Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand)
Onder de vaardigheden, bedoeld in het tweede, zesde, tiende, elfde en twaalfde lid, worden de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op minimaal het referentieniveau 1F dat is vastgesteld op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen verstaan:
- a. spreekvaardigheid;
- b. luistervaardigheid;
- c. gespreksvaardigheid;
- d. schrijfvaardigheid; en
- e. leesvaardigheid.
De bijstand wordt gedurende zes maanden verlaagd met 20 procent van de bijstandsnorm vanaf het moment, bedoeld in het vierde lid, tweede zin.
De bijstand wordt gedurende zes maanden verlaagd met 40 procent van de bijstandsnorm, te rekenen vanaf zes maanden na het moment, bedoeld in het vierde lid, tweede zin, indien uit de uitkomst van een door het college afgenomen toets blijkt dat de belanghebbende:
- a. de vaardigheden in de Nederlandse taal niet beheerst; en
- b. niet voldoet aan de voortgang die van hem verwacht mag worden met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal.
De verlaging van de bijstand bedraagt 100 procent van de bijstandsnorm voor onbepaalde tijd, te rekenen vanaf twaalf maanden na het moment, bedoeld in het vierde lid, tweede zin, indien uit de uitkomst van een door het college afgenomen toets blijkt dat de belanghebbende:
- a. de vaardigheden in de Nederlandse taal niet beheerst; en
- b. niet voldoet aan de voortgang die van hem verwacht mag worden met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de toets, bedoeld in het tweede, tiende en elfde lid, van de vaardigheden in de Nederlandse taal. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:
- a. de in de toets op te nemen onderdelen;
- b. de wijze van toetsing van de verschillende onderdelen;
- c. de wijze van beoordeling van de toets;
- d. de kwalificatie van degene die de toets beoordeelt; en
- e. de omstandigheden waaronder de toets wordt afgenomen.
De toets, bedoeld in het tweede, tiende en elfde lid, wordt telkens afgenomen voordat de verlaging van de bijstand door het college wordt toegepast.
Bij de toepassing van dit artikel wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
Hoofdstuk 3. Algemene bijstand
§ 3.1. Algemeen
Hoofdstuk 4. Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
Hoofdstuk 5. Uitvoering
Hoofdstuk 6. Bevoegdheden en faciliteiten gemeenten
§ 6.5. Verhaal
§ 6.6. Gegevensuitwisseling
Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie
§ 7.1. Financiering
§ 7.1. Financiering
Hoofdstuk 7a. Overgangsrecht
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 19a. Kostendelende medebewoner
In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 27 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet:
- a. de echtgenoot van belanghebbende is;
- b. op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft;
- c. op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger; of
- d. een persoon is die:
- 1°. onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 kan bestaan en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering;
- 2°. onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die tegemoetkoming;
- 3°. een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt;
- 4°. een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld onder 1° tot en met 3° volgt buiten Nederland, waarbij voor onder 1° en 2° geldt dat hij op enig moment tijdens dat onderwijs jonger dan 30 jaar is of in de maand van aanvang de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, legt de belanghebbende op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.
Hoofdstuk 4. Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
Hoofdstuk 5. Uitvoering
Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie
§ 7.1. Financiering
§ 7.2. Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders
Hoofdstuk 7a. Overgangsrecht
Artikel 78aa
Op de persoon die op de dag voor inwerkingtreding van artikel IX, onderdeel B, van de Verzamelwet SZW 2016, recht heeft op algemene bijstand:
- a. blijven de artikelen 20 tot en met 22a, 24, 33, vierde lid, en 53a, tweede en derde lid, zoals die luidden op die dag van toepassing; en
- b. is artikel 19a niet van toepassing;
gedurende zes maanden na de datum van inwerkingtreding voor zover toepassing van dit artikel tot een hoger bedrag aan algemene bijstand leidt.
