26f, eerste lid.

§ 4. Vergunning voor het in dienst stellen van subsystemen die deel uitmaken van hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 26h
1.

Het is verboden een nieuw subsysteem dat deel uit gaat maken van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen waarvoor Onze Minister geen vergunning voor indienststelling heeft verleend.

2.

Onze Minister verleent, op aanvraag, een vergunning voor indienststelling indien:

Een vergunning voor indienststelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning voor indienststelling kunnen voorschriften worden verbonden.

3.

De aanvraag gaat vergezeld van een dossier dat compleet is met betrekking tot de eisen, bedoeld in het tweede lid.

4.

Onze Minister kan, op aanvraag, met inachtneming van artikel 1 van de interoperabiliteitsrichtlijn ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en verlening van een ontheffing, ter omschrijving van hoofdspoorwegen waarvoor ontheffing mogelijk is, met het oog op het veilig gebruik van die hoofdspoorwegen en over de procedures die bij verlening van een ontheffing kunnen gelden.

5.

Onze Minister kan, op aanvraag, voorafgaand aan de vergunningverlening, bedoeld in het tweede lid, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

6.

De conformiteit met en naleving van de op een subsysteem als bedoeld in het eerste lid toepasselijke voorschriften wordt tijdens het gebruik ononderbroken gewaarborgd.

Artikel 26i
1.

Het is verboden een vernieuwing of verbetering van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen zonder dat Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 26h, tweede lid, heeft verleend, tenzij Onze Minister heeft geoordeeld dat voor de vernieuwing of verbetering geen vergunning voor indienststelling vereist is.

2.

De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats:

3.

De termijnen, bedoeld in artikel 26dd, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 26j

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

§ 5. Voertuigvergunning

Artikel 26k
1.

Het is verboden een spoorvoertuig, voor gebruik op de hoofdspoorweginfrastructuur of een gedeelte daarvan, in de handel te brengen waarvoor geen voertuigvergunning is verleend door het Europees Spoorwegbureau of Onze Minister.

2.

Onze Minister verleent, op aanvraag, een voertuigvergunning voor een spoorvoertuig, bestemd voor gebruik op de hoofdspoorweginfrastructuur of een gedeelte daarvan, met een gebruiksgebied dat zich beperkt tot Nederland, indien:

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

3.

De aanvraag voor een voertuigvergunning gaat vergezeld van een dossier dat compleet is met betrekking tot de eisen, bedoeld in het tweede lid.

4.

Onze Minister breidt, op aanvraag, het gebruiksgebied van een door hem verleende voertuigvergunning uit. Het tweede en derde lid zijn van toepassing op een aanvraag tot uitbreiding van het gebruiksgebied, met dien verstande dat de beoordeling van Onze Minister enkel betrekking heeft op de uitbreiding.

5.

Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 1 van de interoperabiliteitsrichtlijn en de TSI’s, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en verlening van een ontheffing, ter omschrijving van spoorvoertuigen waarmee op omschreven hoofdspoorwegen gebruik gemaakt mag worden, met het oog op het veilig gebruik van die spoorvoertuigen op de hoofdspoorweginfrastructuur, alsmede met betrekking tot de registratie en identificatie van die spoorvoertuigen.

6.

De conformiteit met en naleving van de op een spoorvoertuig bij de indiening van de aanvraag voor een voertuigvergunning als bedoeld in het eerste lid toepasselijke voorschriften wordt tijdens het gebruik ononderbroken gewaarborgd.

7.

Een voertuigvergunning als bedoeld in het tweede lid geldt ook zonder uitbreiding van het gebruiksgebied voor spoorvoertuigen die gebruik maken van dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten, indien de eventueel daarvoor vereiste raadpleging van de daartoe bevoegde autoriteiten in de desbetreffende lidstaten heeft plaatsgevonden.

8.

Een voertuigvergunning, verleend door een daartoe bevoegde autoriteit in een andere lidstaat, geldt ook voor de in die voertuigvergunning opgenomen dicht bij de grens gelegen gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur, voor zover de daarvoor vereiste raadpleging van Onze Minister heeft plaatsgevonden.

Artikel 26l

Voor de vernieuwing of verbetering van een spoorvoertuig waarvoor reeds een voertuigvergunning is verleend als bedoeld in artikel 26k, eerste lid, is een nieuwe voertuigvergunning vereist indien:

Artikel 26m
1.

