Wet van 5 februari 2004, houdende regels met betrekking tot de productie, de keuring en de exploitatie van kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (Wet kabelbaaninstallaties)
Allen, die zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op richtlijn nr. 2000/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (PbEG L 106), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de productie, de keuring en de exploitatie van kabelbaaninstallaties voor personenvervoer;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De datum van inwerkingtreding is ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke referendumwet opgeschort tot 23 maart 2004.
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- CE-markering: CE-markering als bedoeld in artikel 3, onderdeel 27, van de verordening;
- conformiteitsbeoordelingsinstantie: ingevolge artikel 5 aangewezen instantie;
- essentiële eisen: essentiële eisen, genoemd in bijlage II bij de verordening;
- EU-conformiteitsverklaring: EU-conformiteitsverklaring als bedoeld in artikel 19 van de verordening;
- kabelbaaninstallatie: kabelbaaninstallatie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de verordening;
- kabelbaanvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 20, eerste lid;
- Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
- subsysteem: subsysteem als bedoeld in artikel 3, onderdeel 2, van de verordening;
- veiligheidscomponent: veiligheidscomponent als bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, van de verordening;
- verordening: Verordening (EU) nr. 2016/424 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende kabelbaaninstallaties en tot intrekking van Richtlijn 2000/9/EG (PbEU 2016, L 81);
- verordening (EU) nr. 2019/1020: Verordening (EU) nr. 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L 169).
In deze wet wordt onder bouwen van een kabelbaaninstallatie mede verstaan: vernieuwen, veranderen of vergroten van een kabelbaaninstallatie waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is vereist.
Artikel 2
Deze wet is niet van toepassing op:
- a. liften die vallen onder Richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (PbEU 2014, L 96);
- b. kabelbaaninstallaties die van historisch of cultureel belang zijn of als cultureel erfgoed zijn aangemerkt, die vóór 1 januari 1986 in bedrijf zijn gesteld en vandaag nog worden geëxploiteerd, en die geen ingrijpende wijzigingen wat betreft ontwerp of bouw hebben ondergaan, met inbegrip van specifiek daarvoor ontworpen subsystemen en veiligheidscomponenten;
- c. installaties die worden gebruikt voor land- en bosbouwdoeleinden;
- d. kabelbaaninstallaties voor het bereiken van berghutten die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen en specifiek aangewezen personen;
- e. al dan niet vaste toestellen en installaties die uitsluitend bedoeld zijn voor vrijetijdsbesteding en recreatie, en niet voor personenvervoer;
- f. mijnbouwinstallaties of andere industriële installaties op een vaste locatie die worden gebruikt voor industriële activiteiten, of
- g. installaties waarbij de gebruikers of de vervoermiddelen zich op het water bewegen.
Hoofdstuk 2. Algemene verplichtingen
Artikel 3
Een kabelbaaninstallatie wordt slechts in bedrijf gesteld en gehouden indien zij:
- a. voldoet aan de essentiële eisen, en
- b. bij gebruik volgens haar bestemming geen gevaar oplevert voor de veiligheid en de gezondheid van personen en de veiligheid van goederen.
Artikel 4
Vervallen
Hoofdstuk 3. Aanwijzing van conformiteitsbeoordelingsinstanties
Artikel 5
Onze Minister kan, met inachtneming van de artikelen 23 tot en met 30 van de verordening, op verzoek conformiteitsbeoordelingsinstanties aanwijzen die bevoegd zijn tot de uitvoering van conformiteitsbeoordelingen volgens één van de procedures, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de verordening en in overeenstemming met de verplichtingen, bedoeld in artikel 34 van de verordening.
Artikel 6
Aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 5 kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen mede betrekking hebben op de door de conformiteitsbeoordelingsinstanties in rekening te brengen tarieven.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een conformiteitsbeoordelingsinstantie een vergoeding verschuldigd is voor de kosten van de beoordeling van het verzoek tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5 en de uitoefening van het toezicht, volgens de daarbij vast te stellen tarieven.