Indien het netto minimumloon wijzigt met ingang van 1 januari 2016, worden bij de toepassing van het eerste lid, de normen, genoemd in de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde artikelen 20 tot en met 22a, toegepast, zoals ze zouden luiden na herziening met het percentage van deze wijziging.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 78bb. Overgangsrecht inkomensvrijlating
Vervallen
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 8d. Plan gemeenteraad
De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast omtrent de wijze waarop het college uitvoering zal geven aan het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169).
Hoofdstuk 2. Rechten en plichten
Hoofdstuk 3. Algemene bijstand
Hoofdstuk 4. Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
Hoofdstuk 5. Uitvoering
§ 6.3. Aanvullende verplichtingen
§ 7.1. Financiering
§ 7.2. Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders
Hoofdstuk 7a. Overgangsrecht
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 78cc
Artikel 6, onderdeel g, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de Wet van 17 november 2016 tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen blijft van toepassing op de verstrekking van loonkostensubsidies over perioden die gelegen zijn voor 1 januari 2017.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 10g. Tolkvoorzieningen
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft tot taak personen als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a, eerste lid, onderdeel a, met een auditieve beperking te ondersteunen bij de arbeidsinschakeling door middel van het bekostigen van tolkvoorzieningen.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van personen als bedoeld in het eerste lid of het college een tolkvoorziening toekennen en voor die personen bekostigen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden over:
- a. de omvang en de inhoud van de aanspraak, bedoeld in het tweede lid;
- b. de voorwaarden waaronder de tolkvoorzieningen worden verleend;
- c. de kwaliteitseisen van tolken.
In afwijking van de artikelen 17, 18, 18a en paragraaf 6.4 zijn ten aanzien van de uitvoering van dit artikel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de bijbehorende verplichtingen van de persoon, bedoeld in het tweede lid, de artikelen 2:7, 2:9, 2:31, 2:58, 2:59, 2:60, 2:61, 2:63, 2:64, 2:65, 2:69 en 6:3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van overeenkomstige toepassing.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de toekenning, bedoeld in het tweede lid weigeren, indien:
- a. het na een eerdere herziening, intrekking of weigering van een toekenning op grond van het vierde lid heeft vastgesteld dat:
- 1°. de persoon, bedoeld in het tweede lid, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
- 2°. de persoon niet voldoet aan de aan de tolkvoorziening verbonden voorwaarden, of
- 3°. de persoon de tolkvoorzieningen niet of voor een ander doel gebruikt;
- b. de persoon, bedoeld in het tweede lid, aanspraak kan maken op tolkvoorzieningen die zijn getroffen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet overige OCW-subsidies, of in verband met werkzaamheden als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening en de aanvraag ondersteuning op grond van die wetten betreft.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding van de tolk.
Hoofdstuk 3. Algemene bijstand
Hoofdstuk 4. Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
§ 6.2. Onderzoek, opschorten en herzien
§ 6.5. Verhaal
§ 6.6. Gegevensuitwisseling
§ 7.2. Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders
Hoofdstuk 7a. Overgangsrecht
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 78fa. Niet toepassen kostendelersnorm Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers
De artikelen 19a en 22a zijn niet van toepassing bij het verlenen van bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2021. Het tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.
De voordracht van een krachtens het tweede lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 41b. Tijdelijk maatwerk bij de zoektermijn
In afwijking van artikel 41, vierde lid, kan een aanvraag worden ingediend voordat de termijn van vier weken als bedoeld in artikel 41, vierde lid, is verstreken en kan het college de aanvraag eerder in behandeling nemen indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2021. Het tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.
De voordracht van een krachtens het tweede lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie
§ 7.1. Financiering
§ 7.2. Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders
Artikel 78fb. Niet toepassen norm ten aanzien van personen jonger dan 27 jaar die onderwijs kunnen volgen voor de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers
Artikel 13, tweede lid, onderdeel c, aanhef en subonderdeel 2, is niet van toepassing bij het verlenen van bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2021. Het tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.