Onze Minister verleent, op aanvraag, een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig overeenkomstig de procedure voor het verlenen van voertuigvergunningen als bedoeld in artikel 26k, tweede lid.

2.

Indien Onze Minister een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, tweede lid, verleent, dan verleent Onze Minister, op verzoek van de aanvrager van de voertuigvergunning, gelijktijdig een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig die geldt voor hetzelfde gebruiksgebied.

3.

Onze Minister wijzigt een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig of trekt deze in indien de TSI’s of nationale voorschriften op grond waarvan de desbetreffende typegoedkeuring is verleend, zijn gewijzigd en bij die wijzigingen is bepaald dat reeds op basis van die voorschriften verleende typegoedkeuringen gewijzigd of ingetrokken moeten worden. Onze Minister voert bij de beoordeling van een wijziging van de typegoedkeuring voor een spoorvoertuig enkel controles uit die betrekking hebben op de overeenstemming met de gewijzigde voorschriften.

Artikel 26n

Onze Minister verleent, op aanvraag, zonder verdere controles, een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, tweede lid, voor een spoorvoertuig dat in overeenstemming is met een spoorvoertuig waarvoor reeds een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig is verleend. De overeenstemming blijkt uit een door de aanvrager overgelegde geldige verklaring van conformiteit met het type.

Artikel 26o

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

§ 6. Gebruik van een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 26p

Voordat een spoorwegonderneming een spoorvoertuig gebruikt op de in de voertuigvergunning vermelde hoofdspoorweginfrastructuur in het gebruiksgebied, controleert de spoorwegonderneming met inachtneming van de krachtens artikel 26t, onderdeel a, gestelde regels in ieder geval of:

Artikel 26q
1.

Het is verboden gebruik te maken van de hoofdspoorweginfrastructuur met een spoorvoertuig:

2.

Het is verboden gebruik te maken van de hoofdspoorweginfrastructuur met een vernieuwd of verbeterd spoorvoertuig waarvoor, in strijd met artikel 26l of de krachtens artikel 26o, onderdeel e, gestelde regels, geen nieuwe voertuigvergunning is verleend.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien Onze Minister een tijdelijke gebruiksvergunning heeft verleend als bedoeld in artikel 26r, eerste lid.

4.

Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van de verplichting om te beschikken over een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldige voertuigvergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien voor die spoorvoertuigen een voertuigvergunning is verleend die geldt voor de met de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur verbonden, dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in de aangrenzende lidstaat. Een ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op spoorvoertuigen waarvoor Onze Minister een ontheffing als bedoeld in artikel 26k, vijfde lid, heeft verleend.

6.

Onze Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en verlening van een ontheffing, ter omschrijving van spoorvoertuigen waarmee op omschreven hoofdspoorwegen gebruik gemaakt mag worden, met het oog op het veilig gebruik van die spoorvoertuigen op die hoofdspoorwegen en over de procedures die bij verlening van een ontheffing gelden.

Artikel 26r
1.

Onze Minister kan, op aanvraag, een tijdelijke gebruiksvergunning verlenen voor het uitvoeren van tests met spoorvoertuigen op de hoofdspoorweginfrastructuur of een gedeelte daarvan. Een tijdelijke gebruiksvergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een tijdelijke gebruiksvergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

2.

Onze Minister kan een aanvrager van een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, eerste lid, van een ontheffing als bedoeld in artikel 26k, vijfde lid, of van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 26m, eerste lid, verzoeken tests uit te voeren met een spoorvoertuig voor zover dat nodig is voor een goede beoordeling van de desbetreffende aanvraag. In dat geval verleent Onze Minister een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in het eerste lid ambtshalve.

3.

De beheerder doet, in overleg met de aanvrager van de tijdelijke gebruiksvergunning, een aanvrager als bedoeld in het tweede lid, dan wel een spoorwegonderneming die controles wil uitvoeren als bedoeld in artikel 26p, al het mogelijke om ervoor te zorgen dat de tests plaats kunnen vinden binnen drie maanden nadat de beheerder een verzoek daartoe heeft ontvangen.

4.

Onze Minister kan van eenieder medewerking vorderen die redelijkerwijs noodzakelijk is om te waarborgen dat de tests tijdig kunnen plaatsvinden.

Artikel 26s
1.

