Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen over de periode 1964–2000, OCW
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 2003, nr. arc-2003.5955/2);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van Waarborgfonds Motorverkeer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen over de periode 1964–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen 1964–2000
1. Selectiedoelstelling en criteria
Selectiedoelstelling
Het BSD is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT, zoals die door de Minister van WVC bij de behandeling van het ontwerp van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer op 13 april 1994 is verwoord. De selectiedoelstelling luidt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van de RAD als 'het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring'.
De algemene selectiedoelstelling is geoperationaliseerd voor het overheidshandelen voortvloeiend uit de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Dat wil zeggen dat de geformuleerde handelingen van de betrokken overheidsactoren zijn gewaardeerd op de bijdrage die zij leveren aan de verwezenlijking van de selectiedoelstelling. De selectie gold derhalve de vraag ten aanzien van welke handelingen de administratieve neerslag noodzakelijk zou zijn om een reconstructie mogelijk te maken van de hoofdlijnen van het handelen op voornoemd beleidsterrein.
Selectiecriteria
Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht, gelet op de uit de contextbeschrijving naar voren gekomen hoofdlijnen van het overheidshandelen.
De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B ('blijvend te bewaren'), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het ARA. De neerslag van een handeling die niet aan een van de selectiecriteria voldoet, wordt dus in principe niet overgebracht. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (op termijn te vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.
De thans door PIVOT gehanteerde algemene bewaarcriteria luiden als volgt:
De criteria zijn vooral ontwikkeld door de selectiedoelstelling te koppelen aan het uit de bestuurskunde afkomstige model van de beleidscyclus als voorstelling van feitelijk overheidshandelen. De fasen van de cyclus zijn achtereenvolgens beleidsvoorbereiding (inclusief agendavorming), -bepaling, -uitvoering en -evaluatie/terugkoppeling. De toepassing van het model bij de selectie van overheidsarchief is uiteengezet in de PIVOT-brochure Handelend optreden (Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage 1993).
Naast algemene criteria kunnen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, in een BSD specifieke criteria worden geformuleerd voor handelingen die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd. Daar de noodzaak hiertoe niet aanwezig werd geacht, is (ook) in dit BSD de mogelijkheid om specifieke selectiecriteria te formuleren niet benut.
In het separate verslag van het driehoeksoverleg wordt op de vraag van de toepasselijkheid van de algemene selectiecriteria, c.q. de noodzaak tot het hanteren van specifieke criteria voor het beleidsterrein, nader ingegaan.
2. Het beleidsterrein kort samengevat
De Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Stb. 1963, nr. 228) kwam tot stand naar aanleiding van een aantal Benelux-verdragen. Op 7 januari 1955 werd te Brussel een verdrag ondertekend (Trb. 1955, nr. 16), een jaar later gevolgd door een aanvullende overeenkomst (Trb. 1956, nr. 75). Hoewel deze verdragen niet bekrachtigd werden, voldeed de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wel aan de verdragseisen.
In 1966 werden de verdragen vervangen door een nieuw verdrag, de zogenaamde Benelux-overeenkomst (Trb. 1966, nr. 178) dat wel door Nederland, België en Luxemburg bekrachtigd werd. De bepalingen van dit verdrag traden in werking op 1 juni 1976. Bij de wet van 22 december 1966 (Stb. 1966, nr. 559) werd de Nederlandse Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen aan dit verdrag aangepast.
De Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen trad getrapt in werking. Het Koninklijk besluit van 23 juni 1964 (Stb. 1964, nr. 202) bepaalde dat de artikelen 1, 28, 34 en 38 in werking traden per 1 juli 1964; de artikelen 18 tot en met 20 per 1 augustus 1964, artikel 29 per 1 oktober 1964 en de rest van de artikelen per 1 januari 1965.
De kern van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is de verzekeringsplicht die opgelegd wordt aan de kentekenhouder en de bezitter van een motorrijtuig. Deze verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven.1Voor schade veroorzaakt door Navo-motorrijtuigen bestaat overigens een aparte wet: de Wet Vergoeding van door Navo-motorrijtuigen veroorzaakte schade (Stb. 731/1968) Deze wet wordt behandeld in het PIVOT-rapport Te land, ter zee en in de lucht; een institutioneel onderzoek naar taken en handelingen op het beleidsterrein operatien van het Ministerie van Defensie en voorgangers, 1945–1993, in voorbereiding. Niet nakoming van deze verzekeringsplicht is strafbaar.