De voordracht van een krachtens het tweede lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 31a. Tijdelijke openstelling van re-integratie instrumenten voor personen jonger dan 27 jaar
In afwijking van artikel 31, vijfde lid, zijn het tweede lid, onderdelen k, n en r, van dat artikel wel van toepassing op de persoon die jonger is dan 27 jaar.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2021. Het tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.
De voordracht van een krachtens het tweede lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 41a. Tijdelijke uitzondering op de zoektermijn voor kwetsbare jongeren
Artikel 41, vierde lid, is niet van toepassing op een persoon jonger dan 27 jaar indien:
- a. die persoon ten tijde van de melding, bedoeld in artikel 44, in een inrichting verblijft of recht heeft op een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- b. die persoon uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 44, in een inrichting verbleef of recht had op een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- c. die persoon uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 44, bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleef als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.
- d. ten aanzien van die persoon uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 44, sprake was van een kinderbeschermingsmaatregel uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
- e. die persoon niet is ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen of als ingezetene zonder woonadres is ingeschreven met een briefadres in de basisregistratie personen;
- f. die persoon uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 44, ingeschreven heeft gestaan bij:
- 1°. het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs; of
- 2°. het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra; of
- g. die persoon medisch urenbeperkt is of behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2021. Het tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.
De voordracht van een krachtens het tweede lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 6. Bevoegdheden en faciliteiten gemeenten
Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie
§ 7.3. Informatie
Hoofdstuk 7a. Overgangsrecht
Hoofdstuk 7b. Tegemoetkoming door onze minister in verband met hoge energiekosten
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 78dd. Overgangsrecht in verband met de Verzamelwet SZW 2022
Artikel 10d, twaalfde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel A, van de Verzamelwet SZW 2022, blijft van toepassing indien de ziekmelding, bedoeld in artikel 38a, derde lid, van de Ziektewet voor dat tijdstip is gedaan.
De artikelen 5, onderdeel d, 35 en 36b, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel Cb, van de Verzamelwet SZW 2022 blijven van toepassing op de persoon aan wie een individuele studietoeslag is verleend, indien het verleende bedrag tot een hoger bedrag aan individuele studietoeslag leidt dan een studietoeslag op grond van artikel 36b.
Artikel 56a. Ontzorgen
Dit artikel is van toepassing op de belanghebbende die:
- a. inburgeringsplichtig is op grond van de Wet inburgering 2021; en
- b. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.
Het college verbindt aan de bijstand van de belanghebbende de verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering.
Artikel 67a. Gebruik van gegevens Wet inburgering 2021
Het college is bevoegd de gegevens die zij heeft verkregen voor de uitvoering van de taken die bij of krachtens de Wet inburgering 2021 aan het college zijn opgedragen, ook te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet.
Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie
§ 7.1. Financiering
§ 7.3. Informatie
Hoofdstuk 7a. Overgangsrecht
Artikel 45a. Betaling loonkostensubsidie
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de termijn waarbinnen het bedrag aan loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10d, vierde of vijfde lid, wordt berekend en betaald.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 78ee*. Overgangsrecht invoering wettelijk minimumloon
Door het college op grond van artikel 10d genomen besluiten, zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven tot een jaar na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
Het college brengt de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon in overeenstemming met deze wet, voor zover die besluiten afwijken van deze wet.
Op een aanvraag op grond van artikel 10d waarop niet is beslist voor de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon wordt beslist met toepassing van artikel 10d, zoals deze luidt na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon.
Op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel E, van de Wet invoering minimumuurloon is ingediend tegen een door het college op grond van de artikel 10d van de Participatiewet genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van artikel 10d, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 78ee. Tegemoetkoming voor energiekosten studenten
In dit artikel wordt verstaan onder:
- aanvullende beurs: aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet studiefinanciering 2000;
- basisbeurs uitwonend: basisbeurs voor een uitwonende student als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000;
- leenfase: fase als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, artikel 4.18, tweede lid, of artikel 5.2, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000, waarin een student studiefinanciering kan ontvangen in de vorm van een lening;
- lening: studiefinanciering in de vorm van een lening als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, artikel 4.18, tweede lid, of artikel 5.2, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000;
- student: student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000;
- uitwonende student: uitwonende student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000.
