Regeling houdende regels voor de luchtvaart voor het geven en ontvangen van seinen in nood, bij spoed, bij zoek- en reddingsacties en bij onderschepping (Regeling seinen luchtvaart)
Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;
Gelet op artikel 33 van het Luchtverkeersreglement;
Gezien aanhangsel 1 en 2 en bijvoegsel A van Bijlage 2 (Rules of the Air) en Bijlage 12 (Search and Rescue) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. grondsein: visueel signaal dat wordt gegeven door middel van een figuur op de grond;
- b. lichtsein: visueel signaal dat wordt gegeven door middel van een kunstmatige lichtbron;
- c. morsesein: signaal dat bestaat uit korte en lange tekens uit het morsealfabet;
- d. noodsein: signaal dat blijk geeft van een ernstige situatie waarbij gevaar dreigt en onmiddellijk hulp is vereist;
- e. spoedsein: signaal dat blijk geeft van een ernstige situatie waarbij mogelijk gevaar dreigt en hulp is gewenst.
Hoofdstuk 2. Nood- en spoedseinen
Artikel 2
Ten behoeve van zoek- en reddingsacties worden door de desbetreffende luchtvaartuigen, reddingsvoertuigen, reddingseenheden en overlevenden de seinen, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, gebruikt. In deze bijlage is tevens aangegeven hoe overeenkomstig deze seinen wordt gehandeld.
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Vervallen
Hoofdstuk 3. Zoek- en reddingsseinen; seinen bij onderschepping
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Vervallen
Hoofdstuk 4. Seinen voor het luchthavenverkeer
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Vervallen
Artikel 11
Vervallen
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 12
Vervallen
Artikel 13
De Regeling seinen wordt ingetrokken.
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 15
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling seinen luchtvaart.
Bijlage 1. , behorende bij artikel 5
Het luchtvaartuig dat een reddingsvoertuig naar een luchtvaartuig of voertuig wil leiden dat in nood verkeert, geeft dit met de volgende, eventueel herhaalde, bewegingen aan:
- a. minstens één keer cirkelen boven het reddingsvoertuig,
- b. op lage hoogte vlak voor het reddingsvoertuig langs vliegen en
- 1°. schommelen met de vleugels,
- 2°. het openen en sluiten van de gashandel, of
- 3°. het veranderen van de spoed van de propeller,
- c. koers zetten in de richting waarin het reddingsvoertuig wordt gestuurd.
De volgende, eventueel herhaalde, bewegingen van een luchtvaartuig betekenen dat de hulp van het reddingsvoertuig waaraan het sein wordt gegeven niet langer nodig is:
op lage hoogte vlak achter het reddingsvoertuig langs vliegen en
- 1°. schommelen met de vleugels,
- 2°. het openen en sluiten van de gashandel, of
- 3°. het veranderen van de spoed van de propeller.
Reddingsvoertuigen reageren als volgt op de seinen, bedoeld in onderdeel 1 of 2:
- a. ter bevestiging:
- 1°. het hijsen van een vlag met verticale rode en witte strepen,
- 2°. het met een lamp herhaald seinen van de letter T met het sein – in morse code,
- 3°. het veranderen van koers in de gewenste richting;
- b. om aan te geven dat men niet aan de vraag kan voldoen:
- 1°. het hijsen van een blauw met wit geblokte vlag,
- 2°. het met een lamp herhaald seinen van de letter N met het sein –. in morse code.
Overlevenden gebruiken de volgende grondseinen naar luchtvaartuigen:
- a. hulp gevraagd: V
- b. medische hulp gevraagd: X
- c. nee of ontkennend: N
- d. ja of bevestigend: Y
- e. verplaatsend in deze richting: →
Reddingseenheden gebruiken de volgende grondseinen naar luchtvaartuigen:
- a. werkzaamheden afgerond: LLL
- b. wij hebben alle inzittenden gevonden: LL
- c. wij hebben sommige inzittenden gevonden: ++
- d. wij zijn niet in staat door te gaan en komen terug naar de basis: XX
- e. zijn opgesplitst in twee groepen; van iedere groep is de richting aangegeven: ←/→
- f. informatie ontvangen dat het luchtvaartuig zich in de volgende richting bevindt: →→
- g. niets gevonden; zullen doorgaan met zoeken: NN.