In de wet worden vele uiteenlopende zaken geregeld die met de verzekeringsplicht samenhangen. Zo bepaalt de wet het minimumbedrag waarvoor de verzekering moet worden gesloten en voor welke landen de verzekering geldig moet zijn. Maar ook regelt de wet de registratie van de verzekeringsbewijzen en het verhaalsrecht van verzekeraar en benadeelde.
De wet bepaalt dat de verzekering moet worden gesloten bij een voor de uitvoering van de wet toegelaten verzekeraar. Tot 1986 werd deze toelating (waaronder ook het toezicht op een verzekeraar verstaan wordt) geregeld via artikel 28 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Artikel 29 voorzag in een beroepsprocedure voor deze verzekeraars. In 1986 werden toelating en beroepsprocedure voor de WAM-verzekeraars overgeheveld naar de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf.2Voor handelingen met betrekking tot deze WAM-verzekeraars zie: Toezicht verzekerd.
De Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen heeft alleen betrekking op Nederlandse motorrijtuigen. Voor schade veroorzaakt door motorrijtuigen die in het buitenland verzekerd zijn bestaat een aparte regeling. Dit is geen overheidsregeling, maar een systeem gebaseerd op onderlinge afspraken van verzekeraars. Deze samenwerking vloeit voort uit VN-aanbeveling (no. 5) van 25 januari 1949 van de subcommissie van het wegvervoer van het comité voor Binnenlands Vervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.3Een verwijzing naar deze aanbeveling is opgenomen in Richtlijn 72/166/EEG (Pb EG L 103/1972), artikel 1.3.
In ieder land dat deelneemt aan de regeling zijn nationale Bureaus opgericht. Deze Bureaus reiken de zogenaamde ‘groene kaart’ uit aan de bij hen aangesloten verzekeringsmaatschappijen.4Ook het Bureau schadeafwikkeling geeft deze groene kaarten af. Deze verzekeraars geven de groene kaart weer af wanneer iemand een verzekering met buitenlanddekking bij hen afsluit. Voor de verzekeringnemer werkt de kaart als een verzekeringsbewijs: hij kan met deze kaart in alle landen die op de kaart vermeld staan, aantonen dat hij verzekerd is volgens de in dat land geldende regels. Vandaar ook de officiële naam van de kaart: Internationaal Motorrijtuigenverzekeringsbewijs. De kaart machtigt het Bureau van het bezochte land om aldaar ontstane claims af te wikkelen. Tussen de Bureaus bestaat een overeenkomst waardoor betalingen gedaan door een ‘buitenlands’ Bureau, terugbetaald zullen worden door het nationale Bureau van de verzekeraar die het document afgaf. Op hun beurt zijn de verzekeraars verplicht om deze bedragen aan hun nationale Bureau terug te betalen.5Haverkorn (1989) p. 97.
In de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijn een aantal voorzieningen opgenomen die direct te maken hebben met dit systeem, meer specifiek met de plichten en bevoegdheden van het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars. In 1964 werd deze beroepsorganisatie van motorrijtuigverzekeraars door de Minister van Financiën erkend als het Nederlandse nationale Bureau. Sinds 1967 zijn alle Nederlandse WAM-verzekeraars verplicht lid van dit bureau. Op grond van artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is het Bureau verplicht schade in Nederland veroorzaakt door buitenlandse motorrijtuigen te vergoeden. Artikel 3.3 kent het Bureau recht van verhaal toe wanneer een Nederlandse schadeveroorzaker niet aan zijn verzekeringsplicht voldaan heeft.
