Besluit van 10 oktober 2003 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 september 2003, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/WWB/03/70143;

Gelet op artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand;

De Raad van State gehoord (advies van 18 september 2003, nr. W12.03.0369/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 oktober 2003, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/WWB/03/76459;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen

Artikel 1. Definitiebepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. Algemene bepalingen

§ 1. Algemeen

Artikel 2. Kring van rechthebbenden
1.

Algemene bijstand kan worden verleend aan:

2.

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.

3.

Bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking kan gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden worden voortgezet. In een zodanig geval:

Artikel 3. Bedrag om niet
1.

Bijstand in de vorm van een bedrag om niet, waaronder kwijtschelding van rente, als bedoeld in de artikelen 12, 19, 21 en 22:

2.

In afwijking van het eerste lid wordt aan de zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, bijstand in de vorm van een bedrag om niet als bedoeld in de artikelen 12 en 26 niet verleend, indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 175.864,00.

Artikel 4. Forfaitair bedrag

De bijstand die wordt verleend in de vorm van een bedrag om niet met toepassing van artikel 12 wordt verhoogd met een forfaitair bedrag dat overeenkomt met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingspichtige is.

Artikel 5. Boekjaar

De algemene bijstand wordt per boekjaar vastgesteld.

§ 2. Inkomen

Artikel 6. Het inkomen
1.

In afwijking van artikel 32, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een boekjaar. Een teruggave van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt bij een zelfstandige niet als inkomen aangemerkt.

2.

Bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige worden de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting is geheven gesteld op 20 procent per 1 januari 2025: 19 procent van dat inkomen.

§ 3. Vermogen

Artikel 7. Het vermogen

Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen, waaronder mede begrepen het vermogen gebonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf.

Artikel 8. Vermogensvaststelling
1.

De voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige schulden van de zelfstandige worden gewaardeerd op basis van de waarde in het economisch verkeer.

2.

In afwijking van het eerste lid worden de volgende vermogensbestanddelen als volgt gewaardeerd:

3.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kunnen de meerjarige te velde staande gewassen of de plantopstanden in een bepaalde bedrijfstak worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer op het moment dat er in deze bedrijfstak sprake is van een crisissituatie; van een crisissituatie is sprake in het geval dat er in meer dan twee opeenvolgende jaren lage opbrengstprijzen zijn verkregen al dan niet in combinatie met lage fysieke opbrengsten als gevolg van slechte weersomstandigheden.

4.

Onder schulden wordt mede verstaan:

5.

Het college laat, indien daartoe aanleiding bestaat, de onroerende zaken taxeren door een taxateur.

6.

Het college laat de waarde van de bezittingen opnieuw vaststellen indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 9. Het vermogen tezamen met anderen

Bij de verlening van bijstand aan een zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep tezamen met een of meer anderen uitoefent, wordt onder vermogen mede verstaan het vermogen van die anderen.

§ 4. Algemene bijstand

Artikel 10. Vormen van bijstand

Algemene bijstand kan naar de regels van dit besluit worden verleend in de vorm van een renteloze geldlening, die al dan niet geheel of gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag om niet of in de vorm van een bedrag om niet.

Artikel 11. Uitbetaling van lening
1.

Algemene bijstand heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.

2.

Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, wordt de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige de van toepassing zijnde grens van artikel 3 niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

Artikel 12. Definitieve vaststelling netto inkomen
1.

Het college neemt een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 11, eerste lid, nadat het college het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief heeft vastgesteld.

2.

Indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen:

Artikel 13. Handhaving van renteloze lening

In afwijking van artikel 12 wordt, voor zover het eigen vermogen de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in artikel 3 overschrijdt, de renteloze geldlening gehandhaafd na afloop van het tijdvak waarin bijstand is verleend. Met ingang van het jaar volgend op het laatste jaar van de bijstandsverlening wordt hierop een jaarlijkse aflossing van ten minste 10 procent voldaan.

§ 5. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal

Artikel 14. Vormen van bijstandsverlening aan zelfstandigen
1.

Bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening, een renteloze lening, borgtocht of een bedrag om niet.

2.

Een voorschot als bedoeld in artikel 52, van de wet, kan geen betrekking hebben op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

3.

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt niet verleend aan personen als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking die arbeid als zelfstandige verrichten of gaan verrichten.

Artikel 15. Rentedragende geldlening

Bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend met inachtneming van het volgende:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.