Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Arbeidsvoorwaarden en beroepskwaliteit, sector Onderwijs en Wetenschappen over de periode 1945–2000 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/4);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Arbeidsvoorwaarden en beroepskwaliteit in de sector Onderwijs en Wetenschappen over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
BSD leraar onder voorwaarden
Basisselectiedocument Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit in de sector Onderwijs en Wetenschappen 1945-2000
drs. B.J. Abels
Ministerie van OCW / Rijksarchiefdienst PIVOT
Vastgestelde versie / juni 2004
Afkortingen
ABC: Algemeen Bijzondere Centrale
ABP: Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
ABVA/KABO: Algemene Bond van Ambtenaren / Katholieke Ambtenarenbond
AC: Ambtenarencentrum
ACOP: Algemene Centrale van Overheidspersoneel
ACP: Algemeen Christelijke Politiebond
ADV: Arbeidsduurverkorting
AFMP: Algemene Federatie van Militair Personeel
AMvB: Algemene maatregel van bestuur
AOb: Algemene Onderwijsbond
AOP: Adviescommissie Overheidspersoneelsbeleid
ARAR: Algemeen Rijksambtenaren Reglement
AVS: Algemene Vereniging van Schoolleiders
BAPO: Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen
BBA: Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
BBRA: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
BDTO: Bond van Docenten bij Tertiair Onderwijs
BGZ: Bedrijfsgezondheidszorg
BPCO: Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs
BVE: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
BVE-raad: Koepelorganisatie van instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
BWO: Bestuurlijk Werkgeversoverleg
BWOO: Besluit Werkloosheid Onderwijs en Onderzoekpersoneel
BZA: Besluit Ziekte en Arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
CAO: Collectieve arbeidsovereenkomst
CAOP: Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel
CBOO-VNG: Contactcentrum Bevordering Openbaar Onderwijs
CCOO: Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg
CCOOP: Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel
CFO: Christelijke Federatie Overheidspersoneel
CGOA: Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken
CMHF: Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen
CNV: Christelijk Nederlands Vakverbond
COBO: Centraal Overleg Beroepsbegeleidend Onderwijs
COPWO: Centraal Overlegorgaan Personeelszaken Wetenschappelijk Onderwijs
COS: Commissie Overleg Sectorraden
DOP: Wet Bevordering Doorstroming Onderwijspersoneel
FAOP: Fonds Arbeidsongeschiktheidsverzekering Overheidspersoneel
FNV: Federatie Nederlandse Vakbeweging
FPU: Flexibele pensioenen en uittreding
FRE: Formatie reken-eenheid
GO: Georganiseerd overleg
HAVO: Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs
HBO: Hoger Beroepsonderwijs
HBO-raad: Koepelorganisatie van instellingen voor het hoger beroepsonderwijs
HOOP: Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan
HREP: Harmonisatie Rechtspositie Exploitatie Personeel
ISOVSO: Interimwet Speciaal Onderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs
IVA: Instituut voor Arbeidsvraagstukken
IZK: Interimregeling Ziektekosten Ambtenaren
KNAW: Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen
LNO: Lager Nijverheidsonderwijs
LOM: (onderwijs voor kinderen met) leer- en opvoedingsmoeilijkheden
Marver: Marechausseevereniging
MAVO: Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs
MLK: Moeilijk lerende kinderen
MNO: Middelbaar Nijverheidsonderwijs
MvT: Memorie van toelichting
NABS: Nederlandse Algemene Bijzondere Schoolraad
NFTO: Nederlandse Federatie Tertiair Onderwijs
NIOD: Nederlands instituut voor oorlogsdocumentatie
NKSR: Nederlandse Katholieke Schoolraad
NO: Nijverheidsonderwijs
NPB: Nederlandse Politiebond
NPCS: Stichting Nederlandse Protestants-Christelijke Schoolraad
NWO: Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (ministerie van)
OCNV: Onderwijsbonden Christelijk Nationaal Vakverbond
OOVO: Overlegorgaan voor het Voortgezet Onderwijs
OOW: Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
OPVO: Onderwijsoverleg Primair en Voortgezet Onderwijs
OSV: Organisatiewet Sociale Verzekeringen
OTO: Stichting Overlegorgaan Tertiair Onderwijs
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
PO: Primair onderwijs
RAS: Premiespaarregeling Rijksambtenaren
RIOD: Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie
ROP: Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid
RRAZ: Rechtspositieregeling Academische Ziekenhuizen
RPBO: Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel
RRWO: Rechtspositieregeling Wetenschappelijk Onderzoek
SBL: Stichting Samenwerkingsorgaan Beroepskwaliteit Leraren
SBO: Sectorbestuur voor de Onderwijsarbeidsmarkt