De grondseinen, bedoeld in onderdeel 4 of 5, worden ten minste 2,5 m (8 voet) hoog en zo opvallend mogelijk gemaakt. Aandacht voor deze seinen kan met andere middelen worden verkregen, zoals radio, vuur, rook en reflectie.
De volgende seinen van luchtvaartuigen betekenen dat de grondseinen zijn begrepen:
- a. bij dag: schommelen met de vleugels,
- b. bij nacht: twee maal in- en uitschakelen van de landingslichten, of indien niet aanwezig, twee maal aan- en uitzetten van de navigatielichten.
Het uitblijven van het sein, bedoeld in onderdeel 7, betekent dat het grondsein niet is begrepen.
Wanneer een gezagvoerder bemerkt dat een luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood verkeert is deze verplicht, tenzij hij hiertoe niet in staat is of de omstandigheden dit onredelijk of onnodig maken:
- a. zicht te houden op het in nood verkerende toestel, totdat zijn aanwezigheid niet langer noodzakelijk is,
- b. zijn positie vast te stellen als daarover geen zekerheid bestaat,
- c. het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst indien mogelijk de volgende informatie te verstrekken:
- 1°. het type luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood, diens identificatie en toestand,
- 2°. diens positie, uitgedrukt in geografische coördinaten of in afstand en ware koers gezien vanuit een bepaald landkenmerk of van een radionavigatiehulpmiddel,
- 3°. tijdstip van waarneming, uitgedrukt in uren en minuten gecoördineerde wereldtijd,
- 4°. aantal waargenomen personen,
- 5°. of personen in de omgeving van het in nood verkerende toestel zijn waargenomen,
- 6°. het aantal personen in vlotten,
- 7°. de waarschijnlijke fysieke conditie van overlevenden,
- d. te handelen volgens de opdrachten van het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeerdienst.
Wanneer het eerste luchtvaartuig dat de plaats van een ongeval bereikt, niet van een zoek- of reddingsdienst is, is het belast met de leiding van de plaatselijke activiteiten van alle andere luchtvaartuigen totdat het eerste luchtvaartuig van een zoek- of reddingsdienst de locatie bereikt. Als het luchtvaartuig echter in de tussentijd niet in staat is te communiceren met het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst, draagt het met wederzijdse goedkeuring zijn verantwoordelijkheid over aan een luchtvaartuig dat wel in staat is die communicatie te verzorgen, tot de komst van het eerste luchtvaartuig van de zoek- of reddingsdienst.
Wanneer het noodzakelijk is voor een luchtvaartuig om een voertuig of vaartuig te leiden naar de plaats waar een luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood is, doet de gezagvoerder dat door nauwkeurige aanwijzingen te geven met elk willekeurig middel dat ter beschikking is. Wanneer geen radiocontact tot stand kan worden gebracht, gebruikt het luchtvaartuig de seinen, bedoeld in onderdeel 1 of 2.
Wanneer het noodzakelijk is voor een luchtvaartuig om informatie te verstrekken aan overlevenden of reddingseenheden en tweezijdig radiocontact niet mogelijk is, dropt het, indien uitvoerbaar, communicatiemiddelen waarmee wel rechtstreeks radiocontact mogelijk is, of verstrekt het de informatie door deze te droppen.
Wanneer een grondsein zichtbaar is, geeft het luchtvaartuig aan of dit sein is begrepen middels de seinen, bedoeld in onderdeel 7 of 8, of via de methode als bedoeld in onderdeel 12.