Onze Minister beperkt, schorst of trekt een aanwijzing als bedoeld in artikel 5 in:
- a. op verzoek van de desbetreffende conformiteitsbeoordelingsinstantie;
- b. indien is gebleken dat de desbetreffende conformiteitsbeoordelingsinstantie niet langer voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 26 van de verordening, of de verplichtingen, genoemd in de artikelen 28, 34, 35, 36 of 38 van de verordening, niet nakomt, of
- c. indien de desbetreffende conformiteitsbeoordelingsinstantie de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft.
Artikel 7
Onze Minister verricht de taken van de aanmeldende autoriteit in de zin van de verordening.
Hoofdstuk 4. De procedure van overeenstemmingsbeoordeling
§ 1. Voorschriften voor de constructeur
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Vervallen
Artikel 11
Vervallen
Artikel 12
Vervallen
Artikel 13
Vervallen
Artikel 14
Vervallen
§ 2. Voorschriftenvoor de keuringsinstantie
Artikel 15
Vervallen
Artikel 16
Vervallen
Artikel 17
Vervallen
Artikel 18
Vervallen
Artikel 19
Vervallen
Hoofdstuk 5. Bouw en exploitatie van kabelbaaninstallaties
Artikel 20
Voor het bouwen en in bedrijf stellen en hebben van een kabelbaaninstallatie is een kabelbaanvergunning van Onze Minister vereist. Een voor een kabelbaaninstallatie verleende vergunning geldt voor eenieder die de kabelbaaninstallatie bouwt of in bedrijf stelt en houdt.
Aan een kabelbaanvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Een kabelbaanvergunning kan worden verleend voor een in de vergunning bepaalde tijd.
De beperkingen waaronder een kabelbaanvergunning is verleend en de aan een vergunning verbonden voorschriften kunnen ambtshalve of op aanvraag worden gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 21
Vervallen
Artikel 22
Een aanvraag voor een kabelbaanvergunning wordt gelijktijdig ingediend met de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor de desbetreffende installatie. Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding en inhoudelijke afstemming van beide vergunningen. Burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente verlenen de daarvoor benodigde medewerking.
Bij de aanvraag voor een kabelbaanvergunning wordt een kopie van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit overgelegd, naast de documenten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de verordening.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag van een kabelbaanvergunning en de daarbij in te dienen gegevens en bescheiden.
Artikel 23
Een kabelbaanvergunning wordt slechts verleend indien de kabelbaaninstallatie, mits naar behoren geïnstalleerd en onderhouden, en in overeenstemming met haar bestemming gebruikt, de veiligheid en gezondheid van personen en de veiligheid van goederen niet in gevaar kan brengen.
Een kabelbaanvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien de kabelbaaninstallatie niet voldoet aan de eisen uit de verordening of deze wet.
Artikel 24
De kabelbaanvergunning kan worden geschorst of ingetrokken indien:
- a. de voorschriften van de kabelbaanvergunning niet worden nageleefd;
- b. de kabelbaaninstallatie gevaar oplevert voor de veiligheid en de gezondheid van personen en de veiligheid van goederen;
- c. de kabelbaaninstallatie permanent buiten gebruik is gesteld.
De schorsing wordt opgeheven indien de redenen tot schorsing niet meer bestaan.
Artikel 25
De vergunninghouder bewaart een kopie van de kabelbaanvergunning bij de kabelbaaninstallatie, naast de documenten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de verordening.
Artikel 26
De kosten die samenhangen met de behandeling van de aanvraag en de afgifte, wijziging of schorsing van een kabelbaanvergunning, alsmede met de afgifte van duplicaten en gewaarmerkte afschriften van een kabelbaanvergunning, worden ten laste gebracht van de aanvrager van de kabelbaanvergunning.