SCO: Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel
SCOW: Sectorcommissie Onderwijs en Wetenschappen
Stb.: Staatsblad
SOR: Sectoroverleg Rijkspersoneel
SVO: Speciaal voortgezet onderwijs
TK: Tweede Kamer
USZO: Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs
VAZ: Vereniging van Academische Ziekenhuizen
VBKO: Vereniging van Besturenorganisaties van Katholieke Onderwijsinstellingen
VBO: Voorbereidend Beroepsonderwijs
VBS: Verenigde Bijzondere Scholen
VDBZ: Vereniging Dienst Buitenlandse Zaken
VMBO: Voortgezet middelbaar beroepsonderwijs
VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten
VO: Voortgezet onderwijs
VOS/ABB: Vereniging Openbare Scholen / Algemene Besturenbond
VSNU: Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
VSO: Verbond Sectorwerkgevers Overheid
VSWO: Vereniging van Samenwerkende Werkgevers Onderwijs
VWO: Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
VUT: Vervroegde uittreding
WBO: Wet op het Basisonderwijs
WCAO: Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst
WEB: Wet Educatie en Beroepsonderwijs
WHW: Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek
WO: Wetenschappelijk Onderwijs
WPO: Wet op het Primair onderwijs
WVO: Wet op het Voortgezet onderwijs
WVOI: Werkgeversvereniging onderzoeksinstellingen
ZVO: Ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekpersoneel
Hoofdstuk 1: Verantwoording
1.1. Doel van Basisselectiedocument
Het PIVOT-rapport ‘Leraar onder voorwaarden’ een institutioneel onderzoek naar Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit in de sector Onderwijs en Wetenschappen 1945–2000 vormt de basis voor dit bassisselectiedocument (BSD). Het rapport en het BSD zijn het resultaat van de institutionele onderzoeken welke zijn uitgevoerd binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in overeenstemming met de afspraken die gemaakt zijn bij convenant van 9 februari 1995 tussen de loco Secretaris-Generaal van het Ministerie van OCenW en de Algemene Rijksarchivaris.
Het rapport beschrijft de taken en handelingen van de verschillende actoren op het beleidsterrein van de arbeidsvoorwaarden en beroepskwaliteit voor de sector onderwijs.
In het BSD wordt de neerslag van de handelingen, zoals beschreven in het rapport, onderscheiden in aan het Algemeen Rijksarchief over te dragen neerslag, en neerslag die op termijn te vernietigen is. Op basis van het BSD kan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden uitgevoerd worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bestanden vallen namelijk ook onder de Archiefwet 1995.
Het BSD is als volgt samengesteld:
1.2. Het beleidsterrein Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit in de sector Onderwijs en Wetenschappen
Het beleidsterrein ‘Arbeidsvoorwaarden en beroepskwaliteit in de sector onderwijs’ omvat het beleid voor de arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid van het personeel in onderwijs en onderzoek, alsmede de beroepskwaliteit van de leraar.
Het gaat hierbij om:
het ontwikkelen, vormgeven en instandhouden van het algemeen geldend arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid ten behoeve van personeel in het onderwijs,
het ontwikkelen, vormgeven en instandhouden van het algemene beleid ten aanzien van het leraarschap en de kwaliteit van het personeel,
het scheppen van de randvoorwaarden voor en het vormgeven van een optimale personeelsvoorziening in de sector onderwijs, cultuur en wetenschappen.
Arbeidsvoorwaardenvorming omvat al die handelingen en regels van marktpartijen en overheid die zijn gericht op het overeenkomen van de voorwaarden waaronder arbeid wordt verricht. De arbeidsvoorwaarden van het onderwijspersoneel worden door de overheid vanuit de algemene middelen bekostigd. Daarom oefent de overheid, in de persoon van de minister van onderwijs, grote invloed uit op de vorm en inhoud van die arbeidsvoorwaarden. Naast de minister zijn ook de centrales van overheids- en onderwijspersoneel, en de besturenorganisaties bij de vorming van de arbeidsvoorwaarden betrokken.
Bij beroepskwaliteit gaat het om de verbetering van de beroepskwaliteit van de leraren; de versterking van de schoolorganisaties; en de vormgeving van een arbeidsmarktbeleid. Daartoe wordt veel beleidsvoorbereidend en evaluerend onderzoek verricht. Daarnaast worden overeenkomsten afgesloten met werkgevers en werknemers, experimentele projecten op individuele scholen ondersteund, en wordt voorlichting gegeven.
Voor een beschrijving van de historische ontwikkelingen op dit beleidsterrein wordt verwezen naar het: T. I. van Galen-Steegstra, Leraar onder voorwaaren. Een institutioneel onderzoek naar de arbeidsvoorwaarden en beroepskwaliteit in de sector Onderwijs en Wetenschappen 1945–2000 (Den Haag, 2000) PIVOT-rapport nr. 128.