Wanneer een noodsein of -bericht of een soortgelijke boodschap door een luchtvaartuig is opgevangen middels telegrafie of radiotelefonie, is de gezagvoerder verplicht:
- a. de positie van het toestel in nood vast te leggen als deze is gegeven,
- b. indien mogelijk een peiling van de uitzending te verrichten,
- c. het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst alle beschikbare informatie te verstrekken, en
- d. te overwegen om in afwachting van instructies koers te zetten naar de positie die in het bericht is vermeld.
Bijlage 1. behorende bij artikel 2 van de Regeling seinen luchtvaart
Het luchtvaartuig dat een reddingsvoertuig naar een luchtvaartuig of voertuig wil leiden dat in nood verkeert, geeft dit met de volgende, eventueel herhaalde, bewegingen aan:
- a. minstens één keer cirkelen boven het reddingsvoertuig,
- b. op lage hoogte vlak voor het reddingsvoertuig langs vliegen en
- 1°. schommelen met de vleugels,
- 2°. het openen en sluiten van de gashandel, of
- 3°. het veranderen van de spoed van de propeller,
- c. koers zetten in de richting waarin het reddingsvoertuig wordt gestuurd.
De volgende, eventueel herhaalde, bewegingen van een luchtvaartuig betekenen dat de hulp van het reddingsvoertuig waaraan het sein wordt gegeven niet langer nodig is:
op lage hoogte vlak achter het reddingsvoertuig langs vliegen en
- 1°. schommelen met de vleugels,
- 2°. het openen en sluiten van de gashandel, of
- 3°. het veranderen van de spoed van de propeller.
Reddingsvoertuigen reageren als volgt op de seinen, bedoeld in onderdeel 1 of 2:
- a. ter bevestiging:
- 1°. het hijsen van een vlag met verticale rode en witte strepen,
- 2°. het met een lamp herhaald seinen van de letter T met het sein – in morse code,
- 3°. het veranderen van koers in de gewenste richting;
- b. om aan te geven dat men niet aan de vraag kan voldoen:
- 1°. het hijsen van een blauw met wit geblokte vlag,
- 2°. het met een lamp herhaald seinen van de letter N met het sein –. in morse code.
Overlevenden gebruiken de volgende grondseinen naar luchtvaartuigen:
- a. hulp gevraagd: V
- b. medische hulp gevraagd: X
- c. nee of ontkennend: N
- d. ja of bevestigend: Y
- e. verplaatsend in deze richting: →
Reddingseenheden gebruiken de volgende grondseinen naar luchtvaartuigen:
- a. werkzaamheden afgerond: LLL
- b. wij hebben alle inzittenden gevonden: LL
- c. wij hebben sommige inzittenden gevonden: ++
- d. wij zijn niet in staat door te gaan en komen terug naar de basis: XX
- e. zijn opgesplitst in twee groepen; van iedere groep is de richting aangegeven: ←/→
- f. informatie ontvangen dat het luchtvaartuig zich in de volgende richting bevindt: →→
- g. niets gevonden; zullen doorgaan met zoeken: NN.
De grondseinen, bedoeld in onderdeel 4 of 5, worden ten minste 2,5 m (8 voet) hoog en zo opvallend mogelijk gemaakt. Aandacht voor deze seinen kan met andere middelen worden verkregen, zoals radio, vuur, rook en reflectie.
De volgende seinen van luchtvaartuigen betekenen dat de grondseinen zijn begrepen:
- a. bij dag: schommelen met de vleugels,
- b. bij nacht: twee maal in- en uitschakelen van de landingslichten, of indien niet aanwezig, twee maal aan- en uitzetten van de navigatielichten.
Het uitblijven van het sein, bedoeld in onderdeel 7, betekent dat het grondsein niet is begrepen.
