Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van vergunningen personenvervoer (Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob)
gelet op de artikelen 3, eerste en zesde lid van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, en de artikelen 6, vierde en vijfde lid en 99, eerste lid, onder c, en tweede lid van de Wet personenvervoer 2000;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Definities en toepassing
Artikel 1.1
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- a. Bureau Bibob: Bureau, bedoeld in de artikelen 8 en 9, eerste lid, van de Wet Bibob;
- b. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;
- d. Besluit Bibob: Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
- e. misdrijf: strafbare feiten als bedoeld in het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2, eerste, tweede, derde lid en vijfde lid, van de Wet economische delicten;
- f. strafbaar feit: feit dat aanleiding kan zijn tot strafvervolging en is bedreigd met een strafrechtelijke sanctie;
- g. vergunning: vergunning voor het verrichten van besloten busvervoer, taxivervoer, openbaar vervoer per trein en openbaar vervoer anders dan per trein als bedoeld in artikel 4, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000.
Artikel 1.2
Deze beleidsregel heeft betrekking op:
- a. de strafbare feiten die de Minister relevant acht voor het begrip ernstig gevaar als bedoel in artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet Bibob en voor een aanwijzing of vermoeden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob;
- b. de belangen die in de afweging van een besluit inzake een vergunning kunnen worden meegewogen, anders dan de aanwezigheid van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet Bibob of van een aanwijzing of een vermoeden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob;
- c. de feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot aanvraag van een advies van Bureau Bibob als bedoeld in de artikelen 6, vijfde lid en 99, tweede lid, van de Wet Personenvervoer 2000.
Hoofdstuk 2. Strafbare feiten
Paragraaf 2.1. Voordelen uit strafbare feiten
Artikel 2.1.1
De Minister kan op grond de artikelen 6, vierde lid, en 99, eerste lid, onder c, van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning weigeren, intrekken of schorsen indien er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.
Artikel 2.1.2
De Minister neemt ingevolge het gevaar als bedoeld in artikel 2.1.1 uitsluitend strafbare feiten in aanmerking:
- a. die zijn gepleegd;
- b. waarvoor een veroordeling is uitgesproken;
- c. ingevolge waarvan aanzienlijke voordelen zijn of kunnen worden behaald; waaronder financiële middelen, zaken, producten, diensten, gegevens, informatie, waardepapieren, concurrentievoordeel, goodwill, goede naam of en andere voordelen zonder een in het zakelijk verkeer gebruikelijke tegenprestatie;
- d. waarvan de voordelen kunnen worden benut in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de aanvrager of houder dan wel de activiteiten waarvoor de vergunning is bedoeld;
- e. die worden aangemerkt als een misdrijf; en
- f. die van zodanig gewicht zijn dat in handeling en gevolg de rechtsorde dan wel economische, maatschappelijke of openbare belangen kunnen worden geschaad.
Het eerste lid, onder b is niet van toepassing op de weigering of intrekking van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer en openbaar vervoer per trein.
Artikel 2.1.3
Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 2.1.2, kunnen worden aangemerkt:
de commune delicten uit het Wetboek van Strafrecht:
- a. deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr), voor zover het betreft organisaties die zich schuldig hebben gemaakt aan de in dit artikel genoemde strafbare feiten;
- b. omkoping van of dwanguitoefening op een ambtenaar, bestuurder of beëdigde beambte (177, 179, 183, eerste lid Sr);
- c. omkoping van een rechter (178 (Sr);
- d. het illegaal te werk doen stellen van zich onrechtmatig in Nederland bevindende personen (197b Sr);
- e. valsheid in geschrifte (225-227, 230 Sr);
- f. mensenhandel, specifiek het vervoeren van personen die worden bewogen tot seksuele handelingen met derden tegen betaling (250a, eerste lid, onder 2 Sr);
- g. mensenroof (278 Sr);
- h. slavenhandel (276 Sr);
- i. schaking (281 Sr);
- j. wederrechtelijke vrijheidsberoving (282, 283) en gijzeling (282a Sr),
- k. diefstal en diefstal met geweld (310, 312 Sr);
- l. afpersing (317 Sr) en afdreiging (318 Sr);
- m. verduistering (321 Sr) en beroepshalve verduistering (322 Sr);
- n. oplichting (326 Sr) en betalingsbedrog (326a Sr);
- o. verzekeringsoplichting (328 Sr);
- p. oneerlijke mededinging door misleiding (328bis Sr);
- q. de aflevering van vervalste voedselwaren en geneesmiddelen (330 Sr) en het plegen van bedrieglijke handelingen bij de levering van materialen (331, tweede lid Sr);
- r. het in-, door- of uitvoeren, afleveren en in voorraad hebben van valse waren of merken (337, eerste lid Sr), in het bijzonder het plegen beroepshalve (337, tweede Sr);
- s. bankbreuk (340 Sr) en bedrieglijke bankbreuk (341 Sr);
- t. opzetheling (416) en schuldheling (417bis Sr); of
- u. de medeplichtigheid aan of poging tot het begaan van onder b tot en met t genoemde strafbare feiten.
de delicten uit de Opiumwet:
a. het importeren, exporteren, bereiden, telen, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van verboden middelen (2, eerste lid onder A, B, C en D en 3, eerste lid, onder A, B, C en D, van de Opiumwet);
a. het medeplichtig zijn aan of op enigerlei wijze behulpzaam zijn bij de onder a bedoelde handelingen (10a, eerste lid, van de Opiumwet).
de delicten uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen:
- a. het opzettelijk of met grove schuld ontduiken van belasting die een rechtspersoon verplicht is af te dragen op grond van de Wet op de omzetbelasting, Wet op de inkomstenbelasting en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (artikel 67, onder e);
- b. het opzettelijk of met grove schuld niet of niet tijdig betalen van belasting die een rechtspersoon verplicht is af te dragen op grond van de Wet op de omzetbelasting, Wet op de inkomstenbelasting en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (artikel 67, onder f).