1.3. Beleidsdoelstelling
Het Ministerie van OCenW is o.a. belast met de zorg voor het onderwijs(beleid). Belangrijke aspecten daarbij zijn het stellen van kwalitatieve en kwantitatieve eisen aan het onderwijs bij scholen en instellingen, en het scheppen van de (rand)voorwaarden waardoor scholen en instellingen aan die eisen kunnen voldoen.
Voor het waarborgen van de aanwezigheid van goed en gekwalificeerd onderwijspersoneel zet het ministerie met name beleidsinstrumenten in de sfeer van de arbeidsvoorwaarden in.
Onderwijs staat of valt met de man of vrouw voor de klas. Formeel is het onderwijzend personeel in dienst van het bevoegd gezag (meestal het bestuur) van de onderwijsinstellingen. De subsidiëring van de salarissen van het onderwijspersoneel komt echter ten laste van de begroting van de minister van onderwijs. Hoewel de minister dus formeel gezien niet de ‘werkgever’ van het onderwijspersoneel is, staat hij wel in een zekere verantwoordelijkheidsrelatie ten opzichte van het onderwijzend personeel. Vanuit deze hoedanigheid is de minister van onderwijs belast met de zorg voor voldoende, en voldoende gekwalificeerde, onderwijzers en onderzoekers. Goede arbeidvoorwaarden, zowel primaire als secundaire, kunnen bijdragen aan voldoende beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardig personeel op de middellange en lange termijn.
1.4. Afbakening van het onderzoek
Het beleidsterrein arbeidsvoorwaarden en beroepskwaliteit van onderwijzend en wetenschappelijk personeel heeft twee grote raakvlakken met andere taakgebieden van de overheid. Enerzijds raakt het alle onderwijsbeleid zoals dat binnen het ministerie van OCenW gevoerd wordt. Anderzijds raakt het gedeeltelijk aan het ambtenarenrecht zoals dat binnen andere overheidssectoren geldt.
Binnen het ministerie van OCenW zijn verschillende institutionele onderzoeken verricht naar het beleid ten aanzien van de vele onderwijssoorten:
Bij al deze rapporten ligt de nadruk op de beleidsontwikkelingen, de wetgeving, en het handelen van de overheid op dat (deel)beleidsterrein. De arbeidsvoorwaarden komen in deze rapporten vaak wel zijdelings aan bod, maar zijn primair het onderwerp van ‘Leraar onder voorwaarden’.
Dat betekent dat er een zekere overlap bestaat tussen het onderhavige BSD en de overige onderwijs BSD’s die op grond van de bovenstaande rapporten zijn opgesteld. Omdat niet op voorhand bleek aan te geven om welke handelingen het precies gaat, is met het ministerie van OCenW afgesproken (afstemmingsoverleg 19 september 2000) is het volgende afgesproken:
Het BSD AB wordt vastgesteld zonder intrekking van handelingen in de andere BSD's. Voor de bewerking gebruikt de CAS AB, bij eventuele overlap heeft AB de voorkeur. De CAS signaleert en bespreekt de overlap in het bewerkingsoverleg. Dit wordt vastgelegd en gebruikt bij actualisaties van de onderwijs BSD's.
Op het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is in het kader van PIVOT institutioneel onderzoek gedaan dat betrekking heeft op het overheidspersoneelsbeleid. Dit onderzoek is beschreven in de volgende rapporten:
In deze rapporten komen onder andere de aanstelling en beloning conform het ambtenarenrecht aan bod. Voor zover de in de rapporten overheidspersoneelsbeleid beschreven algemene regelingen ook gelden voor de sector Onderwijs en Wetenschappen, hebben deze onderzoeken tevens betrekking op het onderwijzend en wetenschappelijk personeel. Binnen de sector onderwijs en wetenschappen kent men eigen rechtspositiebesluiten. Deze specifieke regelingen komen in het onderhavige rapport aan bod.
Hoofdstuk 2: Taakgebieden en beleidsterreinen op ministerieel niveau
2.1 Taken en beleidsterreinen
Bij K.B. van 25 september 1918 (Stb.1918/551) werd het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ingesteld. De naam van het departement werd bij K.B. van 14 april 1965 (Stb.1965/146) gewijzigd in Onderwijs en Wetenschappen, en laatstelijk in Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) bij K.B. van 22 augustus 1994.
In deze sector zijn de voornaamste taken van dit departement de zorg voor het openbaar onderwijs, het waarborgen van de vrijheden van stichting, richting en inrichting van het bijzonder onderwijs, de zorg voor de structurering, de bekostiging naar gelijke maatstaf, het toezicht, het examineren en de studiefinanciering. Het departement bevordert ook de vernieuwing van het onderwijs. De minister is tevens belast met de coördinatie van het wetenschapsbeleid. Het toezicht op het onderwijs wordt door verschillende onderwijswetten opgedragen aan de minister van Onderwijs en werd tot het eind van de jaren negentig onder zijn gezag uitgeoefend door de Inspectie van het onderwijs. Inmiddels is de Onderwijsinspectie verzelfstandigd.