Indien een spoorwegonderneming vaststelt dat een spoorvoertuig waarmee zij van de hoofdspoorweginfrastructuur gebruik maakt niet aan een van de essentiële eisen voldoet, neemt zij de noodzakelijke corrigerende maatregelen om het voertuig en, in voorkomend geval, de spoorvoertuigen van hetzelfde type met de essentiële eisen in overeenstemming te brengen. Zij kan Onze Minister, het Europees Spoorwegbureau en de betrokken nationale veiligheidsinstanties in de andere lidstaten in kennis stellen van de door haar genomen maatregelen.

2.

Indien een spoorwegonderneming over aanwijzingen beschikt waaruit blijkt dat een spoorvoertuig als bedoeld in het eerste lid, reeds ten tijde van de verlening van de voertuigvergunning niet aan de essentiële eisen voldeed, dan stelt zij Onze Minister, het Europees Spoorwegbureau en de betrokken nationale veiligheidsinstanties in de andere lidstaten daarvan in kennis.

3.

Indien Onze Minister vaststelt dat een spoorvoertuig of type spoorvoertuig bij gebruik op de bedoelde wijze niet voldoet aan de essentiële eisen, dan stelt hij de spoorwegonderneming die het spoorvoertuig of type spoorvoertuig gebruikt daarvan in kennis en verzoekt de spoorwegonderneming de noodzakelijke corrigerende maatregelen te nemen om het spoorvoertuig of de spoorvoertuigen van hetzelfde type in overeenstemming te brengen met de essentiële eisen.

4.

Indien het nemen van de maatregelen, bedoeld in het eerste en derde lid, niet tot conformiteit met de essentiële eisen leidt en de non-conformiteit een ernstig veiligheidsrisico vormt, kan Onze Minister in ieder geval:

5.

Indien de maatregelen die zijn genomen om het ernstige veiligheidsrisico weg te nemen onvoldoende effectief blijken en er bewijs wordt geleverd dat reeds ten tijde van de verlening van de voertuigvergunning of de typegoedkeuring niet werd voldaan aan de essentiële eisen, kan Onze Minister een door hem verleende voertuigvergunning of typegoedkeuring voor een spoorvoertuig intrekken of wijzigen. Indien het niet voldoen aan de essentiële eisen slechts beperkt blijft tot een gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur, dan wijzigt Onze Minister de door hem verleende voertuigvergunning of typegoedkeuring voor het spoorvoertuig door slechts het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur van het gebruiksgebied uit te sluiten.

6.

In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een bezwaarschrift tegen een wijziging of intrekking van een voertuigvergunning of typegoedkeuring als bedoeld in het vijfde lid ingediend binnen een maand na de bekendmaking van het besluit.

7.

In afwijking van artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist Onze Minister op het bezwaarschrift, bedoeld in het zesde lid, uiterlijk binnen een maand, gerekend vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ingediend. Het indienen van een bezwaarschrift schorst het besluit waartegen het gericht is.

8.

In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een beroepschrift tegen een beslissing op een bezwaarschrift als bedoeld in het zevende lid ingediend binnen twee maanden na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

9.

Onze Minister stelt spoorwegondernemingen die gebruik maken van spoorvoertuigen van hetzelfde type als het spoorvoertuig waarvan de voertuigvergunning of typegoedkeuring voor het spoorvoertuig is ingetrokken in kennis van die intrekking. Deze spoorwegondernemingen controleren onverwijld of het niet voldoen aan de essentiële eisen zich ook voordoet bij de desbetreffende spoorvoertuigen van hetzelfde type en informeren Onze Minister over hun bevindingen en genomen maatregelen. Op deze spoorwegondernemingen is de procedure van dit artikel van toepassing.

10.

Het is verboden een spoorvoertuig in de handel te brengen of in de handel te houden dat op basis van een ingetrokken typegoedkeuring van een spoorvoertuig is gebouwd. Indien voor de desbetreffende spoorvoertuigen reeds een voertuigvergunning is verleend met toepassing van artikel 26n, dan vervalt die voertuigvergunning van rechtswege.

Artikel 26t

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

§ 7. Conformiteitsbeoordelingsinstanties

Artikel 26u
1.

Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding van een of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties die voldoen aan de krachtens artikel 26z, onderdeel a, gestelde regels bij de Europese Commissie en de andere lidstaten. Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen worden gegeven. Aan een besluit tot aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden.