Onze Minister kan ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die uiterlijk op 31 juli 2024 een basisbeurs uitwonend en een aanvullende beurs voor de maand oktober 2023 heeft aangevraagd en aan wie deze zijn toegekend.
Onze Minister kan ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die:
- a. zich op 1 oktober 2023 in de leenfase bevindt;
- b. in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving; en
- c. uiterlijk op 31 juli 2024 voor de maand oktober 2023 een lening heeft aangevraagd en aan wie deze is toegekend.
Een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming kan niet ten nadele van een student worden herzien.
De tegemoetkoming is geen bijstand in de zin van deze wet of studiefinanciering in de zin van artikel 3.1 van de Wet studiefinanciering 2000.
Op de tegemoetkoming is artikel 46, tweede lid, van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 76 tot en met 78 niet van toepassing.
Voor de uitvoering van dit artikel kan Onze Minister van de persoonsgegevens van de student die Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar heeft ter uitvoering van de Wet studiefinanciering 2000, de volgende persoonsgegevens verwerken, met uitzondering van bijzondere categorieën van persoonsgegevens:
- a. contactgegevens;
- b. identificerende gegevens waaronder het burgerservicenummer of het onderwijsnummer, bedoeld in artikel 1.7 van de Wet studiefinanciering 2000;
- c. bankrekeningnummer;
- d. het gegeven of aan een student een aanvullende beurs is toegekend;
- e. het gegeven of aan een student een basisbeurs uitwonend is toegekend;
- f. het gegeven of een student een lening heeft aangevraagd voor de maand oktober 2023, en of die student in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de goede uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk 7b vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat het van toepassing blijft op geschillen die op dat tijdstip in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn met betrekking tot besluiten van Onze Minister die op grond van dit artikel zijn genomen.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 10h. Werkvoorzieningen visueel beperkten
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft tot taak personen als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a, eerste lid, onderdeel a, met een visuele beperking te ondersteunen bij de arbeidsinschakeling door middel van het bekostigen van werkvoorzieningen.
Onder werkvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:
- a. vervoersvoorzieningen die ertoe strekken de werkplek, proefplaats of opleidingslocatie te bereiken;
- b. intermediaire activiteiten;
- c. meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingsplaats of de proefplaats die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd; en
- d. de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van personen als bedoeld in het eerste lid of het college een werkvoorziening toekennen en voor die personen bekostigen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden over:
- a. de omvang en de inhoud van de aanspraak, bedoeld in het derde lid; en
- b. de voorwaarden waaronder de werkvoorziening wordt verleend.
In afwijking van de artikelen 17, 18, 18a en paragraaf 6.4 zijn ten aanzien van de uitvoering van dit artikel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de bijbehorende verplichtingen van de persoon, bedoeld in het derde lid, de artikelen 2:7, 2:9, 2:31, 2:58, 2:59, 2:60, 2:61, 2:63, 2:64, 2:65, 2:69 en 6:3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van overeenkomstige toepassing.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de toekenning, bedoeld in het derde lid, weigeren, indien:
- a. het na een eerdere herziening, intrekking of weigering van een toekenning op grond van het vijfde lid heeft vastgesteld dat:
- 1°. de persoon, bedoeld in het derde lid, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- 2°. de persoon niet voldoet aan de aan de werkvoorziening verbonden voorwaarden; of
- 3°. de persoon de werkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt;
- b. de persoon, bedoeld in het derde lid, aanspraak kan maken op voorzieningen die zijn getroffen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet overige OCW-subsidies of de Zorgverzekeringswet, en de aanvraag ondersteuning op grond van die wetten betreft.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding van de werkvoorziening.