Een belangrijk aspect van het onderwijsbeleid is het stellen van kwalitatieve en kwantitatieve eisen aan het onderwijs bij scholen en instellingen. Dit gebeurt enerzijds door het treffen van regelingen voor de toedeling van middelen, en anderzijds door het stellen van voorwaarden waaraan de scholen en instellingen moeten voldoen.
Hoewel het onderwijzend personeel formeel in dienst is van het bevoegd gezag (meestal het bestuur) van de onderwijsinstellingen, komt de subsidiëring van de salarissen van het onderwijspersoneel ten laste van de begroting van de minister van onderwijs. De minister is dus geen ‘werkgever’ van het onderwijspersoneel, maar staat wel in een zekere verantwoordelijkheidsrelatie ten opzichte van het onderwijzend personeel. Voor het waarborgen van de aanwezigheid van goed en gekwalificeerd personeel zet het ministerie met name beleidsinstrumenten in de sfeer van de arbeidsvoorwaarden in.
Bij het arbeidsvoorwaardenbeleid hebben de verschillende partijen hun eigen verantwoordelijkheden. Vanuit haar verantwoordelijkheid voor de omvang en kwaliteit van de personeelsvoorziening heeft de overheid een belangrijke taak in het goed laten functioneren van het stelsel waarbinnen de arbeidsvoorwaarden tot stand komen. Daarnaast dragen de sociale partners (de besturenorganisaties in het onderwijs samen met de vakcentrales en de minister van Onderwijs) – afhankelijk van de onderwijssector in kwestie – een eigen verantwoordelijkheid bij de vormgeving van de arbeidsvoorwaarden, waarover in decentrale CAO’s eventueel afspraken kunnen worden vastgelegd. Binnen het kader van deze collectieve arbeidsovereenkomsten zijn schoolbesturen en schoolleiders verantwoordelijk voor het arbeidsvoorwaarden- en personeelsbeleid op het niveau van de instellingen.
Het beleidsterrein ‘Arbeidsvoorwaarden en beroepskwaliteit’ omvat binnen het Ministerie van OCenW het beleid voor de arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid van het personeel in onderwijs en onderzoek, alsmede de beroepskwaliteit van de leraar.
Het gaat hierbij om het ontwikkelen, vormgeven en instandhouden van:
Daarnaast omvat het tevens het scheppen van randvoorwaarden voor en het vormgeven van een optimale personeelsvoorziening in de sector onderwijs, cultuur en wetenschappen.
2.2 Directie Arbeidsvoorwaarden en beroepskwaliteit
De directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit (AB) is één van de aspectdirecties van het Ministerie van OCenW. Het kenmerk van een aspectdirectie is dat zij een beleidsontwikkelende functie heeft, gericht op algemene, sectoroverstijgende zaken.
In de directie AB zijn dus beleidsmatige taken met betrekking tot arbeidsvoorwaarden verenigd van alle velddirecties. Het sectoroverstijgende karakter van de directie AB is goed te zien aan de vroegere organisatie van het ministerie: elke velddirectie (d.w.z. de vroegere directoraten-generaal) had zijn eigen afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid. Daarnaast, of daarboven, was er nog een coördinerende afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid die de gemeenschappelijke aangelegenheden behartigde.
Zoals gezegd, wordt binnen het ministerie van OCenW het beleid met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid van het personeel in onderwijs, alsmede ten aanzien van de beroepskwaliteit van de leraar vormgegeven. De taken van de directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit zijn:
Tussen 1918 en 1965 vond de behartiging van arbeidsvoorwaarden binnen het ministerie van Onderwijs nagenoeg geheel verspreid plaats als onderdeel van de (onder-)afdelingen Personeelszaken van de diverse velddirecties.
Het ministerie van Onderwijs kent sinds 1965 een aparte afdeling op het gebied van de rechtspositie. Binnen het Directoraat-generaal voor het Onderwijs werd in dat jaar de Hoofdafdeling Rechtspositiezaken onderwijs opgericht. In 1972 werd deze afdeling omgedoopt in Directie Rechtspositiezaken Onderwijs (RO). Daarnaast had het ministerie een afdeling Personeelszaken voor het Wetenschappelijk onderwijs.
Sedert 1974 viel de Directie Rechtspositiezaken Onderwijs onder het Directoraat-generaal voor de Diensten Onderwijs en Inspectie (DGDI). De naam van de Directie Rechtspositiezaken Onderwijs werd in 1976 veranderd in de Directie Arbeidsvoorwaardenbeleid.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.