2.

De in het eerste lid bedoelde regels bevatten ten minste voorschriften die waarborgen dat:

3.

Wanneer een conformiteitsbeoordelingsinstantie aantoont dat zij voldoet aan de criteria in de toepasselijke geharmoniseerde normen of delen ervan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt zij geacht aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, te voldoen, op voorwaarde dat de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen deze eisen dekken.

4.

Een aangemelde instantie is bevoegd om de bij die aanmelding beschreven conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van interoperabiliteitsonderdelen, subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op de TSI’s en andere toepasselijke Europese voorschriften.

5.

Onze Minister kan bij ministeriële regeling de nationale accreditatie-instantie aanwijzen om de beoordeling van aanvragen als bedoeld in het eerste lid te verrichten en controles op door hem aangemelde instanties uit te voeren.

6.

Een aangemelde instantie gaat pas over tot het verrichten van conformiteitsbeoordelingsactiviteiten na de mededeling van Onze Minister dat de Europese Commissie en de andere lidstaten geen bezwaren hebben geuit tegen de aanmelding.

7.

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op conformiteitsbeoordelingsinstanties die op grond van het eerste lid zijn aangemeld.

Artikel 26v
1.

Onze Minister wijst, op aanvraag, een of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties aan die voldoen aan de krachtens artikel 26z, onderdeel a, gestelde regels. Een aanwijzing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.

2.

Een aangewezen instantie is bevoegd om de bij die aanwijzing beschreven conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op nationale voorschriften.

3.

Onze Minister kan bij ministeriële regeling de nationale accreditatie-instantie aanwijzen om de beoordeling van aanvragen als bedoeld in het eerste lid te verrichten en controles op door hem aangemelde instanties uit te voeren.

4.

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op conformiteitsbeoordelingsinstanties die op grond van het eerste lid zijn aangewezen.

Artikel 26w
1.

Een aangemelde of aangewezen instantie verricht de werkzaamheden waarvoor zij is aangemeld of aangewezen volgens de krachtens artikel 26z, onderdeel c, gestelde regels.

2.

Een aangemelde of aangewezen instantie verstrekt documenten, gegevens en andere informatie aan Onze Minister, het Europees Spoorwegbureau of andere conformiteitsbeoordelingsinstanties volgens de krachtens artikel 26z, onderdeel d, gestelde regels.

3.

Activiteiten van aangemelde of aangewezen instanties mogen uitsluitend worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd:

4.

Aangemelde instanties nemen rechtstreeks dan wel via aangestelde vertegenwoordigers deel aan de werkzaamheden van de door de Europese Commissie opgerichte sectorale groep van aangemelde instanties, bedoeld in artikel 44 van de interoperabiliteitsrichtlijn.

Artikel 26x
1.

Indien is gebleken dat een door Onze Minister aangemelde of een aangewezen instantie niet meer voldoet aan de eisen om te worden aangemeld of aangewezen of de voor die instantie geldende verplichtingen, bedoeld in artikel 26w, niet naleeft, kan Onze Minister, afhankelijk van de ernst van het niet voldoen aan de eisen of het niet nakomen van de verplichtingen, de aanmelding of aanwijzing beperken, schorsen of intrekken.

2.

Onze Minister draagt zorg voor een goede overdracht van de dossiers die in behandeling waren bij of in bezit zijn van een aangemelde of aangewezen instantie waarvan de aanmelding of aanwijzing is beperkt, geschorst of ingetrokken of die haar activiteiten heeft gestaakt.

3.

Onze Minister kan vorderen dat een aangemelde of aangewezen instantie als bedoeld in het tweede lid de dossiers aan hem overdraagt.

Artikel 26y

Conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd door een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in artikel 35 van de interoperabiliteitsrichtlijn, indien wordt voldaan aan de krachtens artikel 26z, onderdeel g, gestelde regels.

Artikel 26z

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

Artikel 26aa
1.

Onze Minister houdt een voertuigregister en draagt, op aanvraag, zorg voor de inschrijving in dit register van spoorvoertuigen waarvoor een voertuigvergunning is verleend met een gebruiksgebied dat de hoofdspoorweginfrastructuur betreft, tenzij het desbetreffende spoorvoertuig reeds in een register van een andere lidstaat of het Europees voertuigregister is ingeschreven.