Hoofdstuk 3. Algemene bijstand
Hoofdstuk 6. Bevoegdheden en faciliteiten gemeenten
Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie
§ 7.3. Informatie
Hoofdstuk 7b. Tegemoetkoming door onze minister in verband met hoge energiekosten
Artikel 78ee. Tegemoetkoming voor energiekosten studenten
In dit artikel wordt verstaan onder:
- aanvullende beurs: aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet studiefinanciering 2000;
- basisbeurs uitwonend: basisbeurs voor een uitwonende student als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000;
- leenfase: fase als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, artikel 4.18, tweede lid, of artikel 5.2, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000, waarin een student studiefinanciering kan ontvangen in de vorm van een lening;
- lening: studiefinanciering in de vorm van een lening als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, artikel 4.18, tweede lid, of artikel 5.2, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000;
- student: student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000;
- uitwonende student: uitwonende student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000.
Onze Minister kan ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die uiterlijk op 31 juli 2024 een basisbeurs uitwonend en een aanvullende beurs voor de maand oktober 2023 heeft aangevraagd en aan wie deze zijn toegekend.
Onze Minister kan ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die:
- a. zich op 1 oktober 2023 in de leenfase bevindt;
- b. in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving; en
- c. uiterlijk op 31 juli 2024 voor de maand oktober 2023 een lening heeft aangevraagd en aan wie deze is toegekend.
Een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming kan niet ten nadele van een student worden herzien.
De tegemoetkoming is geen bijstand in de zin van deze wet of studiefinanciering in de zin van artikel 3.1 van de Wet studiefinanciering 2000.
Op de tegemoetkoming is artikel 46, tweede lid, van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 76 tot en met 78 niet van toepassing.
Voor de uitvoering van dit artikel kan Onze Minister van de persoonsgegevens van de student die Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar heeft ter uitvoering van de Wet studiefinanciering 2000, de volgende persoonsgegevens verwerken, met uitzondering van bijzondere categorieën van persoonsgegevens:
- a. contactgegevens;
- b. identificerende gegevens waaronder het burgerservicenummer of het onderwijsnummer, bedoeld in artikel 1.7 van de Wet studiefinanciering 2000;
- c. bankrekeningnummer;
- d. het gegeven of aan een student een aanvullende beurs is toegekend;
- e. het gegeven of aan een student een basisbeurs uitwonend is toegekend;
- f. het gegeven of een student een lening heeft aangevraagd voor de maand oktober 2023, en of die student in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de goede uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk 7b vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat het van toepassing blijft op geschillen die op dat tijdstip in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn met betrekking tot besluiten van Onze Minister die op grond van dit artikel zijn genomen.
Hoofdstuk 7c. Tegemoetkoming in verband met alleenverdienersproblematiek
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 78gg. Tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek
Het college kent ambtshalve of op aanvraag een tegemoetkoming toe aan een huishouden, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a. het huishouden heeft een inkomen uit een uitkering, niet zijnde een uitkering op grond van deze wet, eventueel aangevuld met een uitkering op grond van artikel 19;
- b. vergeleken met een vergelijkbaar huishouden, waarvoor het inkomen uit enkel een uitkering bestaat op grond van artikel 19, ontvangt het huishouden een lager bedrag aan tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, als gevolg van de verschillende afbouwpaden van de dubbele algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, en in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
- c. de som van het netto-inkomen en de ontvangen tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ligt lager dan bij een vergelijkbaar huishouden waarvoor het inkomen uit een uitkering enkel bestaat uit een uitkering op grond van artikel 19, vanwege hetgeen genoemd is onder b.
De tegemoetkoming is geen bijstand in de zin van deze wet.
Op de tegemoetkoming is artikel 46, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
De Dienst Toeslagen verstrekt aan de Belastingdienst de informatie die nodig is voor de uitvoering van het vijfde lid.
De Belastingdienst verstrekt aan het college door tussenkomst van het Inlichtingenbureau de burgerservicenummers en de gemeentecodes van de inwoners van de betreffende gemeente die in aanmerking komen voor de tegemoetkoming.