Een belangrijke voorziening in de wet betreft de mogelijkheid van subsidiair verhaal op een fonds. Dit is het Waarborgfonds Motorverkeer. Tot 1989 viel dit Fonds in beheersmatig opzicht onder het Ministerie van Financiën. Het Fonds werd tot stichting verzelfstandigd per 1 juni 1989.6Wet van 3 mei 1989 (Stb. 152), houdende regelen met betrekking tot de privatisering van het Waarborgfonds Motorverkeer. Bij KB van 17 mei 1989 (Stb. 174) inwerking getreden op 1 juni 1989. Benadeelden kunnen een beroep doen op het Waarborgfonds Motorverkeer wanneer:
Ook het Nederlandse Bureau der Motorrijtuigverzekeraars mag schade verhalen op het Waarborgfonds Motorverkeer wanneer de onverzekerde een erkend gemoedsbezwaarde is.7Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, artikel 25.2.
Het Fonds wordt gefinancierd door jaarlijkse bijdragen van de WAM-verzekeraars en de Staat. Deze bijdrage wordt voor de Staat vastgesteld op basis van het aantal motorrijtuigen dat zij bezit; voor de verzekeraars telt het aantal motorrijtuigen dat door hen verzekerd wordt. Daarnaast ontvangt het Fonds de bedragen die door gemoedsbezwaarden worden betaald voor het verkrijgen van een vrijstelling. Deze laatste bijdragen worden als Fonds Middelen Gemoedsbezwaarden apart geadministreerd.
Tot 1989 waarborgde de Staat de verplichtingen van het Fonds. Sindsdien staan de verzekeraars en de Staat gezamenlijk garant, ieder naar verhouding van het aantal motorrijtuigen waarvoor zij aansprakelijk zijn.8Rapport Privatisering Waarborgfonds Motorverkeer, p. 11; Schuurman & Jordens, nr. 156, artikel 24 a1.
De wet kent twee gevallen van vrijstelling van de verzekeringsplicht. In het eerste geval gaat het om gemoedsbezwaarden. Dit zijn mensen die op religieuze gronden gewetensbezwaren hebben tegen verzekeringen. De wet staat hen, tegen betaling van vergoeding, vrijstelling van de verzekeringsplicht toe. Benadeelden kunnen in geval van schade een beroep doen op het Waarborgfonds Motorverkeer.
In het tweede geval gaat het om de Staat zelf. Voor de Staat is het standaardbeleid zich niet te verzekeren.9Lijst Bureau Schadeafwikkeling (Den Haag 1990), p. 2. Bestuurders van een motorrijtuig in bezit van de Staat krijgen dan ook een vrijstellingsbewijs.
Een en ander heeft tot gevolg dat de Staat zelf aansprakelijk is voor schade die door die motorrijtuigen veroorzaakt worden. De afhandeling van eventuele schadeclaims valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën.
3.1. Reikwijdte BSD
In dit basisselectiedocument zijn de handelingen van de volgende actoren gewaardeerd: Minister van Financiën, Minister van Justitie, Minister van Verkeer en Waterstaat, het Waarborgfonds Motorverkeer, de commissie van Toezicht op het Waarborgfonds Motorverkeer en de Klachtencommissie Waarborgfonds Motorverkeer. Daarnaast zijn van belang als actor: de Rijksdienst voor het Wegverkeer en de Verzekeringskamer; de gewaardeerde handelingen van deze actoren zijn hier niet opgenomen. Deze handelingen zijn gewaardeerd in de basisselectiedocumenten behorende bij de RIO’s De heilige Koe geboekstaafd en Toezicht verzekerd.
Hieronder volgt een omschrijving van het handelen van de betrokken actoren.
De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor die delen van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen die te maken hebben met verzekeraars en garantiefondsen. Behalve de toelating van WAM-verzekeraars, regelt de Minister aanwijzing van het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars. Tussen 1964 en 1989 was de Minister zowel in politiek als beheersmatig opzicht verantwoordelijk voor het Waarborgfonds Motorverkeer. Sinds 1989 draagt de Minister hiervoor alleen nog politieke verantwoordelijkheid, samen met de Minister van Justitie. De Minister van Financiën is bovendien belast met de uitgifte van vrijstellingsbewijzen aan bestuurders van een aan de Staat toebehorend motorrijtuig. Sinds 1984 zijn daar ook de vrijstellingsbewijzen voor gemoedsbezwaarden bij gekomen.
