Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 16 oktober 2003, nr. W&B/WWB/2003/78560, Directie Werk en Bijstand, houdende nadere regels terzake van enkele in de Wet werk en bijstand en het Besluit WWB geregelde onderwerpen (Regeling WWB)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-15
State In force
Source BWB
artikelen 51
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 31, tweede lid, onderdeel l, en vierde lid, 75, 77, derde lid, en 78, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, 10, vierde lid, van het Besluit WWB, en 4.1, vijfde lid, van het Besluit SUWI;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  • d. toetsingscommissie: de toetsingscommissie vangnet Participatiewet, bedoeld in artikel 73 van de wet;

§ 2. Beeld van de uitvoering

Artikel 2. Verslag over de uitvoering en accountantsverklaring

Vervallen

Artikel 3. Geen accountantsverklaring

Vervallen

Artikel 4. Beeld van de uitvoering
1.

Het beeld van de uitvoering, bedoeld in de artikelen 77, tweede lid, van de wet, 54, eerste lid, van de IOAW en 54, eerste lid, van de IOAZ, wordt voor 1 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het beeld van de uitvoering betrekking heeft door de minister ontvangen.

2.

Het beeld van de uitvoering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld.

3.

Indien het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, niet op de in het eerste lid genoemde datum is ontvangen, schort de minister de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet voor het lopende vergoedingsjaar op met ingang van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de ontvangsttermijn is verlopen, doch niet gedurende de periode waarover door de minister aan het college in geval van overmacht uitstel is verleend.

4.

De betaling van de uitkering wordt hervat op de vijftiende van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen door de minister. Indien daarvoor naar het oordeel van de minister een noodzaak bestaat, kan, na ontvangst van het beeld van de uitvoering, de betaling van de uitkering op een eerdere datum worden hervat, waarbij kan worden afgeweken van het betaalmoment, bedoeld in artikel 5, eerste lid.

5.

Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien het college in gebreke blijft om binnen een door de minister vastgestelde termijn aanvullende informatie te verstrekken noodzakelijk voor het financieel beheer van de wet, de IOAW, de IOAZ of het Bbz 2004.

6.

In afwijking van het derde lid kan worden afgezien van opschorting als op het moment waarop over opschorting wordt beslist het beeld van de uitvoering alsnog juist en volledig is ontvangen.

Artikel 4a. Rechtmatige wetsuitvoering

Vervallen

§ 3. Uitkering en betaling

Artikel 5. Betaling
1.

Met uitzondering van de maand mei, wordt iedere maand op of omstreeks de vijftiende dag van die maand 8% van de voor het betreffende jaar vastgestelde uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet betaalbaar gesteld. In de maand mei wordt op of omstreeks de vijftiende dag 12% van de uitkeringen betaalbaar gesteld.

2.

Het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 71 van de wet wordt aangepast, wordt in gelijke delen verrekend met de voor het betreffende kalenderjaar resterende maandelijks te betalen delen van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet.

3.

De vangnetuitkering wordt betaalbaar gesteld voor 1 april in het kalenderjaar dat ligt twee jaar na het jaar waarop de uitkering betrekking heeft.

§ 4. Uit- en aanbesteding

Artikel 6. Gegevens verdeelmodel

In bijlage I bij deze regeling zijn de gewichten en peildata opgenomen die gelden voor de indicatoren, bedoeld in tabel 1 en tabel 3 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet alsmede de normbedragen, bedoeld in tabel 2 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet.

§ 4. Uit- en aanbesteding

Artikel 7. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, worden gerekend:

  • a. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp;
  • c. de vergoeding, bedoeld in artikel 16 van het Besluit tot wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht, alsmede vaststelling van geluidszones (Interim-aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht);
  • d. de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie;
  • e. de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose;
  • g. de individuele uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti, Roma en Indische gemeenschappen;
  • j. de uitkering, bedoeld in artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst houdende een regeling voor een collectieve partiële afwikkeling van schade die mogelijk verband houdt met DES-gebruik tijdens zwangerschap, die is gehecht aan de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 1 juni 2006, R05/1743 (LJN: AX6440) en bij die beschikking op grond van artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek verbindend is verklaard voor de in artikel 1 van die overeenkomst bedoelde personen;
  • l. de vergoeding, toegekend aan slachtoffers van seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk, bedoeld in de Compensatieregelingen R.-K. Kerk Nederland;
  • p. betalingen door de Dienst Toeslagen inzake:
  • q. het voorschot, bedoeld in de Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE;
  • r. een uitkering als bedoeld in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, met uitzondering van het deel van de uitkering dat vanwege de derving van levensonderhoud wordt verstrekt aan nabestaanden;
  • s. de eenmalige aanvullende financiële bijdrage van de Stichting Zorg na Werk in Coronazorg;
  • u. een schadevergoeding als bedoeld in de Civielrechtelijke regeling ter uitvoering van het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019 inzake Staat/Stichting Mothers of Srebrenica, Ministerie van Defensie (Stcrt. 2021, 27109);
  • x. de schadevergoeding die door de Stichting Vergoeding schade slachtoffers schietincident Alphen aan den Rijn is toegekend aan de overlevenden en nabestaanden van het schietincident in Alphen aan den Rijn op 9 april 2011;
  • y. de schadevergoeding die is verkregen door nabestaanden van personen die als gevolg van het neerhalen van Malaysia Airlines vlucht MH17 op 17 juli 2014 zijn overleden;
  • z. de eenmalige uitkering in verband met langdurige post-COVID klachten aan zorgmedewerkers op grond van de Regeling zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten;
  • cc. de betalingen die verband houden met de herziening van de door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap genomen besluiten inzake: die zijn genomen op grond van de controlewerkwijze waarvan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft geconstateerd dat sprake was van indirecte discriminatie;
  • 1°. herziening van het recht op studiefinanciering;
  • 2°. terugvordering van studiefinanciering; en
  • 3°. boete,
  • ee. betalingen door het Instituut Mijnbouwschade Groningen, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet Groningen, inzake:
  • 1°. de vergoedingen, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen b en c van de Tijdelijke wet Groningen;
  • 2°. de maatregelen of vergoedingen, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Tijdelijke wet Groningen;
  • 3°. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de Tijdelijke wet Groningen;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)