Artikel 2.1.4
De Minister kan de in artikel 2.1.2 bedoelde strafbare feiten buiten beschouwing laten indien naar zijn oordeel een gepleegd strafbaar feit door de omstandigheden van het geval in geringe mate ernstig is.
De ernst van een strafbaar feit wordt bepaald door:
- a. recidive van een zelfde of verwant strafbaar feit ;
- b. de mate van schuld;
- c. de hoogte van het behaalde voordeel;
- d. de hoogte van de opgelegde of bij het strafbaar feit behorende strafmaat;
- e. de verleden tijd sinds het feit is begaan;
- f. het aantal betrokkenen bij het strafbare feit;
- g. betrokkenheid van de leidinggevenden binnen het bedrijf van de houder of aanvrager van een vergunning; of
- h. de aan mens en goed toegebrachte schade.
Paragraaf 2.2. Te plegen strafbare feiten
Artikel 2.2.1
De Minister kan op grond de artikelen 6, vierde lid, en 99, eerste lid, onder c, van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning weigeren, intrekken of schorsen indien er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Artikel 2.2.2
De Minister neemt ingevolge het gevaar als bedoeld in artikel 2.2.1 uitsluitend strafbare feiten in aanmerking:
- a. waarvoor de houder of aanvrager in vergelijkbare gevallen reeds eerder is veroordeeld;
- b. die overeenkomen of samenhangen met de activiteiten die in het kader van een vergunning kunnen worden verricht;
- c. die zijn verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de ontvanger of houder dan wel de activiteiten waarvoor de vergunning wordt verstrekt;
- d. die worden aangemerkt als een misdrijf; en
- e. die van zodanig gewicht zijn dat in handeling en gevolg de rechtsorde dan wel economische, maatschappelijke of openbare belangen kunnen worden geschaad.
Het eerste lid, onder a is niet van toepassing op de weigering of intrekking van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer en openbaar vervoer per trein.
Artikel 2.2.3
Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 2.2.2, kunnen worden aangemerkt:
de commune delicten uit het Wetboek van Strafrecht:
- a. deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr), voor zover het betreft organisaties die zich schuldig hebben gemaakt aan de in dit artikel genoemde strafbare feiten;
- b. omkoping van of dwanguitoefening op een ambtenaar, bestuurder of beëdigd beambte (177, 179, 183 eerste lid Sr);
- c. omkoping van een rechter (178 (Sr);
- d. mensensmokkel ofwel het behulpzaam zijn bij het onrechtmatig toegang verschaffen tot een land binnen de Europese gemeenschap (179a Sr),
- e. slavenhandel (267 Sr);
- f. mensenhandel, specifiek het vervoeren van personen die worden bewogen tot seksuele handelingen met derden tegen betaling (250a, eerste lid, onder 2 Sr),
- g. mensenroof (278 Sr);
- h. schaking (281 Sr);
- i. wederrechtelijke vrijheidsberoving (282, 283) en gijzeling (282a Sr),
- j. beroepshalve verduistering (322 Sr);
- k. de aflevering van vervalste voedselwaren en geneesmiddelen (330 Sr) en het plegen van bedrieglijke handelingen bij de levering van materialen (331, tweede 2, Sr);
- l. het in-, door- of uitvoeren, afleveren en in voorraad hebben van valse waren of merken (337, eerste lid Sr), in het bijzonder het plegen beroepshalve (337, tweede lid Sr);
- m. opzetheling (416) en schuldheling (417bis Sr);
- n. de medeplichtigheid aan of poging tot het begaan van onder b tot en met m genoemde strafbare feiten.
de delicten uit de Opiumwet:
- a. het importeren, exporteren, verwerken, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van verboden middelen (2, eerste lid onder A, B, C en D en 3, eerste lid, onder A, B, C en D, van de Opiumwet);
- b. het medeplichtig zijn aan of op enigerlei wijze behulpzaam zijn bij de onder a bedoelde handelingen (10a, eerste lid, van de Opiumwet).
de delicten uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen:
- a. het opzettelijk of met grove schuld ontduiken van belasting die een rechtspersoon verplicht is af te dragen op grond van de Wet op de omzetbelasting, Wet op de inkomstenbelasting en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (artikel 67, onder e);
- b. het opzettelijk of met grove schuld niet of niet tijdig betalen van belasting die een rechtspersoon verplicht is af te dragen op grond van de Wet op de omzetbelasting, Wet op de inkomstenbelasting en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (artikel 67, onder f).
overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: de Wet personenvervoer, artikel 5 (artikel 1, onder ten tweede en ten derde Wed).
Artikel 2.2.4
De Minister kan de in artikel 2.2.2 bedoelde strafbare feiten buiten beschouwing laten indien naar zijn oordeel een gepleegd strafbaar feit door de omstandigheden van het geval in geringe mate ernstig is.
De ernst van een strafbaar feit wordt bepaald door:
- a. recidive van een zelfde of verwant strafbaar feit;
- b. de mate van schuld;
- c. de hoogte van het behaalde voordeel;
- d. de hoogte van de opgelegde of bij het strafbaar feit behorende strafmaat,
- e. de verleden tijd sinds het feit is begaan;
- f. het aantal betrokkenen bij het strafbare feit;
- g. betrokkenheid van de leidinggevenden binnen het bedrijf van de houder of aanvrager van een vergunning; of
- h. de aan mens en goed toegebrachte schade.
Paragraaf 2.3. Strafbare feiten als middel
Artikel 2.3.1
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.