Wanneer een gezagvoerder bemerkt dat een luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood verkeert is deze verplicht, tenzij hij hiertoe niet in staat is of de omstandigheden dit onredelijk of onnodig maken:
- a. zicht te houden op het in nood verkerende toestel, totdat zijn aanwezigheid niet langer noodzakelijk is,
- b. zijn positie vast te stellen als daarover geen zekerheid bestaat,
- c. het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst indien mogelijk de volgende informatie te verstrekken:
- 1°. het type luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood, diens identificatie en toestand,
- 2°. diens positie, uitgedrukt in geografische coördinaten of in afstand en ware koers gezien vanuit een bepaald landkenmerk of van een radionavigatiehulpmiddel,
- 3°. tijdstip van waarneming, uitgedrukt in uren en minuten gecoördineerde wereldtijd,
- 4°. aantal waargenomen personen,
- 5°. of personen in de omgeving van het in nood verkerende toestel zijn waargenomen,
- 6°. het aantal personen in vlotten,
- 7°. de waarschijnlijke fysieke conditie van overlevenden,
- d. te handelen volgens de opdrachten van het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeerdienst.
Wanneer het eerste luchtvaartuig dat de plaats van een ongeval bereikt, niet van een zoek- of reddingsdienst is, is het belast met de leiding van de plaatselijke activiteiten van alle andere luchtvaartuigen totdat het eerste luchtvaartuig van een zoek- of reddingsdienst de locatie bereikt. Als het luchtvaartuig echter in de tussentijd niet in staat is te communiceren met het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst, draagt het met wederzijdse goedkeuring zijn verantwoordelijkheid over aan een luchtvaartuig dat wel in staat is die communicatie te verzorgen, tot de komst van het eerste luchtvaartuig van de zoek- of reddingsdienst.
Wanneer het noodzakelijk is voor een luchtvaartuig om een voertuig of vaartuig te leiden naar de plaats waar een luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood is, doet de gezagvoerder dat door nauwkeurige aanwijzingen te geven met elk willekeurig middel dat ter beschikking is. Wanneer geen radiocontact tot stand kan worden gebracht, gebruikt het luchtvaartuig de seinen, bedoeld in onderdeel 1 of 2.
Wanneer het noodzakelijk is voor een luchtvaartuig om informatie te verstrekken aan overlevenden of reddingseenheden en tweezijdig radiocontact niet mogelijk is, dropt het, indien uitvoerbaar, communicatiemiddelen waarmee wel rechtstreeks radiocontact mogelijk is, of verstrekt het de informatie door deze te droppen.
Wanneer een grondsein zichtbaar is, geeft het luchtvaartuig aan of dit sein is begrepen middels de seinen, bedoeld in onderdeel 7 of 8, of via de methode als bedoeld in onderdeel 12.
Wanneer een noodsein of -bericht of een soortgelijke boodschap door een luchtvaartuig is opgevangen middels telegrafie of radiotelefonie, is de gezagvoerder verplicht:
- a. de positie van het toestel in nood vast te leggen als deze is gegeven,
- b. indien mogelijk een peiling van de uitzending te verrichten,
- c. het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst alle beschikbare informatie te verstrekken, en
- d. te overwegen om in afwachting van instructies koers te zetten naar de positie die in het bericht is vermeld.
Bijlage 2. , behorende bij artikel 6
Vervallen
Bijlage 3. , behorende bij artikel 9
Vervallen
I. De volgende seinenworden door de seiner gegeven door middel van de daarachter vermelde parkeerseinen
a. Ga verder onder aanwijzing van de seiner: De seiner leidt het luchtvaartuig, indien dit noodzakelijk is.
b. Hier parkeren: De armen omhoog gestrekt met de handpalmen naar elkaar toe.
c. Ga verder naar de volgende seiner: Rechter- of linkerarm naar beneden, andere arm gekruist voor het lichaam en gestrekt in de richting van de volgende seiner.
d. Rechtuit rijden: De armen worden een weinig uit elkaar, met de handpalmen achterwaarts, herhaaldelijk vanaf schouderhoogte naar boven en naar achteren bewogen.
e. Draai naar links: De rechterarm wijst naar beneden; de linkerarm wordt herhaaldelijk van recht vooruit naar boven en naar achteren bewogen. Hoe sneller de arm wordt bewogen, hoe sneller moet worden gedraaid.