2.

Spoorvoertuigen waarvoor Onze Minister de voertuigvergunning heeft verleend, worden in ieder geval in het door hem gehouden voertuigregister ingeschreven, tot het moment dat het Europees voertuigregister operationeel is.

3.

Onze Minister kent aan een spoorvoertuig dat wordt ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister een Europees voertuignummer toe. De houder van het spoorvoertuig brengt het Europees voertuignummer aan op het spoorvoertuig.

4.

Onze Minister kan een inschrijving in het door hem gehouden voertuigregister wijzigen of schrappen.

5.

De houder van een spoorvoertuig dat staat ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister meldt informatie die kan leiden tot wijziging of schrapping van de inschrijving van dat spoorvoertuig in dat voertuigregister onverwijld aan Onze Minister.

6.

Onze Minister kan aan de instanties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van de interoperabiliteitsrichtlijn inzage verlenen in het register, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 26bb

Een beheerder houdt en publiceert met inachtneming van de krachtens artikel 26cc, onderdeel d, gestelde regels een register van de hoofdspoorweginfrastructuur die hij beheert.

Artikel 26cc

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

Artikel 26dd
1.

Dit artikel is van toepassing op de besluiten die Onze Minister neemt op grond van:

2.

Onze Minister deelt uiterlijk een maand na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager mede of alle informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag is verstrekt.

3.

Onze Minister stelt een redelijke termijn voor het indienen van aanvullende informatie indien hij van oordeel is dat er onvoldoende informatie voor een goede beoordeling van de aanvraag is verstrekt.

4.

Onze Minister beslist na ontvangst van alle informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag, met inachtneming van artikel 4:14, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uiterlijk binnen vier maanden.

5.

In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een bezwaarschrift tegen een besluit ingediend binnen een maand na de bekendmaking van het besluit.

6.

In afwijking van artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist Onze Minister op een bezwaarschrift uiterlijk binnen twee maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking nadere regels worden gesteld met betrekking tot de termijnen, bedoeld in dit artikel.

Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

§ 1. Toezicht

§ 3a. Toezicht en handhaving Europese regelgeving

§ 8. Erkenning van keuringsinstanties

§ 9. Bepalingen inzake bijzondere spoorwegen

§ 10. Informatieplicht

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving

§ 2. Overige overgangsbepalingen

Artikel 122a

Artikel 26q, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een spoorvoertuig dat:

Artikel 123a*

In de artikelen 123c en 123f wordt verstaan onder «Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket»: de Wet tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44), richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102), richtlijn (EU) 2016/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2012/34/EU, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur (PbEU 2016, L 352/1) en tevens ter goede uitvoering van verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PbEU 2016 L 138/1) en van verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands personenvervoer per spoor (PbEU 2016, L 354/22).

Artikel 123b
1.

Een vergunning voor indienststelling van een hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 8, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, berust met ingang van de dag waarop artikel 26h in werking treedt op artikel 26h, tweede lid.

2.

Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag voor het buiten toepassing laten van een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 8, derde lid, respectievelijk 9, vierde lid, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, berust met ingang van de dag waarop artikel 26f in werking treedt op artikel 26f, eerste lid.

3.

Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 8, vierde lid, respectievelijk 9, zesde lid, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, berust met ingang van de dag waarop artikel 26h in werking treedt op artikel 26h, vijfde lid.

4.

Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 8, achtste lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, berust met ingang van de dag waarop artikel 26h in werking treedt op artikel 26h, vierde lid.

5.

Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, berust met ingang van de dag waarop artikel 26f, in werking treedt op artikel 26f, eerste lid.

Artikel 123c

Een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32 respectievelijk een proefcertificaat als bedoeld in artikel 34 van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket, blijft na de inwerkingtreding van die wet geldig voor de duur waarvoor het betreffende certificaat is verleend. Op een tussentijdse wijziging, schorsing of intrekking van het betreffende veiligheidscertificaat zijn met ingang van de dag waarop de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket in werking treedt, artikel 33, tweede en derde lid, en de krachtens artikel 35, onderdeel c, gestelde regels, van toepassing.

Artikel 123d
1.

Een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig als bedoeld in de artikelen 36, 36b en 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, blijven na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende vergunning door Onze Minister is verleend. Op de betreffende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig blijft het recht van toepassing zoals dat voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a voor de betreffende vergunning gold, met dien verstande dat:

2.