De tarieven ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
Hoofdstuk 6. Handhavingsbevoegdheden
Artikel 27
Indien Onze Minister van oordeel is dat een subsysteem dat of een veiligheidscomponent die is voorzien van een CE-markering, ook wanneer dat subsysteem of die veiligheidscomponent in overeenstemming met zijn bestemming wordt gebruikt en op de juiste wijze wordt onderhouden, de veiligheid of gezondheid van personen of de veiligheid van goederen in gevaar kan brengen, verbiedt hij het gebruik van het subsysteem of de veiligheidscomponent, stelt hij daaraan beperkingen, verbindt hij voorwaarden aan het in de handel brengen van het subsysteem of de veiligheidscomponent, verbiedt hij dat het subsysteem of de veiligheidscomponent in de handel wordt gebracht of verplicht hij dat het subsysteem of de veiligheidscomponent uit de handel wordt genomen of wordt teruggeroepen.
Artikel 28
Indien Onze Minister van oordeel is dat ten aanzien van een subsysteem of veiligheidscomponent sprake is van één of meer van de feiten, genoemd in artikel 43, eerste lid, van de verordening, verbiedt hij het gebruik van het subsysteem of de veiligheidscomponent, stelt hij daaraan beperkingen, verbindt hij voorwaarden aan het in de handel brengen van het subsysteem of de veiligheidscomponent, verbiedt hij dat het subsysteem of de veiligheidscomponent in de handel wordt gebracht of verplicht hij dat het subsysteem of de veiligheidscomponent uit de handel wordt genomen of wordt teruggeroepen.
Artikel 29
Vervallen
Artikel 30
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in de artikelen 3, aanhef en onderdeel b, 20, eerste lid, 24, eerste lid, 25, 27, 28, 33a en 34c, derde lid.
Hoofdstuk 7. Verbodsbepalingen
Artikel 31
Het is verboden veiligheidscomponenten of subsystemen in de handel te brengen die niet voldoen aan de essentiële eisen en die niet zijn voorzien van een CE-markering of een EU-conformiteitsverklaring.
Het is verboden op subsystemen of veiligheidscomponenten een CE-markering aan te brengen of daarvoor een EU-conformiteitsverklaring op te stellen indien de subsystemen of veiligheidscomponenten niet in overeenstemming zijn met de essentiële eisen of indien voor de subsystemen of veiligheidscomponenten geen conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 5 is uitgevoerd.
Het is verboden te handelen in strijd met een verbod of een maatregel op grond van de artikelen 27 en 28.
Artikel 32
Het is verboden op subsystemen of veiligheidscomponenten merktekens of opschriften aan te brengen die misleidend kunnen zijn ten aanzien van de betekenis of vorm van de CE-markering, of die de zichtbaarheid of de leesbaarheid van een CE-markering verminderen.
Artikel 33
Het is verboden zonder kabelbaanvergunning een kabelbaaninstallatie te bouwen en in bedrijf te stellen, of te handelen in strijd met de voorschriften van de kabelbaanvergunning.
Het is verboden een kabelbaaninstallatie in bedrijf te stellen of in bedrijf te hebben indien de kabelbaanvergunning is geschorst.
Hoofdstuk 8. Toezicht
Artikel 34
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de verordening of deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. Indien de aanwijzing ambtenaren betreft ressorterende onder een ander ministerie dan dat van Onze Minister wordt het desbetreffende besluit genomen in overeenstemming met de minister van dat andere ministerie.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Artikel 35
Deze wet is niet van toepassing op subsystemen en veiligheidscomponenten die in de handel zijn gebracht:
- a. voor 23 maart 2004, of
- b. tussen 23 maart 2004 en 21 april 2018, als die vielen onder het toepassingsbereik van deze wet zoals die luidde voor 21 april 2018 en daarmee in overeenstemming zijn.
Artikel 20, eerste lid, is niet van toepassing op:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.