f. Draai naar rechts: De linkerarm wijst naar beneden; de rechterarm wordt herhaaldelijk van recht vooruit naar boven en naar achteren bewogen. Hoe sneller de arm wordt bewogen, hoe sneller moet worden gedraaid.
g. Stop: De gestrekte armen worden herhaaldelijk boven het hoofd gekruist. Hoe sneller de armen worden gekruist, hoe sneller moet worden gestopt.
h. Remmen vast: De arm en geopende hand worden horizontaal gestrekt voor het lichaam, waarna een vuist wordt gemaakt.
i. Remmen los: De arm en hand met gebalde vuist worden horizontaal gestrekt voor het lichaam, waarna de vuist geopend wordt.
j. Wielblokken worden vastgezet: De gestrekte armen worden met de handpalm naar binnen van zijwaarts naar omlaag bewogen.
k. Wielblokken zijn weggenomen: De gestrekte armen worden met de handpalm naar buiten van omlaag in zijwaartse richting bewogen.
l. Motor(en) starten: De rechterhand beschrijft een cirkel naast het hoofd, terwijl met het aantal opgestoken vingers wordt aangegeven welke motor moet worden gestart; de motoren worden aangeduid door opeenvolgende nummering, te beginnen met de buitenste linker motor, die als nummer 1 wordt aangeduid.
m. Motor(en) afzetten: De rechter- of linkerhand wordt, met de handpalm naar beneden, op schouderhoogte voor de keel heen en weer bewogen, terwijl de arm gebogen blijft.
n. Snelheid verminderen: De armen worden met de handpalmen naar beneden gericht herhaaldelijk naast het lichaam op en neer bewogen.
o. Snelheid van de motoren verminderen aan de aangegeven zijde: De armen worden – met de handpalmen naar de grond gericht – langs het lichaam gestrekt, waarna de linker of rechterhand op en neer wordt bewogen om aan te geven dat de linker of rechter motor(en) snelheid moet(en) minderen.
p. Achteruit: De gestrekte armen worden – met de handpalmen naar voren gericht – herhaaldelijk naar voren en naar boven langs het lichaam bewogen tot aan schouderhoogte.
q. Staart naar rechts, achteruitrijdend: De linkerarm wijst zijwaarts omlaag, terwijl de gestrekte rechterarm – met de handpalm naar voren gericht – herhaaldelijk van omhoog naar voren wordt bewogen.
r. Staart naar links, achteruitrijdend: De rechterarm wijst zijwaarts omlaag, terwijl de gestrekte linkerarm – met de handpalm naar voren gericht – herhaaldelijk van omhoog naar voren wordt bewogen.
s. Alles vrij: De rechterarm wordt opgeheven vanaf de elleboog, terwijl de duim van de rechterhand omhoog wijst.
II. de volgende aanwijzingen voor helikopters worden door de seiner gegeven door middel van de daarachter vermelde manoeuvreertekens
a. Houd positie (‘hover’): Armen horizontaal zijwaarts uitgestrekt.
b. Stijgen: De armen worden horizontaal zijwaarts uitgestrekt en naar boven bewogen, met de handpalmen naar boven gericht. De snelheid van de beweging geeft de stijgsnelheid aan.
c. Dalen: De armen worden horizontaal zijwaarts uitgestrekt en naar beneden bewogen, met de handpalmen naar beneden gericht. De snelheid van de beweging geeft de daalsnelheid aan.
d. Vlieg horizontaal in de aangegeven richting: De ene arm wijst zijwaarts in de vliegrichting, terwijl de andere arm herhaaldelijk in dezelfde richting voor het lichaam wordt bewogen.
e. Landen: De armen gekruist voor het lichaam naar beneden gestrekt.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1a
Deze regeling berust op artikel 6 van het Besluit luchtverkeer 2014.
Hoofdstuk 2. Zoek- en reddingsseinen
Hoofdstuk 3. Zoek- en reddingsseinen; seinen bij onderschepping
Hoofdstuk 4. Seinen voor het luchthavenverkeer
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Bijlage 4. , behorende bij artikel 10
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.