Een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming wordt niet ten nadele van het huishouden herzien.
De hoogte van de tegemoetkoming wordt jaarlijks vastgesteld bij ministeriële regeling.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de goede uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7a. Ondersteuning personen jonger dan 27 jaar
Het college kan personen die jonger zijn dan 27 jaar ondersteuning aanbieden bij of gericht op arbeidsinschakeling en een voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschaling, aanbieden indien het college dat noodzakelijk acht, indien:
- a. het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en het college oordeelt dat het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs voor die persoon niet mogelijk of niet passend is;
- b. het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een instelling of school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra daarom verzoekt; of
- c. die persoon initieel onderwijs volgt als bedoeld in de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs.
Het college kan personen jonger dan 27 jaar, die niet beschikken over een startkwalificatie en mogelijk uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, doorgeleiden naar ondersteuning op grond van artikel 9.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
De ondersteuning van een persoon die niet beschikt over een startkwalificatie vindt plaats in de vorm van een leer-werktraject of, indien dat gelet op de omstandigheden van de persoon passender is, op andere wijze.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de in dit artikel bedoelde ondersteuning regels worden gesteld over de taak in het kader van de regionale samenwerking, het regionaal programma, het regionaal bestuurlijk overleg en de effectrapportage, bedoeld in de artikelen 9.2.4, 9.2.8 en 9.2.10 van de Wet educatie beroepsonderwijs. Deze taak wordt uitgevoerd door de centrumgemeenten van de betrokken arbeidsmarktregio’s, vastgesteld krachtens artikel 10, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 7, tweede, vijfde, zevende, negende en tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op ondersteuning bij of gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7, derde lid, onderdelen b en c, zijn van overeenkomstige toepassing op ondersteuning bij of gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
Indien daar gerechtvaardigde belangen voor zijn kan de ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, aangeboden worden aan personen die 27 jaar of ouder zijn.
Hoofdstuk 2. Rechten en plichten
Hoofdstuk 3. Algemene bijstand
Artikel 24a. Afwijking norm alleenstaande ouder met niet-rechthebbende partner
De norm wordt opgehoogd met 1/12 van het bedrag genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget voor de belanghebbende, die
- a. een rechtmatig in Nederland verblijvend, ten laste komend kind heeft;
- b. een partner heeft, als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- c. op basis van deze wet wordt aangemerkt als gehuwd, maar van wie de partner geen recht heeft op algemene bijstand.
Artikel 34a. Verrekening inkomsten uit arbeid met de algemene bijstand
Inkomsten uit arbeid worden niet met de algemene bijstand verrekend ten aanzien van degene die:
- a. de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: gedurende een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden voor 15 procent van deze inkomsten per maand, indien dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van deze persoon;
- b. medisch urenbeperkt is: voor 15 procent van deze inkomsten per maand;
- c. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: voor 25 procent en tot € 226,00 van deze inkomsten per maand.
Nadat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is verstreken kan het college de periode waarin de inkomsten uit arbeid niet worden verrekend verlengen met een door het college te bepalen periode, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht.
Indien de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid, is verstreken zonder dat deze is verlengd, kan het college nogmaals toepassing geven aan het eerste lid indien de persoon nadien een nieuw dienstverband is aangegaan.
Artikel 34b. Bufferbudget
Het college kan op basis van individuele omstandigheden voor degene die inkomen uit arbeid en algemene bijstand ontvangt, ambtshalve een bufferbudget tot maximaal € 1.000 per kalenderjaar inzetten, indien:
- a. de belanghebbende als gevolg van inkomstenverrekening instabiliteit in inkomen heeft of zal hebben, waardoor die persoon of het gezin gedurende een of meer maanden op maandbasis minder dan de bijstandsnorm tot zijn beschikking heeft of daar redelijkerwijs over kan beschikken; en
- b. het bufferbudget naar het oordeel van het college bijdraagt aan het werken in deeltijd of aan volledige arbeidsinschakeling van deze persoon.