Een ontheffing als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 36b, eerste lid, van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, blijft na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende ontheffing is verleend. Op de desbetreffende ontheffing blijft het recht van toepassing zoals dat voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a voor de ontheffing gold.

3.

Aanvragen voor een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig of een ontheffing die voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden aangemerkt als volgt:

4.

Aanvragen voor een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig of een ontheffing als bedoeld in artikel 36b die voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geacht van rechtswege te zijn geweigerd.

Artikel 123e
1.

Een aanvullende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig die is verleend op grond van artikel 36, 36b of 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, blijft na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende vergunning door Onze Minister is verleend, met dien verstande dat het betreffende besluit tussentijds door het Europees Spoorwegbureau kan worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.

2.

Onze Minister zendt de aanvragen om een aanvullende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig op grond van de artikelen 36, 36b en 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, die voor 16 juni 2019 bij hem zijn ingediend en waarop op 15 juni 2019 nog niet is beslist, onverwijld ter verdere behandeling door aan het Europees Spoorwegbureau. Onze Minister stelt de desbetreffende aanvrager in kennis van de doorzending.

Artikel 123f

Een onderhoudscertificaat als bedoeld in artikel 46 respectievelijk een erkenning als bedoeld in artikel 48 van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket, berust met ingang van de dag waarop die wet in werking treedt op artikel 36 respectievelijk artikel 37.

§ 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 26ca
1.

Indien voor een subsysteem een EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en, naargelang het geval, overeenkomstig de nationale voorschriften, wordt dat subsysteem geacht te voldoen aan de essentiële eisen.

2.

Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld na toepassing van de daarvoor geldende keuringsprocedures en overeenkomstig de krachtens artikel 26e, onderdelen b, c en d, gestelde regels.

3.

Het is verboden een EG-keuringsverklaring op te stellen voor een subsysteem dat niet voldoet aan de essentiële eisen.

4.

Subsystemen die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de essentiële eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.

5.

Onze Minister kan verzoeken om aanvullende verificaties te verrichten ten aanzien van een subsysteem dat is voorzien van een EG-keuringsverklaring, indien hij constateert dat het subsysteem niet voldoet aan de essentiële eisen.

§ 3. Ontheffing van toepassen TSI’s of nationale voorschriften

§ 6. Gebruik van een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur

§ 7. Conformiteitsbeoordelingsinstanties

Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf

Artikel 27a

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

§ 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen

Artikel 33a
1.

Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding bij het Europees Spoorwegbureau van een of meer beoordelingsinstanties die voldoen aan de in artikel 35, onder f, gestelde regels.

2.

Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen geschieden. Aan een aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden.

3.

Een aangemelde beoordelingsinstantie is bevoegd om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van interoperabiliteitsonderdelen, subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op uitvoeringsverordening (EU) 402/2013.

4.

Onze Minister kan bij ministeriële regeling de nationale accreditatie-instantie aanwijzen om de aanvragen, bedoeld in het eerste lid, te beoordelen en om controles uit te voeren op de aangemelde beoordelingsinstanties.

5.

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op beoordelingsinstanties die op grond van het eerste lid zijn aangemeld.

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur

Hoofdstuk 5. Dienstvoorzieningen en diensten

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

§ 1. Toezicht

§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving

§ 5. Beroep

§ 6. Heffingen

§ 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving

§ 8. Erkenning van keuringsinstanties

§ 11. De verwerking van persoonsgegevens

Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving

§ 2. Overige overgangsbepalingen

Artikel 123a*

In de artikelen 123c, 123f en 123g wordt verstaan onder «Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket»: de Wet tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44), richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102), richtlijn (EU) 2016/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2012/34/EU, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur (PbEU 2016, L 352/1) en tevens ter goede uitvoering van verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PbEU 2016 L 138/1) en van verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands personenvervoer per spoor (PbEU 2016, L 354/22).

Artikel 123g

Bijlagen IV, V, VII en IX bij richtlijn 2008/57/EG blijven na de inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket van toepassing in de bij ministeriële regeling op grond van de artikelen 26b, 26d, 26e, 26g, 26j en 26o van die wet bepaalde gevallen.

§ 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.