De Minister van Justitie is de eerste ondertekenaar van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Hij is specifiek verantwoordelijk voor die onderdelen van de wet die direct betrekking hebben op de verzekering zelf en de aansprakelijkheid die daaruit voortvloeit. Daarnaast vertegenwoordigt de Minister het Nederlandse standpunt bij onderhandelingen in Benelux en EG-verband. De Minister is in politiek opzicht medeverantwoordelijk voor het Waarborgfonds Motorverkeer.
De Minister van Verkeer en Waterstaat is verantwoordelijk voor die onderdelen van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen die te maken hebben met de registraties van verzekeringsbewijzen en de daarmee samenhangende kentekenregistratie. De Minister heeft de (Rijks)dienst voor het Wegverkeer aangewezen als instantie die het WAM-register moet bijhouden. Tussen 1964 en 1984 was deze Minister ook belast met de afgifte van vrijstellingsbewijzen van de verzekeringsplicht aan gemoedsbezwaarden. Tot 1989 was de Minister in politiek opzicht medeverantwoordelijk voor het Waarborgfonds Motorverkeer.
Het Waarborgfonds Motorverkeer heeft op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen de taak schade veroorzaakt door gemotoriseerd wegverkeer in bepaalde gevallen te vergoeden. Het Fonds wordt gefinancierd door verplichte bijdragen van toegelaten WAM-verzekeraars, gemoedsbezwaarden en de Staat. Het Fonds heeft een recht van verhaal op verzekeraars en aansprakelijken. In 1989 werd het Waarborgfonds Motorverkeer verzelfstandigd tot een stichting.
De Commissie van Toezicht op het Waarborgfonds Motorverkeer was tot 1989 belast met het toezicht op het Waarborgfonds Motorverkeer. In de commissie (ingesteld op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) hadden vertegenwoordigers zitting van de Ministers van Justitie, van Financiën en Verkeer en van Waterstaat en van representatieve organisaties van verzekeraars en eigenaars van motorrijtuigen. De Commissie verviel bij de verzelfstandiging van het Waarborgfonds Motorverkeer.
De Klachtencommissie Waarborgfonds Motorverkeer behandelt sedert 1997 klachten over door het Waarborgfonds genomen besluiten.
3.2. Vaststelling van het BSD
Begin 2001 is het ontwerp-BSD door het Waarborgfonds Motorverkeer aan de Staatssecretaris van OCW aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 3 maart 2003 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de Ministeries van Financiën, van Justitie, van VROM, van OCW, het Waarborgfonds Motorverkeer en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant.
Op 2 oktober 2003 bracht de RvC advies uit (arc-2002.5955/2), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
Daarop werd het BSD op 29 maart 2004 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en het Waarborgfonds Motorverkeer (C/S/04/717) en de Ministers van Financiën (C/S/04/718), van Justitie (C/S/04/7210 en van Verkeer en Waterstaat (C/S/04/722) vastgesteld.
4. De selectielijst
4.1. Minister van Justitie
Algemeen
Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid met betrekking tot aansprakelijkheidsverzekeringen voor motorrijtuigen.
Periode: 1963–
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van wetten met betrekking tot aansprakelijkheidsverzekeringen voor motorrijtuigen.
Periode: 1963–
Waardering: B 1/2
Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
Grondslag: Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Staatsblad (Stb.) 1963, nr. 228), artikel 38.
Periode: 1963–
Waardering: B 1
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen over onderwerpen de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betreffende.
Periode: 1963–
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen inzake de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
Periode: 1963–
Waardering: B 1/2
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten-Generaal inzake de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
Periode: 1963–
Waardering: B 2/3
Handeling: Het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten-Generaal, aan de overige Kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers in verband met de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
Periode: 1963–
Waardering: B 3
Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en het voeren van verweer in beroepsschriftprocedures voor de Raad van State en/of de kantonrechter.
Periode: 1964–1994
Waardering: B 1
Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake aansprakelijkheidsverzekeringen voor motorrijtuigen en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties.
Periode: 1963–
Waardering: B 1
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.