Het college wendt het bufferbudget aan om betalingen aan de belanghebbende te doen, of om onverschuldigd betaalde algemene bijstand te vereffenen vanwege het in aanmerking nemen van inkomsten uit arbeid, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de stabiliteit van de inkomensvoorziening in een of meer maanden.
Bij aanwending van het bufferbudget zijn de artikelen 11, vierde lid, en 45, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43a. Gebruik gegevens bij hernieuwde aanvraag
Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.
Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.
Hoofdstuk 6. Bevoegdheden en faciliteiten gemeenten
Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie
§ 7.2. Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders
§ 7.3. Informatie
Artikel 78ff. Overgangsrecht
Artikel 12, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van de Participatiewet in balans, blijft van toepassing op de aanvraag van bijstand die uiterlijk op die dag is ingediend en op de resterende periode van reeds toegekende bijzondere bijstand, waarbij geldt dat bijzondere bijstand wordt aangevuld tot de toepasselijke norm zoals bedoeld in artikel 20, derde lid, zoals dat luidt na de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van de Participatiewet in balans, indien die laatste norm hoger is dan de reeds toegekende bijzondere bijstand.
Dit lid is nog niet in werking getreden.
Dit lid is nog niet in werking getreden.
Dit lid is nog niet in werking getreden.
Hoofdstuk 7b. Tegemoetkoming door onze minister in verband met hoge energiekosten
Artikel 78ee. Tegemoetkoming voor energiekosten studenten
In dit artikel wordt verstaan onder:
- aanvullende beurs: aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet studiefinanciering 2000;
- basisbeurs uitwonend: basisbeurs voor een uitwonende student als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000;
- leenfase: fase als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, artikel 4.18, tweede lid, of artikel 5.2, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000, waarin een student studiefinanciering kan ontvangen in de vorm van een lening;
- lening: studiefinanciering in de vorm van een lening als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, artikel 4.18, tweede lid, of artikel 5.2, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000;
- student: student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000;
- uitwonende student: uitwonende student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000.
Onze Minister kan ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die uiterlijk op 31 juli 2024 een basisbeurs uitwonend en een aanvullende beurs voor de maand oktober 2023 heeft aangevraagd en aan wie deze zijn toegekend.
Onze Minister kan ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die:
- a. zich op 1 oktober 2023 in de leenfase bevindt;
- b. in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving; en
- c. uiterlijk op 31 juli 2024 voor de maand oktober 2023 een lening heeft aangevraagd en aan wie deze is toegekend.
Een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming kan niet ten nadele van een student worden herzien.
De tegemoetkoming is geen bijstand in de zin van deze wet of studiefinanciering in de zin van artikel 3.1 van de Wet studiefinanciering 2000.
Op de tegemoetkoming is artikel 46, tweede lid, van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 76 tot en met 78 niet van toepassing.
Voor de uitvoering van dit artikel kan Onze Minister van de persoonsgegevens van de student die Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar heeft ter uitvoering van de Wet studiefinanciering 2000, de volgende persoonsgegevens verwerken, met uitzondering van bijzondere categorieën van persoonsgegevens:
- a. contactgegevens;
- b. identificerende gegevens waaronder het burgerservicenummer of het onderwijsnummer, bedoeld in artikel 1.7 van de Wet studiefinanciering 2000;
- c. bankrekeningnummer;
- d. het gegeven of aan een student een aanvullende beurs is toegekend;
- e. het gegeven of aan een student een basisbeurs uitwonend is toegekend;
- f. het gegeven of een student een lening heeft aangevraagd voor de maand oktober 2023, en of die student in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de goede uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk 7b vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat het van toepassing blijft op geschillen die op dat tijdstip in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn met betrekking tot besluiten van Onze Minister die op grond van dit artikel zijn genomen.
Hoofdstuk 7c. Tegemoetkoming in verband met alleenverdienersproblematiek
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)